Column over Catalonië en Spanje, DS 5 okt. 2017

“Volgens de Spaanse koning Felipe en volgens heel wat EU-leiders is de zaak in Catalonië duidelijk: met hun referendum overtreden de Catalanen de Spaanse grondwet en dus treedt de Spaanse regering terecht (hard) op. Ook de Europese Commissie reageert lauw op het politiegeweld, en herhaalt het legalistische standpunt. Wettelijk gezien hebben ze gelijk. Maar politiek gezien slaan ze de bal volledig mis. En de gewelddadige weg van Spaanse premier Rajoy leidt tot een politieke impasse.

Wettelijk gezien klopt het: het referendum was niet conform aan de Spaanse grondwet. Die opmerking gaat voorbij aan het feit dat onafhankelijkheidsverklaringen zelden wettelijk zijn.

Wie de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring in 1776 even vanuit Brits perspectief bekijkt, vindt die onwettelijk. Wat dacht die Thomas Jefferson wel? Er is geen wettelijke bepaling waarop burgers zich kunnen beroepen om hun eigen wetten uit te roepen, gewoon omdat ze dat willen. Jefferson refereert aan een ‘natuurwet’, maar dat is een vaag concept. Hij heeft het over waarheden die ‘vanzelfsprekend’ zijn, en geeft dus toe dat hij ze niet kan bewijzen.

Daarbij zijn de Amerikaanse motieven triviaal. De opstandelingen wilden geen belastingen meer betalen: ‘no taxation without representation’ was hun slogan. Dat klinkt eerder als een eis dan als een funderend principe.

Kortom, wettelijk gezien had Jefferson geen been om op te staan. Maar politiek gezien had hij gelijk: elk politiek systeem vereist voldoende steun van de bevolking. Zodra die wegvalt, vervalt de loyaliteit aan een staat. Elke nieuwe grondwettelijke macht vertrekt vanuit een ‘wij’ die even tevoren nog niet grondwettelijk verankerd was, en die met een heersende orde breekt. Continue Reading ›

‘Broeinesten van ondernemers’, column DS, 21 sept 2017

“Nu het nieuwe academiejaar begint, staat ondernemerschap op de agenda van onderwijsinstellingen. Ignaas Devisch kaartte het al aan. Studenten worden aangezet om ondernemer te worden, onderwijsinstellingen moeten renderen, produceren en investeren (DS 19 september). Daarmee gaat niet alleen de kritische reflectie over ondernemen op zich verloren, zoals Devisch betoogt. Deze insteek wijzigt het klassieke onderwijsmodel op een radicale manier: van overdracht gebaseerd op autoriteit en een gemeenschapsvisie naar een klantgericht bedrijfsmodel.

Dat studenten worden gestimuleerd om ondernemer te worden, past perfect bij een model dat al lang opgang maakt: studenten lijken steeds meer op klanten. Ze kiezen voor een studie alsof ze een object kopen, met bijbehorende klantenwerking. Heb je te veel examens in één week? Dan passen we jouw schema aan. Ben je niet tevreden over je punten, zelfs al liggen die hoog? Kom er gerust over praten, de professor maakt zeker tijd om zijn evaluatie te rechtvaardigen. Krijg je niet alle vakken in één jaar afgelegd? Neem ze toch mee naar het volgende. Deze dienstbaarheid heeft meer te maken met een rendementslogica dan met bekommernis om studenten: diploma’s afleveren, produceren, investeren.

Ondernemerschap aangeleerd krijgen wordt dan de keerzijde: als jonge student moet je beseffen dat je niet eeuwig klant kunt blijven. Je moet zelf leren om je bijdrage te leveren. Dat doe je door – vrij letterlijk – munt te kunnen slaan uit wat je leert.

Volgens een aantal brochures en websites van onderwijsinstellingen zou ondernemerschap ook een karaktervormende functie hebben. Je leert in je kwaliteiten te geloven, zelf initiatief te nemen, verantwoordelijkheid te dragen voor de risico’s die je neemt, te volharden in tijden van tegenslag, en je niet te laten intimideren door anderen (competitief gedrag). Die karaktervorming staat juist haaks op de retoriek die de rechten van de klant benadrukt. Ook dat is dus opmerkelijk: het pleidooi voor ondernemerschap lijkt de meest aanvaardbare manier geworden om studenten tot onafhankelijkheid aan te sporen. De vraag is natuurlijk of de ondernemingsgeest hiertoe binnen het onderwijs wel de beste weg is.

