“Ook nu moeten we kritisch zijn voor de regering”, column DS, 27 maart 2020

“Mag je wel kritisch zijn voor een regering in tijden van crisis? Dat lijkt ongepast, want burgers hebben andere zorgen. Deze opmerking hoor je geregeld, ook bij politici. Veel mensen hebben inderdaad – en terecht – andere bekommernissen dan complexe politieke principes: hun gezondheid, familie, werk, toekomst. Maar precies omdat deze crisis alle aandacht opeist, en omdat er uitzonderlijke maatregelen worden getroffen, is een kritische blik belangrijk.

Want noodzaak is een sterk retorisch wapen in de politiek: ze doet alle commentaar verstommen. Dat wist de Romeinse geschiedschrijver Livius al. Procedures van een uitzonderingstoestand moeten nauwlettend worden bekeken: de uitvoerende macht – eerste minister, regering – krijgt speciale bevoegdheden. Dat is grondwettelijk toegelaten. Maar een gevaar ontstaat wanneer de controle op die uitvoerende macht te sterk verminderd. Die controle gebeurt normaliter door het parlement, de rechterlijke macht en de media.

De voorbije weken werd het federale parlement driemaal uitgeschakeld. De regering Wilmès heeft verre van een parlementaire meerderheid: 38 op 150 zetels. De hemeltergende saga over de mislukte regering van nationale eenheid, met een brede meerderheid in beide taalgroepen, is uitvoerig besproken: Connor Rousseau, Paul Magnette, Georges-Louis Bouchez, Bart De Wever, Joachim Coens en Gwendolyn Rutten speelden een hoofdrol.

Daarnaast krijgt deze minderheidsregering volmachten. Nochtans kan ze heel wat doen binnen het crisisbeheer, zoals nu al het geval is. Maar door die volmachten valt de parlementaire controle weg (wetten zouden na één jaar worden gestemd, maar dat is een eeuwigheid in de politiek). Er staat niets in de volmachtenwet over een verplicht verslag aan de kamer-voorzitter en het parlement. Toegankelijke informatie is echter nodig om de regering te controleren. Premier Wilmès organiseert elke zaterdag wel een superkern: met haar ministers en de partijvoorzitters. Niet eens met de fractievoorzitters in het federale parlement, behalve wanneer een partijvoorzitter zijn fractieleider toelaat. Blijkbaar is het wantrouwen binnen de partijen zo groot, dat dit niet vaak zal gebeuren.

In de uitzonderingstoestand toont zich de soeverein, aldus rechtsfilosoof Carl Schmitt in ‘Politieke Theologie’: wie de macht heeft om te rechtsstaat op te heffen, die heeft de macht écht in handen. ‘In zo’n situatie is het duidelijk dat de staat blijft, terwijl de wet zich terugtrekt. Omdat de uitzondering verschillend is van anarchie en chaos, zal de orde in de juridische betekenis nog steeds heersen, zelfs al is het niet van de gewone soort. De geldende wetten worden in een noodtoestand bijgevolg vervangen door concrete, in de heersende of dreigende situatie noodzakelijke maatregelen.’ Wie het nog niet wist, heeft het nu geleerd: in België is de soeverein een kransje partijvoorzitters. Zij bepalen alle akkoorden. En er is geen wettelijke procedure om hen te controleren. Ze zijn niet eens rechtstreeks door de bevolking verkozen. Continue Reading ›

“Hoe Erdogan links in een spreidstand dwingt” column DS, 12 maart 2020

“Waarom is het problematisch dat heel wat Belgen met een dubbele nationaliteit hier links stemmen, terwijl ze in het buitenland rechtse politici prefereren? Neem de dubbelzinnige houding tegenover Erdogan en zijn AKP. Over hem noteert de Turkse schrijfster Elif Shafak (DS/)dat hij ‘zich (…) populistisch, islamistisch en volslagen autoritair (ging) opstellen. De AKP liet de EU-criteria voor lidmaatschap los, negeerde democratische hervormingen, blies het pluralisme op en plooide terug op zichzelf. Vergeet niet dat deze regering een coalitie is van de AKP met de MHP, de extreemrechtse Partij van de Nationalistische Beweging.’

