Che in Antwerpen

In Spanje bezetten jongeren pleinen, de Grieken komen op straat. In Noord-Afrika en het Midden-Oosten breekt een ‘Arabische lente’ los. In eigen land is de opstandige variant milder, maar er beweegt wel wat. Burgerprotesten nemen toe, toont nu ook wetenschappelijk onderzoek aan (DS 20/06/2011).

Een echte held

Wie zich voor revoluties interesseert, kan nog heel juli in Antwerpen terecht: er loopt een tentoonstelling over het werk van Roberto Salas, één van Che Guevara’s beroemdste fotografen. De iconische afbeelding van deze Argentijnse revolutionair staat overal ter wereld op posters, t-shirts,vlaggetjes, kaartjes. Che’s magie is nog lang niet uitgewerkt. Che had dan ook idealen, waarvoor hij bereid was te sterven. En stierf. Eén van de laatste, echte helden…

Voorbij idealen?

“Tja”, hoor ik de kritische lezer al zuchten. “Ideologieën, en zelfs gewoon idealen, zijn toch voorbijgestreefd, nee? In het beste geval potentieel gevaarlijke naïviteiten… Weg met die handel!”

Wel, ik denk dat er ook iets verloren is gegaan met de postmoderne nuchterheid. Daarbij formuleren postmoderne intellectuelen hun ideeën op zo’n manier dat ze niemand nog begeesteren. Politieke bewegingen hebben nog maar weinig voeling met de geweldige kracht die uitgaat van idealen, met de constructieve energie van een rotsvast geloof dat een positieve inbreng, hoe klein ook, wel degelijk een verschil kan maken.

En wat kan een politieke beweging nog betekenen zonder inspiratie?

In ‘Het kristalpaleis’ stelt Peter Sloterdijk dat een te aards links esthetisch en ethisch onbevredigend is. Te vlak betekent: zonder horizon, zonder toekomst.

De kritische lezer kan dan tegenwerpen dat revoluties meestal mislukken, of minder vernieuwing brengen dan gehoopt. Dat klopt, maar een mogelijk falen lijkt me geen hindernis: mensen verzetten zich niet omdat ze geloven dat hun opstand zal slagen. Ze verzetten zich omdat ze geen andere mogelijkheid zien. Elke revolte heeft haar eigen legitimiteit. Wat niet wil zeggen dat ze haar oorspronkelijke doel bereikt (volgens Hannah Arendt slaagde alleen de Amerikaanse…). Of dat ze op zich genomen, een goed idee is.

Wat een revolutie in Latijns-Amerika rechtvaardigde, was de situatie van de machteloze, ongeletterde bevolking, die geen land, bezit of politieke inspraak had. In zijn dagboek schetst Che een leven in schrijnende armoede: “Het is dan, in deze laatste ogenblikken van mensen wier horizon nooit verder lag dan de dag van morgen, dat pas goed tot je doordringt wat een tragedie er schuilgaat achter het leven van de proletariërs overal ter wereld; wat al die halfgebroken ogen uitdrukken is een nederig verzoek om vergiffenis, en vaak ook een wanhopig verzoek om troost dat verloren gaat in de ruimte, zoals weldra hun lichaam verloren zal gaan in het grote mysterie dat ons omringt.” (1)

Liefde

Wat is dan de essentie van de revolutionaire geest? Aan een Amerikaanse journaliste verklaart Che enigszins verrassend: “Sta me toe, op het gevaar af belachelijk te lijken, te zeggen dat de echte revolutionair wordt geleid door diepe gevoelens van liefde. Liefde voor de mensen, voor de gerechtigheid, voor de waarheid. Wie die liefde niet voelt, kan nooit een authentieke revolutionair zijn… ” (2). Het revolutionaire motief is niet haat. Of ressentiment, afgunst of wraak. Deze affecten kunnen nooit het goede in de mens naar boven brengen.

Che’s invloed bewijst ook het belang van leiderschap. Maar voorlopig getuigen de opstanden – van de Spaanse jongerenrevolutie tot de ‘frietrevolutie’ in eigen land – van weinig visie en inzicht. En er valt weinig structuur te bespeuren, wat wel past in de hedendaagse afkeer voor hiërarchie en organisatie. Volgens mij zijn politieke leiders echter onontbeerlijk. En de bereidheid om voor je ideaal te lijden is een onontbeerlijke kwaliteit om een overtuigend leider te zijn. Zonder zelfopoffering geen geloofwaardigheid… Tja, wanneer heeft een politieke leider dit voor het laatst getoond?

Zelf relativeert Che zijn rol. Hoewel zijn charismatische persoonlijkheid een sterke indruk maakte op wie hem ontmoette, beschouwde hij zichzelf niet als een Messias: “Ik ben geen Jezus en geen filantroop.”, schrijft hij aan zijn moeder, “Ik ben het omgekeerde en filantropie heeft niets te maken met de zaken waarin ik geloof. Ik zal met alle wapens vechten die mij ter beschikking staan, in plaats van me aan een kruis of waar dan ook aan te laten vastspijkeren.” (3).

Streven naar macht?

Als guerrillero beseft Che hoe moeilijk het is om een revolutionair vuur gaande te houden, om niet tot een nieuw machtsdenken over te gaan. “Laten we altijd een grote dosis bescheidenheid bezitten”, schrijft hij, “een grote dosis rechtvaardigheidsgevoel en waarheidsliefde, om niet door verstarring te vervallen in extremistische dogma’s en vervreemding van de massa’s” (4). Cuba wordt hem weldra te klein, en dat heeft met de toenmalige internationale politiek te maken.

Ten tijde van de Cubaanse revolutie, in 1959, woedt volop de koude oorlog. Vrij snel na de machtsovername van Castro stelt de VS een embargo in. Voortaan is Cuba aangewezen op steun uit andere communistische landen, vooral uit de Sovjet-Unie.

Als Che in de gaten krijgt dat die Sovjet-Unie weinig bekommerd is om de bevrijding van andere onderdrukte volkeren, maar in het buitenland vooral een eigen imperialistische politiek wil voeren, keert hij zich tegen de Cubaans-Russische alliantie. Met cynische machtspolitiek wil hij niets te maken hebben: hij verkiest radicale solidariteit met de derde wereld boven goede relaties met het nieuwe machtsblok. Hij had sinds 1959 een blitzcarrière gemaakt, maar rond 1965 houdt niets hem nog in Cuba. Vastberaden geeft hij zijn hoge functies en zijn comfortabele leven op. Hij verdwijnt eerst naar landen als Algerije en Congo. Daarna vertrekt hij definitief, en met een helder besef over de mogelijk fatale afloop, naar Latijns-Amerika om de strijd verder te zetten. In 1967 wordt hij door het Boliviaanse leger, met steun van de Amerikaanse CIA, geëxecuteerd.

Che’s erfenis vandaag

Che’s geest waart er nog rond. In 2009 draait Oliver Stone de boeiende documentaire ‘South of the Border’, waarin hij op zoek gaat naar enkele Latijns-Amerikaanse leiders, die in de Westerse media als demonen worden afgeschilderd. Ze worden verketterd omdat ze zich verzetten tegen Amerikaanse en Europese inmengingen en een onafhankelijke politiek willen voeren. In hun ogen werd Che’s droom veertig jaar na zijn dood werkelijkheid: eindelijk hebben Latijns-Amerikaanse landen leiders die de lokale, inheemse bevolking weerspiegelen (bijvoorbeeld Evo Morales als president van Bolivia).

Tinneke Beeckman

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s