‘Wanneer spreekt een journalist de waarheid’, Artikel in Trouw 11 feb. 2016

Unknown-2Journalist Marc van Dijk interviewde Cees Hamelink, Mark Deuze en mezelf over de hedendaagse scepsis tegenover de media. Het artikel verscheen in Trouw, op 11 februari 2016.

“Het grootste probleem van de journalistiek is niet een tekort aan publiek, maar het afnemende vertrouwen van dat publiek. Wanneer slaat gezonde scepsis om in regelrecht wantrouwen tegenover ‘de mainstream-media’?

Scepsis is de komende jaren het eindexamenonderwerp in het schoolvak filosofie. Tot aan het eindexamen in mei publiceert Trouw elke twee weken een aflevering van de serie ‘Hoe weet je dat eigenlijk?’ Die vraag leggen we steeds een andere filosoof voor. Daarbij komen allerlei terreinen aan bod: kunst, media, politiek, techniek, natuur, wetenschap, religie, economie en identiteit. Over twee weken verschijnt de volgende aflevering.

Moet je geloven wat er in de krant staat? Cees Hamelink roept al jaren van niet. De emeritus-hoogleraar communicatie schreef meerdere boeken waarin hij probeert het grote publiek de ogen te openen voor de manipulaties van spin-doctors, voorlichters, politici en bedrijven, die veel te makkelijk door journalisten zouden worden overgenomen.

Dit is volgens Hamelink niet alleen een probleem van de journalistiek, maar ook van het publiek. In een online college over journalistiek zegt hij: “Goede journalistiek heeft een ontzettend goed publiek nodig. Een publiek dat een beetje argwanend en achterdochtig is. En dat met enige regelmaat zegt: maar klopt het verhaal wel? Zou het ook anders kunnen zijn?”

Inmiddels lijkt het erop dat Hamelinks wens is uitgekomen. Het publiek is zelfs een paar stappen verder: het gelooft er geen snars meer van en besluit zelf uit te zoeken hoe het zit. Artikelen, fora en blogs van burgerjournalisten, zelfbenoemde onderzoekers en gepensioneerde wetenschappers over onderwerpen als MH17, het associatieverdrag met Oekraïne en de meest uiteenlopende terreuraanslagen, van 9/11 tot Parijs, zijn allang geen margeverschijnsel meer waar enkel zonderlingen zich mee bezighouden.

Leugenachtigheid
Het is een bont gezelschap, maar als iets hen bindt, is het de overtuiging dat je van ‘mainstream media’ geen steek wijzer wordt.

Misschien komt het door strategische en later toegegeven leugenachtigheid van politici en andere autoriteiten, die met de traditionele media geassocieerd worden. Het meest prominente voorbeeld daarvan, ook door Hamelink aangehaald, is de speech over massavernietigingswapens, waarmee Colin Powell in 2003 probeerde de VN-veiligheidsraad te overtuigen van de noodzaak van interventie in Irak. De wapens bleken er achteraf bezien niet te zijn, maar de nieuwe oorlog was een feit.

Daarnaast speelt de opkomst van sociale media als Facebook en Twitter een belangrijke rol. Online je eigen waarheid bij elkaar zoeken is een stuk makkelijker als je de ingrediënten overzichtelijk kan vinden bij vrienden en gelijkgestemden. En ook voor je eigen verhalen heb je al snel een publiekje.

Mensen zien de meerwaarde niet meer van nieuws als infotainment

Volgens Mark Deuze, hoogleraar mediastudies aan de Universiteit van Amsterdam, verhogen sociale media ons bewustzijn van het feit dat alle informatie ‘gemaakt’ is. We ervaren immers dagelijks hoe we onze eigen selectieve waarheden verkondigen over onze aaneengesloten reeksen successen, zonnige momenten en geslaagde vakanties.

Twijfels

Filosoof Tinneke Beeckman, schrijver van ‘Macht en onmacht’, waarin onder andere de thematiek van boze en wantrouwende burgers een rol speelt, krijgt van lezers vaak te horen dat ze gestopt zijn met kranten en journaals. En niet uit gebrek aan nieuwsgierigheid. Beeckman: “Mensen zien de meerwaarde niet meer van nieuws als infotainment. Bovendien twijfelen ze aan de onafhankelijkheid van journalisten. Informatie die komt van vrienden is onverdacht, want belangeloos. Als een collega zegt: ik heb een goed boek gelezen, dan zegt hij dat in elk geval niet om het te verkopen.”

