“De paradox van de heersende blanke man” column, DS, 21 juni 2018

” Migratie staat hoog op de Europese agenda. Dat heeft niet alleen met de huidige vluchtelingen- en migratiestromen te maken. Experts voorspellen een demografische explosie in Afrika en het Midden-Oosten. Waar kunnen wanhopige generaties jongeren naartoe? Niet naar Europa, want Europese regeringsleiders praten over een betere beveiliging van de buitengrenzen. Andere stemmen zien de oplossing elders: dat Europese landen de uitzichtloze economische en politieke situatie in Afrika en het Midden-Oosten mee hervormen. Maar kunnen Europeanen elders echt de problemen oplossen? Alle goede intenties ten spijt, lijkt dat op een nieuwe vorm van koloniaal denken. George Orwell heeft dat koloniale denken treffend beschreven. Alvorens hij journalist werd, was hij een tijdje Britse officier in Birma, nu Myanmar, dat tot het Britse rijk hoorde. Orwell was dus even zelf koloniaal, en hij haatte het grondig.

Het verhaal gaat over een klein incident in het gebied waar Orwell de orde moest handhaven. Een olifant was ontsnapt en vernielde enkele hutten en marktstalletjes in een arme wijk. Het beest had ook een arme dorpsbewoner verpletterd. Paniek breekt uit, en Orwell moet als politieofficier optreden. Tenslotte had Orwell een wapen, de lokale bevolking niet. Terwijl hij door het dorp loopt om de loslopende, wilde olifant te stoppen, begint een menigte Orwell te volgen. Een uitgebroken olifant moet worden gedood en Orwell beschrijft de groeiende verwachting bij die inwoners dat hij de zaak ook op die manier zal oplossen. Dan krijgt hij de olifant in het vizier. Hij beseft meteen dat hij dat dier beter niet zou neerschieten; na zijn razende uitbraak was het rustig geworden, en leek het even gevaarlijk als een grazende koe. Liefst wilde Orwell zijn geweer neerleggen. Maar hij kon niet meer terug. Duizenden Birmanen waren hem gevolgd, en keken hem afwachtend aan. Tot zijn eigen afgrijzen vuurde hij zijn geweer leeg, en de olifant zeeg neer.

Dat verhaal vat de paradox van de heersende blanke man: schijnbaar is hij heer en meester. Maar hij voelt de druk om te handelen vanuit de verwachting van de lokale bevolking. En die verwachting is dat hij elk probleem komt oplossen. Ondertussen is hij een acteur in een toneelspel waarbij hij zijn eigen vrijheid vernietigt. Hij draagt een masker: een sahib is een sahib. Indien hij de olifant niet neerschiet, lijkt hij zwak, bang, lachwekkend. En dus gaat de olifant eraan. Continue Reading ›

“We willen langer leven, maar we krijgen langer sterven”, column DS, 7 juni 2018

“We leven steeds langer, vaak dankzij complexe medische verzorging. Die behandelingen worden steeds duurder, vooral naar het levenseinde toe. Er woedt dan ook een hevige discussie over de financiering van de farmaceutische industrie en de toekomst van de sociale zekerheid (DS, interview Cassiman en Willems, 5/06). Wat echter buiten beschouwing blijft, is de verhouding tot de dood. Niemand heeft het er over, terwijl de discussie daarover gaat: veel mensen leven niet alleen langer, ze zijn ook langere periode stervende. Deze merkwaardige paradox tast de levenskwaliteit aan.

Natuurlijk hebben wetenschap en technologie de gezondheid fel verbeterd. De kindersterfte is spectaculair gedaald, de verzorging wordt comfortabeler, de levensduur wordt langer. Maar die nieuwe medische behandelingen voor ziekten waar mensen vroeger snel van stierven, creëren een moeilijkheid: de gedachte dat je elke behandeling moet opstarten, die voorhanden is. Als je kan, dan moet je.

