“Haal je identiteit niet uit je job”, column DS, 16 juni 2022

“Burn-out neemt pande­mische vormen aan. Er zijn wellicht veel verklaringen en interpretaties. Eén model legt de nadruk op de rol van identificatie: mensen zien zichzelf als hun werk, ervaren moeilijkheden op hun werk als een persoonlijk ­falen en komen zo in een negatieve spiraal terecht, zoals de artikelenreeks van Nathalie Carpentierin ­deze krant al liet zien. 

Bij elke identificatie zijn er drie beelden die elkaar beïnvloeden, volgens de Franse sociologe Nathalie Heinich: hoe je naar jezelf kijkt (zelfperceptie), hoe je je voorstelt aan de buitenwereld (presentatie) en hoe die buitenwereld naar jou kijkt ­(designatie). Die drie veranderen voortdurend: hoe je bekeken wordt, verandert je zelfbeeld en je houding tegenover anderen, bijvoorbeeld. Heinich gebruikt haar concept om de levensloop van (vrouwelijke) kunstenaars te analyseren. Het is ook interessant om de betekenis van werk te ­begrijpen.

Op de vraag wie je bent, volgt vrij snel de vraag naar de job die je uitoefent. Je bent in hoge mate wat je doet. Met de moderniteit werd de baan een ­belangrijker element van de identiteit. Ze vervangt de sociale status die vroeger uit familiebanden of ­gemeenschapsfuncties werd afgeleid. Zo illustreert de job bij uitstek de sociale mobiliteit. Voor vrouwen geldt dat nog meer. Ze zijn méér dan dochter, echtgenote, moeder. 

‘Je bent je job’ heeft ook een keerzijde. Wie ben je nog als je werkloos bent, of als je niet kunt werken? Een job is meer dan een job: het is een bron van levensvervulling. Precies dat ideaal draagt bij tot burn-out, ­aldus Jonathan Maselic, in The end of burn-out. Why work drains us and how to build better lives. Volgens Maselic treft burn-out niet alleen mensen die perfectionistisch handelen. Maar vooral wie verwacht dat werk een dieper verlangen naar betekenis inlost. Je geeft je hart en je ziel; dus hoop je dat je ziel vervuld wordt. Alleen is het twijfelachtig of betaald werk die rol kan waarmaken. 

Maselic herstelde zelf van een zware burn-out. Hij vermoedt dat de diagnose zo vaak valt, omdat dat verdict relatief minder lastig is voor een hardwerkende mens. Liever een burn-out dan een depressie. Of liever een werkprobleem dan een confrontatie met de meer existentiële ontreddering. Of liever overwerkt dan overbodig, voor wie, naar het woord van David Graeber, een ‘bullshit-job’ heeft (een repetitieve, slechtbetaalde, onbevredigende baan). 

Bedrijven moedigen de verwarring tussen wie je bent en wat je doet aan, om de productiviteit op te drijven: jij hebt een missie! En dus vervagen de grenzen: dit is toch geen ­labeur, maar passie! Op de werkvloer richt men ontspanningsruimtes in: pingpongtafels, meditatiehoekjes en koffieruimtes. De boodschap is duidelijk: hier vind je alles om optimaal te zijn, en dus te functioneren. ­Natuurlijk is een fijne werkomgeving ­belangrijk. Alleen heb je het recht om wat je gelukkig maakt niet op het werk te zoeken. In zijn boek noemt Maselic deze sluipende ­bedrijfscultuur een kolonisering van het innerlijke leven. Een deel van het antwoord op de burn-out kan zijn dat je beseft méér te zijn dan het werk dat je doet. 

Identiteit is ook hoe je je voorstelt aan de buitenwereld. Gedreven werknemers erkennen niet graag dat ze het moeilijk hebben. Hun onbehagen maakt hen wel onaan­genamer in de omgang. Maselic vermeldt drie elementen van burn-out: uitputting die niet door rust opgelost raakt, ­cynisme (minder ­betrokkenheid, negatieve houding tegenover anderen), en ­gevoelens van nutteloosheid en inefficiëntie. Die drie symptomen bouwen geleidelijk op, tot de spreekwoordelijke druppel. 

Maselic beschrijft ook zijn gedrag in de aanloop naar de burn-out: ­ ­superioriteitsgevoel tegenover minder presterende collega’s, woede en frustratie, cynisme, botheid. De schijnbaar perfecte performer moest zijn kwellingen verbijten, en werd een lastige collega. Burn-out is geen kwestie van één individu, maar van een dynamiek tussen mensen. Hoe voel je je bekeken op de werkvloer? Als een kracht en als een risico. 

In het hedendaagse winstmodel wordt een werknemer als een risicovolle investering beschouwd, als een persoon die veel geld kost en het liefst zo veel mogelijk oplevert. De ­financiële risico’s wentelen bedrijfsleiders het liefst op de werknemer af. Die moet voortdurend verantwoorden wat hij doet. Mede daarom ­nemen de administratieve lasten toe. In de ogen van het personeel zijn dat overbodig, nodeloos controlerende taken. 

Structureel vermindert de werk­gever zijn kosten door tijdelijke contracten. Personeel dat tekortschiet, kan goedkoper afvloeien. Voor de flexibele werker wordt het leven zo risicovoller. De freelance-economie zingt de lof van de vrijheid: je kunt werken waar en wanneer je wilt. Maar met die autonomie komt ­precariteit. Hoe vrij ben je als je elk baantje moet aanvaarden om rond ­te komen? 

Kortom, het ideaal dat werk ­belooft – een identiteit, levens­vervulling – botst met de harde ­realiteit, met de berekenende, ­afstandelijke logica die tal van ­domeinen in de samenleving regelt.”

Deze column verscheen in De Standaard, op donderdag 16 juni 2022.

“Fangio’s horen op het circuit”, DS, 2 juni 2022

“In Nederland werd de maximumsnelheid op de autoweg terug­gebracht tot 100 kilometer per uur (tussen zes uur ’s ochtends en zeven uur ’s avonds). In Vlaanderen suggereerde Groen een gelijkaardige maatregel, maar de discussie werd meteen stopgezet na een veto van minister van Mobiliteit Lydia Peeters (Open VLD). Dat is jammer, want voor dat voorstel valt veel te zeggen. Het enige nadeel is dat bestuurders zich wat moeten inhouden. Ja, dat is lastig. Dat vind ik ook – mensen die regelmatig met mij meerijden, noemen me Fangia (naar Fangio, de legendarische Argentijnse ­autoracer). Maar een mens leeft niet alleen en de harde realiteit bestaat. In de realiteit zijn de positieve gevolgen van een snelheidsbeperking overweldigend, zeker gezien de huidige crises.

