“Goed dat de ‘First Bully’ werd afgestraft”, column DS, 12 nov. 2020

De CNN-nieuwscommentator en Obama-veteraan Van Jones reageerde emotioneel toen bekend werd dat Joe Biden de Amerikaanse presidentsverkiezingen echt had gewonnen. ‘Deze ochtend is het makkelijker om een ouder te zijn’, begon hij met gebroken stem. ‘Het is makkelijker om aan je kinderen te zeggen dat karakter ertoe doet. De waarheid vertellen, een goede persoon zijn, dat doet ertoe. (…) Ik wil dat mijn zonen hiernaar kijken. Het is makkelijk om de goedkope manier te gebruiken en ermee weg te komen. Maar uiteindelijk keert zich dat tegen je.’ 

In die eerste woorden beschrijft Jones twee dingen: Donald Trump was het model van de bully, een etterbuil die liegt en intimideert om zijn zin te krijgen. Vier jaar lang zwaaide een pestkop de plak. Dat was een nederlaag voor een hele samenleving, los van politieke voorkeuren. Ten tweede benadrukt Jones terecht dat dit een opvoedkundig probleem is. 

Dat wil ook zeggen dat het al minstens één generatie helemaal fout loopt met de Amerikaanse zeden. In 2004 schreef Thomas Frank het boek What’s the matter with Kansas?, over de opkomst van rechts-populisme in zijn thuisstaat, Kansas. Frank beschrijft de groeiende alliantie tussen een bepaald soort kapitalisme en criminaliteit sinds eind de jaren 70. Als kleine jongen zag hij hoe de middenklasse in zijn buurt werd verdreven en een nieuwe, rijkere klasse haar intrek nam. Op de schoolbanken leerden deze nieuwe buurjongens hem de ‘onuitwisbare les dat rijkdom een geheime band had met misdaad en ook met drugsgebruik, bullying, liegen, overspel en “thundering, world-class megalomania”.’

Frank beschrijft jongeren die niet leerden om zich sociaal op te stellen, maar om hun zin door te drijven, los van hun reële kwaliteiten of prestaties. Ze leerden dat agressief gedrag loont. Wie voortdurend het conflict opzoekt, doet anderen wijken. Geld is de enige graadmeter voor succes. ‘Greed is good’, zoals Gordon Gekko, de speculant in Oliver Stones film Wall Street (1987), als satirische profeet uitroept. Alleen leert zo’n mantra niet meer dat mensen hun verlangens, ambities of gedragingen tijdig moeten bijschaven. 

Het gevolg is dat velen niet meer malen om regels. Negatieve gevolgen van overtredingen – ruzie, ophef, schandalen, boetes en zelfs gevangenisstraf – schrikken hen amper af. Winnen is het enige wat telt. Daarom volstaan meer regeltjes niet om hen in toom te houden. Trump heeft heel wat niet-wettelijke, onuitgesproken regels gebroken wanneer dat hem goed uitkwam. Dat het slecht staat als je je familieleden in het Witte Huis op cruciale posities benoemt, bijvoorbeeld. En zelfs wetten houden Trumps kring amper tegen. In zijn omgeving werden ontstellend veel mensen al tot gevangenisstraf veroordeeld omdat ze geen gebod en geen wet erkennen. Ook Trump wacht een reeks rechtszaken zodra hij aftreedt. De bully zoekt en vindt manieren om afspraken te omzeilen. Dat doet hij al zijn hele leven. Precies daarom gaat het over opvoeding, over wat je leert als je jong bent: verantwoordelijkheid nemen voor je eigen gedrag, aan jezelf schaven, rekening houden met anderen, dankbaar zijn voor wat anderen voor je doen, zelfs al geven ze je een uitbrander. Je leert erop te vertrouwen dat het goed komt met jou, wanneer het goed gaat met de anderen om je heen. 

Die lessen vragen snelle, soms strenge interventies vanaf de vroege jeugd, terwijl de voordelen van karaktervorming pas later duidelijk worden. Karakter is een kwestie van gewoonten, wist Aristoteles. Goede gewoonten kun je leren. Dat is de moeilijke taak van de opvoeder. Hij moet die gewoonten incarneren, en ze overbrengen. Hij moet ook een tijdsspanning overbruggen en heeft daarom exemplarische verwijzingen nodig: ‘Nu corrigeer ik je, maar zie eens wie je kunt worden, als je die moeilijke lessen leert.’ 

De opluchting van Jones is begrijpelijk: kinderen en jongeren leven van voorbeelden, en het is goed dat de ‘First Bully’ werd afgestraft. Maar daarmee is de samenleving niet gered. Onbezonnen, manipulatief, oneerlijk of agressief gedrag kan verdoken en subtiel zijn. Trump kon gedijen omdat de ‘mores’ al een tijdje naar de haaien waren. En veel manipulatoren hebben amper een politieke kleur, omdat ze zich alleen om hun eigen positie bekommeren. Van Jones gaf alvast een goede aanzet: de alledaagse gesprekken over karakter, opvoeding en principes moeten opnieuw worden gevoerd. En niet alleen in Amerika.”

Deze column verscheen in De Standaard op donderdag 12 november 2020.

Argwaan is geen kritisch denken, column DS, 29 okt. 2020

“Rond de covid-epidemie circuleert heel wat informatie op sociale media. Niet alle informatie is even betrouwbaar. In het tv-programma Zondag met Lubach nam de Nederlandse komiek Arjen ­Lubach de malafide platformen, de ­desinformatie van ‘de online fabeltjesfabriek’ in de maling: honderdduizenden gebruikers surfen van het ene naar het ­andere filmpje waarin influencers beweren dat de corona-epidemie nepnieuws is, dat vaccins straks een chip bevatten waarmee de overheid burgers controleert, of dat ‘de elite’ satanische, pedofiele netwerken onderhoudt. Ook Vlaamse influencers delen gretig deze verhalen.

Lubach probeerde het succes van ­deze verhalen te achterhalen. Mensen houden van sensatie. En sociale platformen willen zo lang mogelijk de aandacht van kijkers capteren om advertentiegeld te verdienen. Ze hanteren ­algoritmes die de verspreiding van spectaculaire, extremere verhalen bevorderen. Gebruikers denken intussen dat ze neutrale, belangeloze informatie lezen, maar dat klopt niet. Ze zitten opgesloten in een verdienmodel dat geen rekening houdt met waarheid of feiten. Lubachs uitleg klopt, maar er is een breder, langer proces dat het negeren van feiten in de hand heeft gewerkt.