Het gevolg is de illusie van tijdswinst: doodzieke mensen willen langer leven, maar ze krijgen langer sterven. Wie al getuige was van terminale kankergevallen, begrijpt wat dit pijnlijke proces inhoudt: uitzichtloze, afmattende en zelfs mensonterende aftakeling. ‘Mijn schoonbroer leed aan maagkanker, hij stierf als een hond’, vertrouwde een radioloog me toe. Tweeënhalf jaar duurde zijn lijdensweg, van de ene therapie naar de andere.

Een groot deel van die tijd was die patiënt eigenlijk stervende, al wilde niemand dat toegeven. Integendeel. De omstaanders houden vol dat iedereen hoopvol moet blijven, positief moet denken. Alsof de dood een tegenstander is die te verslaan valt. Alsof sterven een nederlaag is. Alsof de dood geen natuurlijke bestemming is. Zo reageert een cultuur die zich afkeert van wat ze niet controleert.

De dood is een taboe, die zelfs tegenover de stervende wordt verzwegen. Tijdens de lange behandelingsperiodes gaan de gesprekken over wat omstaanders wél beheersen: afspraken bij de dokter, alternatieve medicatie, veranderde leefgewoonten. Doen alsof het leven gewoon verder gaat, wordt als een teken van geestelijke gezondheid opgevat. Alsof iemands nakende dood – je eigen, of die van een geliefde – niet het bestaan zelf omver zou mogen gooien. Alsof iemand verliezen niet juist alles wél veranderd. Met dat optimisme lukt het niet altijd, dus volgt de psychologiserende benadering van het levenseinde; de stervende lijdt schijnbaar aan een depressie of een trauma. Te behandelen met pillen.

Zelfs op begrafenissen valt op hoe weinig woorden de aanwezigen vinden om dood, verdriet, verlies te vatten. Daar wordt het riedeltje van de eeuwige optimist evengoed opgevoerd. Gelovig of ongelovig maakt weinig verschil. Na de begrafenis volgt de koffietafel, waar evenmin de dood als de overledene veel aan bod komen. De meeste aanwezigen bespreken de orde van de dag: de baan, de hobby’s, de kinderen. We willen dat de dood zo min mogelijk rimpels maakt; onze eigen dood niet, en de dood van een ander evenmin.

Dat we de dood ontkennen, is geen recent verschijnsel. In zijn nieuw boek ‘Het kostuum van mijn vader’, beschrijft Luckas Van der Taelen treffend hoe de dood als thema wordt vermeden. De overblijvers zitten met diepe letsels – Luckas Van der Taelens vader overleed enkele maanden voordat zijn zoon werd geboren. Niet de dood is traumatiserend, maar het onvermogen om die een plaats te geven in een opvatting over het leven. Eigenlijk is dat probleem niet opgelost, al werd rouw meer bespreekbaar.

De extra tijd die zieke mensen kopen met zware behandelingen, dient dus paradoxaal genoeg vaak om een langere periode stervend door te brengen. Precies dat fenomeen zou onderwerp van gesprek moeten zijn. Want dat is exact wat veel mensen willen vermijden: een gekweld levenseinde. Zelfs pijnstillende middelen kunnen het besef dat het leven eindigt, niet afwenden. Hoe fel we de dood ook mogen ontkennen, er is geen ontkomen aan. In heel wat debatten worden dood, leven en genezing vanuit financieel standpunt benaderd; hoeveel mag een behandeling kosten? en wie heeft er recht op? De discussie verhult onze filosofische, spirituele armoede om over de dood te spreken. Pas wanneer we daar als cultuur een betere, nieuwe taal voor vinden, kunnen gepaste antwoorden op die andere vragen volgen.”

Deze column verscheen in De Standaard op 7 juni 2018.

