‘Is het onderscheid tussen links en rechts gedateerd?’, interview over Franse verkiezingen voor Trouw, 14 april 2022

Dit interview verscheen in Trouw, op 14 april 2022, door Maurice van Turnhout.

In het Filosofisch Elftal legt Trouw een actuele vraag voor aan twee filosofen uit een poule van elf. Vandaag: past de politieke strijd tussen Macron en Le Pen nog in de traditionele tegenstelling tussen links en rechts?

De links-rechts-tegenstelling is in Frankrijk niet langer leidend,’ zo luidde een analyse van de eerste ronde van de Franse presidentsverkiezingen maandagochtend in deze krant. De sociaal-liberale president Emmanuel Macron en zijn nationalistische uitdager Marine Le Pen kwamen als winnaars uit de bus. Allebei beweren ze van zichzelf dat ze de links-rechts-tegenstelling overstijgen: ni droit, ni gauche.

Analyses over het verdwijnen van de links-rechts-tegenstelling waren de afgelopen decennia ook na Nederlandse verkiezingsuitslagen niet van de lucht. Is die tegenstelling voltooid verleden tijd in de Europese politiek?

Oorspronkelijk stamt het onderscheid tussen ‘links’ en ‘rechts’ uit het Franse parlement, waar in de tijd van de Franse Revolutie de conservatieve monarchisten rechts van de voorzitter zaten en de progressieve republikeinen links.

“Tijdens de Dreyfusaffaire, rond 1900, verscherpte die links-rechts-tegenstelling zich,” zegt Tinneke Beeckman, filosoof en columnist. “De Joodse luitenant Alfred Dreyfus werd ten onrechte beschuldigd van landverraad. Na zijn veroordeling schreef Émile Zola zijn beroemde krantenartikel met de titel J’Accuse. Hij koos daarin de positie van de republikeinen uit de Franse Revolutie: alle burgers hebben gelijke rechten, dus elke burger heeft het recht om na een valse beschuldiging de staat aan te klagen. Tegelijkertijd kaartte Zola de uitbuiting van arbeiders door het kapitalisme aan.”

Zo vielen bij Zola het linkse politieke verhaal over gelijke rechten en het linkse economische verhaal over anti-kapitalisme samen, zegt Beeckman. “Tegenover Zola stonden de rechtse reactionaire krachten, die nostalgisch waren naar de dagen van het ancien régime, toen politieke macht nog was gebaseerd op privileges, tradities en religie. Tijdens de laatste verkiezingsronde werd het links van Zola vertegenwoordigd door de socialist Jean-Luc Mélenchon, terwijl kandidaat Éric Zemmour zich opstelde als rechts-reactionair.”

Uiteindelijk zijn het niet Mélenchon en Zemmour die in de tweede ronde van de verkiezingen op 24 april de degens kruisen, maar Macron en Le Pen. “Zij combineren allebei linkse en rechtse posities,” vervolgt Beeckman. “Dat kan tot verwarring leiden. Le Pen probeert de arbeidersklasse economisch aan te spreken, de traditionele achterban van links.”

Frank Ankersmit, emeritus-hoogleraar intellectuele geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen, vult aan: “Traditioneel-links is in Frankrijk gedecimeerd, vandaar dat er in die hoek voor Le Pen een wereld te winnen valt. Ze profiteert ervan dat Macron niet bepaald overkomt als iemand die pal staat voor de ‘verworpenen der aarde’, zoals het heette in het oude strijdlied van de linkse arbeidersbeweging. Macron wordt gezien als de president van de rijken, niet geheel ten onrechte.”

Beeckman: “Le Pens achterban zit grotendeels op het platteland, waar mensen vaak sociaal conservatief zijn maar economisch gezien voorstander van overheidsingrijpen. Macron biedt precies het tegenovergestelde. Op sociaal vlak is hij links, denk aan bijvoorbeeld homorechten en het recht op abortus, maar hij voerde de afgelopen vijf jaar ook een liberaal economisch beleid met nadruk op individualisme en promotie van het bedrijfsleven. Macron vertegenwoordigt het midden, het is moeilijk te zeggen waar hij nu precies voor staat. De tegenstelling tussen hem en Le Pen draait niet zozeer om links tegen rechts, meer om de vraag: ben je voor of tegen globalisering? Le Pen stelt zich op als nationalistisch, sterk tegen de Europese Unie. Haar kiezers voelen zich door een internationaal georiënteerde politicus als Macron in de steek gelaten, ze hebben het gevoel dat ze hun identiteit verliezen in een geglobaliseerde wereld.”

Ankersmit: “Dat verlies van identiteit heeft alles te maken met hoe linkse partijen vanaf eind vorige eeuw met migratie zijn omgaan. Links zag immigranten als verworpenen der aarde, maar had te weinig oog voor haar traditionele electoraat. Het arbeidersproletariaat zag immigranten als concurrenten en trok vervolgens de identitaire kaart, in Nederland bijvoorbeeld door op de partij van Pim Fortuyn te stemmen. Links heeft zichzelf in de voet geschoten door die oude achterban te negeren, ook in Frankrijk.”