Eén voedingsbodem is de idee dat ­elke interpretatie van kennis – en dus elke aanspraak op waarheid – slechts een gevolg is van een machtsstrijd, ­zoals een aantal postmoderne denkers meende (en vooral hun minder getalenteerde volgelingen al te eenvoudig toepassen). Dit thema kaartte ik vijf jaar geleden aan in mijn boek Macht en onmacht. Als je waarheid opvat als een kwestie van machtsverhoudingen, heb je weinig oog voor de criteria van kritisch onderzoek op zich – de methoden, bronnen en de werkwijze om waar van vals te onderscheiden.

Denken in termen van macht creëert morele verschillen: als de algemeen erkende waarheid slechts voortvloeit uit een machtsstrijd, dan bestaan er verzwegen, onuitgesproken, ‘echt ware’ ideeën die nergens aan bod komen. De ‘onderdrukte waarheid’ wordt de waarheid van de onderdrukten. Deze ongelijkheid valt alleen te corrigeren door de bestaande machtsrelaties te contesteren. Complotdenkers hebben deze manke logica overgenomen: ze geloven dat een elite het onderdrukte, genegeerde volk manipuleert. Ze gaan eraan voorbij dat elk waarachtig onderzoek – wie het ook bedenkt – aan bepaalde criteria moet voldoen.

Deze visie op waarheid en macht gaat gepaard met een moreel superioriteitsgevoel: de complotdenker beschouwt zichzelf als de moedige, strijdende mens die zich tegen ‘de elite’ ­verzet. Hij probeert tenminste ‘echt’ kritisch te denken, terwijl de andere mensen ofwel goedgelovige dwazen zijn, ofwel deel uitmaken van het complot.

Nu is het belangrijk om overheid en media kritisch te benaderen. Alleen verwarren complotdenkers argwaan met kritisch denken – precies omdat ze geen criteria voor waarachtigheid hanteren. Argwaan betekent dat je vermoedt dat anderen te kwader trouw handelen. Bij kritisch denken kun je vaststellen dat anderen zich vergissen, dat hun insteek beperkingen heeft, of dat ze een andere visie verdedigen dan de jouwe. Maar je vertrekt niet van het vermoeden dat ­anderen de samenleving intentioneel schade willen berokkenen.

Samenzweringstheorieën floreren in tijden van onvoorspelbare veranderingen. Elke complotdenker veronderstelt dat grote gebeurtenissen grote oorzaken moeten hebben; dat een diepe ­crisis wel het gevolg moet zijn van ­iemands intentie, van iemands uitgevoerde plan. Want toeval en chaos zouden zulke omwentelingen nooit kunnen verklaren. Heel wat mensen weigeren te aanvaarden dat lijden en ellende doelloos en onopzettelijk voorkomen. Maar het stormt mondiaal zonder dat één partij of één groep mensen aan het roer staat. Globalisering, kapitalisme en technologische ontwikkelingen brengen een dynamiek op gang die geen enkele deelnemer helemaal overziet. Dat is een beangstigende gedachte waar mensen mee moeten leren leven.

De laatste jaren komt bij al die factoren nog de grootschalige fabricatie van leugens bij, bijvoorbeeld vanuit QAnon, een extreemrechtse complottheorie die bepaalde politici, onder wie Joe Biden, van pedofilie beschuldigt. Niemand weet precies wie hier achter zit. Maar volgens deze theorie zouden de aanhangers van Trump door de deep state ­(geheime machtsorganisaties) geviseerd worden. Hier worden mensen die zich onmachtig en benadeeld voelen, gemanipuleerd om politieke machts­relaties te beïnvloeden.

Wat valt eraan te doen? De verdienmodellen van sociale media die de fabeltjesproductie stimuleren, moeten op de schop. Verder is het bijzonder moeilijk om complotdenkers te corrigeren, omdat hun denkwijze immuun is voor kritiek: dat academici, politici of journalisten hun complottheorie ofwel negeren ofwel weerleggen, bevestigt voor hen de waarheid ervan. Complotdenkers belerend toespreken, helpt dus niet. Vooral omdat heel wat onder hen zich al miskend voelen. Vanuit hun ­eigen onvermogen projecteren ze een almacht op de ander. Als je hen wil overtuigen, moet je rekening houden met hun verlangens en bezorgdheden. En met hun drang om erkend te worden als valabele, kritische burgers. Met wat geluk zit daar enig potentieel.”

Deze column verscheen in De Standaard op 29 oktober 2020.

‘Cafépraat helpt politici niet vooruit’, DS, 15 okt. 2020

Bart De Wever kan heel wat leren­ van Frank Vandenbroucke, staat in het redactionele commentaar (DS 14 oktober): een politiek parcours kan plots gele­genheden scheppen die eerst onmogelijk leken. Daarvoor is soms een tocht door de woestijn nodig. De N-VA-voorzitter kan ook op andere vlakken een voorbeeld nemen aan de nieuwe SP.A-minister, denk ik.

Volgens de laatste peiling staat Vanden­broucke meteen op de tweede plaats van de lijst met de populairste politici. In wezen is hij niets veranderd: na tien jaar afwezigheid spreekt hij nog altijd als de slimste van de klas en verdedigt hij een duidelijke, heldere visie. Zo ook vorige donderdagavond, toen de minister aan tafel zat bij Danira Boukhriss in haar programma Vandaag op Eén. Hij werd als nestor van de regering opgevoerd naast het jongste regeringslid, Sammy Mahdi (CD&V). In een divers, jong en vrouwelijk gezelschap was de minister genereus en zelfrelativerend, zonder dat hij toegaf op politieke inhoud. Wellicht heeft Vandenbroucke wat redenen om verbitterd en boos te zijn over het verleden, maar die blad­zijde heeft hij duidelijk omgeslagen.

Diezelfde avond kwam ik zappend bij Gert late night (Vier) terecht. Daar besprak De Wever met Sam Gooris en gastheren James en Gert of de sfeer van het programma cafépraat bevordert. Twee weken eerder had De Wever er, in bijzijn van Theo Francken, over de liberalen gezegd dat ‘de blauwe vrienden op de knieën zullen moeten gaan, hun mond moeten opendoen en slikken. We maken ze kapot in de oppositie’.