In haar tekst stelt Shafak – die ook heel wat scherpe kritiek heeft op het Europese beleid – Erdogans standpunt recht tegenover een linkse, progressieve, pro-Europese, liberale en democratische visie. Erdogan krijgt echter heel wat steun onder Europese Turken, die in Europa voor linkse partijen kiezen. Denk maar de razend populaire Turks-Belgische Emir Kir, burgemeester van Sint-Joost-ten-Node. Hij werd in januari uit de PS gezet, uitgerekend omdat hij twee Turkse MHP-burgemeesters had ontvangen.

Deze spreidstand is problematisch voor linkse partijen op langere termijn, en wel om drie redenen. Vooreerst hebben partijen weinig aan al te opportunistische kiezers. Natuurlijk denken kiezers altijd in een bepaalde mate aan hun eigenbelang: ze stemmen voor partijen omdat ze geloven dat ze er zelf beter van worden. Daarin hebben ze geen ongelijk. Maar wanneer ze ideologisch weinig affiniteit voelen met hun stemkeuze, dan wordt hun steun erg voorwaardelijk en eenzijdig. Een progressief project heeft een basissteun nodig om een sociale strijd te kunnen voeren (met petities, betogingen, stakingen, acties). Ideologische affiniteit zorgt er juist voor dat burgers niet alleen iets willen ontvangen, maar zich voor een project willen inzetten. Dat is erg belangrijk, zeker wanneer partijen moeilijke tijden doormaken.

Daarnaast ontstaan er inhoudelijke spanningen: heel wat kiezers van dit electoraat zijn ethisch en religieus veel conservatiever dan de partij die initieel klassieke linkse standpunten bepleit. Denk maar aan thema’s als euthanasie en abortus, of aan seksuele vrijheid (LGTB-rechten) of gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen en dierenrechten. In het ergste geval begint een partij compromissen te sluiten met die conservatievere kiezers. Daardoor wordt ze minder aantrekkelijk voor wie echt progressieve standpunten verdedigt. En dit is Shafaks beschrijving van Erdogans beleid: ‘Vandaag wordt Turkije dus bestuurd door de slechtst mogelijke ideologische combinatie: ultranationalisme gemengd met islamisme, populisme en autoritarisme. En dat met een patriarchaat dat zich ingegraven heeft.’ Verder vraagt Shafak wat Europa als inspiratie nog betekent ‘voor een land (Turkije) waar moorden op vrouwen tussen 2002 en 2009 met 1.400 procent zijn gestegen, waar wetgevers de straf proberen te reduceren voor verkrachters van minderjarigen als ze erin toestemmen te trouwen met hun slachtoffer?’ Shafak onderstreept hoezeer Erdogans beleid zich heeft afgekeerd van Europese waarden. En de regressieve omkering van vrouwenrechten die in Turkije plaatsvindt, zou een oprecht progressieve kiezer met afkeer moeten vervullen. Hetzelfde geldt voor Erdogans droom van een Ottomaans Rijk. Hoe valt dat te verzoenen met het klassiek linkse antimilitarisme, antikolonialisme en anti-imperialisme? Continue Reading ›

“België, het belovende land”, DS, column 27 feb. 2020

“De federale regeringsvorming zit muurvast. Ondertussen lijken verkiezingen over de toekomst van het land vroeg of laat onafwendbaar. Alleen vragen verkiezingen inhoudelijke debatten en keuzes.

De N-VA lijkt federaal helemaal ‘out’. CD&V en Open VLD moeten dus een bocht maken naar de Vivaldi-coalitie (paars-groen plus CD&V), een regering met Vlaamse minderheid. De linkse grondtoon van die coalitie impliceert dat beide partijen hun eigen sociaal-economische visies grotendeels mogen opbergen. Dus profileren Open VLD en CD&V zich op ethische dossiers: euthanasie en abortus. Alleen staan ze wat die onderwerpen betreft diametraal tegenover elkaar. Dat wordt lastig.