Beeckman: “Er wordt nu gevreesd dat kiezers van de socialist Mélenchon in de tweede ronde van de verkiezingen over zullen lopen naar Le Pen. Net als in de jaren dertig van de vorige eeuw is er op de flanken van zowel links als rechts een afkeer van de geglobaliseerde, liberaal-kapitalistische elite. In de dertiger jaren deed Erich Fromm sociologisch onderzoek naar kiezers uit de arbeidersklasse. Fromm bestudeerde in wat voor huizen ze woonden, hoe ze zich kleedden en gedroegen. En wat bleek? Mensen die sterk op elkaar leken qua waarden en levensstijl werden soms door extreem-links aangesproken en soms door extreem-rechts, afhankelijk van hoe het politieke verhaal aan ze verteld werd.”

Ankersmit: “Ja, die extremen raken elkaar meer dan je op inhoudelijke gronden zou verwachten. Tegenwoordig lijken kiezers narrig te zijn geworden, ze willen zich afzetten tegen wat middenpartijen als redelijk en fatsoenlijk beschouwen. Het maakt ze niet uit of die radicale reactie van links of van rechts komt. Ook in de Verenigde Staten zie je die verontrustende tendens. Robert Putnam schreef twintig jaar geleden het boek Bowling Alone, over de versplintering van de Amerikaanse sociale orde. Door sterk toegenomen individualisering kregen kiezers het idee dat ze nergens meer toe behoren en dat er niemand meer voor hen opkomt. Dan is het wachten op een sterke man als Donald Trump, die aan zulke gevoelens appelleert.”

Beeckman: “In mijn thuisland België maken de communisten nu een comeback, soms peilen ze al op 10 procent. Volgens mij bewijst het dat mensen hongerig zijn naar meer ideologische aanscherping. Ze willen zich graag identificeren met een bepaalde groep, en daar is ook helemaal niets mis mee. Met een middenpositie misken je dat er een ideologische tegenstelling tussen links en rechts bestaat, schreef de Belgische filosoof Chantal Mouffe. Een centrumpolitiek als die van Macron doet het volk op de langere termijn meer kwaad dan goed. Je probeert extremen te vermijden, maar daarmee komen die extremen juist aan de flanken op.”

Ankersmit: “Daar ben ik het volmondig mee eens. Als we in Nederland ons honderdvijftig jaar oude stelsel van partijpolitiek willen behouden is het absoluut noodzakelijk om weer scherper te profileren op links en rechts. Wie weet nog waar het CDA voor staat, of de VVD? Zonder politiek ideaal heeft een partij geen bestaansrecht. De Tweede Kamer is een toneelspel, waar politici als acteurs de rol van hun achterban vertolken. En dan moet je ook vanuit de engelenbak kunnen zien of de spelers van links of van rechts opkomen.”

In het Filosofisch Elftal legt Trouw een actuele vraag voor aan twee filosofen uit een poule van elf. Lees hier eerdere afleveringen terug.

“Why we fight”, documentaire van Alain Platel & Mirjam Devriendt – 16 April 2022 in Gent

Op zaterdag 16 april neem ik deel aan een gesprek over de documentaire ‘Why we Fight’ (waarin ik ook aan het woord kom). Samen met de makers – Alain Platel en Mirjam Devriendt – en met Koert Debeuf.

Tickets zijn verkrijgbaar: in Sphinx Cinema te Gent.

“Alain Platel is vooral bekend als drijvende kracht achter het dansgezelschap Les Ballets C de la B. Samen met Mirjam Devriendt zoekt hij in deze pakkende documentaire naar de wortels van geweld.

Van geësthetiseerd geweld in dans tot knokpartijen en grote oorlogen: ‘Why we fight?’ exploreert de vechtersbaas in de mens.

Drie dansers uit Platels voorstelling ‘Nicht slafen’ vertellen over hun ervaringen met geweld, zowel fysiek als psychologisch. Hun observaties en opmerkingen worden afgewisseld met interventies van onder anderen kunstenares Berlinde De Bruyckere en filosoof Philipp Blom. Geleidelijk aan wordt duidelijk dat geweld vaak een uitlaatklep is voor ongenoegen dat niet op een andere manier geventileerd kan worden. En dat geweld onlosmakelijk deel uitmaakt van een democratie. 


16/04 om 20u: première in aanwezigheid van Alain Platel en Mirjam Devriendt, Koert Debeuf en Tinneke BeeckmanFilmvertoning met nagesprek ‘Why We Fight NOW?’. Moderator: Tim Maerschand (Urgent.fm).