Op die uitspraak kwam heel wat kritiek. Maar wat onderbelicht bleef, was het politieke effect ervan. De uitspraak was niet alleen vulgair, maar ook vernederend. Dat maakte de uitlating moreel laakbaar én politiek contraproductief. ‘Beledigende, krenkende taal wekt haat tegen degenen die haar bezigen, en is hun van geen enkel nut’, schrijft Machiavelli in zijn Discorsi. Gedachten over staat en politiek. De vernedering is een wapen dat je schijnbaar tegen anderen inzet, maar eigenlijk op jezelf richt. Daarom raadt de Florentijn zo’n schuttingtaal af: als je iemand vernedert, versterk je alleen de noodzaak bij die ander om jou te bestrijden. En dat is ook wat nu gebeurde. In één zin verenigde De Wever zijn liberale rivalen, in plaats van hen te treffen. Nochtans had Georges-Louis Bouchez (MR) de wankele coalitie bijna opgeblazen met zijn eigen­gereide optreden. Maar na De Wevers­ uitspraak trokken alle coalitiepartners aan één zeel. Toekomstig premier­ Alexander De Croo verscheen als een staatsman, zonder dat hij iets bijzonders hoefde te doen.

Na de felle kritiek op De Wevers uithaal reageerde een deel van de N-VA-achterban defensief: de voorzitter werd alweer aangevallen in de media. Het klopt dat De Wevers uitspraken in het verleden soms uit hun context werden gehaald, waarna ze dagenlang onderwerp van debat waren. Eind 2017 gaf De Wever bijvoorbeeld een interview met de Gazet van Antwerpen over verdachten van terrorisme. Wie het hele interview las, zag dat hij weinig verkeerds zei. Toch veroorzaakte de uitspraak heel wat beroering, en werd De Wever stigmatisering van groepen en racisme verwe­ten.

Dit is een ander verhaal: hier ging De Wever in de fout. Hij zocht uitvluchten voor zijn uitlatingen. In De zevende dag zei hij dat hij ‘ook maar een mens’ is en dat hij ‘cafépraat’ verkocht. Daarmee nam hij geen verantwoordelijkheid voor de nefaste politieke gevolgen van zijn eigen agressie: de taal van vernedering en belediging helpt alleen je tegenstanders vooruit. Het is opmerkelijk dat dit eenvoudige, letterlijk eeuwen­oude inzicht zo weinig wordt begrepen. Natuurlijk kunnen politici met zo’n taalgebruik veel aandacht genereren. Ze kunnen sympathie opwekken bij hun trouwe achterban, met wie ze direct communiceren via sociale media. Maar uiteindelijk schieten ze zichzelf in de voet: ze creëren de illusie dat straffe taal politiek efficiënt is. Dat is niet zo. Uiteindelijk slagen zulke politici er niet meer in om medestanders te vinden, waardoor ze politiek weinig kunnen veran­deren.

Bart De Wever heeft betere momenten gekend. Vroeger discussieerde hij bijvoorbeeld met wijlen Etienne Vermeersch over de verlichting in Reyers Laat – een voorganger van Boukhriss’ programma. Sterker, zijn succes heeft deels met zijn intellectuele houding te maken. Zoals Vandenbroucke nu populair is, deels omdat hij zijn slimme zelf durft te zijn. Als partijvoorzitter en burge­meester zou De Wever beter van Verhulsts boot – en soortgelijke sloepen – wegblijven, en een andere retoriek aanslaan. Anders eindigt ‘nil volentibus arduum’ in ‘sic transit gloria mundi’.

“Politici, verklein het speelveld niet”, column DS, 1 okt. 2020

De Vivaldi-regering begint aan haar opdracht. Na bijna 500 dagen komt een coalitie tot stand van verliezende partijen (alleen Groen en Ecolo gingen erop vooruit). De drie traditionele Vlaamse partijen – CD&V, Open VLD en de SP.A – treden toe, mét Groen. Toch vormt deze bonte groep aan Vlaamse kant geen meerderheid. Het centrum verkleint.

Het Belgische politieke systeem is aan hervorming toe, maar lijkt er niet meer toe in staat. Bart De Wever (N-VA) pleit voor een ander kiessysteem: een meerderheidsstelsel. Dat partijen proberen het stelsel naar hun hand te zetten, gebeurt wel vaker­, gaf Marc Reynebeau al aan (DS 30 september). Deze omkering van een proportioneel naar een meerderheidssysteem is grondwettelijk niet haalbaar en politiek niet wenselijk, schreef politicoloog Bart Maddens in De Tijd

Een verandering is ook een slecht idee om een andere reden: het meerderheidssysteem lijkt het centrum stabiel te verenigen, maar die stabiliteit is bedrieglijk. In werkelijkheid blijven vooral mensen uit een kleine, geprivilegieerde groep aan de macht. Zij hebben weinig voeling met wat er bij de bevolking leeft. Dat gebrek aan pluraliteit bij de top wreekt zich uiteindelijk.Een democratie moet de zorgen van mensen die extreem stemmen, beantwoorden op een niet-extreme manier

Bij een meerderheidssysteem zijn er twee dominante partijen, omdat de grootste partij in een kiesdistrict alle zetels voor dat district in het parlement krijgt. De kleinere partijen worden heel klein (ze kunnen wel lokaal de grootste zijn, en hier en daar een zetel halen) of ze verdwijnen. Daardoor kan de winnende centrumpartij het beleid uittekenen, zonder coalitiepartners. Dat lijkt stabiliteit te brengen, en de pluraliteit zou niet verdwijnen, doordat kleinere bewegingen correcties doorvoeren. Maar de politieke evoluties in het Verenigd Koninkrijk tonen de valkuilen.

In een meerderheidssysteem regeert dezelfde kleine groep het land. De politieke winnaars delen grosso modo dezelfde ideologie. De conservatief David Cameron zag zichzelf als de opvolger van Labour-leider Tony Blair. Dat zegt voldoende over de ideologische eensgezindheid bij de politieke klasse. Die kleine kring politici komt uit veelal dezelfde welstellende laag, ze frequenteerde dezelfde scholen (private scholen zoals Eton, universiteiten zoals Oxford en Cambridge). De veranderingen en omwentelingen in de samenleving worden niet echt politiek vertaald, maar ingezet als munitie in een interne partijpolitieke machtsstrijd.

Neem de saga rond de Brexit. Nigel Farage (Ukip) had premier Cameron aangespoord om een referendum over de Britse deelname aan de EU te organiseren. Cameron was zelf voorstander van Brits lidmaatschap, maar beloofde een referendum te houden. Hij was ervan overtuigd dat hij niet kon verliezen. Maar hij verloor, want in zijn zogezegd stabiele midden had Cameron geen voeling met wat er leefde bij de bevolking: een diep ressentiment tegen ‘de elite’ na de financiële crisis in 2008.

