“De beste leidersfiguren halen vaak de top niet”, column DS, 27 juni 2019

“Heel wat incompetente mannen worden leiders, schrijft professor bedrijfspsychologie Tomas Chamorro-Premuzic in een nieuw boek (25/05 DS). Deze stelling klinkt vrij aannemelijk voor wie regelmatig de televisie aandraait en naar het nieuws kijkt. We volgen te graag mensen die zelfvertrouwen en charisma uitstralen, aldus de professor. Maar vaak overschatten uitgerekend deze mensen hun competenties. We kiezen dus voor narcistische types, die schade berokkenen aan bedrijven en landen.

Vrouwen kunnen ook zo’n overmoedig type zijn, bedacht ik nadat ik het interview had gelezen. Een spectaculair voorbeeld is Elizabeth Holmes, de CEO van het failliete ‘Theranos’. Op 19-jarige leeftijd stopte deze briljante studente met haar studie geneeskunde aan Stanford University, nabij Silicon Valley. Ze richtte een bedrijf op waarmee ze een revolutionaire technologie wilde ontwikkelen: een draagbaar toestel zou uit één druppel bloed honderden ziektes kunnen detecteren. Zo zouden patiënten zelf hun bloedtests kunnen uitvoeren. De gezondheidszorg zou miljarden dollars besparen.

Voor haar sprookje kreeg ze de steun van haar professor, en een hele resem machtige, rijke mannen, waaronder venture kapitalist Tim Draper, oud-ministers Henry Kissinger en George Shultz, en mediamagnaat Ruport Murdoch. Zij investeerden miljoenen dollars in haar project. Holmes’ succesverhaal bracht haar in contact met de Clintons en met de Obama’s.

Haar bedrijf was op zijn hoogtepunt tien miljard dollar waard. Tot de journalist John Carreyrou van de Wall Street Journal enorme fraude begon te ontmaskeren: Theranos had een bloedtest op de markt gebracht die niet werkte, wat mensenlevens in gevaar bracht. Ondertussen belaagden en bedreigden de advocaten van Theranos werknemers die in afschuw het bedrijf hadden verlaten. Daarom kon Holmes jarenlang staalhard blijven liegen.

Opmerkelijk is dat die investeerders miljoenen dollars ophoestten, zonder voorafgaand wetenschappelijk of financieel onderzoek. Zij volgden hun buikgevoel. Holmes leek de perfecte wetenschapper en entrepreneur. Ze beantwoordde aan het plaatje van de goede leider: ze nam risico’s, werkte met passie en lef. Ze straalde van vertrouwen: ‘je moet zelf geloven dat je iets groots kan bereiken’, zegt ze in een interview. Dat bepaalt of je anderen kan overhalen.

Dit lijken leiderschapskwaliteiten, maar ze zijn het niet. Echte leiders houden rekening met anderen, baseren zich op degelijke kennis en staan open voor kritiek. Maar zij halen de top vaak niet. Daarbij speelt een ander verschijnsel: sommige bekwame mensen onderschatten zichzelf. Zij lijden aan het ‘impostor syndrome’, het fraude-syndroom: ze denken dat ze frauderen, dat ze hun positie aan toeval of geluk danken, en dat anderen hen overschatten. Ze worden geplaagd door twijfels, al werken ze integer en toegewijd. Vaak hebben ze weinig zelfvertrouwen, omdat hun werkethos op een zelfkritische houding is gebaseerd. Ze hebben ook zo veel kennis dat ze goed weten dat ze veel dingen niet weten.

Zeer bekwame mensen kunnen dus voeling hebben met hun eigen onkunde. Daarvan hebben incompetent én overmoedige mensen geen last. Zij voelen zich altijd de juiste persoon op de juiste plaats, al volstaat een korte kritische blik om hieraan te twijfelen.

Hoe kan je zo’n incompetente, narcistische types herkennen? Uit Carreyrou’s spannende boek ‘Bad blood. Secrets and lies in a Silicon Valley Startup’ vallen drie tips te distilleren. Continue Reading ›

“Hoe links verkiezingen kan winnen”, column DS, 13 juni 2019

“Wie naar de verkiezingsuitslag kijkt, moet besluiten dat linkse partijen een toekomst hebben: partijen die sociale zekerheid, zorg en welzijn voorop plaatsten, wonnen sterk (PVDA en Vlaams Belang). Toch hebben de socialistische partijen in Europa het, door de bank genomen, moeilijk. Hoe komt dat?

In het verleden zijn linkse partijen te veel meegegaan in het individualistische verhaal, terwijl ze de democratie, het soevereine volk, te veel hebben opgegeven. Opkomen voor ieders individuele rechten lijkt een getrouwe interpretatie van de mensenrechten, maar er moet een kanttekening bij. Dit is heel bondig de analyse die Marcel Gauchet ontwikkelt in zijn recent boek over Robespierre. Deze Franse revolutionair redde volgens sommigen de Revolutie na 1789, anderen beschouwen hem als het symbool voor een niemand ontziende Terreur.