In het klassieke onderwijsmodel wordt onafhankelijk denken op een heel andere manier benaderd. Daar draait het om autoriteit en overdracht tussen generaties. ‘Autoriteit’ klinkt niet goed. En toch is ze een noodzakelijke component van het onderwijs. Voor Hannah Arendt is autoriteit niet zozeer een kwestie van machtsuitoefening. Autoriteit is wel de mogelijkheidsvoorwaarde om iemands vrijheid te vermeerderen. Auctoritas komt van augere (vermeerderen). De leraar oefent autoriteit uit om de kennis en de vrijheid van de student te vergroten. Precies die vrijheid is het onvervangbare geschenk van een gedegen opleiding: de vrijheid om te denken, te onderzoeken, te creëren. Niet het nuttige, meetbare, renderende, maar het universeel menselijke begrijpen is het doel van een opleiding. Die inzichten laten toe vrij en origineel te denken.

Autoriteit vereist duidelijkheid over de culturele erfenis. En die blijkt in postmoderne tijden vooral te wankelen. Zo worden de eigen onmacht en vertwijfeling al te vaak tot het toppunt van intellectuele denkkracht verheven. Een kritische reflectie over de eigen samenleving, over de wortels van het denken is natuurlijk wel noodzakelijk. Maar zonder referentiepunten voor een positieve overdracht tussen verleden, heden en toekomst, zijn er geen criteria om over het waardevolle te oordelen. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de logica van de ondernemer meer ruimte krijgt. Dan geeft de boekhouding aan of iemand succesvol is. Geen twijfel meer mogelijk. De cijfertjes bepalen het oordeel, wanneer niemand zijn oordeel nog vertrouwt. Continue Reading ›

‘De politiek van de straffe uitspraken’, column DS 7 sept. 2017

“De verkiezingsstrijd voor 2018 is begonnen. In Antwerpen ligt burgemeester De Wever onder vuur; Nahima Lanjri schrijft een open brief aan Borgerhout; de PVDA lanceert digitale enquêtes.

Campagnes rond ‘straffe uitspraken’ ontbreken helaas niet. Helaas, omdat deze campagnes de onverschilligheid tegenover de politiek aanwakkeren.

Het meest recente voorbeeld is de heibel rond Bart De Wevers interview in de Gazet van Antwerpen, waarin hij zegt: ‘Kijk naar de foto’s van daders in Barcelona. Op de Turnhoutsebaan kom je makkelijk mannen van dat type tegen.’

Het stramien is bekend: het lijkt alsof zo’n spectaculaire kop in het interview op zichzelf staat. Daarover ontstaat dan een storm van verontwaardiging. Maar wie het hele stuk leest, ziet dat het interview anders luidt: ‘Die kleine kwalijke groep van vijfhonderd dossiers (van geradicaliseerden) is ook voor de moslims zelf kwalijk. Kijk naar de foto’s van de daders in Barcelona. Op de Turnhutsebaan in Borgerhout kom je makkelijk twintig mannen van dat type tegen. Zo ontstaat een spiraal van wantrouwen en afwijzing.’

Meteen verschijnen opiniërende artikels dat de ‘polarisering dringend moet eindigen’. Een polarisering die echter alleen voortvloeit uit een gebrekkige lectuur van het stuk. Op zaterdag verschenen berichten over fietsagenten die klappen kregen van omstaanders nadat ze een vrouw in Borgerhout wilden arresteren. Na dit gewelddadige incident verwachtte De Wever een signaal van de buurt. Op zondag kwam er een betoging, maar dan tegen De Wever, die volgens een facebookbericht ‘zijn eigen burgers met gorte uitspraken schoffeert en burgers stigmatiseert.’ Bij die betoging was voor ongeveer elke tien deelnemers één fotograaf aanwezig was. Het leverde opnieuw voer voor berichtgeving, interpretatie, commentaar.

In feite was de signaal-betoging in Borgerhout mager, zeker als racistische uitspraken van een burgemeester over een bevolkingsgroep inderdaad de inzet zou zijn. Blijkbaar kunnen nog heel wat mensen voorbij de kop lezen, en schatten ze de problemen anders in.

Deze episode raakt aan een breder punt: burgers reageren apathisch omdat ze zo’n nieuwscyclus als een soort spektakel beleven, niet als een politieke kwestie waar zij als burgers bij betrokken zijn. Je trekt toch ook de straat niet op over de uitslag van ‘Belgium’s Got Talent’, al betwist je het oordeel van de jury?