De brexiteers wendden dat ressentiment aan in hun strijd tegen de EU, de globalisering en een open migratiebeleid. De brexiteers wakkerden een aloude trots aan: dat het Verenigd Koninkrijk een grootmacht is die niemand nodig heeft, en al zeker geen Europeanen. Integendeel, het Verenigd Koninkrijk heeft onbreekbare vriendschapsbanden met de Verenigde Staten, en dat is voldoende. In zijn recente The Churchill complex doorprikt Ian Buruma de Britse illusie van de Brits-Amerikaanse alliantie, die Churchill tijdens de Tweede Wereldoorlog in het leven riep. De waarheid is dat de Britten er binnenkort helemaal alleen voorstaan, zonder betrouwbare bondgenoten.

In het referendum werden plots nieuwe breuklijnen duidelijk: platteland tegen stad, lageropgeleid tegen hogeropgeleid, oud tegen jong, ontmoedigde verliezer van de globalisering tegenover hoopvolle winnaar. De uitkomst van het referendum diende vooral als strijdmiddel tussen rivalen van die grootste partij. Camerons partij­genoot en concurrent Boris Johnson was ook tegenstander van de Brexit. Tot hij het verschil wilde maken met Cameron, en zijn kar keerde. Daarop werd Theresa May even premier – zij probeerde een Brexit-deal te sluiten met de EU. Om zich van haar te kunnen onderscheiden, pookte Johnson het anti-EU-sentiment hoog op; May haalde bakzeil. Zo lag de weg open voor Johnsons premierschap.

In de Vlaamse rangen zitten valsspelers, aldus De Wever in De zevende dag: bij de kleinere partijen vind je altijd politici die federale akkoorden willen sluiten tegen het verlangen van de meerderheid van Vlaamse kiezers in. Maar welke grondstroom bedient Boris Johnson met zijn beleid op langere termijn? Heeft de krimpende middenklasse betere vooruitzichten na de Brexit? Staat Groot-Brittannië sterker dan tevoren? Of heeft Johnson alles roekeloos ingezet om zelf premier te kunnen worden?

Een democratie moet de bekommernissen van de mensen die extreem stemmen, beantwoorden op een niet-extreme manier. Daartoe is een open contact nodig met de diversiteit en de pluraliteit aan visies. En daartoe moeten nieuwe generaties politici, met andere ideeën en voorkeuren uit meerdere lagen van de bevolking een kans krijgen om deel te nemen aan de macht. Wat een democratie niet nodig heeft, is dat dit speelveld wordt verengd tot een machtsstrijd binnen een kleine, geprivilegieerde groep, in welk kies­systeem dan ook.”

Deze column verscheen in De Standaard op 1 oktober 2020.

“Het Beest van Amerika”, column DS, 17 september 2020

“In de Verenigde Staten wordt de sfeer grimmiger. Ik lees Chasing the light, de onlangs verschenen memoires van Oliver Stone, en bedenk dat de gewelddadige ontsporingen in Amerika veel ouder zijn dan de recente revoltes, heftige woordwisselingen en brute vecht­partijen doen vermoeden. Geen van beide politieke partijen – hoezeer ze verder ook verschillen – schijnt dat te erkennen. Ze geven liever elkaar de schuld voor het vileine geweld, dan het ‘Beest van Amerika’ in de ogen te kijken. Zo definieert Stone het geweld dat inherent is aan een vernielend kapitalisme, en de nefaste dynamiek waarbij Amerikaanse politici buitenlandse vijanden aanduiden om binnenlandse conflicten te verdoezelen.

De nieuwsberichten over drugs, criminaliteit, armoede, wanhoop, agressie en een gemilitariseerde politie vallen zonder dat Beest nauwelijks te begrijpen. Stone toont de oprispingen van het Beest in de recente Amerikaanse geschiedenis. Meteen na de Tweede Wereldoorlog begon de Koude Oorlog, en de VS bouwden een indrukwekkende militaire macht op. Sindsdien voeren ze oorlog: tegen communisten, tegen drugs, tegen buitenlandse vijanden. In eigen land wordt geld aanbeden als de nieuwe God, zonder oog voor de vernietigende gevolgen. Deze ontmenselijkende dynamiek is de rode draad in veel van Stones films, zoals Scarface (die Stone schreef, maar Brian De Palma regisseerde), Platoon, Salvador, Wall Street, Born on the fourth of July en Natural born killers. In die films houdt hij Amerika een kritische spiegel voor.

Stone was niet voorbestemd om zo kritisch over de Amerikaanse politiek te denken. Zijn vader was een Republikein en een effectenmakelaar op Wall Street. Zijn hele jeugd hoorde Stone deze belofte: volg de regels, studeer, werk hard en de Amerikaanse droom wordt werkelijkheid. Maar Stone ontdekte dat die droom alleen binnen bereik ligt voor wie tot de bevoorrechte bubbel behoort, zoals zijn studiegenoot aan Yale University, de latere president George W. Bush. Stone verliet de universiteit na enkele maanden, ging door een persoonlijke crisis en meldde zich vrijwillig om als infanterist naar Vietnam te trekken.

Voor het eerst ontmoette hij mannen uit lagere sociale groepen en Afro-Amerikanen, die disproportioneel vaak naar het front worden gestuurd – een thema dat opduikt in Spike Lee’s recente film Da 5 bloods. Hij ontdekte dat politici en militairen logen. Over friendly fire: ze verzwegen dat veel Amerikanen stierven door eigen vuur. Over de burgerdoden aan Vietnamese zijde: de Amerikanen gooiden massaal veel bommen­ en gebruikten chemische wapens zonder burgers te sparen. En over de Amerikaanse verliezen. Ze dachten dat zo’n vierderangsnatie, zoals Henry Kissinger Vietnam noemde, wel moest breken tegenover hun militaire overmacht. Maar de Vietcong brak niet. Die soldaten vochten gemotiveerd, voor hun vrijheid. Dat lag bij de Amerikaanse troepen anders. In april 1968 werd Martin Luther King vermoord: bij de Afro-Amerikaanse militairen kwam dat hard aan. Voor wie en waarom vochten ze? Niemand kon zichzelf wijs­maken dat het conflict vergelijkbaar was met de strijd tegen het nazisme.