Nieuwe verkiezingen dan maar? Ook lastig, zeker als de volgende verkiezingen zoals de vorige verlopen: zonder diepgravend debat, met magere programma’s en politici die de dag nadien vooral aan het eigenbelang denken. België is helaas al lang eerder een particratie dan een democratie. Partijen functioneren als bedrijven: ze willen vooral hun marktaandeel vergroten. Daarom hanteren de voorzitters veelal een campagneretoriek. Ze hebben sterke communicatiediensten uitgebouwd en invloedrijke studiediensten afgebouwd (of nooit opgericht). En waar bedrijven hun producten niet mogen aanprijzen door de concurrent openlijk de grond in te boren, mag dat in de politiek wel. Op zich maakt dat natuurlijk deel uit van het politieke debat, maar als de communicatie vrijwel uitsluitend op profilering is gericht, wordt de toon makkelijk negatief en inhoudsloos. Steeds meer burgers haken af. Desondanks verandert er niets, en dat belooft weinig goeds voor de toekomst.

Frisse of kritische ideeën komen ook amper van het parlement, dat grondwettelijk nochtans veel macht heeft. ­Leden kunnen wetsvoorstellen indienen en ze kunnen de regering controleren. Maar in België verhindert de particratie dat het parlement zijn macht ten volle gebruikt. Partijvoorzitters en enkele bestuurders zetten de lijnen uit, de rest volgt. Parlementsleden zijn partijsoldaten, schrijven Hendrik Vuye en Veerle Wouters in hun boek Schone schijn. Het duo wijst erop dat de Tweede Kamer in Nederland bijvoorbeeld wel een rol speelt tijdens de regeringsonderhandelingen, die transparanter verlopen. In België begint meteen na de verkiezingsdag de volgende campagne, met politici die af en toe voor de camera’s verschijnen, terwijl niemand anders informatie krijgt. Zelfs regeerakkoorden worden zonder grondige inzage goedgekeurd.

Daarbij speelt nog een factor: de federale structuur beloont politici die zich roekeloos gedragen. Ze schept een moral hazard. Dit is eigenlijk een economische term: hij betekent dat je meer risico durft te nemen omdat je de negatieve gevolgen van dat risico naar anderen kan doorschuiven. Dat fenomeen zien we voortdurend in België tussen de regio’s, omdat er geen unitaire partijen zijn. Vlaamse en Franstalige partijen bestaan naast elkaar, en politici kunnen alleen in één bepaalde regio worden verkozen (behalve in Brussel). Partijen maken dus gewaagde beloftes aan hun kiezers, terwijl ze hen tegelijk kunnen vrijwaren voor de nadelen van die keuzes. Die spelen ze door aan de burgers van de andere regio. Zo kunnen politici ook de volledige verantwoordelijkheid voor hun keuzes ontlopen, terwijl ze hun positie wel kunnen versterken. Maar op termijn ondervinden burgers wel degelijk de nadelen: politici worden niet genoeg aangespoord om een verantwoord beleid te voeren.

Daarom is een verregaande federalisering nodig. De Nederlandse intendant Ed Nijpels heeft gelijk (DS 24 februari): je krijgt Vlamingen en Walen niet meer dichter bij elkaar. Hervorm het land, zodat het functioneert zonder dat zo’n eensgezindheid nodig is. Neem beslissingen op het echelon dat er verantwoordelijkheid voor opneemt. Zo verhoog je de betrokkenheid. Dan worden politici niet meer beloond voor onhaalbare of onbetaalbare voorstellen.

Vroeg of laat komen er verkiezingen die over de toekomst van het land gaan. Maar die verkiezingen moeten wel inhoudelijk zijn, zodat burgers duidelijke en goed geïnformeerde keuzes kunnen maken. Zoals Luc Huyse terecht opmerkt: een Brexitscenario, waarbij burgers zonder kennis en inzicht beslissingen maken waarvan ze pas later de gevolgen ontdekken, is onwenselijk
(DS 11 februari)”

Deze column verscheen in De Standaard op 27 februari 2020.