Als je trager rijdt, verstook je minder brandstof. Dat is goed voor je bankrekening, nu de brandstof­prijzen zo hoog zijn. Elektrische ­auto’s verbruiken evengoed minder als ze trager rijden. ­Lager verbruik is ­bovendien beter voor de directe omgeving (minder CO2-uitstoot, minder ­geluidsoverlast) en het is beter voor het klimaat. Het is ook nog eens veiliger; als iedereen langzamer rijdt, gebeuren er minder zware ongevallen. Ander paradoxaal voordeel: files worden veelal korter, omdat de capaciteit van de weg toeneemt (de afstand tussen wagens vermindert). Het mogelijke tijdverlies door ­trager te rijden blijft beperkt; deels omdat de rijafstanden in België kort zijn. En ten slotte, sinds de oorlog in Oekraïne speelt een geopolitieke winst; minder energieconsumptie vergroot de onafhankelijkheid van autoritaire, oorlogszuchtige regimes.

In Nederland past de snelheids­beperking tot 100 kilometer per uur in een breder stikstofbeleid: door de lagere uitstoot van het vervoer krijgen de landbouw en de bouwsector wat meer ruimte om zich te ontwikkelen. Ook in Vlaanderen zijn er felle discussies over het beleid om stikstofemissies door de landbouw te ­beperken. 

Waarom ligt een nieuwe snelheidsbeperking zo moeilijk? Politici huiveren voor onpopulaire maatregelen. Een verworven recht inperken – met 120 over de snelweg scheuren – is daarom heikel. Alleen moeten wetten ter wille van technologische ontwikkelingen regelmatig bij­gestuurd worden. Toen auto’s op de markt kwamen, zag iedereen de ­mogelijkheden. De gevaren – ­geluidshinder, milieuschade of veiligheid – waren geen prioriteit. Pas na verloop van tijd werd duidelijk dat er regels nodig waren. Dus werd ­bijvoorbeeld de gordelplicht – eerst vooraan, later ook op de achterbank – ingevoerd. Dat leidde tot fel protest in naam van de vrijheid. De associatie tussen vrijheid en auto’s lijkt vanzelfsprekend: ‘mijn auto, mijn vrijheid’ is een slogan die de auto-industrie op allerlei manieren gebruikt om haar producten te promoten. Alleen corrigeren regels wat fout loopt. Ze nemen geen oorspronkelijk recht op vrijheid weg. Ze zijn niet anti-auto, maar pro-mens, pro-samenleving of pro-natuur. 

Maar goed, auto’s zijn een erg ­gevoelig onderwerp. Autorijden maakt mensen emotioneler, volgens psycholoog Jean-Marc Bailet, auteur van Le volant rend-il fou. Psychologie de l’automobiliste: zodra ze in een wagen plaatsnemen, hebben mensen hun emoties minder onder controle en worden ze gevoeliger voor stress. De meeste automobilisten overschatten hun rijkwaliteiten en onderschatten de risico’s die ze nemen. Dat geldt volgens Bailet vooral voor mannelijke bestuurders. Hij verklaart het deels door de opvoeding; van kindsbeen af leren jongens dat auto’s speelgoed zijn, waarmee ze zich mogen amuseren. 

Auto’s verzinnebeelden daarbij de 20ste-eeuwse economische en sociale vooruitgang, aldus Bailet: sneller, luxueuzer, en de laatste tijd groter en dikker. Een auto is dus veel meer dan een gebruiksvoorwerp. Veel mensen ­beleven hun voertuig als een verlengstuk van zichzelf. Assertieve automobilisten ­beschouwen de weg niet als een plek die ze delen met anderen, maar als een plek waar ze zich kunnen laten gelden.

In België wordt die associatie met een sociale en economische promotie versterkt door de prominente plaats van de bedrijfsauto. Die werd populair als een fiscaal voordelige constructie – bedrijven hoeven op die extra verloning geen sociale en andere lasten te betalen. Het is veelzeggend voor de Belgische besluitvorming dat de maatregel ingevoerd werd door regering-Dehaene om de loonstop die ze zelf had ingevoerd, te omzeilen in de periode 1993-1996. Intussen is een auto voor veel werknemers een vast onderdeel van het loonpakket geworden. De auto symboliseert dus bij uitstek het prestige van een geslaagde carrière. Hij is ­opnieuw een verworven recht en ­politici willen daar liever niet aan tornen. 

Andere tijden vragen echter aangepaste visies en daadkracht. Politici die aarzelen om beleid te herzien, moeten voorbij het moment kijken: schijnbaar onhaalbare maatregelen raken na verloop van tijd gewoon ­ingeburgerd. En wie er nog van droomt om even Fangio te zijn, hoort op het racecircuit thuis.”

Dit artikel verscheen in De Standaard op donderdag 2 juni 2022.

“Rituelen behoeven geen vernedering”, column DS, 12 mei 2022

Bij het doopritueel van de studentenclub Reuzegom kwam de jonge student Sanda Dia om het leven. De rechtbank moet over de specifieke omstandigheden van zijn tragische dood oordelen. Wat me hier interesseert, is de meer algemene vraag of vernedering een rol speelt in ­rituelen en, indien ja, welke. Want het valt op dat de Reuzegommers mens­onterende behandelingen oplegden, die een opstapje zouden zijn om bij de elite te horen – ‘een gestoord bruut jaar voor de elite die we zijn’, dixit de schachtentemmer. Schachten moesten op zich laten urineren, levende en dode dieren inslikken (een muis door een blender gemixt), weerzinwekkende brouwsels drinken, uren in koud water liggen … .

Elke cultuur kent publieke overgangsrituelen: momenten van inwijding waarop de groep nieuwe leden ontvangt, die daardoor een nieuwe, ­hogere status krijgen. In veel culturen moet de ingewijde een echte proef doorstaan, bijvoorbeeld tijdens de ­puberteit. Die test scherpt de kwaliteiten aan die de jongere later nodig zal hebben, zoals moed, vindingrijkheid, veerkracht, geduld, volharding. Een klassiek voorbeeld is de jongeman die bij de Masai een nacht alleen in de wildernis moet doorbrengen. De rite is ook veelzijdig. Tijdens het hele proces komt de jongere in contact met leeftijdsgenoten en met volwassenen met wie hij een vertrouwensband opbouwt. Wijsheid doorgeven speelt een belangrijke rol, de jongeren worden aangezet om na te denken over hun rol als volwaardige deelnemer aan de gemeenschap. Die ervaring stimuleert het zelfvertrouwen. Na afloop geven de ouderen de ingewijden meer erkenning en verantwoor­delijkheid.

Het Westen heeft de voeling met overgangsrituelen veelal verloren. Het volstaat dat je jarig bent om dezelfde rechten als een volwassene te verkrijgen – op je achttiende mag je stemmen en word je financieel onafhankelijk. Toch vieren de meeste jongeren een transitie van kind naar jongvolwassene door religieuze of wereldlijke riten. Denk maar aan de plechtige communie, de joodse bar mitswa, de eerste deelname aan de ramadan of het lentefeest. Deelnemers krijgen vooral lessen als voorbereiding; ze moeten (religieuze) teksten uit het hoofd leren of zelf teksten samenstellen. Bovendien ligt de nadruk op de feestelijke viering en de geschenken. Er zijn amper tradities die erop gericht zijn om specifieke eigenschappen of vaardigheden te ontdekken.