Veel veteranen keerden getraumatiseerd en drugsverslaafd terug. Stone ook. Het duurde jaren voor hij zijn leven weer op de rails kreeg. Hij werd gearresteerd voor drugssmokkel, maar zijn welstellende vader betaalde een advocaat en Stone ging vrijuit. Hij vond zichzelf opnieuw uit als filmmaker. Zijn Vietnamervaring wilde hij realistisch weergeven. Platoon is geen gepolijst verhaal. Stone toont doodsangst en verveling, smerigheid en chaos, wetteloosheid en onrecht, verminking en lijden: oorlog. Continue Reading ›

“Kritiek op radicaal geloof is nodig”, column DS, 3 september 2020

“Het satirische tijdschrift Charlie Hebdo heeft opnieuw de Mohammed-cartoons gepubliceerd die op 7 januari 2015 het motief waren voor vreselijke terreuraanslagen (zie De Standaard, 2 sept.). Twee radicale islamisten, de broers Kouachi, vermoordden toen bijna de hele redactie. Later schoot hun handlanger Amédy Coulibaly vijf slachtoffers dood in een Joodse supermarkt. Nu staan hun medeplichtigen terecht – de daders stierven door politie­kogels, zoals­ ze gepland hadden.

Deze week verschenen de oorspronkelijke cartoons dus nog eens, volgens de hoofdredacteur Riss als historische duiding voor jongere generaties: ‘Tout ça pour ça’ – ‘hierover ging het dus: teke­ningen’.

Bij die nieuwe publicatie voel ik me ongemakkelijk. Niet omdat ik meega met het schijnargument dat het tijdschrift zelf het geweld over zich heeft afgeroepen. Dat is zoals beweren dat het meisje met de minirok om verkrachting vroeg. Elke­ mens blijft verantwoordelijk voor zijn daden, en wie de vrijheid van anderen niet verdraagt, heeft een probleem. Niet wie zijn of haar vrijheid benut, zonder anderen schade te berokkenen. Ik voel me ook niet ongemakkelijk omdat ik de makers van het tijdschrift als de onderdrukkers van onderdrukte groepen beschouw. Maar omdat ik hen iets zie doen wat ik niet zou durven. Omdat ik mijn leven niet aan de strijd tegen obscurantisme wil opofferen. Geweld maakt me bang. En als je te veel je mond opendoet tegen islamitisch extre­misme, riskeer je permanente bedreigingen. Heel wat criti­ci maakten het al mee, onder wie schrijver Salman­ Rushdie en politica Ayaan Hirsi Ali.

Juist dat geweld toont nochtans dat kritiek op radicaal geloof nodig is. Zo’n geloofsopvatting laat alle macht aan haatpredikers, die onvrijheid en ongelijkheid in stand houden. De reactie na de publicatie van Mohammed-cartoons door het Deense Jyllands-Posten in 2005 in een land als Pakistan was veelzeggend: een woedende massa van tienduizenden mensen bedreigde westerse ambassades. Enkele imams loofden finan­ciële beloningen uit voor wie de ongelovige daders zou vermoorden. Fana­tisme is een handig middel voor wie macht heeft. De arme, gefrustreerde, vaak ongeletterde bevolking die nooit het tijdschrift in kwestie zou kunnen lezen (verschenen in een ander schrift, een andere taal, aan de andere kant van de wereld), krijgt een uitlaatklep voor haar diepe gevoelens van frustratie en vernedering: de ongelovigen in het Westen zijn de oorzaak van haar ellende. Intussen blijft een kleine, rijke, corrupte elite het land domineren.

Die dynamiek is niet nieuw. Ze werkte vroeger in Frankrijk op een gelijkaardige manier. Voltaire klaagt die bijvoorbeeld aan in L’affaire Calas, een rechtszaak over een protestantse vader die onterecht van moord wordt beschuldigd op zijn bekeerde, katholieke zoon. Een heel juridisch apparaat trad in werking om de onschuldige man te veroordelen. Ook daarbij werd het volk opgeruid, want hun geloof, ‘la vraie religion’, werd aangevallen. Dankzij die strategie kon de elite haar positie verstevigen.

Daarom aanvaard ik het argument niet dat ik al zo vaak tegen spotprenten heb gehoord: dat mensen die mondiger, sociaal en cultureel rijk zijn die zouden maken om de zwakke gelovige te kwetsen. Ten eerste was dat vroeger dus ook al het geval: filosofen en denkers hebben altijd niet-leuke boodschappen geuit. Dat hoort nu eenmaal bij de pluraliteit. En daarbij kun je gewoon niet om godsdienstkritiek heen als je het lot van mensen wilt verbeteren. Dit is het idee van de verlichting: je klimt uit het tranen­dal van sectair geweld, armoede en uitbuiting door alle vormen van machtsmisbruik te leren doorzien. En daarna moet je politieke oplossingen voor onvrijheid en ongelijkheid aandragen, want de fanatieke religieuze ideeën helpen niemand vooruit.

Religieus fundamentalisme in het Westen wordt deels gefinancierd door buitenlandse organisaties. Je kunt hierover Nos très chers émirs van onderzoeksjournalisten Christian Chesnot en Georges Malbrunot lezen. Zij belichten de verregaande finan­ciële invloed van de Golfstaten op het Franse bestel. Invloedrijke fundamentalisten en haatpredikers moeten zonder reserve worden ontmaskerd als wat ze zijn: praatjesmakers die op de frustraties van mensen inspelen om zelf meer macht te verwerven. En die ontmaskering lukt alleen als je vrij kunt onderzoeken, en ook vrij godsdienst kunt bekritiseren.

Het argument dat godsdienstkritiek beter wordt ingeslikt, omdat ze de zwakkere treft, overtuigt me niet om een tweede reden: oordelen wie welke macht heeft, ligt complexer dan groepen indelen volgens hun sociaal-economische positie. Sinds de aanslagen en bedreigingen wordt ‘godslastering’ wellicht­ ook uit angst vermeden. Zoals gezegd begrijp ik die angst. Alleen moet wie daarom zwijgt zich niet voor de gek houden, en denken dat hij of zij nog alle machtsverhoudingen bepaalt. Want macht is niet in handen van wie te bang is om te spreken. Ze is in handen van wie de anderen voldoende kan intimideren dat ze zichzelf censureren. Charlie­ Hebdo houdt stand. Kudos.”

Deze column verscheen in De Standaard op 2 september 2020.

De aanslag is het vertrekpunt voor mijn boek ‘Macht en Onmacht. Een verkenning van de hedendaagse aanslag op de Verlichting.’