Sinds de Franse Revolutie zijn mensenrechten niet meer weg te denken uit het politieke discours. De ‘Déclaration du droit de l’homme et du citoyen’, de ‘Verklaring voor de Rechten van de Mens en de Burger’, zijn het fundament om recht en politieke legitimiteit te begrijpen. De Verklaring onderscheidt de rechten van de mens, en die van de burger. Beide rechten moeten elkaar in evenwicht houden, en dat is een lastige oefening.

Wie alleen de rechten van individuen aanvaardt, ondermijnt de democratische werking; wie alleen de deugden van het burgerschap oplegt, geeft aan niemand individuele vrijheid. Robespierre verdedigde tijdens zijn leven eerst de rechten van het individu; de persvrijheid, de afschaffing van de doodstraf en van de slavernij. Toen streed hij tegen de despotische monarchie. Maar na 1791 verdedigde hij principieel de macht van het volk, de Revolutie, de Staat, tegen de individuele vrijheid. Dit eindigde in de Terreur, en werd zijn ondergang.

In haar terechte afkeer voor totalitarisme, heeft links er dan ook voor gekozen om individuele rechten te verdedigen, eerder dan de idealen van het burgerschap. Op economisch vlak betekende dit de omslag naar een neoliberaal model: individuele initiatieven hebben onbeperkte mogelijkheden in een vrije markt. Maar in zo’n model heerst al snel het recht van de sterkste, en is sociale rechtvaardigheid zoek. In naam van wie of wat kan je tenslotte nog beperkingen opleggen? Om grenzen te stellen heb je een politiek gemeenschapsverhaal nodig. Alleen hebben begrippen als natie, gemeenschap of volk geen politieke betekenis meer. ‘Volk’ slaat hoogstens op wie sociaal wordt benadeeld. En die benadeelden zijn slechts individuen, geen leden van éénzelfde politieke gemeenschap. Individuen willen hun verlangens realiseren, los van een gemeenschap, en eventueel ten koste van die gemeenschap.

Daarom vermeldt de Verklaring ook ‘de rechten van de burger’. Door burgerschap besef je dat je deel uitmaakt van een groep en verkrijg je politieke macht. Wat het politieke zo moeilijk maakt, is dat er altijd een spanning bestaat tussen de individuele rechten en de rol als burger. De politieke gemeenschap geeft democratische rechten, maar kan ook iets eisen: dat je als burger afwijst, wat je als individu verlangt. Dat is wat deugd, ‘vertu civique’, in de klassieke, republikeinse zin wil zeggen. Continue Reading ›

“De fout van Mitterrand”, column DS, 23 mei 2019

“Volgende zondag zijn er Vlaamse, federale en Europese verkiezingen. Aan debatten en reportages geen gebrek. Maar er staan twee olifanten in het kieshokje; ik vraag me af of de kiezer er nog bij kan. De ene olifant weet dat traditionele partijen kiezers kunnen verliezen, maar toch hun positie kunnen versterken. De andere beseft dat stemmen in België altijd een communautair kantje heeft, of je dat wil of niet.

De peilingen voorspellen een ‘zwarte zondag’: het Vlaams Belang zou sterk stijgen. De klassieke partijen – Cd&V, Open VLD en Sp-a –, zouden opnieuw terrein verliezen, terwijl vooral de progressieve partij Groen kiezers wint. Toch is er een paradox: deze klassieke partijen kunnen stemmen verliezen, maar toch versterkt naar de onderhandelingen voor coalities gaan. Dat is een perverse dynamiek. Steeds meer ontevreden kiezers vallen buiten het politieke debat, zeker als je de groeiende groep thuisblijvers en blanco stemmers meerekent. Niets aan de hand, lijkt het. Maar het is de vraag of deze dynamiek op langere termijn geen fiasco creëert. Dat is in Frankrijk bijvoorbeeld al gebeurd.

Vanaf de jaren ’80 benut de socialistische president Mitterrand het tactische voordeel dat een sterkere extreem-rechtse partij oplevert. Hij pleit er voor om Jean-Marie Le Pen vaker op de televisie te laten verschijnen, en hij hervormt het kiessysteem. Dan wint het ‘Front National’, zonder dat het echt kan wegen. Le Pen steelt wel wat stemmen van de centrum-rechtse partijen. Dit is dus strategische winst voor links. Maar dan begint het FN aan een gestage opgang. De machtspartijen houden amper rekening met de grieven van dat electoraat, of met de toenemende groep afwezige kiezers. Dat loopt goed, tot het helemaal fout loopt. Na 2012 dringt het besef door dat het FN – later ‘Rassemblement National’ van Marine Le Pen – de grootste partij dreigt te worden. De enige vraag is nog welke andere partij goed kan scoren, want die wint de presidentsverkiezingen.