‘Een vlaag van walging’, column DS, 13 februari 2020

Het coronavirus verspreidt zich in China en daarbuiten. In China neemt de overheid draconische maatregelen: burgers dragen mondmaskers, quarantaines worden opgericht en sommige steden worden zo goed als afgesloten. Ook elders in de wereld leeft enige angst voor het onbekende virus. Dit is begrijpelijk; vroeger hebben ziekten zoals de pest of de Spaanse griep ravages aangericht. Maar ziekten genereren ook walg. En dat gevoel is politiek gezien veel relevanter dan vaak wordt gedacht.

Walg is een sterke fysieke reactie op tekenen van ziekte of verval. Wie beschimmeld voedsel, uitwerpselen of braaksel waarneemt, wil meteen afstand nemen. Deze scherpe reflex is nuttig; het lichaam kiest voor zelfbescherming. Maar de gevoeligheid voor weerzin beïnvloedt ook morele en politieke oordelen. Op een diep psychologisch niveau verbinden we weerzin met ‘wij’ en ‘zij’, met wie er bij hoort, en wie niet; wie kunnen we vertrouwen, en wie niet; wat we zuiver vinden, en wat niet.

Vaak merken we die reactie amper: in vergelijking met woede, geluk of verdriet, heeft walg een minder bewust effect op keuzes. Maar dat maakt de emotie niet minder belangrijk, aldus psycholoog David Pizarro (Cornell University). Afkeer is meer een kwestie van reactie dan actie, van reflex dan reflectie. Dat geeft haar een retorische kracht, aldus Pizarro; ze is als een kleine ‘hack’ in de hersenen.

Wanneer politici er in slagen dit gevoel van aversie aan bepaalde groepen te koppelen, genereren ze dan ook een sterke emotionele respons. En dat gebeurt regelmatig. Recent verbond Filip Dewinter het coronavirus met het ‘islamvirus’. In nazipropaganda werden Joden met ratten en ongedierte vergeleken. Ook Donald Trump verwijst vaak naar afkeer. Tijdens een meeting sprak hij bijvoorbeeld over Hillary Clintons ‘walgelijke’ toiletstop tijdens een televisiedebat. Zo’n opmerkingen lijken van de pot gerukt, maar ze sorteren wel effect.

Meer nog, experimentele psychologen hebben aangetoond dat rechts-conservatieve kiezers gevoeliger zijn voor walg dan liberale kiezers. Neurowetenschapper Read Montague (Virginia Tech University) mat de neurale respons van mensen terwijl ze beelden bekeken van misvormde dieren, vuile toiletten en gezichten met zweren. Hij peilde ook naar hun politieke ideeën, op een spectrum van extreem liberaal tot extreem conservatief. En de gevoeligheid voor weerzin bleek groter te zijn bij conservatieven. Aan de scan kon Montague zelfs met 95% zekerheid zeggen of iemand liberaal dan wel conservatief was. De testpersonen kregen ook gewelddadige beelden te zien (mannen met revolvers gericht op de camera; vechtscènes, autowrakken) en aangename beelden (lachende babies, zonsondergangen, konijntjes). Maar alleen bij afkeer was er een sterke correlatie tussen respons en politieke overtuiging. Ook andere studies, van bijvoorbeeld Michael Bang Andersen (Aarhus University), wijzen op een overeenkomst tussen een gevoeligheid voor walg en een conservatieve ethos, zoals traditionalisme, religiositeit, steun voor autoriteit en hiërarchie, seksueel conservatisme en wantrouwen tegenover anderen. Walg heeft dus morele effecten; ethiek handelt niet alleen over goed en kwaad, maar ook over het zuivere. Religies hebben duidelijke regels voor voedsel, seksualiteit en de behandeling van lijken, bijvoorbeeld. Gelovigen ervaren weerzin bij de gedachte aan overtredingen.