“Over Meghan en Harry’s huwelijk…”, Column DS 24 mei 2018

“‘Als we willen dat alles blijft zoals het is, moet alles veranderen.’ Dat lijkt de filosofie van de Britse koninklijke familie. Het huwelijk van Prins Harry en Meghan illustreert op die manier de uitspraak van Tancredi, uit het naoorlogse meesterwerk ‘De tijgerkat’ van Guiseppe Tomaso di Lampedusa. Tancredi is een telg van een oude, Siciliaanse aristocratische familie. Maar de adel beleeft tijden van neergang; ze wordt financieel voorbijgestoken door een opkomende burgerij, en houdt cultureel vast aan een Italië dat niet meer bestaat. De jonge Tancredi en zijn oom beseffen dat revolutionaire tijden om verregaande aanpassingen vragen, als ze de oorspronkelijke machtsrelaties willen bewaren. Zo trouwt Tancredi niet meer met een adellijk meisje, maar met bloedmooie dochter van een lokale rijke handelaar. Die handelaar houdt er ook nog eens andere politieke ideeën op na. Het maakt niet uit. Tancredi’s familie houdt aan de monarchie steunen, maar Tancredi vindt de energie van de republikein Garibaldi wel iets hebben.

Alles blijft uiteindelijk dus hetzelfde, ondanks alle stormen die de familie Windsor al heeft meegemaakt. Zo blijft de liefde hetzelfde, ondanks de familieschanddalen uit het verleden. Ondanks maatschappelijke veranderingen blijft het meest klassieke sprookje verleiden. Prins ontmoet meisje, ze worden verliefd en ze trouwen. Hoe strikt is dit niet, alle hedendaagse pleidooien voor vrijheid en variatie ten spijt. Kijkers zaten niet voor hun televisie om een illustratie van polyamorie te zien, waarbij partners met onderlinge toestemming gelijktijdig meerdere liefdesrelaties beleven. Neen, zo’n prinselijk huwelijk betovert omdat het ja-woord wederzijdse trouw impliceert. Op het hoogtepunt van de dienst belooft het koppel om hindernissen in het leven samen te overwinnen. Dat de realiteit voor heel wat koppels anders verloopt, verandert niets aan deze verwachting.

Toch is er veel veranderd. De bruid hoeft geen maagd meer te zijn van een betere familie. Het rampzalige huwelijk tussen Charles en Diana toonde dat dergelijke eisen absoluut geen gelukkige relatie garanderen. Meghan Markle is zelfs al een gescheiden vrouw. Geen haan kraait er naar. Wat een verschil met het verleden: toen Edward VIII in 1936 met de Amerikaans gescheiden vrouw Wallis Simpson wilde trouwen, moest hij de troon opgeven. Prinses Margaret, de zus van de huidige koningin Elisabeth II, mocht in 1955 niet eens met een gescheiden man trouwen. Meghan Markle is ook geen aristocrate. Meer nog, met dit huwelijk opent de koninklijke familie de deuren voor interraciale relaties.

Alles blijft hetzelfde: de dresscode, de officiële ceremonie, de religieuze dienst. De vrouwen dragen een hoed, gesloten schoenen, hun schouders zijn bedekt. De heren lopen in pak en das. De bruid draagt een haute couture jurk van het Franse modehuis Givenchy. Gespecialiseerde, ambachtelijke naaisters hebben urenlang aan het kleed en de sluier gewerkt. De stijl was tijdloos chique. Hier viel geen kledij gemaakt door textielslaven in een donker atelier. En de ceremonie was ‘high church’ anglicaans. Een passage uit het Hooglied, traditionele hymnes, het Onze Vader. Op het einde, godbetert, ‘God save the Queen’. Dat bleef allemaal behouden, en toch was er heel wat anders. De bruid wandelde alleen de kerk binnen, als een moderne, onafhankelijke vrouw. Haar vader was zelfs geheel afwezig. Haar schoonvader, kroonprins Charles, begeleidde haar verder naar het altaar. De moeder van de bruid zat alleen in de kerk. Voor het eerst bevatte de ceremonie tal van multiculturele accenten. In de kerk zong een gospelkoor het lied ‘Stand by me’; de priester Michael Curry sprak over slavernij en Martin Luther King. In overeenkomst met de samenleving, weerspiegelde de ceremonie de culturele, etnische en religieuze diversiteit.