De studentendoop bevat wel beproevingen, die studenten in de groep integreren. Deze initiatierite verschilt van het overgangsritueel tijdens de puberteit, omdat selectie hier een rol speelt – alleen de uitverkozenen mogen ingewijd worden. Rond deze dopen ontstaat geregeld ophef, omdat ze ontsporen, soms met fatale gevolgen. De Canadese psychologe en specialiste interculturele relaties Rachida Azdouz (Université de Montréal) benadrukt daarom dat dooprituelen altijd een betekenis moeten hebben. De leerervaring moet duidelijk zijn. Dat leerinzicht ontbreekt vaak, omdat een diepere reflectie over rituelen ook ontbreekt. Verder legt Azdouz uit dat gratuite vernederingen veelvuldig voorkomen, maar ontoelaatbaar zijn. Tegelijk maakt ze een onderscheid tussen vernedering en nederigheid: een beperkte vernederende ervaring kan wel zinvol zijn, wanneer die tot nederigheid inspireert (met inachtname van voldoende beschermende maatregelen, een aspect dat Azdouz benadrukt). Ze verwijst naar koningen die traditioneel krenkingen moesten ondergaan voor ze werden gekroond. Die ervaring moest hen er blijvend aan herinneren dat ­nederigheid een teken van grootsheid is en dat ze hun macht niet mochten misbruiken. Op gelijkaardige wijze kunnen deelnemers aan dopen die een leidende functie beogen, leren dat ze hun ego moeten temperen, aldus Azdouz. Die ervaring weerhoudt hen ervan om hun superioriteit te doen gelden. Intussen rijst de vraag of moderne samenlevingen geen andere middelen hebben dan een dosis vernedering om de toekomstige elite wat deemoed en zelfreflectie bij te brengen.

Het onderscheid tussen nederigheid en vernedering illustreert bovendien twee visies op leiderschap die de kwestie van studentendopen ver te buiten gaan: dat je als leider het recht hebt ­anderen te vernederen, of dat leiderschap juist inhoudt dat je je ego kan milderen om een groep te inspireren. Helaas verschijnen geregeld voorbeelden van leiders die overtuigd zijn van hun recht op vernedering. Zij geven de boodschap aan ondergeschikten dat hun ambitie inhoudt dat ze zich moeten laten kleineren. Van het personeel in een van de meest gerenommeerde boekhandels van Brussel, Filigranes, of enkele onfortuinlijke doctoraatsstudenten aan de UGent of de KU Leuven, waarover een Pano-documentaire werd gemaakt (uitgezonden op 16 maart), tot jonge sporters of mensen die voor ‘topondernemers’, ‘topkunstenaars’ of ‘toppolitici’ werken. Overal zijn vergelijk­bare voorbeelden te vinden van mensen die prestigieuze posities bekleden, maar achter de schermen doelbewust anderen neerhalen. Terwijl een goede leider zijn doel bereikt door anderen in hun waarde te halen. Nederigheid is daarbij een vanzelfsprekende houding. ‘A truly humble person will not be ­thinking about humility, he will not be thinking about himself at all’, zoals C.S. Lewis het duidde.”

“Obesitas weegt op de gezondheid”, DS, 28 april 2022

Op het bankje in het station zit een zwaarlijvige tiener, voorovergebogen naar zijn smartphone te staren. Ik vraag hem rustig of ik erbij mag. Eerder verlegen dan onvriendelijk trekt hij zijn spullen naar zich toe, en staart verder naar zijn scherm. Ik kan me voorstellen hoe dat toestel een gezel lijkt, zonder dat zijn eenzaamheid wordt door­broken. En hoe vaak zo’n obese jongen op zijn uiterlijk wordt aangesproken.

Negatief commentaar op iemands ­uiterlijk is kwetsend. Zelfs al zou zo’n opmerking goedbedoeld zijn, ze blijft contraproductief. Niemand krijgt energie om iets ten goede te veranderen als zijn zelfvertrouwen eerst onderuit werd gehaald. De kritiek op fatshaming is ­terecht; diversiteit mag, niet iedereen hoeft er hetzelfde uit te zien. Mensen kunnen op vele manieren mooi zijn.

Aan de andere kant is het een veeg teken dat een toenemend aantal jonge mensen met overgewicht kampt. Overgewicht is erg ongezond, het speelt een grote rol bij allerlei levensbedreigende ziektes. Voor wie corona kreeg en op ­intensieve zorg belandde, bijvoorbeeld, was het een belangrijke factor.

Kortom, mensen moeten wel aangespoord worden om een gezond gewicht te behouden, maar dan zonder dat ze zich gekleineerd voelen. Dat is een moeilijke oefening.

Cruciaal is ook de rol van de voedingsindustrie te erkennen. Het is niet toevallig dat mensen nu meer over­gewicht hebben dan vroeger. In 2015 voerde België een suikertaks in, maar die was veel te laag om tot een gedragsverandering te leiden; daarvoor is niet 3 procent, maar minimum 10 tot 20 procent nodig, volgens specialisten. Meestal verzandt de discussie rond zo’n suikertaks in een welles-nietesdiscussie over koopkracht. Dat is maar een deel van het verhaal. Onderzoek toont aan dat maatregelen tegen obesitas positieve effecten hebben voor de consument (die nadien geen hogere verzekeringspremies of andere medische onkosten aangerekend krijgt). En in de discussie moet de rol van de voedingsindustrie worden betrokken. Het winstmodel van bedrijven is niet gericht op de gezondheid van de consument, maar op de voordelen voor de aandeelhouders.

In zijn boek The hacking of the American mind. The science behind the corporate takeover of our bodies and brains (2018) schetst de Amerikaanse endo­crinoloog Robert Lustig een vernietigend beeld van die voedingsindustrie. Hij toont een verband tussen de dramatische toename van overgewicht in de VS vanaf de jaren 80 en de doorbraak van een industrie die goedkope suikerrijke, vetrijke en zoute producten op de markt brengt. Als wetenschapper benadrukt Lustig het effect van voedings­patronen op chemische reacties in de hersenen. Sommige stoffen genereren een geluksgevoel (happiness), andere geven genot (pleasure). Voor geluk heb je hoge doses serotonine nodig, voor de korte kick een shot dopamine. Junkfood (suikerrijk en vettig) stimuleert de dopamineproductie en geeft zo’n korte kick. Maar wie vaak die stimulans activeert, wordt gevoellozer. Iedereen met een grote of kleine verslaving herkent dat: na een tijdje heeft een kleine dosis suiker, ­koffie of alcohol niet meer hetzelfde ­effect. Je hebt méér nodig. Intussen neemt ook de serotonine in je hersenen af, waardoor je welbevinden daalt. Je bent dus nog meer geneigd naar producten te grijpen die je een opkikker geven. Zo kom je in een vicieuze cirkel terecht, waarbij je veel ongezonde spullen eet of drinkt, die je uiteindelijk een ellendig gevoel bezorgen.