De andere data:
19/04/22 – Brussel – The Merode*
20/04/22 – Antwerpen – De Cinema* 21/04/22 – Gent – Sphinx Cinema* nagesprek ‘Positief Agressief’ met Lieven Deloof (vzw Touché) 22/04/22 – Brussel – Bozar* 23/04/22 – Kortrijk – Kunstencentrum Buda* 23/04/22 – Oostende – Cinema Storck 27/04/22 – Antwerpen – De Cinema 28/04/22 – Charleroi – Quai 10* 30/04/22 – Gent – Sphinx Cinema* nagesprek ‘Make Art Not War’ met Joost Demuynck (psycho-analyticus, Artevelde Hogeschool) 23/04/22 – Oostende – Cinema Storck ​​09/05/22 – Mechelen – Filmhuis Mechelen* 14 &15/05/22 – Koersel-Beringen – Roxy Theatre *in aanwezigheid van de regisseurs Tickets via: whywefightdocumentary.com/screenings Trailer: https://www.youtube.com/watch?v=u7fFbY4wMtY

Facebook: https://www.facebook.com/whywefightdocumentary

“Wellicht voelen al die roeptoeters zich ook niet goed in hun vel”,

Wie het hardst de ander kan neerhalen, lijkt een winnaar. Die ­brutaliteit in de sociale omgang laat veel sporen na. Bijna de helft van alle jongeren krijgt te maken met cyberpesten, blijkt uit onderzoek van de UGent. Werk­nemers in de zorgverlening of bij het openbaar vervoer klagen over toegenomen verbaal (en soms ­fysiek) geweld. In het politieke ­debat zijn scherpe aanvallen vaak persoonlijk, niet inhoudelijk. Alleen wie dat niet beu wordt, kan het er volhouden.

Wellicht voelen die roeptoeters zich evenmin goed in hun vel. Dit is geen excuus voor slecht gedrag. ­Ieder mens is verantwoordelijk voor zijn woorden en daden. Wel vermoed ik dat er een verband bestaat tussen innerlijk onbehagen en agressief taalgebruik. Aan het ­gesprek dat je met anderen voert, gaat een innerlijk gesprek vooraf. In je hoofd formuleer je je reacties op anderen. En je beoordeelt jezelf. Hoe mild, begripvol, genereus ­verloopt die interactie? Hoe spreek je jezelf toe als je een fout maakt? Zeg je dan ‘ik wil nu rustig kijken wat volgende keer beter kan’? Of ontsteekt er een tirade in je hoofd, waarin je jezelf idiote, hopeloze knoeier noemt?

De Amerikaanse psycholoog ­Marshall Rosenberg laat deel­nemers aan zijn workshops over ­geweldloze communicatie die oefening maken, precies omdat mensen er weinig bij stilstaan. De reflectie past in Rosenbergs methode. Hij leert je hoe je je in alle omstandigheden helder kunt uitdrukken en begripvol kunt luisteren. Ongeacht wat de ander doet. 

Rosenberg onderscheidt meerdere vormen van communicatie die een open gesprek met anderen in de weg staan, zoals moralistisch oor­delen en je verantwoordelijkheid ontkennen. 

Als je moralistisch oordeelt, dan bestempel je mensen als fout of slecht omdat ze iets doen dat niet strookt met jouw waardeschaal. Daaronder valt elke vorm van ­beschuldigen, vernederen of etiketten opkleven. ‘Wat is dat voor een ­ijdeltuit’, denk je dan, of: ‘Die houding is egoïstisch.’ Dan volgt vaak de zogenaamd noodzakelijke ­bestraffing: een ‘slecht’, ‘verkeerd’ iemand verdient een (publieke) ­terechtwijzing. Alsof het terecht en zelfs nodig is dat je die ander op zijn plaats zet. Op die manier blijf je blind voor je eigen veroordelende gedrag, en de nefaste dynamiek die je daarmee op gang trekt. Want de tegenstander reageert veelal met scherpe veroordelingen. Intussen verbetert niemands gedrag. Dat hoeft niet te verbazen: negatieve ­gevoelens tasten je eigenwaarde aan. Als je bekritiseerd wordt, voel je je kleiner, minder. Een kind wordt niet slimmer als iemand het dom noemt; het groeit als het vertrouwen krijgt in de eigen capaciteiten. ­Natuurlijk moeten kinderen gecorrigeerd worden. Maar je kunt hen aanmanen zonder hen met kritiek, schuld en schaamte te beladen. Scherpe kritieken en etiketten lijken op korte termijn goed te werken, omdat kinderen aan de verwachtingen van volwassenen willen voldoen. Helaas verinnerlijken ze die veroordelingen. Soms herhalen ze die veroordelende taal, in extremis als ze anderen pesten. Zo’n pester moet op zijn gedrag worden aangesproken. Maar de vraag is hoe je dat doet. Als je de boodschap geeft: ‘jij bent slecht, jij verdient een straf’, dan helpt dat waarschijnlijk nauwelijks. Want dan voed je die innerlijke genadeloze criticus, die de negatieve dynamiek in stand houdt. De vraag is eerder welke nood er schuilgaat achter die harde woorden voor de ander. Alleen door begrip kun je iemands houding veranderen. 