Je zou het als een vooruitgang kunnen zien. Alastair Campbell, de voormalig spindoctor van Tony Blair, vraagt zich op zijn blog hardop af of het in het tijdperk van sociale media misschien over en uit is voor zijn vakgenoten. Mensen zijn volgens Campbell steeds minder makkelijk te manipuleren. Op naar een toekomst van kritische, mediawijze burgers, die zelf verhalen maken en delen?

Mark Deuze wijst op voorbeelden van onthullende burgerjournalistiek. Hyperlocal verslaggeving, zoals het werk van de Corner Media Group in New York, een netwerk van semiprofessionele en burgerjournalisten die verschillende wijken in New York bedienen.

Of Bellingcat. Deuze: “Dat begon als een blog van een alleenstaande, werkloze vader, die nogal bedreven was in het vinden en analyseren van YouTube-beelden en -kanalen. Hij heeft onder andere als eerste de herkomst van de Buk-raket getraceerd die MH17 naar beneden haalde. Hij heeft in zijn eentje talloze internationale nieuwsverhalen gemaakt of substantieel aangevuld. Inmiddels is Bellingcat een burgerjournalistieke organisatie die non-profit onderzoek doet.”

Potentie

Maar zo pakt het lang niet altijd uit. Deuze: “Verreweg de meeste van die blogs zijn helemaal niet consciëntieus. Vaak beginnen mensen eraan uit woede over een bepaald bericht, klikken dan drie maanden van alles bij elkaar en nemen er daarna nooit meer iets van terug. Met andere woorden: burgerjournalistiek heeft veel potentie, maar over het algemeen komt van die potentie niet zoveel terecht.”

Tinneke Beeckman ziet nog meer bezwaren. Bijvoorbeeld: wie beschermt een burgerjournalist, als hij daadwerkelijk grensverleggend onderzoek doet? “Onderzoeksjournalisten worden gesteund en juridisch beschermd door hun redacties. Maar een burger die werkelijk beet heeft, kan makkelijk worden vermalen door een machtige partij die hij met zijn onthullingen in het nauw brengt. Om zo’n zaak tot een goed einde te brengen, heb je een sterk journalistiek bedrijf nodig.”

Volgens Beeckman hebben de traditionele media ‘een probleem van waarachtigheid’. Maar de burgerjournalisten en zelfbenoemde onderzoekers al evenzeer. “Mensen die via internet antwoord zoeken op hun vragen, komen makkelijk terecht bij mensen die wereldgebeurtenissen op een totaal andere manier interpreteren dan de traditionele media. Bij complottheorieën neemt de argwaan en verbetenheid het veelal over van de journalistieke beroepscode die hoort bij waarheidsvinding. De onzin die je aantreft wordt op die sites ook niet weersproken, omdat de bezoekers van dergelijke sites er allemaal hetzelfde over denken.”

Het gaat hier om het onderscheid tussen gezonde scepsis en doorgeslagen wantrouwen. Wie sceptisch is, blijft onderzoeken en stelt zijn oordeel uit. Wie gedreven wordt door wantrouwen, heeft zijn oordeel juist al klaar.

Onvervangbaar

Beeckman: “De oorspronkelijke drijfveer om zelf op onderzoek uit te gaan zou je kunnen zien als gezonde scepsis. Alleen komt het resultaat van het eigen onderzoek in veel gevallen op ondeugdelijke wijze tot stand. Journalistiek is in die zin onvervangbaar; mijn buurman kan weliswaar belangeloos over iets spreken, maar ik ben niet zeker dat hij beschikt over het oordeelsvermogen, de kritische distantie en andere vaardigheden die nodig zijn om tot waarachtige bevindingen te komen.”

Wat zouden journalisten moeten doen om mensen als die buurman weer te bereiken?

Beeckman: “Journalisten zouden dit probleem veel serieuzer moeten nemen. Ik heb niet de indruk dat ze er erg mee bezig zijn. Verder denk ik dat de mensen die hun scepsis verruilen voor wantrouwen, dit vaak doen omdat ze het gevoel hebben dat redacties hen voorschrijven hoe ze moeten denken.”

“Neem de vluchtelingenproblematiek: mensen hebben het idee dat in de berichtgeving ook meteen een bepaalde opgelegde visie of houding besloten ligt. Een impliciete, vaak morele boodschap. Lezers voelen zich in hun mogelijkheid tot scepsis verhinderd. Daarom haken ze af. Redacties zouden zich veel meer moeten toeleggen op de feiten, en veel minder op het morele oordeel over de feiten.