Wat je gelukkig maakt, en wat je ­genot geeft, zijn dus niet alleen twee verschillende, maar zelfs tegengestelde dingen, aldus Lustig. Geluk veronderstelt volgens hem ervaringen, activiteiten waarvan je positieve effecten voelt op lange termijn (gezond eten); je doet het samen met anderen (met vrienden dineren, niet alleen voor je scherm zitten); je kunt het delen, het is niet alleen voor jezelf; je blijft onafhankelijk van bepaalde substanties (suiker, alcohol, drugs); en véél verbruiken stelt geen probleem. De kick, daarentegen, geeft je kortstondig een beter gevoel, je ­ervaart het alleen, je kunt het niet ­delen, je hebt een substantie nodig en veelvuldige inname kan tot verslaving leiden.

Natuurlijk kun je iedereen vrij laten om te consumeren wat hij wil. Alleen is niet iedereen gelijk in die afweging. De ene is beter geïnformeerd, beter ­omringd, beter betaald dan de andere. Daarom moet de consument beter ­beschermd worden. Als je stelt dat mensen individuele keuzes kunnen maken, en dat de overheid niet betuttelend mag optreden, misken je die ongelijkheid. Gezondheidsorganisaties stellen niet alleen suikertaksen voor, maar ook een ruim, positief beleid. Gezonde voeding zou goedkoper moeten zijn, door minder belastingen op groenten en fruit. Voedingslabels kunnen verder worden uitgewerkt. En hoe kinderen en jongeren het doelpubliek zijn van voedingsindustrieën, moet worden bekeken.

De jongen naast me vindt misschien dat volwassenen zich niet met zijn leven moeten moeien. Ik zeg al niets meer. Maar zonder hem het leven lastig te maken, kunnen volwassenen er wel op toezien dat jongeren zoals hij gezonder kunnen opgroeien.”

Deze column verscheen in De Standaard van donderdag 28 april 2022.

“Wellicht voelen al die roeptoeters zich ook niet goed in hun vel”,

Wie het hardst de ander kan neerhalen, lijkt een winnaar. Die ­brutaliteit in de sociale omgang laat veel sporen na. Bijna de helft van alle jongeren krijgt te maken met cyberpesten, blijkt uit onderzoek van de UGent. Werk­nemers in de zorgverlening of bij het openbaar vervoer klagen over toegenomen verbaal (en soms ­fysiek) geweld. In het politieke ­debat zijn scherpe aanvallen vaak persoonlijk, niet inhoudelijk. Alleen wie dat niet beu wordt, kan het er volhouden.

Wellicht voelen die roeptoeters zich evenmin goed in hun vel. Dit is geen excuus voor slecht gedrag. ­Ieder mens is verantwoordelijk voor zijn woorden en daden. Wel vermoed ik dat er een verband bestaat tussen innerlijk onbehagen en agressief taalgebruik. Aan het ­gesprek dat je met anderen voert, gaat een innerlijk gesprek vooraf. In je hoofd formuleer je je reacties op anderen. En je beoordeelt jezelf. Hoe mild, begripvol, genereus ­verloopt die interactie? Hoe spreek je jezelf toe als je een fout maakt? Zeg je dan ‘ik wil nu rustig kijken wat volgende keer beter kan’? Of ontsteekt er een tirade in je hoofd, waarin je jezelf idiote, hopeloze knoeier noemt?

De Amerikaanse psycholoog ­Marshall Rosenberg laat deel­nemers aan zijn workshops over ­geweldloze communicatie die oefening maken, precies omdat mensen er weinig bij stilstaan. De reflectie past in Rosenbergs methode. Hij leert je hoe je je in alle omstandigheden helder kunt uitdrukken en begripvol kunt luisteren. Ongeacht wat de ander doet. 

Rosenberg onderscheidt meerdere vormen van communicatie die een open gesprek met anderen in de weg staan, zoals moralistisch oor­delen en je verantwoordelijkheid ontkennen. 

Als je moralistisch oordeelt, dan bestempel je mensen als fout of slecht omdat ze iets doen dat niet strookt met jouw waardeschaal. Daaronder valt elke vorm van ­beschuldigen, vernederen of etiketten opkleven. ‘Wat is dat voor een ­ijdeltuit’, denk je dan, of: ‘Die houding is egoïstisch.’ Dan volgt vaak de zogenaamd noodzakelijke ­bestraffing: een ‘slecht’, ‘verkeerd’ iemand verdient een (publieke) ­terechtwijzing. Alsof het terecht en zelfs nodig is dat je die ander op zijn plaats zet. Op die manier blijf je blind voor je eigen veroordelende gedrag, en de nefaste dynamiek die je daarmee op gang trekt. Want de tegenstander reageert veelal met scherpe veroordelingen. Intussen verbetert niemands gedrag. Dat hoeft niet te verbazen: negatieve ­gevoelens tasten je eigenwaarde aan. Als je bekritiseerd wordt, voel je je kleiner, minder. Een kind wordt niet slimmer als iemand het dom noemt; het groeit als het vertrouwen krijgt in de eigen capaciteiten. ­Natuurlijk moeten kinderen gecorrigeerd worden. Maar je kunt hen aanmanen zonder hen met kritiek, schuld en schaamte te beladen. Scherpe kritieken en etiketten lijken op korte termijn goed te werken, omdat kinderen aan de verwachtingen van volwassenen willen voldoen. Helaas verinnerlijken ze die veroordelingen. Soms herhalen ze die veroordelende taal, in extremis als ze anderen pesten. Zo’n pester moet op zijn gedrag worden aangesproken. Maar de vraag is hoe je dat doet. Als je de boodschap geeft: ‘jij bent slecht, jij verdient een straf’, dan helpt dat waarschijnlijk nauwelijks. Want dan voed je die innerlijke genadeloze criticus, die de negatieve dynamiek in stand houdt. De vraag is eerder welke nood er schuilgaat achter die harde woorden voor de ander. Alleen door begrip kun je iemands houding veranderen. 

Aangeleerde gewoonten kunnen lang doorwerken – in een tierende volwassene schuilt een vernederd kind. En die verinnerlijking van ­categoriek taalgebruik genereert de zelfkritiek. Bij depressieve of angstige gevoelens duikt dan een streng stemmetje op in je hoofd, dat je nog meer naar beneden haalt. 

Op de koop toe hebben mensen de neiging om de verantwoordelijkheid voor hoe ze zich voelen bij de ander te leggen. Als je bijvoorbeeld zegt: ‘Jij maakt dat ik boos was en uithaalde’. Dat klopt niet. De ander kan wel een aanleiding zijn voor je boze gevoelens, maar je blijft zelf de oorzaak. Want je reactie vloeit voort uit de gedachte die zich in je ontwikkelt. In je hoofd begint het te malen en de uitkomst lijkt onontkoombaar: de aanstoker moet ­gestraft worden! In werkelijkheid beslis je zelf wat je doet. 