“Moet J.K. Rowling op haar woorden letten?”, DS column, 25 juni 2020

“Wie een foute tweet stuurt, kan in een nachtmerrie terechtkomen. Harry Potter-auteur J.K. Rowling tweette dat je wezens die menstrueren, gerust vrouwen mag noemen.  Daarop ontstond een storm van kritiek (omdat ze transgenders zou miskennen). Jonge acteurs uit de Harry Potter-verfilmingen keerden zich openlijk tegen Rowling. De schrijfster verdedigde zich met een lang essay over haar eigen ervaringen met seksueel misbruik en huiselijk geweld. Maar de campagne ging door. Andere auteurs en medewerkers van Rowlings uitgeverij vertrokken of namen ontslag; ze wilden dat het bedrijf afstand nam van Rowlings uitspraken. Voor hen is de vrijheid van meningsuiting ondergeschikt aan de strijd voor onderdrukte, ondervertegenwoordigde groepen (zoals transgenders).

Niet Rowlings uitspraken interesseren me hier, maar de dynamiek die erop volgde. Want die illustreert hoe identiteitspolitiek de vrijheid van mening en de vrije publieke ruimte in het gedrang brengt. Dat komt – onder meer – omdat identiteitspolitiek onvoldoende onderscheid maakt tussen het private en het publieke, tussen het zelf en de wereld.

Voor sommige (jongere) mensen vandaag lijkt het misschien vanzelfsprekend om politiek engagement in het verlengde te zien van een fluïde, kwetsbaar zelf: als iemand dat zelf miskent, ontbrandt de strijd. Maar voor politieke denkers valt het politieke hiertoe juist niet te herleiden.

Hannah Arendt bijvoorbeeld onderscheidt het private van het publieke domein. Het private is wat je kan verborgen houden, wat je aan de zichtbaarheid van het publieke (of het politieke) kan onttrekken. Het private is de plaats voor het intieme en het gevoelige, voor het welzijn van jezelf en je geliefden. Arendts schrikbeeld is de totalitaire samenleving, waarin het politieke ook het private domineert; en waarin de publiek beoefende pluraliteit verdwijnt. In een vrije samenleving loopt dit anders: ‘de realiteit van het publieke domein berust op ontelbare perspectieven en aspecten die tegelijkertijd aanwezig zijn, en waarin de gemeenschappelijke wereld verschijnt’, noteert Arendt in ‘The Human Condition’. Arendt vergelijkt die gemeenschappelijk wereld met een tafel: ze verbindt mensen, maar ‘verhindert dat we over elkaar vallen’. Op straten, pleinen of theaters, ontmoeten burgers elkaar. Ze kunnen vrij discussiëren en bepalen wat er in ‘de wereld’ (zoals Arendt het noemt) op het spel staat. Zo kunnen ze samen politiek handelen.

Het private moet publieke inkijk dus kunnen weren. Omgekeerd moet het private zich deels terugtreden in de publieke ruimte. Je moet publiek kunnen spreken met individuen waar je privé niets mee deelt. Wat verbindt, is burgerschap. Maar dit idee van burgerschap, van een groter politiek geheel, is vandaag op de achtergrond geraakt. Mensen praten soms precies vanuit hun subjectieve ervaring; ze zeggen ‘ik als vrouw’ of ‘ik als moeder’, enz. Alsof je persoonlijke situatie je publieke legitimiteit bepaalt.

Dat gold ook voor Rowling. Ze sprak niets eens over vrije mening, maar ging mee in de identiteitslogica: ze pareerde de kritiek op haar vermeende ongevoeligheid voor slachtoffers door haar eigen slachtofferschap te benadrukken. Niet alleen stopte dit de hetze niet. Maar in een vrije samenleving zou je je nooit gedwongen mogen voelen om intieme, private verhalen prijs te geven. Je vrijheid van mening mag niet afhangen van de puntjes die je hebt verzameld door je lange lijdensweg. Dat is on-politiek in Arendtiaanse zin. En het is eigenlijk vernederend. De krant ‘The Sun’ interviewde prompt Rowlings ex-man. Die gaf toe haar geslagen te hebben, maar had er geen spijt van, kopte de krant. Het publieke debat werd een private afrekening.

Feministen kunnen tegenwerpen dat hun persoonlijke ervaringen wel de basis voor politiek engagement vormden, en dat Arendts onderscheid te streng is. Feministen van de tweede golf lanceerden ‘the personal is political’; vrouwen bundelden de krachten om structurele ongelijkheid tussen mannen en vrouwen te bestrijden. Zo zetten ze wetgeving tegen verkrachting binnen het huwelijk op de agenda, bijvoorbeeld. Maar ook in dit geval oversteeg de politieke actie het intieme; het was méér dan een strijd om de erkenning van een fragiele, zelfgekozen identiteit. Politieke acties gaan over objectiveerbare feiten. Ze proberen het taalgebruik niet te reguleren. En politiek vraagt openheid voor elkaars visie, zonder de ander het zwijgen op te leggen.

Wat blijft er nu over? Vooral een waarschuwing dat je best op je woorden let. Stephen Fry zei in een debat over politieke correctheid dat hij nooit in zijn leven zo veel angst had gezien bij zovele mensen om vrijuit te spreken. Als het publieke onveilig is, trekken mensen zich terug in het private; dan ‘vermijden mensen onenigheid en proberen ze zo veel mogelijk alleen om te gaan met mensen waarmee ze niet in conflict kunnen treden’, schrijft Hannah Arendt in ‘Politiek in donkere tijden’.”

Deze column verscheen in De Standaard op 25 juni 2020.

‘En, behoort u tot de “goede groep”?’ column DS, 11 juni 2020

“In de strijd tegen racisme en onrecht komt ook ‘identity politics’ uit Amerika overwaaien: ‘zwarten’ staan tegenover ‘witten’, slachtoffers tegenover onderdrukkers.

De activisten hebben ongetwijfeld nobele bedoelingen: racisme en discriminatie bestrijden en iedereen gelijke kansen geven. Maar de geschiedenis leert dat nobele doelen niet volstaan om een politieke hemel op aarde te creëren. Meer nog, wie te sterk vanuit zijn grote morele gelijk argumenteert, krijgt nog meer tegenstand. Dat is precies wat vandaag de dag gebeurt.

Aanhangers van identity politics kijken naar de samenleving vanuit één vraag: wie is machtig en geprivilegieerd, en wie niet? Daaraan worden niet alleen politieke, maar ook morele oordelen gekoppeld: privilege is slecht, slachtofferschap is goed. Verder wordt elke analyse van een fenomeen – werkloosheid of schoolachterstand – tot deze tweedeling herleid. Complexe culturele, economische, historische of andere factoren tellen niet mee (tenzij om daderschap/slachtofferschap te bevestigen).