’s Avonds dansten de Britse royals met George Clooney, zoals op het einde van de ‘Tijgerkat’ de Siciliaanse adel walste met de Italiaanse republikeinse new money. De hele wereld werd zaterdag even monarchist, hoewel de tijdsgeest weinig formaliteit, hiërarchie of traditie verdraagt. Het feest is voorbij, het Britse koningshuis danst verder.”

“Wees bereid om beledigd te worden” Column DS 3 mei 2018

“Tegendraads denken, eigenzinnig redeneren, het zijn houdingen die schijnbaar hoog gewaardeerd worden. Toch is de openheid voor aparte, kritische ideeën vaak beperkt.

Een actueel voorbeeld: de naam Jordan Peterson valt zelden zonder de vermelding alt-right erbij, alsof de man een vertegenwoordiger is van een zeer kwalijk soort rechts denken dat de democratie in gevaar brengt. De lezer is gewaarschuwd. En wel op basis van een ‘guilt by association’: alt-right is verwerpelijk, dan moet die hele Jordan Peterson dat ook zijn. Peterson zelf beweert onder tussen dat hij niets met alt-right te maken heeft. Zijn ideeën mogen dan zeker vatbaar zijn voor kritiek, maar ze vormen geen bedreiging voor de democratie.

Peterson is een Canadese klinisch psycholoog, die bekendstaat als tegenstander van het politiek correcte denken aan Amerikaanse universiteiten. Hij hekelt de blindheid bij westerse intellectuelen voor het massale geweld van het communisme. Hij spreekt ongegeneerd over mannelijkheid en vrouwelijkheid, en verwijst naar biologische componenten. Hij meent dat de blanke patriarchale orde niet verantwoordelijk is voor de problemen in deze tijd. Zijn boek 12 rules for life, an antidote to chaos voert sinds januari internationaal de bestsellerslijsten aan. Het werk schippert tussen metafysische ideeën over orde en chaos, eerder conservatieve leefregels, wetenschappelijke gegevens, persoonlijke anekdotes en haast priesterlijke aanmaningen om nefaste neigingen te beteugelen. Ariane Bazan gaf al een kritische lectuur van zijn boek (DS 31 maart).

Maar moet de lezer oppassen wanneer hij met zulke ideeën in contact komt? Niet echt. Peterson verdedigt zelfs stellingen die de democratie dienen. Bijvoorbeeld dat de vrijheid van mening belangrijker is dan de mogelijkheid dat iemand zich door een mening gekwetst voelt. In een interview met journaliste Cathy Newman van Channel 4, dat al meer dan tien miljoen keer bekeken werd op Youtube, verdedigt Peterson zijn standpunt met verve. Van in het begin probeert Newman om Peterson in de hoek van onverdraagzaam rechts te duwen. Dan vraagt ze dit aan Peterson: waarom zou jouw recht op vrijheid van mening belangrijker zijn dan het recht van minder­heden om zich niet beledigd te voelen? Omdat je altijd het risico neemt beledigend te zijn als je echt wilt denken, antwoordt Peterson. Dat geldt ook in dit gesprek, waarbij de journalist het risico neemt om de gesprekspartner te beledigen. Zo hoort het ook. Dat is wat gebeurt wanneer iemand de waarheid zoekt. Dan heb je het recht op vrijheid van expressie nodig, aldus Peterson. Newman had er niet van terug. Ze werd geconfronteerd met haar eigen vooroordelen: dat je in naam van niet-discriminatie bepaalde groepen op kousenvoeten moet benaderen, terwijl anderen het best een tackle krijgen.