Je kunt dus onmogelijk mild zijn voor anderen, als je het niet bent voor jezelf. Daartoe moet je de eigen gevoelens en de achterliggende ­behoeften helder leren verwoorden. Dat kan heel wat oefening vergen. Die behoeften liggen diep begraven achter een goed geoefend vermogen om straf uit de hoek te komen.”

Deze column verscheen in De Standaard op 31 maart 2022.

“Angst is een slechte raadgever”, column DS, 17 maart 2022

“Al maanden leeft er angst in de samenleving. Voor een virus, een storm en nu een nucleaire aanval. Angst is een gevoel van pijn en onlust dat volgt uit de voorstelling van een naderend onheil dat intens leed veroorzaakt, aldus Aristoteles in de Retorica. Aan onheilspellende berichten was er de laatste jaren geen gebrek. Ik herinner me, bijvoorbeeld, dat januari een Siberisch koude wintermaand zou worden. En na de kerstvakantie werd een zeer ontwrichtende besmettingsgolf voorspeld; zelfs het leger stond klaar om de ziekenhuizen overeind te houden. 

Permanent in angst leven heeft ernstige gevolgen. Om te beginnen is het erg vermoeiend. Je leeft in een toestand van hyperwaakzaamheid. Door die ­brede alertheid kun je je juist minder op dagelijkse taken richten. Je slaapt slechter of licht, als de muizen in het hooi, omdat je lichaam het signaal krijgt dat het opmerkzaam moet blijven. En als je bang bent, maak je je ­lichamelijk kleiner. Je bent onzekerder en wantrouwender. Langdurig met angsten omgaan is voor elk individu een opdracht. Maar het is ook een maatschappelijke en cultureel probleem. 

Nu kun je zeggen dat de bedreigingen reëel zijn en dat angst daarbij hoort. Pandemieën zijn levensgevaarlijk, stormen ook, en wraakzuchtige dictators evenzeer. Maar de vraag blijft of de ervaren angst evenredig is met dreiging. Wat de covidpandemie en de oorlog in Oekraïne betreffen, kan tijd wijsheid brengen. De noodsituatie door de storm Eunice valt intussen wel in te schatten. En de maatschappelijke reactie was opmerkelijk.

Op 18 februari gaf het KMI code oranje in vier provincies (vooral aan de kust), en code geel elders. Na de middag werden felle rukwinden verwacht. Vanaf de middag sloten sommige scholen en universiteiten dan ook preventief. Andere scholen maanden ouders aan om hun kinderen tijdig af te halen. Veiligheid voorop! Dat lijkt de beste keuze – wie is nu tégen veiligheid?

Toch is deze gang van zaken twijfelachtig. De vraag was niet alleen meer hoe groot de kans op schade was; dus hoe waarschijnlijk een negatieve afloop was. In de verbeelding begon het meest rampzalige scenario te leven, en dat werd richtinggevend. Dan lijk je de plicht te hebben om elk risico te vermijden. Anders stimuleer je roekeloos ­gedrag. Je moet je verantwoordelijk ­gedragen: je zorgt er het best voor dat je niet aansprakelijk kunt worden gesteld voor leed of schade als iets fout loopt. Alsof je de logica van een verzekeringsmakelaar moet hanteren om te weten wat je moet doen. Na het doemscenario volgt de opluchting: de ergste voorspellingen zijn niet uitgekomen. Neen, ­natuurlijk niet, omdat de risicoberekening rammelde: de ergst mogelijke situatie werd voor de meest waarschijnlijke gehouden. 

Een samenleving die elk risico wil vermijden, ondermijnt de ontwikkeling van mensen. Toevallig gebruikt Aristoteles in zijn Retorica het voorbeeld van een storm om de relatie tussen angst en zelfvertrouwen te duiden. Zelfvertrouwen is het tegendeel van angst, beweert hij, ze bouwt op het geloof dat je onheil kunt overwinnen. 

Twee omstandigheden maken dat mensen een storm onbewogen kunnen doormaken, aldus Aristoteles: als je hem nog nooit hebt meegemaakt en de dreiging niet herkent, en als je weet dat je de beproeving kunt doorstaan, hoe onaangenaam ze ook is. Kortom, kinderen en ervaren volwassenen hebben alle reden om koelbloedig te blijven. En kinderen hebben in februari deze test glansrijk doorstaan. Veel volwassenen iets minder. Zij meenden dat thuisblijven in elk geval beter was dan buiten­komen. Hoe kan iemand in zo’n context het zelfvertrouwen opbouwen dat nodig is om volgende stormen te trot­seren? 

Als je niet door angst wilt overheerst worden, dan is dat precies waar je aan moet werken: de vele manieren waarop het zelfvertrouwen kan toenemen. Aristoteles geeft een hele resem mogelijkheden. Daarbij hoort de ontwikkeling van deugden, zoals moed. Moedig zijn betekent niet dat je nooit angst voelt. Moed is het vermogen om ondanks je angst toch te handelen. 

Het is allemaal een kwestie van evenwichten, van het juiste midden: moed ligt even ver van roekeloosheid als van verlammende angst. Het goede leven is een evenwicht tussen veiligheid, geborgenheid en, aan de andere kant, openheid en risico. Je hebt er trouwens alle belang bij om angst niet onnodig aan te wakkeren, waarschuwt Aristoteles: ze genereert boosheid en vijandigheid ­tegenover wie de dreiging dichterbij zou kunnen brengen. In het geval van een storm is dat een abstract gegeven: de natuur. Maar bij pandemieën en oorlogen kunnen sommige mensen wel aangeduid worden als de nieuwe vijanden. De eigen verbeelding, en de vele angstaanjagende voorstellingen benevelen de gedachten. Het hoofd koel houden, dus, en naar buiten, nu. Neem desnoods een jasje en een paraplu mee – in maart en april kan het nog flink ­regenen.”

Deze column verscheen in De Standaard op donderdag 17 maart 2022.

“Een heikel experiment”, DS 3 maart 2021

De Russische televisiepresentator Vladimir Solovjov is woedend. Hij vernam dat de EU zijn Italiaanse villa’s heeft aangeslagen. Tijdens een aflevering van zijn televisieshow klaagde hij dat hij onterecht in Europa’s ­eigendomsrechten had geloofd. Dat was niet de afspraak! Tegelijk werpt Solovjov zich op als een felle verdediger van Poetins regime, inclusief de endemische corruptie, het moordende politieke geweld, het dogmatische nationalisme. Solovjov bestempelt de EU als moreel verdorven, decadent, verwerpelijk. Wat hem dus niet belet er zelf in alle vrijheid luxueus te willen verblijven. 

Solovjovs hypocriete houding ­illustreert een dieper probleem: ­jarenlang hebben autoritaire leiders en hun medestanders westerse vrijheden strategisch gebruikt om zelf rijker en machtiger te worden. De lokale Russische bevolking bleef verarmd, ­geknecht en geïndoctrineerd achter. Die interactie tussen autoritaire regimes en de westerse vrijheid verklaart deels waarom Poetin en zijn getrouwen zo’n machtige basis in hun thuisland hebben kunnen uitbouwen. Daarom is het belangrijk om dit fenomeen te begrijpen, zoals ik in een vorige column schreef (DS 14 februari 2019).