Aangeleerde gewoonten kunnen lang doorwerken – in een tierende volwassene schuilt een vernederd kind. En die verinnerlijking van ­categoriek taalgebruik genereert de zelfkritiek. Bij depressieve of angstige gevoelens duikt dan een streng stemmetje op in je hoofd, dat je nog meer naar beneden haalt. 

Op de koop toe hebben mensen de neiging om de verantwoordelijkheid voor hoe ze zich voelen bij de ander te leggen. Als je bijvoorbeeld zegt: ‘Jij maakt dat ik boos was en uithaalde’. Dat klopt niet. De ander kan wel een aanleiding zijn voor je boze gevoelens, maar je blijft zelf de oorzaak. Want je reactie vloeit voort uit de gedachte die zich in je ontwikkelt. In je hoofd begint het te malen en de uitkomst lijkt onontkoombaar: de aanstoker moet ­gestraft worden! In werkelijkheid beslis je zelf wat je doet. 

Je kunt dus onmogelijk mild zijn voor anderen, als je het niet bent voor jezelf. Daartoe moet je de eigen gevoelens en de achterliggende ­behoeften helder leren verwoorden. Dat kan heel wat oefening vergen. Die behoeften liggen diep begraven achter een goed geoefend vermogen om straf uit de hoek te komen.”

Deze column verscheen in De Standaard op 31 maart 2022.

In ‘Berg en Dal’ op Klara, 27 maart 2022

Op zondag 27 maart was ik te gast bij Pat Donnez, in het Klara-programma ‘Berg en Dal’.

Ik koos twee fragmenten: een dialoog uit de Dodengesprekken van Lucianus en een recept uit het kookboek van Julia Child.

“In haar columns fileert Beeckman de politieke en maatschappelijke actualiteit. Dat doet ze onder een motto uit George Orwells ‘1984’: “goed zien wat er onder je neus bevindt, is het moeilijkste wat er is.” Gelukkig heeft ze Spinoza en Machiavelli, de twee mannen in haar leven, om haar te helpen kijken.”

foto: Suzanna Loyens

“Angst is een slechte raadgever”, column DS, 17 maart 2022

“Al maanden leeft er angst in de samenleving. Voor een virus, een storm en nu een nucleaire aanval. Angst is een gevoel van pijn en onlust dat volgt uit de voorstelling van een naderend onheil dat intens leed veroorzaakt, aldus Aristoteles in de Retorica. Aan onheilspellende berichten was er de laatste jaren geen gebrek. Ik herinner me, bijvoorbeeld, dat januari een Siberisch koude wintermaand zou worden. En na de kerstvakantie werd een zeer ontwrichtende besmettingsgolf voorspeld; zelfs het leger stond klaar om de ziekenhuizen overeind te houden. 

Permanent in angst leven heeft ernstige gevolgen. Om te beginnen is het erg vermoeiend. Je leeft in een toestand van hyperwaakzaamheid. Door die ­brede alertheid kun je je juist minder op dagelijkse taken richten. Je slaapt slechter of licht, als de muizen in het hooi, omdat je lichaam het signaal krijgt dat het opmerkzaam moet blijven. En als je bang bent, maak je je ­lichamelijk kleiner. Je bent onzekerder en wantrouwender. Langdurig met angsten omgaan is voor elk individu een opdracht. Maar het is ook een maatschappelijke en cultureel probleem. 

Nu kun je zeggen dat de bedreigingen reëel zijn en dat angst daarbij hoort. Pandemieën zijn levensgevaarlijk, stormen ook, en wraakzuchtige dictators evenzeer. Maar de vraag blijft of de ervaren angst evenredig is met dreiging. Wat de covidpandemie en de oorlog in Oekraïne betreffen, kan tijd wijsheid brengen. De noodsituatie door de storm Eunice valt intussen wel in te schatten. En de maatschappelijke reactie was opmerkelijk.

Op 18 februari gaf het KMI code oranje in vier provincies (vooral aan de kust), en code geel elders. Na de middag werden felle rukwinden verwacht. Vanaf de middag sloten sommige scholen en universiteiten dan ook preventief. Andere scholen maanden ouders aan om hun kinderen tijdig af te halen. Veiligheid voorop! Dat lijkt de beste keuze – wie is nu tégen veiligheid?

Toch is deze gang van zaken twijfelachtig. De vraag was niet alleen meer hoe groot de kans op schade was; dus hoe waarschijnlijk een negatieve afloop was. In de verbeelding begon het meest rampzalige scenario te leven, en dat werd richtinggevend. Dan lijk je de plicht te hebben om elk risico te vermijden. Anders stimuleer je roekeloos ­gedrag. Je moet je verantwoordelijk ­gedragen: je zorgt er het best voor dat je niet aansprakelijk kunt worden gesteld voor leed of schade als iets fout loopt. Alsof je de logica van een verzekeringsmakelaar moet hanteren om te weten wat je moet doen. Na het doemscenario volgt de opluchting: de ergste voorspellingen zijn niet uitgekomen. Neen, ­natuurlijk niet, omdat de risicoberekening rammelde: de ergst mogelijke situatie werd voor de meest waarschijnlijke gehouden. 