Sensationele mediastormen die onverschilligheid bevorderen, zijn geen Vlaams of Belgisch fenomeen. Ze zijn evenmin eigen aan linkse of rechtse geïnspireerde media, maar aan het gekonkel op sociale media en haast-journalistiek, met nefaste politieke effecten. Continue Reading ›

“Diversiteit mag geen ideologie zijn”, column DS, 29 juni 2017

“Diversiteit is vandaag een feit geworden. In een diverse en rechtvaardige samenleving kunnen heel verschillende mensen harmonieus samenleven. Maar diversiteit kan ook een ideologie worden. Ze wordt dan bejubeld omdat ze per definitie positief zou zijn. Jammer genoeg kan diversiteit als ideologie polarisering juist in de hand werken. Elk voordeel heeft zijn nadeel, zei een beroemde filosoof. Twee recente voorbeelden illustreren zijn gelijk: het opiniestuk ‘Bonje in Berkeley, maar het is niet de schuld van Trump’ (DS 24 juni) en het debat over Erdogans plan om de evolutietheorie in het onderwijs af te schaffen (DS 23 juni) .

Vooreerst is er feitelijke demografische diversiteit: de samenleving bestaat uit verschillende burgers qua etnische achtergrond, religieuze beleving, seksuele voorkeuren, leeftijd, geslacht en scholingsgraad. Idealiter wordt die demografische diversiteit weerspiegeld op de werkvloer, in scholen, in het politieke of openbare leven. Het is rechtvaardig om die diversiteit te verdedigen, en jammer genoeg loopt het daar soms mis.

Maar dan is er een ideologische oproep tot diversiteit, en die leidt tot een onoverbrugbare wij-zijtegenstelling. In zijn opiniebijdrage over conflicten tussen studenten aan Berkeley vermeldt Jeroen Dewulf ‘de eis voor respect op de eigen visie en het beleven van de eigen identiteit die zo extreem wordt geformuleerd dat al het andere als belemmerend en beledigend wordt ervaren’. Studenten gaan met elkaar op de vuist, omdat ze elkaars controversiële sprekers niet verdragen. Eerder waren er al conflicten rond ‘safe spaces ‘op campussen. Studenten van minderheidsgroepen eisten vanuit hun specifieke etnische, seksuele of religieuze identiteit het recht om veilige plekken te hebben, waar ze zich niet aan de meerderheid hoefden aan te passen. Dit gaat dus niet over diversiteit binnen een inclusieve samenleving of gemeenschap, maar over groepen die radicaal tegenover elkaar staan.

Die polarisering is niet de schuld van Donald Trump en zijn opruiende taal. Deze kwalijke evolutie hebben progressieven ­helemaal aan zichzelf te danken. Vlak na Trumps verkiezing schreef de liberale filosoof Mark Lilla: ‘De fixatie op diversiteit in onze scholen en in de pers heeft een generatie van liberalen en progressieven geproduceerd die narcistisch onwetend zijn over de toestanden buiten hun zelfbepaalde groepen, en onverschillig voor de nood om Amerikanen te bereiken in alle groepen.’ De radicale beleving van diverse identiteiten bevestigt groepen in hun morele superioriteit en verhindert dat ze zich solidair voelen met wie niet tot hun groep behoort.
Langzaamaan knaagt dit fenomeen ook aan het vrije onderzoek: wetenschappelijke debatten dreigen aan het diversiteitsideaal te worden opgeofferd. Tot een veilige plek aan de universiteit behoort het recht op veilige boeken, cursussen en gesprekken. Er ontstaat een recht op gefilterde en selectieve ideeën, die niemand tegen de borst stuiten. Het is een alarmerende ontwikkeling aan instellingen, waar de scherpste geesten elkaar zouden moeten versterken.

Diversiteit als ideologie is dus nefast voor het vrije denken. Neem nu het debat rond Erdogans plan om de evolutietheorie uit de lessen van het middelbare onderwijs te schrappen. Ook bij Vlamingen van diverse roots vindt die maatregel heel wat bijval, schreef Fouad Gandoul in De Morgen . Wie de evolutietheorie aanvaardt, wordt terechtgewezen omdat hij de basisbeginselen van de islam zou verloochenen.