Het Westen heeft de val van de Muur in 1989 wel gevierd, maar de gevolgen ervan nooit helemaal ­begrepen. Het leefde in de illusie dat democratie, vrijheid én economische welvaart samen zouden zegevieren. Want politieke en economische vrijheid gaan nu eenmaal samen: als burgers vrij kunnen handelen, bewegen en investeren, krijgen ze de ruimte om politieke medezeggenschap te bedingen. Economisch ­kapitalisme garandeert op termijn een vrije publieke ruimte, eerlijke verkiezingen en vrije mediakanalen. 

Het draaide helemaal anders uit. De Canadese denker Michael ­Ignatieff legt scherp uit hoe dat komt. Rusland is geen totalitair regime gebleven, maar een autoritair regime geworden met bijzondere kenmerken. De communistische ­visie op economie is gesneuveld, maar de binnenlandse politieke visie is overeind gebleven: één partij met sterke leider, geweld, corruptie, censuur en sterke greep van veiligheidsdiensten (de vroegere KGB werd FSB, waarvoor ook Poetin werkte). Tegelijk hebben burgers bepaalde private vrijheden: om eigendom te bezitten, om in stilte hun ongenoegen te beleven. Tegelijk hebben ze het recht op ‘exit’ gekregen: ze mogen het land verlaten en terugkeren (dat was tijdens de Koude Oorlog niet het ­geval). De rijkere middenklasse kan haar bezittingen in het buitenland onderbrengen, haar kinderen studeren aan buitenlandse universiteiten. Ook ontevredenen kunnen weg. Het regime ondervindt dus nauwelijks druk van een misnoegde elite. 

Alleen krijgt niemand ‘voice’: het recht op politieke vrijheid. Dat is ­nodig om transparantie te eisen, zich vrij in partijen te verenigen of eerlijke verkiezingen te organiseren. ­Poetin legt de oligarchen een heldere deal voor. Ze kunnen zich eindeloos verrijken dankzij corrupte administraties. In het buitenland kunnen ze van het leven genieten. Maar in ­Rusland moeten ze zwijgen. 

Bij die verdeelde vrijheid hoort een nieuwe kijk op jurisprudentie. Een democratie heeft ‘rule of law’ nodig: onafhankelijke rechters, open rechtszaken, het grondwettelijk recht om de uitvoerende macht aan te klagen. Een land zoals Rusland kent alleen ‘rule by law’: instellingen garanderen dat contracten afdwingbaar zijn. Meer heeft kapitalisme blijkbaar niet nodig. De Russische staat blijft wel het recht behouden om bedrijven te nationaliseren; oligarchen ­leven bij gratie van de grote leider. Dat mag letterlijk worden ­genomen. De lijst met vermoorde politieke tegenstanders is lang en spectaculair – denk maar aan Alexandr Litvinenko. Hij overleed in 2006 na een kopje radioactieve thee in een Londens hotel te hebben ­gedronken.

Het Westen deed wel enkele ­inspanningen om zijn grenzen voor de meest flagrante misdadigers te sluiten. Zo stemde Amerika in 2012 de Magnitski-wet, genoemd naar de fiscale jurist Sergej Magnitski, die in 2009 in een Russische cel overleed. Magnitski had diefstal en corruptie bij Russische ambtenaren aan­geklaagd, terwijl hij voor een Amerikaans bedrijf werkte. Maar hij werd zelf gearresteerd en vermoord. De Magnitski-wet laat toe om indivi­duen die mensenrechten schenden, de toegang tot Amerika te ontzeggen. Dergelijke individuen kunnen ook hun eigendommen verliezen. In 2020 keurde de Europese Unie een gelijkaardige wet goed. Na de inval in Oekraïne stelde de EU meteen een lijst op van onder meer regerings­leiders en oligarchen die sancties ­ondervonden. Dat leidt mogelijk tot ontevredenheid bij de hogere middenklasse tegen Poetins beleid. Maar het politieke probleem ligt ingewikkelder. Na 1989 nam de economische globalisering een hoge vlucht. Het leek stabiliteit en veiligheid te garanderen. Het is een heikel experiment gebleken, met onvoorziene gevolgen.”

Deze column verscheen in De Standaard op donderdag 3 maart 2022

“Een systeem van meerdere elites”, column DS, 17 februari 2022

“Radicaler protest zal vaker voorkomen; half spontane manifestaties met niet-georganiseerde betogers. Dat voorspelde Stefaan Walgrave (UA) op Radio 1, na het ‘vrijheidskonvooi’ van maandag. De coronapandemie heeft het ongenoegen versterkt dat eerder al vertolkt werd door de gele hesjes. Veel mensen voelden zich niet gehoord, niet begrepen, niet vertegenwoordigd.

Die betogers verschillen onderling en hebben vaak andere bekommernissen. Het fenomeen is complex en hangt samen met het veranderende partijlandschap. Daarover verscheen een diepgravende analyse: Ongelijkheid en ons stemgedrag. Een studie van 50 democratieën van 1948 tot 2020 (2021), waarin Amory Gethin, Clara Martinez-Toledano en Thomas Piketty onderzoeken hoe sociale kenmerken stemkeuzes ­beïnvloeden; hoe partijen kiezers aantrekken, naargelang hun inkomen, ­opleidingsniveau, vermogen, beroep, sekse, leeftijd, afkomst en etnisch-religieuze identiteit.

Je kunt dat werk ook vanuit deze vraag inkijken: bij welke partijen vinden burgers in westerse landen gehoor als ze laaggeschoold zijn, een laag inkomen hebben én ongelijkheid zien toenemen? Bij haast geen enkele, blijkbaar. De laaggeschoolde, weinig kapitaalkrachtige mensen voelen zich niet thuis bij de traditionele linkse partijen, terwijl rechtse partijen zich niet richten op economische herverdeling. 

Piketty en zijn collega’s stelden een opmerkelijke evolutie vast: er is een systeem van meerdere elites ontstaan. In de decennia na WO II vertegenwoordigden linkse partijen (sociaaldemocratische en aanverwante) nog de kiezers met lage inkomens en lage opleidingsniveaus. De rechtse, conservatieve ­partijen (christendemocratische, rechts-liberale en nationalistische) ­bereikten veelal kiezers met hogere ­inkomens en hogere opleidingsniveaus. Het partijlandschap viel dus samen met de klassenstrijd. Maar stilaan gingen linkse en rechtse partijen vooral twee elites ­bedienen: linkse partijen trokken eerder ­hogeropgeleide kiezers aan, rechtse partijen mensen met hogere vermogens. ­Tegelijk zwenkten lageropgeleiden naar rechtse partijen. 