Een samenleving die elk risico wil vermijden, ondermijnt de ontwikkeling van mensen. Toevallig gebruikt Aristoteles in zijn Retorica het voorbeeld van een storm om de relatie tussen angst en zelfvertrouwen te duiden. Zelfvertrouwen is het tegendeel van angst, beweert hij, ze bouwt op het geloof dat je onheil kunt overwinnen. 

Twee omstandigheden maken dat mensen een storm onbewogen kunnen doormaken, aldus Aristoteles: als je hem nog nooit hebt meegemaakt en de dreiging niet herkent, en als je weet dat je de beproeving kunt doorstaan, hoe onaangenaam ze ook is. Kortom, kinderen en ervaren volwassenen hebben alle reden om koelbloedig te blijven. En kinderen hebben in februari deze test glansrijk doorstaan. Veel volwassenen iets minder. Zij meenden dat thuisblijven in elk geval beter was dan buiten­komen. Hoe kan iemand in zo’n context het zelfvertrouwen opbouwen dat nodig is om volgende stormen te trot­seren? 

Als je niet door angst wilt overheerst worden, dan is dat precies waar je aan moet werken: de vele manieren waarop het zelfvertrouwen kan toenemen. Aristoteles geeft een hele resem mogelijkheden. Daarbij hoort de ontwikkeling van deugden, zoals moed. Moedig zijn betekent niet dat je nooit angst voelt. Moed is het vermogen om ondanks je angst toch te handelen. 

Het is allemaal een kwestie van evenwichten, van het juiste midden: moed ligt even ver van roekeloosheid als van verlammende angst. Het goede leven is een evenwicht tussen veiligheid, geborgenheid en, aan de andere kant, openheid en risico. Je hebt er trouwens alle belang bij om angst niet onnodig aan te wakkeren, waarschuwt Aristoteles: ze genereert boosheid en vijandigheid ­tegenover wie de dreiging dichterbij zou kunnen brengen. In het geval van een storm is dat een abstract gegeven: de natuur. Maar bij pandemieën en oorlogen kunnen sommige mensen wel aangeduid worden als de nieuwe vijanden. De eigen verbeelding, en de vele angstaanjagende voorstellingen benevelen de gedachten. Het hoofd koel houden, dus, en naar buiten, nu. Neem desnoods een jasje en een paraplu mee – in maart en april kan het nog flink ­regenen.”

Deze column verscheen in De Standaard op donderdag 17 maart 2022.

“Een heikel experiment”, DS 3 maart 2021

De Russische televisiepresentator Vladimir Solovjov is woedend. Hij vernam dat de EU zijn Italiaanse villa’s heeft aangeslagen. Tijdens een aflevering van zijn televisieshow klaagde hij dat hij onterecht in Europa’s ­eigendomsrechten had geloofd. Dat was niet de afspraak! Tegelijk werpt Solovjov zich op als een felle verdediger van Poetins regime, inclusief de endemische corruptie, het moordende politieke geweld, het dogmatische nationalisme. Solovjov bestempelt de EU als moreel verdorven, decadent, verwerpelijk. Wat hem dus niet belet er zelf in alle vrijheid luxueus te willen verblijven. 

Solovjovs hypocriete houding ­illustreert een dieper probleem: ­jarenlang hebben autoritaire leiders en hun medestanders westerse vrijheden strategisch gebruikt om zelf rijker en machtiger te worden. De lokale Russische bevolking bleef verarmd, ­geknecht en geïndoctrineerd achter. Die interactie tussen autoritaire regimes en de westerse vrijheid verklaart deels waarom Poetin en zijn getrouwen zo’n machtige basis in hun thuisland hebben kunnen uitbouwen. Daarom is het belangrijk om dit fenomeen te begrijpen, zoals ik in een vorige column schreef (DS 14 februari 2019).

Het Westen heeft de val van de Muur in 1989 wel gevierd, maar de gevolgen ervan nooit helemaal ­begrepen. Het leefde in de illusie dat democratie, vrijheid én economische welvaart samen zouden zegevieren. Want politieke en economische vrijheid gaan nu eenmaal samen: als burgers vrij kunnen handelen, bewegen en investeren, krijgen ze de ruimte om politieke medezeggenschap te bedingen. Economisch ­kapitalisme garandeert op termijn een vrije publieke ruimte, eerlijke verkiezingen en vrije mediakanalen. 