“Anders groeit het wantrouwen verder. Wantrouwen betekent: veronderstellen, ook moreel, dat de ander te kwader trouw is. Scepsis betekent eerder: de erkenning van ieders menselijke tekortkomingen. Je kunt iets aannemen van een journalist en toch ook oog hebben voor zijn of haar beperkingen, alleen al in tijd en middelen. Een open oog houden voor het feit dat de waarheid misschien toch net iets anders kan blijken te zijn. De scepticus kan de journalist het voordeel van de twijfel gunnen. Maar degene die zich overgeeft aan wantrouwen, is het voordeel van de twijfel kwijt.”

Onderzoek: ‘Een vriend is betrouwbaarder dan een journalist’

Nieuwsconsumenten vertrouwen sinds ongeveer twee jaar liever op hun eigen zoekresultaten, die ze vinden via Google News, dan op nieuws dat gebracht wordt door traditionele media. Dit blijkt uit wereldwijd onderzoek van het Amerikaanse bureau Edelman, begin dit jaar gepubliceerd.

Andere opvallende uitkomst: mensen vertrouwen het meest op nieuws dat hen bereikt via vrienden en familie (78 procent). Daarop volgt het nieuws dat gedeeld wordt door academische experts (65 procent). Het minste vertrouwen krijgt nieuws dat gebracht wordt door degenen die er hun vak van hebben gemaakt: journalisten (44 procent).

Uit recent Brits onderzoek blijkt dat journalisten als buitengewoon onbetrouwbaar worden gezien. In de top van minst betrouwbare beroepen staan journalisten op de vierde plaats, achter makelaars (3), leden van de regering (2) en politici (1). Wie dan wel betrouwbaar is? De kapper.

In Nederland en België is het vertrouwen in de journalistiek vooralsnog waarschijnlijk iets minder diep gedaald dan in Groot-Brittannië en de VS, maar volgens Mark Deuze, hoogleraar mediastudies aan de Universiteit van Amsterdam, is de trend hier precies hetzelfde.

“Dit is zonder twijfel de grootste crisis voor de journalistiek, groter dan het probleem van afhakende abonnees of haperende verdienmodellen voor online journalistiek,” zegt Deuze. “Voor de meeste mensen is de stem van een krant of omroep niet langer belangrijker dan die van een collega, een vriend of iemand in de kroeg. Bij rampen of aanslagen is het voorlopig nog anders, maar voor het leven van alledag geldt dit zeker.”

5 Comments

  1. Bart Haers

    U vraagt dat wij professionele journalisten zouden vertrouwen en ik ben daar wel bereid toe, maar neem nu zoiets als de Arabische Lente, waarover men in een mum van tijd alleen maar gunstig wilde berichten om vervolgens, toen het mis liep, maar ineens de zwakheden van die revolutie breed uit te smeren. Ik was niet sceptisch over die Arabische revolutie, wel over de vraag waarom men niet inzien wilde dat een revolutie niet altijd volgens het boekje verloopt en dat niet idereen zoals Louis XVI bereid was de macht inderdaad af te staan. In landen als Egypte kon de legeroverheid de macht terug grijpen door zelf mee voor de chaos te zorgen en omdat de Moslim Broederschap de boodschap niet erg accuraat had gelezen.

    Ten gronde denk ik dat de u en de andere geinterviewden menen dat de bevolking bestaat uit mensen die de media niet geloven omdat zij, de journalsiten niet betrouwbaar zouden zijn. Ik denk aan het debat over het onderwijs en aan Guy Tegenbosch, die weigert de visie van leraren en van een deel van de ouders niet wil accepteren als voldragen en goed voerwogen. Men stelt het voor als een conflict tussen progressief en conservatief, maar Raf Feys en Ad Verbrugge menen op grond van ervaringen dat de vernieuwende aanpak niet deugt en dat bewezen is dat jongeren dezer dagen minder kennen, dan het vroeger het geval was, maar ook niet per se beter zijn in het oplossen van problemen.

    Toch heeft u gelijk aan te geven dat complotdenken nergens toe leiden kan, omdat men ongewenste uitkomsten van redeneringen niet accepteert en feiten die a priori ongewenst zijn niet ogestraft kan negeren. Ik denk dat u tegelijk zal erkennen dat er redelijk wat kennis in de samenleving aanwezig is, omdat mensen gewoon “doorgeleerd” hebben en dat academisch geschoolde mensen veel talrijker zijn. Toch raken sommige mensen wel eens verstrikt in cirkelredeneringen en vergeten ze de eigen oogkleppen af te leggen.