Charles Darwins publicaties ontlokten ook in zijn tijd stormen van protest. Maar ondertussen mag het duidelijk zijn – over alle politieke of religieuze verschillen heen – dat de wetenschappelijkheid van een theorie niet afhangt van de vraag of ze overeenstemt met iemands geloof of identiteit.

Nog een andere kwestie wordt het, wanneer diversiteit wordt ingeroepen om zo’n verzet te rechtvaardigen. De logica lijkt erg op die van studenten die ‘safe spaces’ eisen: een meerderheidsdiscours verdedigt de evolutietheorie, maar minderheden hebben hun rechten. Lang leve de diversiteit, waar ieder zijn waarheid of wetenschappelijkheid mag kiezen, afhankelijk van waar ieder zich comfortabel bij voelt.

In de Verenigde Staten bestaat er evengoed fel protest tegen de evolutietheorie in het onderwijs. Die tegenkanting komt uit dezelfde hoek: die van reactionaire religieuze bewegingen, die het liefst de moderniteit, met haar ideeën van zelfbeschikking en kritisch denken, zouden afschaffen. Die opvatting heeft dus duidelijk niets met de rechtvaardige strijd voor diversiteit en tegen achterstelling te maken.”

Deze column verscheen in De Standaard op donderdag 29 juni 2017.

“De PS staat niet op imploderen”, DS 15 juni 2017

“Het schandaal rond samusocial leidt tot een gerechtelijk onderzoek. De zaak toont jarenlang machtsmisbruik, fraude en hypocrisie. Breder nog verschijnen politieke structuren die geen licht verdragen met politici die geen tegenstand dulden. Het kantoor van advocaat Marc Uyttendaele, echtgenoot van Laurette Onkelinx, heeft alles uit de kast gehaald om politici en nieuwsgierige RTBF-journalisten (cf. La Libre, 9/06) te hinderen in hun onderzoek. Uiteindelijk moest burgemeester Mayeur vertrekken, niet zonder eerst bloemetjes te hebben ontvangen. Helaas begrijpt hij nog steeds niet dat giften voor daklozen niet als zitpenning voor fictieve vergaderingen mogen worden uitbetaald. Integendeel, hij lijkt verklapper Pascal Smet de schuld te geven. Het enige offer in deze zaak werd dan ook door de Vlaamse socialisten gebracht. Zij verliezen hun schepen Ans Persoons, en verdwijnen uit de regering van Brussel-Stad.

Wie denkt dat de PS op imploderen staat, neemt zijn wensen voor werkelijkheid. Deze afwikkeling bevat een waarschuwing: wie het aandurft om niet mee te draaien in dit circus, staat buiten voor hij beseft. Open Vld heeft de boodschap goed begrepen. Ondanks de verontwaardigde oproepen tot verandering, blijft het politiek spel bij het oude, zeker met PS-burgemeester Close.

Wie verder kijkt, ziet dat deze zaak niet alleen de werking van de macht in Brussel, maar bij uitbreiding in België illustreert. De verontwaardiging van enkele Vlamingen maakt weinig uit, zolang andere Vlamingen nog willen meewerken. De staatstructuur zelf werkt immobilisme in de hand.

In Brussel boksen de Vlamingen politiek ver boven hun gewicht: ze krijgen meer vertegenwoordigers, en meer politieke postjes dan ze door rechtstreekse vertegenwoordiging zouden verdienen. Tegelijkertijd zitten ze in de klem: ze zijn afhankelijk van wat anderen hen gunnen. In de praktijk, faciliteren ze vaak het beleid van de Franstaligen. Zelfs al graaien ze niet zelf (nemen we even aan), dan nog maken ze het wanbeleid en het gebrek aan transparantie mogelijk. Jarenlang horen we de suggesties van Vlaamse politici om Brussel te hervormen: om de luchtkwaliteit te verbeteren, de verkeersknopen te ontwarren, de armoede te bestrijden, de negentien gemeenten en de zes politiezones te vereenvoudigen. Maar er gebeurt bitter weinig: er zijn te veel politieke niveaus, te veel postjes, te veel mensen die afhankelijk zijn van de politiek om hun inkomen te verzekeren. De bijdrage van Vlamingen is soms letterlijk financieel: wanneer een Brusselse gemeente een Vlaamse schepen opneemt, krijgt die gemeente extra subsidie, dankzij het ‘Lambermont’-geld. Brusselse politici ervaren dan ook geen financiële druk om te reorganiseren, want zeker sinds de zesde staatshervorming ontvangen de Brusselse overheden per inwoner meer dan overheden van de andere gewesten. Continue Reading ›