België kent zo’n systeem van meerdere elites, volgens het genoemde boek. De opkomst van groene partijen en ­antimigratiepartijen heeft dat versterkt. Hogeropgeleiden stemmen eerder links, lageropgeleiden verschuiven naar rechts. Bij mensen met vergelijkbaar ­ inkomen bepaalt het opleidingsniveau of ze groene dan wel antimigratiepartijen prefereren. Die wending geldt vooral voor Vlaanderen. Radicaal-rechts is in Wallonië niet doorgebroken, aldus de onderzoekers, ook omdat socialistische en radicaal-linkse partijen de steun van laagopgeleiden hebben behouden. 

Hoe valt die evolutie te verklaren, waarbij linkse partijen de focus op economische herverdeling lijken te verwaarlozen? Sinds de culturele revoluties in de jaren 60 en 70 profileren sommige linkse partijen zich vooral rond man-vrouw relaties, seksuele rechten, rechten van minderheden of de ­klimaatcrisis. Tegelijk zijn ze mee­gestapt in het positieve verhaal rond globalisering en liberalisering. En ­migratie is een thema geworden. Die factoren zijn al lang gekend, maar de studie benadrukt een andere ontwikkeling: de uitbreiding van het onderwijs. De voorbije decennia heeft een groter deel van de bevolking toegang gekregen tot hoger onderwijs. Dat heeft de dynamiek bij linkse partijen veranderd: vooral de winnaars van de onderwijscompetitie opteren voor deze partijen. Lageropgeleiden voelen zich er niet meer thuis. Het rechtse pleidooi voor een beperkte overheid klinkt voor hen aantrekkelijk: zij genieten niet van de overheidsinvesteringen in onderwijs, die ze wel mee financieren. 

Intussen stemmen ze vooral voor ­antimigratiepartijen. Voor hoger­­­­­­op­geleiden kan het verleidelijk lijken die mensen als racistisch te beschouwen. In een interview waarschuwt Piketty voor die vooroordelen. In de jaren 50-60, bijvoorbeeld, bevroegen peilingen de Franse bevolking: vonden zij dat Afrikaanse volkeren recht hadden op zelfbestuur, en dus op dekolonisatie? Daarop antwoordden mensen uit de arbeidersklasse grotendeels bevestigend. Hun hogeropgeleide, rijkere medeburgers vonden veelal van niet. Wat meespeelt, aldus Piketty, is dat linkse bewegingen toen zelfbestuur en economische herverdeling promootten, ook voor de gekoloniseerde volkeren. Politisering maakt dus het verschil: hoe worden politieke scheidslijnen vertaald, welke oplossingen worden voorgesteld?

Verder belicht Piketty een reëel risico voor linkse partijen: dat hogeropgeleiden de anderen neerbuigend bejegenen, en doof blijven voor hun bekommernissen. Hogeropgeleiden geloven in de meritocratie, ze zijn ervan overtuigd dat ze hun betere positie verdienen. Die houding werkt de kloof in de hand. Tal van andere studies bevestigen dit probleem. Toen Hillary Clinton in 2016 Trumpkiezers ‘deplorables’ noemde, had dit een impact op het vroegere linkse kiespubliek. In haar boek Strangers in their own land vermeldt de Amerikaanse sociologe Arlie Russell Hochschild hoe sommigen T-shirts droegen met daarop ‘Adorable Deplorable’ als geuzennaam. Maar als de traditionele linkse en rechtse partijen liever elites aanspreken – hoogopgeleiden of kapitaalkrachtige mensen – waar kan die ‘adorable deplorable’ dan heen?”

Deze column verscheen in De Standaard op 17 februari 2022.

“Als negatieve vrijheid de norm is”, column DS, 3 februari 2022

Vorige week zondag manifesteerden duizenden mensen ­tegen het coronabeleid in Brussel. Los van de betoging neemt het verzet tegen de coronamaat­regelen toe, en ook de polarisering. In extreme gevallen weerklinkt de kritiek dat de overheid een totalitair beleid voert. In Nederland verkondigt zelfs FVD-leider Thierry Baudet die mening. Hij is veroordeeld voor ongepaste vergelijkingen tussen ongevaccineerden nu en de Jodenvervolging die tot de Holocaust leidde. 

De vergelijking met de jaren 30 klopt natuurlijk niet. Vooreerst is het perfect legitiem dat een overheid tijdens een pandemie maatregelen neemt om burgers te beschermen. Er is nog een misvatting, die de Franse denker Marcel Gauchet helder uitlegt in Le malheur français(2016): tijdens de jaren 30 was de samenleving extreem gepolitiseerd: totalitaire partijen brachten massa’s op de been om met sociale, economische en juridische maatregelen iedereen, de hele samenleving, aan één politiek ­model te onderwerpen. Nu is de samenleving gedepolitiseerd. Massa’s verenigen zich niet als leden van strak georkestreerde, antidemocratische partijen; ze vinden elkaar als individuen die ­samen iets organiseren. Veelal engageren ze zich precies niet voor politieke partijen. Gauchet maakte zijn analyse voor de coronapandemie uitbrak. Maar ze werpt een licht op een malaise in de democratie, die een rol speelt bij de huidige polarisering.

In een goed functionerende democratie besturen burgers zichzelf. Ze kunnen samen beslissen hoe de samenleving moet evolueren. Ze verenigen zich in politieke partijen, nemen deel aan verkiezingen, discussiëren met ­elkaar en wegen beleidsopties af. Meerderheden beslissen, maar houden rekening met minderheden. Partijen met uiteenlopende strekkingen verdedigen hun visie op de relatie tussen het individu en de collectiviteit. Ze verschillen in hun visies op vrijheid. Maar ze zijn het erover eens dat het primaat van de politiek heerst: wie de macht heeft, bepaalt ook het economische beleid. 

Dit democratische debat verliep vrij goed tijdens de trente glorieuses, van 1945 tot 1975. Maar vanaf de jaren 80 en 90 evolueerde de liberale democratie naar een neoliberaal model. Het politieke proces werd ondergeschikt aan economische doelen, die geen geografische begrenzing meer kenden. De vrijheid wordt sindsdien negatief ingevuld: wie kan, mag vrij handelen, zonder door anderen beperkt te worden. Kapitaalkrachtige bedrijven beschouwen nationale wetten en regels als hindernissen. Ze proberen de politieke invloed van natie­staten te ontwijken, vaak met succes. Dat verandert het politieke spel. Burgers zijn individuen geworden, die rechten opeisen en hun belangen nastreven. De negatieve vrijheid geldt ook voor hen: als individu heb je rechten, en niemand heeft de legitimiteit om die te ­beperken. Dat beïnvloedt de opdracht van de overheid: politici bemiddelen tussen de uiteenlopende rechten en ­belangen van kiezers. Zo leggen linkse partijen de nadruk op individuele rechten. Ze steunen instellingen die zwakkeren helpen om die rechten te laten gelden. Denk aan het Instituut voor de Gelijkheid van Mannen en Vrouwen of Unia. Rechtse partijen ijveren voor de belangen van vrije ondernemers. Ze ­beloven regelgevingen en belastingen zo veel mogelijk te beteugelen. Voor een gezamenlijk, democratisch overleg over de richting die de samenleving als geheel moet uitgaan, is minder ruimte.