Gevoelens van walg hebben zelfs een impact op politieke en morele ideeën: als de context afkeer oproept, verschuiven politieke ideeën naar de rechterkant van het spectrum. In Pizarro’s test, bijvoorbeeld, moesten proefpersonen morele en politieke vragen beantwoorden. Naast hen stond een bord dat eraan herinnerde om de handen te wassen teneinde griepinfecties te vermijden. Die verwijzing volstond om meer rechtse politieke stellingen en moreel conservatieve voorkeuren te noteren.

Niemand weet voorlopig hoe lang het coronavirus zich nog zal verspreiden, of hoe gevaarlijk het echt is. Continue Reading ›

“Een Europese uitlaatklep voor ontevreden burgers”, column DS 30 januari 2020

Spannende tijden in Europa: vanaf 1 februari is de Brexit een feit (onderhandelingen duren nog wel één à twee jaar). En voor burgers komt er een Europese Conferentie…

“Er komt een ‘Conferentie voor de Toekomst van Europa’ vanaf 9 mei 2020, om burgers meer inspraak te geven bij de Europese besluitvorming. Het project leidde tot kritische opmerkingen (Steven Van hecke, DS), ook omdat niemand weet wat er met de resultaten zal gebeuren in 2022.

Toch is zo’n conferentie een hoopvol signaal. De commissie, het Europese parlement, de Europese instellingen en de lidstaten erkennen dat burgers mee moeten beslissen over de EU. Dat gebeurde tot nog toe weinig. Zo was commissievoorzitster Von der Leyen geen Spitzenkandidaat bij de Europese parlementsverkiezingen, maar werd ze toch voorzitster.

Daarnaast speelt de impact van het Brexitreferendum in 2016. Niet alleen gaat de EU van 28 naar 27 lidstaten. De brexit is in strijd met een funderend principe: dat alle landen naar een ‘ever closer union’ zouden bewegen, zoals in het verdrag van Rome uit 1953 staat. Die ‘ever closer union’ was de horizon voor beleid; directe inspraak van de bevolking stond niet op de agenda. Want Europa was ook een morele belofte: nooit meer oorlog. De strijd tussen naties was voorbij, dankzij een vrije markt en nauwe economische samenwerking. Wie aan deze doelstellingen twijfelde, verloor morele legitimiteit.

In de opzet van de Conferentie wordt de mogelijkheid van kritiek wel meegenomen. Dat is een hele verbetering. Want de moraliserende retoriek om twijfelaars te doen zwijgen – vaak gebruikt door voorstanders van Europees federalisme – heeft het tegenovergestelde effect gehad: afkeer en weerstand. Tenslotte is kritiek op deze Unie onvermijdelijk: ze promoot vier vrijheden (personenverkeer, werknemersverkeer, goederenverkeer en kapitaal) en impliceert beleidskeuzes. Die keuzes hebben gevolgen. Er zijn winnaars en verliezers. Je kan die verliezers niet altijd wegzetten als egoïstisch, gesloten, dom, of erger nog, gevaarlijk nationalist, xenofoob, racistisch etc.

De euro-kritische stemmen klonken het luidst tijdens de referenda. Die referenda zijn wellicht een verkeerd middel om belangrijke, politieke kwesties te beslechten. Maar dan moet de EU-constructie meer rekening houden met oppositie. Omdat klassiek oppositievoeren binnen de EU zo moeilijk is, ontstaat principiële oppositie, zoals de Ierse politicoloog Peter Mair al in 2006 voorspelde. Klassieke oppositie betekent dat politieke partijen een alternatief kunnen zijn voor de heersende regering en haar beleid. Zo hebben ontevreden burgers een uitweg binnen het politieke systeem zelf. Anders verplaatst het ongenoegen zich naar de politieke structuur op zich. Peter Mair kwam tot die conclusie na de referenda in Nederland en Frankrijk in 2005, waarbij de bevolking zich telkens uitsprak tégen het grondwetsverdrag. Hij voorzag nog een andere ontwikkeling: Europese besluiten bepalen de nationale politiek steeds meer, ook indirect (regels voor begrotingen, bijvoorbeeld). Die invloed beperkt de ruimte voor de klassieke links-rechts discussies in nationale parlementen. En die evolutie vergroot de kans op een nieuwe breuklijn: tussen partijen die binnen of buiten de EU willen staan.