Peterson raakte ook bekend wegens zijn verzet tegen een Canadese wet over uitingen in de strijd tegen discriminatie. Zo zouden transgenders het recht krijgen hun eigen aanspreking te kiezen. Ze mogen dan niet meer met de voornaamwoorden ‘hij’ of ‘zij’ worden aangesproken, maar met nieuwe woorden als Per, Ey of Zhe. Volgens Peterson is het onwerkbaar en principieel onaanvaardbaar. Dan bepaalt de wet hoe je je moet uitdrukken. Het argument dat je een transgender uit vriendelijkheid (‘kindness’) moet tegemoetkomen, vindt hij ook onzin. Die vriendelijkheid heeft geen voorrang op vrije expressie. En achter zo’n eis tot vriendelijkheid gaat dwang schuil. Peterson wijst er geduldig op dat dergelijke eisen om minderheden niet te discrimineren niets opleveren, maar net zelf machtsmiddelen dreigen te worden. Verdedigt Peterson daarmee een extreem standpunt? Continue Reading ›

“Handen schudden of niet, dat is niet de vraag”, column DS, 19 april 2018

Deze column verscheen in De Standaard op 19 april 2018.

“Een hand schudden of niet, verdoofd slachten of niet, openlijk seksualiteit bespreken of niet … Vallen die kwesties niet gewoon onder pragmatische politiek? En zijn ze niet gewoon de uitdrukking van de diversiteit die we zo moeten koesteren? Nu CD&V de chassidische Jood Aron Berg op de lijst voor de gemeenteraadsverkiezingen in Antwerpen wilde plaatsen, laait de discussie weer op. De man heeft zich ondertussen teruggetrokken. Toch waren enkele commentatoren voor een pragmatische aanpak gewonnen. Want ja, deze kwesties kunnen triviaal lijken. En er zijn nu eenmaal meerdere culturele gebruiken en ze duiden allemaal op vormen van respect.

Helaas gaat deze kwestie politiek dieper. Ze is ook interessanter dan handen schudden of niet.

Kort gezegd is de vraag of rechten, dan wel wetten primeren om het politieke te organiseren. Die vraag voert naar de politieke denkers van de vroege moderniteit, die het model van de liberale democratie hebben voorbereid.

Stel je voor dat er geen instellingen, geen overheden, zelfs geen landen zijn. Dat je de voorwaarden voor een politieke samenleving vanaf nul wil herdenken. Dat je je niet op een goddelijke openbaring wil beroepen. Hoe zou je dan de gemaakte afspraken in een samenleving funderen? Dat was de vraag van de Engelse denker Thomas Hobbes, en hij bedacht een theoretische oefening: de natuurtoestand. Zonder maatschappelijke structuur, stelt Hobbes, leven individuen alleen, volstrekt vrij maar enorm onveilig. In de natuur strijden mensen met elkaar, omdat ze hebzuchtig, ijdel en ambitieus zijn. Er zijn geen wetten waaraan ze moeten gehoorzamen, en er zijn geen instellingen om zo’n gehoorzaamheid af te dwingen. Toch behouden ze een principieel recht: het recht om te proberen in leven te blijven. Voor Hobbes – en dit is de cruciale wending – primeert dat recht op de wet; eerst heeft elk individu rechten, en daaruit worden de wetten afgeleid. De eerste wet laat dan toe dat mensen deze gevaarlijke natuurtoestand verlaten en onderling een contract afsluiten. Ze doen dit omdat de rede hen ertoe aanzet om een veiliger model te verkiezen boven het onzekere bestaan. Ze dragen dan hun politieke macht over op een sterk centraal gezag. Dat gezag, van een monarch, maakt een einde aan hun vrijheid. De burgers moeten zich voortaan aan het maatschappelijke verdrag – en de bijhorende wetten – houden.

Andere denkers, zoals Locke en Rousseau, hebben variaties op deze natuurtoestand bedacht. Zij hebben ook grote invloed gehad op de liberale democratie zoals we die nu kennen. Maar in elke hypothese wordt de wet uit het onvervreemdbaar en inherente recht van het individu afgeleid.