In die politieke context dook onverwacht een virus op dat een pandemie veroorzaakt. De overheid legde snel drastische maatregelen op om de bevolking te beschermen. Terecht, natuurlijk. Crisisbeleid vereist burgerschap: mensen moeten regels volgen die niet alleen henzelf, maar vooral de zwakkeren in de samenleving ten goede ­komen. Heel veel burgers geven gehoor aan dat appel. Maar een deel wil er niet op ingaan en ervaart de aanpak als een ­onrechtmatige inperking van de (negatieve) vrijheid. De overheid dicteert daarbij de persoonlijke beweegruimte: hoe je kerst mag vieren, of je op restaurant mag, waar je moet werken … Dat leidt tot frustratie. Want de individualistische logica bepaalt dat je je leven mag inrichten zoals je wenst. Tegelijk is dat ook het enige wat je nog kunt doen. Je hebt geen stem meer om het grotere verhaal vorm te geven. Het persoonlijke, private wordt dan enorm belangrijk. 

Daarbij hebben politici soms ook de voeling met het democratische proces verloren; ze nemen besluiten door ­belangen tussen groepen af te wegen, wat de bevolking als een koehandel ­ervaart. Ze aanvaarden aarzelend parlementaire inspraak en nemen moeilijk afstand van beslissingen die hun nut niet bewijzen. 

Intussen floreren sommige bedrijven tijdens de crisis. Technologische bedrijven maken forse winsten, farma-bedrijven ook. De burgers die genoeg hebben van het beleid en hun individuele vrijheid opeisen, zijn in zekere zin consistent: als de negatieve vrijheid in het neoliberale model de norm is, waarom zou dat voor hen niet gelden?

De pandemie heeft het debat over burgerschap en vrijheid urgenter ­gemaakt. Er is een nood aan heldere ­definities, die zich ver houden van ­dramatische overdrijvingen over de donkerste perioden van de geschiedenis. Die definities moeten een antwoord geven op de depolitisering van de voorbije decennia. Zodat vrijheid geen vaag, abstract of illusoir begrip is, maar burgers toelaat om hun politieke macht te herwinnen. “

Deze column verscheen in De Standaard op 3 februari 2022.

“Pleidooi voor proportionaliteit”, column DS, 20 januari 2022

Hoe moet het nu verder met de pandemie en het bijbehorende crisis­beleid? Dat is de vraag van het Wintermanifest, dat ik mee ondertekend heb, en waaraan ik, ­zoals Ignaas Devisch, niet zelf ­geschreven heb. Mijn collega-filosoof heeft zich intussen teruggetrokken, wat hij uitvoerig motiveert (DS 18 januari). Voor zijn zelfkritiek heb ik alle lof, en voor zijn houding alle begrip; als hoogleraar medische ethiek was hij deels betrokken bij het gevoerde beleid. Verder deel ik zijn aandacht voor de toon van het debat, en ik betreur eveneens de ­ontsporingen op sociale media. 

Voor mij vat het opiniestuk van initiatiefnemer Tijl De Bie in De Morgen het beste de geest van het manifest: de oorspronkelijke sprint is een marathon geworden. En dat vraagt een andere strategie. Zoals De Bie uitlegt, was het niet de ­bedoeling om ­experts persoonlijk te viseren. Iedereen weet immers dat zij zich de afgelopen maanden uit de naad hebben ­gewerkt. De vraag is wat er beter zou kunnen. Het manifest gaat ook niet alleen over de Gems, maar vraagt een reflectie over adviesraden bij pandemieën op de lange termijn. 

En ja, het manifest bevat enkele passages, onder meer over de media, die beter hadden gekund, en die verwarrend zijn geschreven. Dat is jammer. Intussen heeft het Wintermanifest wel een ­dynamiek op gang gebracht. Heel wat huidige experts tonen veel openheid om de wetenschappelijke en ­publieke debatten te verdiepen.

Wat mij na aan het hart ligt, is dat maatregelen proportioneel moeten zijn: de voordelen op het ene vlak moeten afgewogen worden tegen de nadelen op andere vlakken. Meerdere disciplines moeten bij de discussies op een gelijkwaardigere manier worden betrokken. Zo wordt duidelijker wat haalbaar is op het terrein, en wat de gevolgen van concrete maatregelen zijn voor iedereen. Het welzijn van jongeren en kinderen is bijvoorbeeld cruciaal. Ook hier is een analyse van de verregaande impact nodig: de gevolgen van meer huiselijk geweld of leervertraging werken jaren door, zoals Inge Van Trimpont zondag nog overtuigend argumenteerde in De zevende dag. Kortom, structurele problemen die al bestonden, dreigen erger te worden. Precies daarom kunnen nieuwe inzichten en ervaringen best worden meegenomen. 

Over politiek beleid mag daarbij grondiger gedebatteerd worden: meer vanuit de principes, minder vanuit de partijpolitiek. Voor de kerstvakantie sloten de scholen. De cultuursector moest plotseling dicht. Met alle inspanningen van deze sectoren om toch veilig te werken, werd amper rekening gehouden. De Raad van State schorste uiteindelijk de sluiting van de cultuursector, omdat die disproportioneel en onvoldoende gemotiveerd was. Die gang van ­zaken is niet voor herhaling vatbaar. 

Om het actueel te maken: het opiniestuk van Conner Rousseau (DS 17 januari) illustreert hoe een noodsituatie politici soms een bijzondere ­logica opdringt. De redenering van Rousseau klinkt helder: mensen die gevaccineerd zijn, moeten beloond worden met vrijheid, de anderen moeten uit de publieke ruimte worden geweerd. Maar vrijheid is helemaal geen beloning. Dat je grondrechten hebt, betekent juist dat je niet van iemands willekeur afhangt voor de uitoefening ervan. Toegang tot de publieke ruimte is een fundament voor de ­democratie. Alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden kan daaraan getornd worden. En bovendien, hoe ga je mensen overtuigen die je overal wilt weren? Eigenlijk is het omgekeerde nodig: een breed en diep publiek debat, met gerichte inspanningen om de mensen die afhaken opnieuw bij de samenleving te betrekken. 

Dat wordt een moeilijke klus, en veel stemmen kunnen ertoe bij­dragen. Tot de groep ondertekenaars behoren mensen die in frontlinies hebben gestaan en waardevolle ­inzichten en contacten hebben, zoals huisartsen, onderwijsspecialisten, psychologen, en vele anderen. Diversiteit is er ongetwijfeld ook over de ideeën zelf, over het Corona Safe Ticket, verplichte vaccinatie of de vaccinatie voor kinderen. 

Het manifest pleit niet voor één gedeelde visie. Het gaat ook niet over een soepel of een streng beleid. Maar over een gedoseerd, proportioneel en onderbouwd beleid, met aandacht voor gevolgen op termijn, vooral voor de zwakkere groepen in de ­samenleving. En nu, allemaal samen ‘moedig en respectvol voorwaarts’, zoals (medeondertekenaar) Michael De Cock het treffend stelt.”