Neem Boris Johnsons laatste, overweldigende verkiezingsoverwinning in december 2019. Met zijn slogan ‘Get Brexit done’ verleidde hij veel voormalige Labour-kiezers. Zijn tegenstander, Jeremy Corbyn, bleef neutraal over de Brexit – hij stelde een nieuw referendum voor. Corbyns verpletterende nederlaag heeft ongetwijfeld vele oorzaken. Maar hij begreep alvast niet dat ‘binnen’ of ‘buiten’ de inzet was van de verkiezing.

Wat is er nodig om de stemmen van de bevolking succesvol te integreren? Continue Reading ›

“Meghan en Harry moeten burger worden”, column DS, 16 januari 2020

“De saga rond Harry en Meghan toont (opnieuw) dat de monarchie een wreed, oubollig instituut is. De aristocratie vertrekt van een ongelijkheid die haaks staat op de democratie, schreef ik hier al eerder (DS). Maar daarnaast speelt de houding van de bevolking. Die staat eerder ambivalent dan welwillend tegenover haar royals. Want wie privileges heeft, wordt pas geliefd indien hij ook opofferingen brengt. Anders mort het volk. Royals die al te vrij, rijk en gelukkig willen zijn, worden makkelijk het doelwit voor negatieve commentaar.

Die ambivalentie is inherent aan de monarchie, maar door de massamedia klinkt ze feller. Ambivalentie betekent dat de monarch zowel met een bijzondere liefde als met een bijzondere strengheid wordt bejegend. De liefde was vroeger zelfs ‘deference’, een onderdanige bewondering. Monarchen kregen bijzondere krachten toegemeten, waardoor ze het land konden beschermen. Mensen geloofden dat de (Franse) koning hen bijvoorbeeld kon genezen door hen aan te raken (aldus Marc Bloch). Dit soort bijgeloof is verdwenen. Daarmee is ook de aanbidding verminderd. Toch is er nog een uitzonderlijk respect; protocollaire regels illustreren dat de monarch letterlijk en symbolisch op iedereen voorrang heeft.

Maar tegenover die liefde staat heel wat dwang. Bij voorrechten horen plichten. Een bijna wreedaardige beperking is dat koningin Elizabeth II nooit mag tonen wie ze is. Tijdens haar ontmoetingen mag ze alleen handjes schudden, glimlachen en neutrale opmerkingen maken. Elizabeth gedraagt zich dan ook afstandelijk. Ze lijkt behept met een Britse ‘stiff upper lip’. Maar haar terughoudendheid is fundamenteler; ze hoort bij de ‘twee lichamen’ van de soeverein; de koningin is een publieke persoon (dit is haar heilige functie) en een private persoon. Als soeverein incarneert ze de ‘body politic’, de staat, de gemeenschap. De koningin is dus een mens. Maar door een heilig ritueel tijdens de troonsbestijging wordt ze méér dan gewoon Elizabeth. Voortaan beleeft ze niet alleen haar persoonlijke leven, maar belichaamt ze een eeuwige functie. Hoe meer de koningin haar persoonlijke karakter – de echte Elizabeth – verbergt, hoe beter ze haar functie uitoefent, en hoe meer macht ze verwerft.

De huidige koningin Elizabeth wordt alom geprezen omdat ze dit al bijna 70 jaar uitstekend doet. In de buitenwereld weet niemand wie ze echt is; Alan Bennett suggereert in de geestige novelle ‘De ongewone lezer’ dat er weinig te kennen valt. Maar dat doet er niet toe. Burgers zien dat de koningin offers brengt. Altijd roept de plicht. Soms ziet ze er een beetje gelukkig uit, maar met mate.

Elke royal die probeert om als persoon naar voren te treden, wordt afgestraft. De gekwelde prinses Diana wilde een hartenkoningin zijn. Ze werd populairder naarmate ze ongelukkiger was. Maar ze gaf ook interviews over haar intieme leven, en met haar scheiding verloor ze haar koninklijke titels. Want de monarchie verdraagt weinig individualiteit.