Het draaide helemaal anders uit. De Canadese denker Michael ­Ignatieff legt scherp uit hoe dat komt. Rusland is geen totalitair regime gebleven, maar een autoritair regime geworden met bijzondere kenmerken. De communistische ­visie op economie is gesneuveld, maar de binnenlandse politieke visie is overeind gebleven: één partij met sterke leider, geweld, corruptie, censuur en sterke greep van veiligheidsdiensten (de vroegere KGB werd FSB, waarvoor ook Poetin werkte). Tegelijk hebben burgers bepaalde private vrijheden: om eigendom te bezitten, om in stilte hun ongenoegen te beleven. Tegelijk hebben ze het recht op ‘exit’ gekregen: ze mogen het land verlaten en terugkeren (dat was tijdens de Koude Oorlog niet het ­geval). De rijkere middenklasse kan haar bezittingen in het buitenland onderbrengen, haar kinderen studeren aan buitenlandse universiteiten. Ook ontevredenen kunnen weg. Het regime ondervindt dus nauwelijks druk van een misnoegde elite. 

Alleen krijgt niemand ‘voice’: het recht op politieke vrijheid. Dat is ­nodig om transparantie te eisen, zich vrij in partijen te verenigen of eerlijke verkiezingen te organiseren. ­Poetin legt de oligarchen een heldere deal voor. Ze kunnen zich eindeloos verrijken dankzij corrupte administraties. In het buitenland kunnen ze van het leven genieten. Maar in ­Rusland moeten ze zwijgen. 

Bij die verdeelde vrijheid hoort een nieuwe kijk op jurisprudentie. Een democratie heeft ‘rule of law’ nodig: onafhankelijke rechters, open rechtszaken, het grondwettelijk recht om de uitvoerende macht aan te klagen. Een land zoals Rusland kent alleen ‘rule by law’: instellingen garanderen dat contracten afdwingbaar zijn. Meer heeft kapitalisme blijkbaar niet nodig. De Russische staat blijft wel het recht behouden om bedrijven te nationaliseren; oligarchen ­leven bij gratie van de grote leider. Dat mag letterlijk worden ­genomen. De lijst met vermoorde politieke tegenstanders is lang en spectaculair – denk maar aan Alexandr Litvinenko. Hij overleed in 2006 na een kopje radioactieve thee in een Londens hotel te hebben ­gedronken.

Het Westen deed wel enkele ­inspanningen om zijn grenzen voor de meest flagrante misdadigers te sluiten. Zo stemde Amerika in 2012 de Magnitski-wet, genoemd naar de fiscale jurist Sergej Magnitski, die in 2009 in een Russische cel overleed. Magnitski had diefstal en corruptie bij Russische ambtenaren aan­geklaagd, terwijl hij voor een Amerikaans bedrijf werkte. Maar hij werd zelf gearresteerd en vermoord. De Magnitski-wet laat toe om indivi­duen die mensenrechten schenden, de toegang tot Amerika te ontzeggen. Dergelijke individuen kunnen ook hun eigendommen verliezen. In 2020 keurde de Europese Unie een gelijkaardige wet goed. Na de inval in Oekraïne stelde de EU meteen een lijst op van onder meer regerings­leiders en oligarchen die sancties ­ondervonden. Dat leidt mogelijk tot ontevredenheid bij de hogere middenklasse tegen Poetins beleid. Maar het politieke probleem ligt ingewikkelder. Na 1989 nam de economische globalisering een hoge vlucht. Het leek stabiliteit en veiligheid te garanderen. Het is een heikel experiment gebleken, met onvoorziene gevolgen.”

Deze column verscheen in De Standaard op donderdag 3 maart 2022

Over leiderschap – radio 1

‘Welk leiderschap tonen de politieke hoofdrolspelers in deze oorlog?’ Hierover sprak ik op Radio 1, in het programma ‘De Wereld Vandaag‘, op donderdag 3 maart 2022.

Over de Franse president Macron, zijn Amerikaanse collega Biden, de Belgische premier De Croo, EU-commissie voorzitster Ursula von der Leyen. En vooral over het contrast tussen de Russische president Poetin en de Oekraïense president Zelensky.

Het fragment is hier te beluisteren.

Over de visie die Niccolo Machiavelli op leiderschap had, geef ik geregeld lezingen. Machiavelli lees ik niet als de cynische machtsdenker, maar als liefhebber van de vrijheid, in mijn “Machiavelli’s Lef. Levensfilosofie voor de vrije mens‘ (Boom, 2020).

Op 11 maart, bijvoorbeeld, tijdens een collegedag over macht, autoriteit en leiderschap, behandel ik Machiavelli’s inzichten. De dag wordt georganiseerd door Coen Simon voor Filosofie Magazine in Den Haag.

Met ook nog lezingen van Ineke Sluiter, Paul Verhaeghe en Paul Van Tongeren.

Interview voor ‘Durf Twijfelen’, Knack, 23 februari 2022

“‘Je ziet sneller de tekortkomingen bij anderen dan bij jezelf’

Waarover is filosofe Tinneke Beeckman van gedacht veranderd? ‘Vroeger vond ik het irrelevant om een visie op God te hebben. God bestaat niet, dat was afgehandeld. Vandaag ben ik nog altijd ongelovig, maar ik denk er toch anders over.’