“Symptoom van een depressieve samenleving”, DS, 1 juni 2017

“Begin deze week werd Chris Cornell begraven, een Amerikaanse grunge-zanger die vorige week zelfmoord heeft gepleegd. Hij is de zoveelste rockster die niet aan ouderdom, maar aan drugsverslaving en zelfdestructief gedrag ten onder gaat. Vorig jaar overleed Prince na een overdosis pijnstillers. Toch blijft het zoeken naar een bredere beschouwing bij dit maatschappelijk fenomeen. De persaandacht verloop steevast volgens hetzelfde stramien: berichten over rouwende fans, enkele schokkende artikelen over het overlijden. En dan gaat het commerciële circus verder. Er is nochtans meer aan de hand: dit fenomeen spoort met een soort depressieve cultuur, waarvan de muziekwereld alleen maar een deeltje is.

Natuurlijk, artiesten hebben altijd al verdovende middelen genomen. Maar het contemporaine druggebruik is toch verschillend. Het gaat niet meer om roesmiddelen maar om zware pijnstillers, alleen op voorschrift verkrijgbaar. Cornell was verslaafd aan oxycontin, een sterke pijnstiller die alleen kortstondig na een operatie wordt verstrekt. Veelvuldig gebruik is zeer verslavend. Prince nam te veel fentanyl, nog zo’n pijnstiller voor na operaties. Op langere termijn tast zo’n middel de ademhaling aan. Prince overleed aan een hartfalen. Gruwelijk. Het is verbijsterend dat er niet meer aandacht aan werd besteed.

Deze drugs verzachten de pijn van de eenzaamheid, onzekerheid en faalangst. Ze zijn een vlucht uit de werkelijkheid, zonder dat ze toelaten om die werkelijkheid creatiever te benaderen.

Dat is een verschil met de geestverruimende ervaringen van de poètes maudits. Kunstenaars hoopten veelal dat de drugsinname hun creativiteit zou bevorderen. De Franstalige, Belgische dichter Henri Michaux experimenteerde met mescaline. Net als filosoof Aldous Huxley, die er religieuze ervaringen mee wilde opwekken. Hij beschreef zijn bevindingen in The Doors of Perception: door de drugs gaan de poorten van de waarneming open, en dan zou de gedrogeerde een wereld betreden die anders verborgen blijft. Anderen gebruikten stimulerende middelen om harder en geconcentreerder te werken, zoals Jean-Paul Sartre, Marguerite Duras of Leonard Cohen.

Vandaag de dag dient het pseudo-medicinale druggebruik het tegenovergestelde doel: verdoving, onbehagen verdrijven. Over verslaving schreef Carrie Fisher in haar autobiografische Wishful Drinking: ‘Als je altijd rust wil, als je je nooit ellendig wil voelen, elk ongelukkig moment wil verjagen, dan heb je het in je om verslaafd te worden.’ Het lijkt alsof de kunstenaar vroeger het manische opzocht om de dagelijkse ervaring te overstijgen, terwijl hij nu het depressieve ontvlucht omdat elke frustratie ondraaglijk lijkt.

Daar lijkt het dan ook om te gaan: alleen onmiddellijke bevrediging is toegelaten. Dat maakt kunstzinnige omgang met al te menselijke ervaringen moeilijk. Dood, vergankelijkheid, seksualiteit, het mystieke zijn thema’s die door kunst benaderbaar worden. Verbeelden, geduldig schaven en bewerken helpen om verlangens te overstijgen. Dante en Schubert maakten van de schrikwekkende dood kunst. Zonder de mogelijkheid om met afschuw, angst en lijden om te gaan, lijkt de mens herleid tot een dierlijke machine van begeerte en voldoening. Hij wordt een consument, die geneesmiddelen wil om nooit ongelukkig te zijn. De huidige versnelling – zonder verwerking of verbeelding – verdooft wat echt menselijk is.