Huidskleur en gender zijn doorslaggevend: de ‘witten’ zijn onderdrukkers, de ‘niet-witten’ slachtoffers. ‘Witte’ heteromannen zijn het toppunt van slecht, bijvoorbeeld.  Die positie – privilege versus slachtofferschap – bepaalt iemands legitimiteit: mag die persoon spreken, of moet die zwijgen? Dit gaat ver: een slachtoffer kan bepaalde misdrijven niet meer plegen. ‘Zwarten kunnen nooit racist zijn’, klinkt het dan. Want daarvoor moet iemand ‘wit privilege’ hebben. Deze logica ontneemt mensen dus hun individuele verantwoordelijkheid.

Fundamenteel spiegelt ‘identity politics’ een racistische kijk op de wereld. Bij racisme wordt iemand op basis van huidskleur beoordeeld. Martin Luther King droomde dan ook dat “ooit op een dag mijn kinderen niet beoordeeld worden op de kleur van hun huid, maar op de ‘content of their character’”. Maar identity politics verbindt iemands politieke en morele legitimiteit even goed aan zijn huidskleur.

De blanken die dit discours ernstig nemen en meegaan in ‘identity politics’ hebben twee opties: ofwel meedoen met variaties op extreemrechts en hun ‘blankheid’ opeisen. Ofwel knielen en hun schaamte tonen over hun ‘witheid’. Zo worden ze minder slecht dan andere ‘witten’; zij beseffen tenminste hoe schuldig ze zijn.

Deze politieke polarisering op morele grond doet me denken aan een periode in de Franse Revolutie die Anatole France treffend beschreven heeft. De protagonist in zijn historische roman ‘Les dieux ont soif’ (‘De goden hebben dorst’, 1912), is de jonge, idealistische schilder Évariste Gamelin. Gamelin wordt meegesleurd in de meest radicale, Jacobijnse logica: de revolutie wil het goede, namelijk absolute gelijkheid realiseren. Wat klinkt beter? Maar de realiteit draait anders uit. Want wie niet tot het (goede) volk behoort, wordt een vijand van de revolutie. Gamelin gaat hierin mee. Hij wordt rechter. Tijdens de processen die hij voorzit, spelen feiten amper een rol, en de goede intenties van de beklaagden evenmin. Gamelin veroordeelt aan de lopende band en blijft onverschillig voor het leed dat hij aanricht. Het ideaal van de revolutie is het enige wat telt. Anatole France, een overtuigd republikein die zich had ingezet voor Dreyfus, schetst hoe gevaarlijk het ideaal van morele zuiverheid is, hoe gevaarlijk groepsdenken kan zijn: de meest welmenende burgers worden aangeklaagd en vervolgd. Uiteindelijk lijkt niemand voldoende zuiver, en dus veilig te zijn. Gamelin ook niet.

Ik ontwaar vandaag een gelijkaardige retoriek: wie goed is, bestrijdt de onderdrukking, wie niets doet of zwijgt is slecht. Tegen andersdenkenden worden intentieprocessen gevoerd. Wie tot de goede groep behoort, moet zijn steun op elk moment bewijzen, bijvoorbeeld door foto’s of reacties op sociale media te posten. Omgekeerd krijgt elk groepslid prestige door zo fel mogelijk actie te voeren. Bij de hedendaagse call-out cultuur primeert de verontwaardiging: hoe harder iemand ‘onderdrukkers’ detecteert en aanklaagt, hoe meer aanzien die persoon bij zijn gelijkgezinden kan krijgen. Of zo’n acties anderen beschadigen, telt amper mee. Individueel leed, van wie onterecht als racist wordt bestempeld, is ondergeschikt aan de goede zaak.

Groepsdenken op zich is niet slecht, morele doelen nastreven evenmin. Integendeel, beide zijn nodig om de samenleving te veranderen. Heel wat intelligente, idealistische jongeren en studenten (van alle kleuren) willen vooral meewerken aan een betere wereld en onrecht bestrijden. Dat is een heel goede zaak. De vraag is alleen hoe inclusief en open hun actiegroepen zijn, en welke middelen ze inzetten. Moraliteit verbindt en verblindt mensen, aldus sociaal psycholoog Jonathan Haidt in ‘The righteous mind, why good people are divided by politics and religion.’ Moraliteit verbindt mensen in ideologische teams die elkaar bestrijden alsof de wereld van elke overwinning afhangt. En moraliteit verblindt mensen voor het feit dat er in elk team goede mensen zitten, die iets belangrijks te zeggen hebben.”

Deze column verscheen in De Standaard op donderdag 11 juni 2020.

De logica van slachtofferschap, ressentiment en machteloosheid analyseerde ik voor het eerst in mijn boek “Macht en Onmacht. Een verkenning van de hedendaagse aanslag op de Verlichting”.

‘Als het loont om tegen de ander te zijn’, column DS, 28 mei 2020

“Onderzoeken, zoals ‘De Stemming’ liegen er niet om: Vlamingen wantrouwen hun politici, vooral die van traditionele partijen. De extreme partijen – PVDA en Vlaams Belang – winnen fors. Zo worden de politieke tegenstellingen steeds groter. Eén van de redenen, is dat het loont voor politici om voluit tégen de ander te zijn. Zo winnen ze verkiezingen en peilingen, maar ze kunnen niet meer samenwerken.

Natuurlijk maakt conflict deel uit van het politieke spel. Maar nefaste vormen van conflict verlammen de samenwerking en voeden het wantrouwen. Drie elementen werken zo’n nefaste politieke conflictvorming in de hand: factievorming door sociale media, de opmerkelijke Belgische politieke structuren en de permanente verkiezingskoorts.

Politici winnen aan populariteit door onderscheiden te benadrukken. Dat is goed. Maar als ze zich uitsluitend tot hun eigen kiezers richten (hun factie), en anderen als niet legitiem of moreel valabel neerzetten, is dat slecht. Sociale media spelen hier een rol, ze veranderen het debat. Op sociale media reageren sommige politici pijlsnel op berichten of gebeurtenissen en laten hun emoties daarbij de vrije loop.  Het genereert aandacht en veel ophef. Maar het normale politieke debat verloopt traag (politici gaan in het parlement, dus bij bepaalde gelegenheden in de clinch); er zijn gesprekscodes die de emotionele lading beperken en over de inhoud houden politici zich normaliter aan partij-afspraken. Ook fysieke ontmoetingen, tussen politici onderling of tussen politici en burgers, beperken de emotionele geladenheid. Dat is nodig om een grondig debat te kunnen voeren.