    De val van Lehmann Brothers was geen complot, maar de regering Busch vond dat als banken zoveel winst konden incasseren, ze ook voor verliezen moesten instaan. Dat het hele banksysteem door en door verrot was, onder meer omdat het systeem van partnership met ongelimiteerde persoonlijke verantwoordelijkheid was vervangen door een vennootschapsysteem waar de bankdirecteuren zich zelfs konden verzekeren tegen foute beslissingen. Maar vooral werd in de structuur van vennootschappen de directie van de bank veel minder verantwoordelijk geacht. Het duurde twee, drie jaar voor men bij Luyendyck die evolutie leerde kennen en toch, Duitse en Amerikaanse kranten hadden er al meldiing van gemaakt.

    Mensen kunnen obsessioneel geloven dat er met hun voeten wordt gespeeld of dat ze om de tuin worden geleid, maar dat journalisten niet altijd de meest veeleisende opleiding hebben genoten, kan het voorkomen dat ze voortdurend stellen dat het systeem van de peer review waterdicht zou zijn, zonder dat echt te onderzoeken. De zaak Diederik Stapel bleek een volkomen verrassing. Geen wonder, ook een krant als De Standaard had zelf enkele van zjn bevindingen zonder verder onderzoek overgenomen en gesteld dat vleeseters sowieso meer agressief zijn dan vegetariêrs en veganisten.

    Zouden we niet moeten ervaren dat journalisten, ook als ze volgens het boekje werken al eens de plank mis kunnen slaan, maar dat ook lezers zich best kunnen vergissen. Alleen de journalisten als corps geloven in de beperkte kennis van burgers die minstens hetzelfde nveau van scholing hebben gekregen dan zijzelf.

    Het gevaar bij de Arabische Lente dat machthebbers de macht konden heroveren of gewoon zelfs niet wilden afstaan, kwam in de visie van vele commentatoren en journalisten niet of nauwelijks aan bod, terwijl een revolutie niet volgens het boekje verloopt en al zeker niet volgens het boekje van Lenin.