De bevolking wil dus wel respect opbrengen, maar alleen wanneer royals voldoende inspanningen leveren. Begin jaren ‘90 vond prins Charles zijn romantische geluk belangrijker dan zijn functie; zijn perikelen werden breed uitgesmeerd in de tabloids en door miljoenen mensen gelezen. Tabloids gebruiken het excuus dat royals belastinggeld krijgen. Dit is de moderne formulering van de ruilhandel rond privileges. De generositeit van de bevolking is dus voorwaardelijk; haar respect kan snel in minachting omslaan.

Nu verschijnt Meghan Markle. Ze is een moderne, Amerikaanse vrouw. Ze heeft eigen levensstijl, waarover ze vroeger blogde. Ze reflecteert waarschijnlijk niet over de leer van de twee lichamen van de vorst, maar ze wil hoe dan ook niet in zo’n keurslijf. Ze wil samen met haar man zichzelf zijn, vrij. Dat kan niemand haar kwalijk nemen. Welke hedendaagse mens wil volgens eeuwenoude tradities leven? De vraag is of Harry en Meghan hun koninklijke titels mogen behouden. Misschien lijkt het aanvaardbaar dat ze op die manier financieel onafhankelijk kunnen zijn. Maar dit impliceert een uitverkoop van de koninklijke status, die de monarchie aantast en de kritische media-aandacht niet zal wegnemen. Eigenlijk is er maar één uitkomst; gewoon burger worden.”

Deze column verscheen op donderdag 16 januari 2020 in De Standaard.

“De schaduwkant van de regenboogcoalitie”, DS, 19 dec. 2019

“De knoop rond de federale regeringsvorming valt amper te ontwarren. Een meerderheid aan Vlaamse kant is er alleen als de N-VA meedoet, maar die partij wil niet echt, en niemand wil de N-VA. De tweede optie is paars-groen, maar die regering heeft een heel krappe meerderheid in het federale parlement, en een opvallende minderheid aan Vlaamse kant. De derde optie is paars-groen-oranje, met een minderheid aan Vlaamse kant, maar een ruime meerderheid federaal.

Toch is ook die optie problematisch op langere termijn: wie het beleid van zo’n regering afkeurt, kan in Vlaanderen niet meer stemmen voor een pro-Belgische centrumpartij. Daarbij komt dat de volgende regering een enorm begrotingstekort moet oplossen, en dus wellicht nieuwe belastingen heft en bespaart. Tegenstand kan zo’n regering dus zeker verwachten. Wat dan?

Een democratie is een politiek systeem waarbij politieke instellingen zo georganiseerd zijn, dat een politieke omslag mogelijk is: wanneer burgers misnoegd zijn over het beleid, kunnen ze bij de volgende verkiezing voor een andere partij stemmen, zonder dat deze keuze de fundamentele structuur van een land op stelten zet. Met deze mogelijkheid tot vreedzame, stabiele oppositie verschilt een democratie bijvoorbeeld van een dictatuur. Oppositie daar betekent ofwel dat kritische burgers in de gevangenis verdwijnen, ofwel dat verenigd verzet tegen de macht de dictator zelf doet wankelen.

Die democratische machtswissel vind je ook terug in de ideologische tegenstellingen, in alle variaties tussen linkse en rechtse posities binnen het politieke spectrum. In hun programma’s, en ook in regeerakkoorden, formuleren partijen hun plannen voor een begroting. Daarmee geven ze aan welk beleid ze willen voeren: ze maken aan de ene kant duidelijk welke burgers (of groepen) ze op welke manier willen belasten, en aan de andere kant aan welke burgers of groepen ze de geïnde bedragen willen overmaken. Het fundamentele meningsverschil over de begroting kan je als de verschillende visies op gelijkheid en vrijheid formuleren: elke partij beantwoordt de vraag hoe je de gelijkheid en de vrijheid van de burgers het beste gestalte geeft. Wie regeert, mag zijn visie uitproberen. Die poging wordt beoordeeld door de kiezer bij de volgende verkiezing, en beloond of bestraft. Continue Reading ›