Dit is dan ook het verschil: voor de strikt gelovige – moslim, jood of christen – primeert de wet op het individuele recht. Welk recht iemand meent te hebben, kan alleen binnen de perken van de goddelijke wet, van het gebod of verbod, worden gedacht. En die wet volgt uit de Openbaring. De mens kan hieraan zelfs niet tornen, omdat die wet van oorsprong goddelijk is. Zo wordt duidelijk dat de actuele vraag over iemands hand schudden, in een heel andere politieke logica kadert.

Het gaat zelfs niet alleen over een begrip als waarden, hoewel de discussie zich hierop toespitst. Ook enkele kritische CD&V-ers verwezen naar waarden, zoals Hendrik Bogaert en jongerenvoorzitter Sammy Mahdi. De politieke inzet is echter specifieker.

Wat moeten mensen die de (goddelijke) wet laten primeren dan doen? Continue Reading ›

“Door de bril van Houellebecq”, DS, 22 maart 2018

Radio 1 vroeg me om het begrip ‘soumission’ te duiden, in de uitzending ‘De Wereld Vandaag‘, op 20 maart 2018. Het duikt steeds vaker op, ook op sociale media: #soumission . En de term verwijst naar een roman van de Franse schrijver Michel Houellebecq, maar hoe zat dat precies?

In deze column herneem ik de vraag, en geef ik aan wat de onderliggende angst is rond ‘soumission’, die Houellebecq probeerde te vatten.

 

“De term ‘soumission’ verschijnt in het politieke debat. Bart De Wever gebruikte hem tijdens zijn interview met De Zondag: ‘Dezelfde linkerzijde die bh’s in brand stak in mei ‘68, omarmt nu de hoofddoek als symbool van gelijkwaardigheid. (…). Men wou het christendom kapot, maar van de islam aanvaardt men alles. Ik noem dat soumission.’

‘Soumission’, ‘onderwerping’ is een schimpscheut. Nadat het westen het christendom opzijschoof, accepteert het kritiekloos de islam. Vooral linkse partijen krijgen dit verwijt: zij hebben het katholicisme altijd aangevallen als een manifestatie van het patriarchale, autoritaire en onkritische denken. Maar dat patriarchale denken is evengoed bij conservatieve moslims te vinden. Waarom zouden we dat wel accepteren? Linkse stemmen vinden die parallel al te gemakkelijk; moslims vormen een minderheid en die minderheid heeft bescherming nodig. Achter de islamkritiek gaat een daad van onrecht, een uitdrukking van discriminatie of zelfs racisme schuil, menen ze. Maar die insteek lost de paradox niet op.

Daarbij creëren godsdiensten dynamieken die veel verder gaan dan een vraag over de rechten van minderheden kan beantwoorden. Dat is precies wat Michel Houellebecqs roman ‘Soumission’ traceert. Het is naar die roman dat de term ‘soumission’ in het politieke debat verwijst. De roman verscheen vlak voor de aanslagen op Charlie Hebdo in januari 2015, en speelt zich af in Frankrijk in 2022. In Houellebecqs verbeelding wordt de eerste moslimpresident, Ben Abbes verkozen, dankzij een alliantie tussen diens conservatieve moslimbroederschap en linkse partijen. Beide partijen kunnen zo Marine Le Pens ‘Front National’ van de macht houden. Overal breken gewelddadige protesten uit, waarover de media amper berichten. De protagonist François, een uitgebluste academicus, omarmt de nieuwe machtsstructuren uit eigenbelang en conformisme.

Houellebecq is bekommerd over de teloorgang van sterke geloofsovertuigingen. Hij plaatst de islam niet tegenover de Verlichting, zoals in Vlaanderen gebeurt. Integendeel, hij beschouwt de Franse Revolutie als een godsdienstoorlog van atheïsten tegen katholieken. Houellebecq heeft tevergeefs geprobeerd om zich tot het katholicisme te bekeren. Zijn roman ligt in het verlengde van die persoonlijke mislukking. Vandaag heeft de islam de wind in de zeilen. Maar moslim worden uit conformisme, zoals zijn personage François, zou hij niet doen; ‘Ik ben geen lafaard’, stelt hij in een interview. Dit raakt aan de essentie van het concept ‘soumission’: het is vooral een moreel verwijt. Het suggereert lafheid, gebrek aan daadkracht, aan zelfrespect. Met de stempel ‘soumission’ maak je iemand politiek monddood, want wie wil zich nu associëren met een project van vrijwillige vernedering en onderwerping?