Tégen de ander zijn, wordt in België ook beloond door de politieke structuur. Op federaal vlak bestaat de uitvoerende macht voor 50 % (pariteit) uit politici van partijen waar een burger niet voor kan stemmen (uitgezonderd in Brussel). Politici moeten zich tegenover de helft van de bevolking nooit verantwoorden. Daarnaast volgen media en onderzoekers ook deze breuklijnen. Zo peilt het geciteerde onderzoek – ‘De Stemming’ – naar stemgerechtigde kiezers in het Vlaams gewest (niet eens in Brussel).

Onlangs verscheen ‘Het DNA van Vlaanderen, wat willen Vlamingen echt’ (door Ivan De Vadder en Jan Callebaut). De boeiende studie is een staalkaart van de dromen, angsten, en visies van Vlamingen doorheen de jaren. Maar opnieuw belicht dit werk alleen wat in Vlaanderen gebeurt. Dit is geen verwijt, maar een vaststelling: de andere zijde lijkt amper te bestaan.

Vlamingen moeten hun Franstalige gesprekspartners beter leren kennen, of ze hen nu als mede-of als tegenstanders zien voor een toekomstig Belgisch project. Het loont electoraal op korte termijn wel om in de eigen bubbel overtuigd te zijn van het eigen grote gelijk. Maar op langere termijn draagt het weinig bij. Daarbij is de historische dimensie belangrijk. Sinds het ontstaan van België kennen Vlaanderen en Franstalig België een andere evolutie: Vlaanderen was arm en achtergesteld; Vlamingen werden gediscrimineerd. Nu staat Vlaanderen op vlak van onderwijs en economie sterker, terwijl de Franstalige economische (en culturele) dominantie is afgebrokkeld. En er zijn de verschillen tussen Brussel en Wallonië. Deze complexiteit heeft een effect op het politieke bewustzijn, in alle landsdelen. Als je weet wat burgers verlangen, hopen of vrezen, hoe ze naar hun partijen en naar hun eigen gemeenschap kijken, kan je een ander gesprek voeren. Dan zie je de ander als een mens, die niet past in een partijpolitiek of moreel eenduidig hokje, zoals de Franstalige linkse ‘gutmensch’ of de rechtse Vlaamse racist.

Wat nefaste conflicten ook voedt, ten slotte, is het tijdsperspectief: elke partij – ook wie deelneemt aan de macht – blijft permanent campagne voeren, omdat verkiezingen de enige horizon zijn. Door de coronacrisis was een federale minderheidsregering even mogelijk. Nu moet er terug een beleid op langere termijn worden uitgetekend, en dreigt de impasse. Maar op deze manier verder gaan, heeft weinig zin. Sommige politici en commentatoren stellen dat het ‘nu niet het moment is’ om fundamentele gesprekken over de toekomst van België te voeren. Maar voor de coronacrisis uitbrak, was het evenmin een goed moment; het begrotingstekort liep al dramatisch op. En denkt iemand dat het beter wordt zodra de gevolgen van de klimaatopwarming duidelijker worden? Er komen geen makkelijke momenten meer. Het moet nu gebeuren.”

Deze column verscheen in De Standaard op 28 mei 2020.

“Fortuna is niet de vijand”, column DS, 7 mei 2020

“In een openhartig interview vraagt de Amerikaanse psychotherapeut Gary Greenberg zich af hoe hij deze pandemie aan zijn patiënten kan uitleggen (DS weekblad, 2 mei). Hij heeft hen altijd verteld dat ze zichzelf beter niet als slachtoffers van duistere krachten zien, die het op hen persoonlijk gemunt hebben. Die gedachte is belangrijk, om met moeilijkheden om te gaan. Maar dit virus lijkt wel zo’n persoonlijke kracht te zijn, meent hij. Wat nu?

Greenbergs interpretatie van deze crisis is begrijpelijk, maar zijn conclusie is fout, denk ik. Want dit coronavirus viseert niemand in het bijzonder. Greenberg zou Machiavelli aan zijn patiënten moeten voorleggen. De beeldspraak van de Florentijnse filosoof is verhelderend: voor wispelturige, onvoorspelbare spelingen van het lot verwijst hij naar Fortuna, de Romeinse Godin. Ze is een blinde kracht, die geluk of ongeluk kan brengen.

Dit betekent niet dat je eigen gedrag geen rol speelt. Integendeel, want de fortuin bepaalt deels wat je overkomt, maar je hebt zelf een belangrijke rol te spelen. Hoe gepaster je op wisselende tijden reageert, hoe minder greep de fortuin op je heeft. Machiavelli vergelijkt haar met een onstuimige rivier, die als hij woest wordt vlaktes onder water zet, bomen ontwortelt en huizen vernielt, overal grond met zich meesleurt om die elders weer achter te laten: iedereen slaat op de vlucht, iedereen moet buigen voor zijn geweld en weerstand is onmogelijk. Maar in rustigere tijden kunnen mensen maatregelen nemen, door bijvoorbeeld dijken te bouwen. Een mens beheerst niet alles, maar een vooruitziend en wijs mens kan wel heel wat doen. Nooit op je lauweren rusten is Machiavelli’s eerste aanbeveling.

Als je Fortuna altijd aan je zijde wil hebben, moet je mee veranderen met de tijd. Dat is ontzettend moeilijk. Het is menselijk dat je vanuit gewoontes en je eigen karakter naar de wereld kijkt. Als je het goed hebt, wil je gewoon hetzelfde doen, alles behouden zoals het is. Maar hoe sneller je inziet dat tijden omslaan, dat je je constant moet aanpassen, hoe makkelijker je het voor jezelf maakt.

Daarbij komt dat tegenspoed je zelfvertrouwen ondermijnt, terwijl voorspoed je overmoed stimuleert. In beide gevallen schat je de werking van de eigen krachten en die van het lot verkeerd in. Als het slecht gaat, vertrouw je te weinig op je eigen mogelijkheden; alles is je te veel, te zwaar. En bij langdurige vrede en welvaart, denk je dat je een vanzelfsprekend recht op geluk hebt. Juist dan slaat Fortuna toe, waarschuwt Machiavelli.

Loop dus niet met je hoofd in de wolken als het goed gaat, en zit niet te diep in de put als het slecht gaat, adviseert Machiavelli in de ‘Discorsi’. ‘Opgeven mag men nooit: want de fortuin bewandelt kromme, onbekende paden, en waar die heen leiden weet men niet; en daarom dient men altijd te blijven hopen en de moed nooit op te geven, hoe hoog de nood ook is.’ Continue Reading ›