Door Stijn Tormans

‘Mijn ouders zijn in een streng katholiek milieu groot geworden. Later hebben ze zich van het geloof afgekeerd. Zo hebben ze mij opgevoed. Ik ben bijvoorbeeld niet gedoopt. En ben nauwelijks door de kerk beïnvloed. Vroeger dacht ik: God bestaat niet, God is dood, dat is afgehandeld. Tot ik Spinoza, Machiavelli en andere denkers begon te lezen. Dankzij hen ben ik gedacht veranderd. Ik ben nog steeds ongelovig. Maar ik denk dat je altijd een standpunt inneemt over de relatie tussen de mens, de natuur en wat die natuur overstijgt. Zelfs mensen die zeggen dat ze niet in God geloven, maken toch een metafysische keuze.’

Dat moet u eens verklaren. 

TINNEKE BEECKMAN: Misschien kan ik dat best doen door het verschil uit te leggen tussen hoe filosofen als Spinoza en Ayn Rand erover denken. Ze zijn allebei atheïst, maar bekijken de rol van de mens op een andere manier. Spinoza vergelijkt je lot met een schip op zee. Je moet je richten op je eigen kracht, en zo goed mogelijk proberen varen: je schip optuigen, navigeren, het weer inschatten… Maar uiteindelijk controleer je niet alles. Je bent God niet, je bent een deel van een groter geheel. Spinoza zegt dus: leer jezelf kennen, je beperkingen en sterktes, je passies. En hoe de wereld in mekaar zit. Daarbij moet je aanvaarden dat sommige dingen je nu eenmaal overstijgen. Ook heb je in het leven anderen nodig, je bent een sociaal wezen. Rands ideale mens, daarentegen, krijgt goddelijke allures. Hij is volstrekt rationeel en autonoom. Hij bepaalt zijn eigen morele wet. Hij is aan niemand iets verschuldigd, niet aan familie, niet aan de samenleving. Hij kan zichzelf als het ware uitvinden. En hij kan door technologie en wetenschap de wereld naar zijn hand zetten. Spinoza en Rand geloven dus niet in de Joods-christelijke God, maar ze maken wel andere metafysische keuzes over de relatie tussen mens en natuur. En over wat het individu zou kunnen bereiken. 

Er zijn dus verschillende vormen van atheïsme. Maar heeft dat ook gevolgen? 

BEECKMAN: ‘Ja. Ik besef nu dat die keuze bepaalt hoe ruim je je mogelijkheid tot handelen inschat. Hoe maakbaar je denkt dat je eigen lot is. Toen ze depressief werd, bijvoorbeeld, zuchtte Rand naar verluidt dat haar ideale held zich nooit zo angstig en machteloos zou voelen. Want haar perfecte man kan zichzelf beheersen. Spinoza’s filosofie helpt wel geweldig om met depressieve gevoelens om te gaan. Maar dàt je je verdrietig of angstig voelt, is geen falen. Elke mens heeft passies en verbeelding. Je hoeft dus jezelf niet streng te beoordelen. Hetzelfde geldt voor politieke macht. Spinoza’s visie op God leidt tot gelijkheid, democratie en pluralisme. Dat is niet zo voor Rand. Zij aanbidt de held, die de politieke en morele autoriteit krijgt om de samenleving te bepalen.’ 

U bent filosofe. Twijfelt u vaak? 

BEECKMAN: ‘Ja, als ik een gedachte ontwikkel, vraag ik soms aan mijn man: zou het niet kunnen dat ik ernaast zit? Als ik anderen bekritiseer, voeg ik er vaak aan toe: misschien lijdt mijn werk aan gelijkaardige gebreken. Je ziet gemakkelijk de tekortkomingen bij anderen, terwijl je ze bij jezelf veel moeilijker ontdekt.’

In de rubriek Durf Twijfelen vraagt Knack elke week naar de twijfels van bekende mensen. 

Dit artikel verscheen in Knack, op 23 februari 2022.

“Een systeem van meerdere elites”, column DS, 17 februari 2022

“Radicaler protest zal vaker voorkomen; half spontane manifestaties met niet-georganiseerde betogers. Dat voorspelde Stefaan Walgrave (UA) op Radio 1, na het ‘vrijheidskonvooi’ van maandag. De coronapandemie heeft het ongenoegen versterkt dat eerder al vertolkt werd door de gele hesjes. Veel mensen voelden zich niet gehoord, niet begrepen, niet vertegenwoordigd.

Die betogers verschillen onderling en hebben vaak andere bekommernissen. Het fenomeen is complex en hangt samen met het veranderende partijlandschap. Daarover verscheen een diepgravende analyse: Ongelijkheid en ons stemgedrag. Een studie van 50 democratieën van 1948 tot 2020 (2021), waarin Amory Gethin, Clara Martinez-Toledano en Thomas Piketty onderzoeken hoe sociale kenmerken stemkeuzes ­beïnvloeden; hoe partijen kiezers aantrekken, naargelang hun inkomen, ­opleidingsniveau, vermogen, beroep, sekse, leeftijd, afkomst en etnisch-religieuze identiteit.