  2. jaakjpeeters

    Wantrouwen is moeilijk te ontwijken

    Op haar blog van 11 februari publiceert Tinneke Beeckman een aantal beschouwingen over de kwaliteit van de journalistiek – ‘de’ journalistiek, dus in erg algemene zin opgevat.
    Het feit alleen dat ze dit doet laat vermoeden dat deze problematiek haar toch enigszins zorgelijk maakt. Dat laatste komt mee omdat ze kennelijk de ervaring heeft van mensen die de journalistiek hebben gelaten voor wat ze is: ongeloofwaardig, het morele vingertje verheffend en partijdig en die daarom zijn afgehaakt of zijn overgegaan tot het produceren van hun eigen journalistieke blog.
    Zelf wil ik die ongeloofwaardigheid alvast illustreren met twee voorbeelden, die zeer recent in de krant te vinden waren.
    Het eerste gaat om een mededeling dat natuurkundigen het bestaan van zwaartekrachtgolven hebben kunnen bewijzen. Dat is geweldig nieuws, daar niet van. Maar de betrokken redacteur presteerde het ons mee te delen dat planeten cirkelvormige banen rondom hun ster beschrijven. Nu heeft de Alexandrijnse Hypathia, die al in het begin van de vijfde eeuw door fundamentalistische christenen werd vermoord, toen al aangetoond dat het om ellipsvormige banen gaat. In 1609 publiceerde Kepler zijn boek, waarin hij als zijn eerste hoofdwet precies deze ‘ellipsvormigheid’ aannemelijk maakt. Toch deelt de redacteur ons mee dat planeten cirkelvormige banen beschrijven. Aangezien ik denk te mogen aannemen dat de journalist in kwestie niet uit kwaadaardigheid handelt, kan ik moeilijk anders dan onwetendheid veronderstellen. Kan men zich voorstellen dat mensen die zelf maar al te goed weten hoe de vork echt in steel zit, zich afvragen wat ze van de overige mededelingen van deze redacteur mogen geloven? Diezelfde week wist een andere redacteur ons te vertellen dat binnenkort de zestigste verjaardag van het verdrag van Rome wordt gevierd, het verdrag dat volgens hem de start van de Europese Unie is. Ik heb de tekst twee keer gelezen: het stond er echt zo. Het verdrag van Rome stichtte de EEG, de verre voorloper van de EU, die zelf in het verdrag van Lissabon, in 2009, werd ingesteld. Ik herhaal dan ook de vraag van hiervoor: wat mag ik nog geloven? Het doet denken aan de vraagstellingen van Immanuel Kant…
    Een lezersbrief om te wijzen op de fout verscheen gewoon niet. Was de redacteur beschaamd? Ik ben niet geneigd dat te denken. Mijn eigen dochter, die nogal eurokritisch is, trachtte bij herhaling en in verschillende media een eurokritische lezersbrief gepubliceerd te krijgen. Het onderwerp ben ik inmiddels vergeten. Enigszins boos belde ze op den duur een van die redacteuren op en kreeg vervolgens prompt te horen dat men geen eurokritische lezersbrieven opneemt. Hoe geloofwaardig is het nieuws van onze kranten dan nog?
    Ik heb in het verleden zelf, en bij herhaling, het soort feitelijke fouten waarvan ik hierboven twee voorbeelden gaf, via mails of lezersbrieven willen rechtzetten. Ik heb nooit het genoegen mogen proeven dat mijn inspanningen succes hadden. Dat geldt overigens ook voor manifeste taalfouten: “aan 200 km. per uur” of “ aan x euro per kilogram”.
    Lezersbrieven, mails…maar er verandert niets.
    Kan het dan iemand verbazen dat mensen afhaken? Dat ze zeggen: nou, die journalistiek van tegenwoordig: laat die maar zitten. Je kunt er toch niks van geloven.
    Helaas gaat het niet alleen of feitelijke fouten. Soms is heel erg moeilijk geen onwil te veronderstellen. Als een man als Abou Jahjah zijn pleegsels in De Standaard mag laten verschijnen, dan vraag ik me af: kennen ze daar die man dan niet? Abou Jahjah is de man die me bij een debat eens in het gezicht smeet dat Vlamingen die voor de Vlaamse onafhankelijkheid strijden egoïsten zijn. Dus de Ieren, de Finnen, de Noren, de Denen – och: de lijst is zo lang, alleen al in Europa! -: dat zijn allemaal egoïsten? Ik zat perplex bij zoveel agressiviteit. Wie zijn De stad is van ons leest, ziet zich geconfronteerd met iemand die ik – om geen lelijke woorden te moeten gebruiken – integraallinks noem. Maar een ander wordt duidelijk als Tom Naegels verklaart dat hij een debat met de vlaamsnationale gemeenschap – wat dat ook moge zijn – wil aangaan, en dat hijzelf vindt dat de krant Vlaanderen best wel mag opvatten als een knolsel van afzonderlijke groepen en groepjes, belangengroepen en belangenverdedigers die dus kennelijk niets met elkaar te maken hebben, laat staat dat er zoiets als een algemeen Vlaams gemeenschapsbesef zou kunnen bestaan. Kennelijk ‘vergeet’ Naegels dat al Ferdinand Tonniës het onderscheid maakte tussen Gemeinschaft en Gesellschaft. Van een licentiaat in de Germaanse filologie mag je toch enige kennis van de Duitse literatuur verwachten?
    Dat iemand als Abou Jahjah in De Standaard regelmatig naar Vlaanderen uithaalt zal bij de redactie van krant zeer zeker geweten zijn. Nou komt mijn vraag: waarom komt er op dat integraallinkse geschrijf geen integraalrechts antwoord? Als Naegels kennelijk onvrede aanvoelt in de ‘vlaamsnationale gemeenschap’, waarom laat hij die dan niet aan het woord? Oh ja: je moet niet aan Filip Dewinter denken. Maar iemand als Gerolf Annemans heeft wél inhoud. Maar neen hoor: die is extreemrechts. Waarom dan wel, als ik vragen mag?
    Ikzelf heb in het verleden talrijke vrije tribunes in De Standaard geschreven. Iemand heeft me ooit eens voorgesteld om ze te bundelen, maar door mijn grenzeloze slordigheid ben ik een aantal van die teksten kwijt geraakt. Mijn laatste bijdrage behelsde de vraag hoe je een positie extreem kunt noemen, als je niet eerst het midden hebt gedefinieerd. Ik laat u savoereren van het antwoord: volgens mevrouw Anni Van Langendock verkocht ik cafétoogpraat.
    Zo: die zit.
    Niet dat dit een uitsluitend Vlaams probleem is. De Oostafrikaanse hoogleraar aan de unief van Oost-Londen, Seyoum Hameso, schreef in zijn boekje Ethnicity in Africa dat de journalistiek de pedalen volledig verliest als het onderwerp etniciteit aan de orde is en illustreerde dat met een paar voorbeelden uit The Economist – niet bepaald een boulevardblad.
    Het wordt in deze omstandigheden wel heel erg lastig om de conclusie van onoprechte vooringenomenheid te ontwijken.
    Nu komt het punt dat ik wil maken: als de feitelijke fouten zo manifest zijn en de partijdigheid kennelijk onmiskenbaar, dan wordt het heus moeilijk om het fijnzinnige onderscheid tussen gezonde scepsis en verwerpend wantrouwen dat Tinneke Beeckman wil verdedigen vol te houden.
    Ik, alleszins, héb afgehaakt en onderhoud sindsdien mijn eigen Doorstroming.net.