Toch heeft François in de roman allerlei goede redenen om dit te doen, en dat is de kracht van de roman, die niet oordeelt maar beschrijft. Continue Reading ›

“Temptation Island: lachen met lageropgeleiden”, DS ‘De Mening’, 16 maart 2018,

Dit is de laatste ‘De Mening‘, van vrijdag 16 maart 2018.

” ‘Smakeloos en seksistisch en toch kijkt de elite’, kopt de krant. Blijkbaar volgen vooral hoger opgeleiden het televisieprogramma ‘Temptation Island’. Maar liefst 62 % van de kijkers heeft een hoger diploma of werkt in een hogere beroepsklasse.

Een verrassing? Niet echt, want eigenlijk hoort dit bij het fenomeen uitlach-televisie. Wat het artikel niet vermeldt, is dat de deelnemers vooral lager opgeleid zijn. In deze reeks bevinden zich onder de verleidsters een barvrouw, een schoonheidsspecialiste, een nagelstyliste, een danseres, een hostess en ga zo maar verder. De mannen zijn onder meer motorcrosser, tattooartist, bouwvakker, autotester, en assemblagemedewerker.

Ik schreef er reeds een column over: reality-tv teert op leedvermaak met lager opgeleiden, die zonder mediatraining meegaan in een complexe formule die ze niet controleren, waardoor ze ongepaste dingen zeggen of doen. Bourdieu analyseerde dit in zijn werk over televisie.

Owen Jones ontleedt dit fenomeen ook in zijn ‘Chavs. The demonisation of the working class’. Jones betoogt dat de middenklasse de neiging heeft om de arbeidersklasse te demoniseren: van alle kwaad en verval in de samenleving te beschuldigen en met minachting te bespotten. Dit doet ze zonder dat ze het zelf in de gaten heeft. Voeg daaraan toe dat de overgrote meerderheid van programmamakers, journalisten en columnisten tot die middenklasse behoort. Zo ontstaat het vertekend beeld dat van de arbeidersklasse wordt opgehangen. De meeste commentatoren hebben dan ook vooroordelen die amper worden tegengesproken. Erger nog, hun ideeën sijpelen makkelijk door in het onderwijs, het sociale beleid en de media.

Hoger opgeleiden kunnen dus heerlijk genieten van een avondje ‘Temptation Island’, waarbij de deelnemers zich bezondigen aan de vooroordelen die over hun sociale groep bestaan; ze zijn vaak dronken, dom, ontberen verantwoordelijkheidszin en kunnen zich amper beheersen.

Dat clichébeeld werkt evenzeer door in de politieke analyses van de problemen in de samenleving. Hogeropgeleide middenklassers kunnen de politieke keuzes van de lager opgeleiden doorgaans rustig negeren, paternalistisch omzeilen of laatdunkend bekritiseren. De legitieme zorgen van de arbeidersklasse – over werkgelegenheid, over de negatieve gevolgen van globalisering, over de onzekere levenskwaliteit van hun kinderen – worden weggezet als bekrompen vooringenomenheid van een groepje dwazen. Licht ontvlambare zielen zijn het, veel te vatbaar voor emoties zoals woede en angst. In werkelijkheid klopt dat natuurlijk niet. Maar om dat te beseffen, moet je verder kijken dan het beeld van de wereld dat je in een realityshow voorgeschoteld krijgt. ”

In televisiereeksen wordt ‘de elite’ dan weer opvallend positief in beeld gebracht. Een goed voorbeeld is ‘Downton Abbey’ (waarover hier een column staat) Daarin gedragen de aristocraten zich zo billijk, genereus en welwillend dat een mens niet kan begrijpen waarom aan zo’n systeem ooit een einde kwam.