Je kunt dat werk ook vanuit deze vraag inkijken: bij welke partijen vinden burgers in westerse landen gehoor als ze laaggeschoold zijn, een laag inkomen hebben én ongelijkheid zien toenemen? Bij haast geen enkele, blijkbaar. De laaggeschoolde, weinig kapitaalkrachtige mensen voelen zich niet thuis bij de traditionele linkse partijen, terwijl rechtse partijen zich niet richten op economische herverdeling. 

Piketty en zijn collega’s stelden een opmerkelijke evolutie vast: er is een systeem van meerdere elites ontstaan. In de decennia na WO II vertegenwoordigden linkse partijen (sociaaldemocratische en aanverwante) nog de kiezers met lage inkomens en lage opleidingsniveaus. De rechtse, conservatieve ­partijen (christendemocratische, rechts-liberale en nationalistische) ­bereikten veelal kiezers met hogere ­inkomens en hogere opleidingsniveaus. Het partijlandschap viel dus samen met de klassenstrijd. Maar stilaan gingen linkse en rechtse partijen vooral twee elites ­bedienen: linkse partijen trokken eerder ­hogeropgeleide kiezers aan, rechtse partijen mensen met hogere vermogens. ­Tegelijk zwenkten lageropgeleiden naar rechtse partijen. 

België kent zo’n systeem van meerdere elites, volgens het genoemde boek. De opkomst van groene partijen en ­antimigratiepartijen heeft dat versterkt. Hogeropgeleiden stemmen eerder links, lageropgeleiden verschuiven naar rechts. Bij mensen met vergelijkbaar ­ inkomen bepaalt het opleidingsniveau of ze groene dan wel antimigratiepartijen prefereren. Die wending geldt vooral voor Vlaanderen. Radicaal-rechts is in Wallonië niet doorgebroken, aldus de onderzoekers, ook omdat socialistische en radicaal-linkse partijen de steun van laagopgeleiden hebben behouden. 

Hoe valt die evolutie te verklaren, waarbij linkse partijen de focus op economische herverdeling lijken te verwaarlozen? Sinds de culturele revoluties in de jaren 60 en 70 profileren sommige linkse partijen zich vooral rond man-vrouw relaties, seksuele rechten, rechten van minderheden of de ­klimaatcrisis. Tegelijk zijn ze mee­gestapt in het positieve verhaal rond globalisering en liberalisering. En ­migratie is een thema geworden. Die factoren zijn al lang gekend, maar de studie benadrukt een andere ontwikkeling: de uitbreiding van het onderwijs. De voorbije decennia heeft een groter deel van de bevolking toegang gekregen tot hoger onderwijs. Dat heeft de dynamiek bij linkse partijen veranderd: vooral de winnaars van de onderwijscompetitie opteren voor deze partijen. Lageropgeleiden voelen zich er niet meer thuis. Het rechtse pleidooi voor een beperkte overheid klinkt voor hen aantrekkelijk: zij genieten niet van de overheidsinvesteringen in onderwijs, die ze wel mee financieren. 

Intussen stemmen ze vooral voor ­antimigratiepartijen. Voor hoger­­­­­­op­geleiden kan het verleidelijk lijken die mensen als racistisch te beschouwen. In een interview waarschuwt Piketty voor die vooroordelen. In de jaren 50-60, bijvoorbeeld, bevroegen peilingen de Franse bevolking: vonden zij dat Afrikaanse volkeren recht hadden op zelfbestuur, en dus op dekolonisatie? Daarop antwoordden mensen uit de arbeidersklasse grotendeels bevestigend. Hun hogeropgeleide, rijkere medeburgers vonden veelal van niet. Wat meespeelt, aldus Piketty, is dat linkse bewegingen toen zelfbestuur en economische herverdeling promootten, ook voor de gekoloniseerde volkeren. Politisering maakt dus het verschil: hoe worden politieke scheidslijnen vertaald, welke oplossingen worden voorgesteld?

Verder belicht Piketty een reëel risico voor linkse partijen: dat hogeropgeleiden de anderen neerbuigend bejegenen, en doof blijven voor hun bekommernissen. Hogeropgeleiden geloven in de meritocratie, ze zijn ervan overtuigd dat ze hun betere positie verdienen. Die houding werkt de kloof in de hand. Tal van andere studies bevestigen dit probleem. Toen Hillary Clinton in 2016 Trumpkiezers ‘deplorables’ noemde, had dit een impact op het vroegere linkse kiespubliek. In haar boek Strangers in their own land vermeldt de Amerikaanse sociologe Arlie Russell Hochschild hoe sommigen T-shirts droegen met daarop ‘Adorable Deplorable’ als geuzennaam. Maar als de traditionele linkse en rechtse partijen liever elites aanspreken – hoogopgeleiden of kapitaalkrachtige mensen – waar kan die ‘adorable deplorable’ dan heen?”

Deze column verscheen in De Standaard op 17 februari 2022.