    Jaak Peeters – Olen

  3. De Graeve Freddy

    De twee commentaren op de blog: “Wanneer spreekt een journalist de waarheid”, toont duidelijk aan dat er heel wat te zeggen is over de journalistiek.
    In de eerste plaats willen de journalisten en de dagbladen een “scoop” publiceren en dat gaat veelal ten koste van mogelijke fouten en onnauwkeurigheden. Hoe vlugger men een bericht kan posten, hoe sterker men staat in het gevecht over de concurrentie. Meer en meer dagbladen groeperen zich, om de kosten de drukken, maar het gevolg is ook dat deze dagbladen veelal artikels van elkaar kopiëren.
    Langs de andere kant wordt er veel verklaard zonder dat men het ganse verhaal verteld.
    Er wordt nu bijvoorbeeld zoveel publiciteit gemaakt om minder of zelfs geen vlees te eten want het zou slecht zijn voor de gezondheid en daarbovenop een rund drinkt enorm veel en dat is slecht voor het milieu. Wat men er niet bijzegt is dat het rund dat we eten voor het grootste deel van de koe afkomstig is en dat de koe gedurende haar leven soms tot 100.000 liter melk heeft gegeven en dat haar urine toch ook aan de aarde wordt terug gegeven. Wie meer wil weten kan dat zien (hier).
    Ook politici doen dat: ze zeggen maar een deel van de waarheid en dat wordt dan door de pers overgenomen en soms achteraf gecorrigeerd.
    De Turteltaks is daar een heel recent voorbeeld van, waar de minister eerst zegt dat het gaat om de over-subsidiëring van zonnepanelen te kunnen betalen, daar waar het ook om andere zaken daarboven gaat. Weeral heeft de lezer/kijker informatie gekregen die achteraf gecorrigeerd moest worden.
    Ook staat de pers toch gedeeltelijk onder druk van de politiek en moeten journalisten soms zaken inslikken om geen problemen te krijgen. Typische voorbeelden zijn uitspraken die te maken hebben met, wat men noemt, de nieuwe burgers.
    Ik herinner me nog het geval van Joe Van Holsbeek, in het centraal station van Brussel, waar de pers schreef dat de daders een getaande huid hadden, waar dan iedereen uit besloot dat het Noord Afrikanen waren. Dit was niet zo, het waren Polen. Maar het heeft toch een hele heisa teweeg gebracht omdat er oorspronkelijk te lezen stond dat de daders een bruine huid hadden.
    Door dit voorval zijn de berichtgevingen in de pers aangaande de huidskleur van mogelijke daders toch wel lichtelijk aangepast. Als men dan ook nog een columnschrijver als Abou Jajah in De Standaard leest en zijn commentaren, ook op televisie hoort, is het niet te verwonderen dat de pers extra voorzichtig is in het schrijven van persberichten.
    Ook als men commentaren stuurt naar de media, worden die in veel gevallen niet gepubliceerd omdat de een of de ander zich zou kunnen gekrenkt voelen.
    Het verdrag voor de rechten van de mens bepaald in zijn artikel 10 EVRM, dat de vrijheid van meningsuiting niet absoluut is. Ook daar knelt het schoentje. Men moet zijn berichtgeving aanpassen en dit komt zeker niet ten goede aan de snelheid waarin men een bericht wil posten en ook niet aan de kwaliteit van de berichtgeving. Daardoor komt het ook dat de pers de waarheid niet mag publiceren, als deze per ongeluk op iemands tenen zou trappen. Dus verwringt men de waarheid en de lezers en kijkers zien dat ook en verliezen alle vertouw in politiek en pers.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s