Het destructieve druggebruik van enkele popsterren is een symptoom. Heel wat mensen zijn tegenwoordig aan deze drugs verknocht. Oxycontin heet dan ook de hillbilly-heroïne, omdat de Amerikaanse onderklasse eraan verslaafd is. Continue Reading ›

“Het ergste is onverschilligheid”, DS 26 mei 2017

Deze tekst verscheen in De Standaard op vrijdag 26 mei 2017, en is een reactie op een artikel van Joris Luyendijk, ‘Iedereen speelt spelletje IS mee’.  Dat stuk is dan weer een kritiek op de media-aandacht na de aanslag in Manchester op 22 mei 2017, door een moslimterrorist.

“Na elke terreuraanslag volgen dezelfde analyses: we spelen het spel van de terroristen door zoveel aandacht aan de aanslag te besteden. Met al die heisa trappen we in de val van de tegenstander, terwijl we zouden moeten bijleren. Deze analyse lijkt valabel, maar slaat de bal mis. Eergisteren ontwikkelde Joris Luyendijk deze gedachte. Hij ontrafelde de gewiekste mediastrategie van IS. Ja, die is inderdaad perfide, doordacht en efficiënt. Ja, het klopt dat technologie niet alleen democratie en vrede brengt, maar ter kwader trouw kan worden gebruikt. Dat geldt trouwens niet alleen voor twitter, maar voor elke technologie: dynamiet kan je gebruiken om een tunnel aan te leggen, of om mensen te vermoorden. Dus moet je waakzaam zijn. En ja, mediabedrijven verdienen heel veel geld aan ellende. Zo’n commerciële uitbuiting is diep triestig.

Maar wie zoals Luyendijk schrijft dat ‘de grootste winnaar degene was die zichzelf zopas had opgeblazen’ omdat hij de meeste media-aandacht kreeg, moet zijn prioriteiten op een rijtje zetten.

Onze echte kwetsbaarheid is niet de technologie of commerciële televisie, maar dat we het leven verkiezen boven de dood. Daarom zijn we vatbaar voor filmpjes van bange, rennende mensen: we voelen een angst die onlosmakelijk is verbonden met de hoop op een goed leven. We ijveren elke dag voor een bestaan zonder zo’n nachtmerriescenario’s. Op die angst volgt dan ook meteen een golf van solidariteit, van warmte, van wederzijdse hulp en steun. Juist omdat we bij de dood beseffen hoe waardevol het leven is.

Dat staat haaks op de ideologie van de radicale jihadi. Mohammed Merah, die in 2012 in Toulouse al een aanslag pleegde – hij schoot joodse kinderen in koelen bloede door het hoofd – zei exact dit: ‘jullie houden van het leven, zoals ik van de dood houd.’ Wie bereid is om te sterven, verkrijgt macht over de ander. Zoals de stoïcijn Seneca schreef: de man die zijn eigen leven minacht, is meester over het jouwe. Vandaar dat terreur zo’n impact heeft, en niet alleen op de slachtoffers. Maar het antwoord hierop is niet dat je ervan afwendt. Je moet integendeel beseffen hoe diepgaand de inzet van het conflict is. Die inzet gaat niet over media-aandacht, of zelfs over angst op zich.

Dit is het fundamentele onderscheid: wil je er wat van maken in dit leven? Of leef je overmand door negatieve emoties, zoals wraak, haat, afgunst, wrok, agressie? De jihadist wordt zo door afgunst en haat verteerd dat hij de ander alleen dood en verderf wenst, en er nog zelf aan ten onder wil gaan. Nog liever de ander doden, dan zelf proberen gelukkig te leven. Zo’n ideologie staat haaks op dit samenlevingsmodel. Vandaar dat we zo’n aanslag niet kunnen aanvaarden. En dat maakt ons tot de overwinnaars, niet de man die zichzelf opblies om kinderen te kunnen doden.

Ik hoop dus dat de media de aandacht blijven opeisen, bij elke aanslag. Ik hoop dat we telkens woedend en verontwaardigd reageren op boosaardig geweld. Neen, je hoeft de ander niet te haten, en niet zelf in wrok te leven. Maar je moet je wel weerbaar opstellen. Ik hoop dat we als burgers telkens samenkomen, zoals nu gebeurt, zodat meteen duidelijk wordt dat iedereen die het leven zelf liefheeft, elkaar vindt.

Het ergste wat kan gebeuren, is onverschilligheid. Geen aandacht meer, omdat geweld te alledaags is geworden. Alleen nog een schouderophalende zucht: ‘Ach, nog eens?’ Dan pas heeft het terrorisme gewonnen: wanneer we niet meer geloven dat we er samen meer van kunnen maken dan te leven met wreedaardigheid.