Sindsdien domineert het Front National het beleid. Wanneer journalisten in 2015 aan de socialistische president Hollande vragen waarom zijn migratiepolitiek zo weinig genereus is, antwoordt hij niet met principes of ideeën. Neen, in het boek ‘Un président ne devrait pas dire ça’, onthult hij zijn bekommernis: de verdenking vermijden dat hij het Front National nog groter wil maken. Het voormalige strategische spel is geen machtsinstrument meer, maar een obstakel geworden. Ondertussen krimpt het politieke midden: in 2017 slorpt Macrons ‘La République en marche’ de andere centrumpartijen op. Mitterrands gok – succesvolle extremen versterken het midden – is op termijn nefast gebleken. Als de peilingen voor zondag uitkomen, dan mag dit een waarschuwing zijn voor de onderhandelaars van maandag.

Een tweede thema is slechts indirect aanwezig in het debat: de bizarre Belgische constructie. Met de veto’s en wederzijdse dreigementen lijkt de federale regering straks niet gedragen te worden door een meerderheid van de Vlaamse volksvertegenwoordigers. Vorige keer had de regering geen meerderheid aan Franstalige kant. Beide zijn wettelijk toegelaten, maar voelen ondemocratisch.

Kunnen Vlamingen deze keer protesteren? Uiteraard wel. Zeker wanneer de staatsstructuur opnieuw op de agenda staat. Continue Reading ›

‘Het is perfect redelijk om woedend te zijn’, column DS 9 mei 2019

“‘Julie was op de verkeerde plaats op het verkeerde moment.’ Inderdaad, ze was in België in 2019, waar daders van verkrachting en seksueel geweld doorgaans straffeloos weggeraken. De cijfers spreken boekdelen. In slechts 10% van de verkrachtingen doet het slachtoffer aangifte en daarvan leidt slechts 13,5% tot een veroordeling (let wel: dit betekent niet noodzakelijk een verblijf in de gevangenis). Het is perfect redelijk om hierover woedend te zijn. Het is perfect legitiem om dit onaanvaardbaar te vinden. Het is perfect normaal om magistraten hierop aan te spreken en politici hierop af te rekenen. Want zij dragen een zware verantwoordelijkheid. In een rechtstaat heeft de overheid het monopolie op het geweld. Dit is noodzakelijk om het geweld tussen burgers te vermijden en om een veilige samenleving te creëren. Maar dan moeten de overheidsdiensten wel hun werk doen.

Helaas illustreert deze moordzaak hoe zij hun verantwoordelijkheid afschuiven. De minister wijst naar de onafhankelijke rechterlijke macht; de magistraten verwijzen naar de minister en zijn besparingen, waardoor de zaak aansleepte. Als burger zou ik liever hebben dat beide partijen efficiënter handelen voor de slachtoffers, die in 9 op de 10 gevallen vrouwen zijn. De decennialange achteloosheid rond seksueel geweld grenst aan de medeplichtigheid.

De minister heeft niets aan rechters te zeggen, maar hij heeft wel een beleid uit te stippelen. Hij moest besparen, wat blijkbaar een vlotte rechtsgang en een correcte strafuitvoering verhindert. Wat het wetgevend kader betreft, valt minister Geens enigszins te verdedigen. Hij plande een strafrechthervorming waarin de straf voor verkrachting fors werd verzwaard (van max.5 jaar tot max. 10 jaar). Hij schrapte ook de gunstmaatregel, zodat rechters bij bewezen verkrachting voortaan wel degelijk een straf moeten uitspreken. Ja, ongelooflijk maar waar: zelfs bij bewezen verkrachting gingen beschuldigden soms vrijuit. Een radiopresentator in Gent, bijvoorbeeld. Die verklaarde dat hij erg opgewonden was, waardoor hij een vrouw in zijn studio verkrachtte. De rechter had alle begrip, en dacht dat de man zijn lesje wel geleerd had (welk lesje is onduidelijk). Niet dus, de man sloeg nadien opnieuw toe. Goed, dat zou veranderen. Helaas wordt Geens’ strafhervorming niet doorgevoerd, omdat de regering in lopende zaken is.

Dat brengt me bij de houding van rechters. Magistraten beroepen zich graag op hun onafhankelijkheid, en reageren als door een wesp gestoken wanneer ze kritiek krijgen. Elke burger moet aanvaarden wat magistraten beslissen, klinkt het. Anders komt de rechtstaat in gevaar. Werkelijk? Rechters moeten inderdaad onafhankelijk en onpartijdig zijn. Onafhankelijk wil zeggen dat de rechter zonder politieke of andere druk een oordeel velt. Hij moet vrij van inmenging kunnen beslissen, en mag bijvoorbeeld door niemand geïntimideerd worden. Onpartijdig wil zeggen dat hij geen enkele juridische of andere band mag hebben met de betrokkenen van een rechtszaak. Beide principes zijn inderdaad cruciaal voor een rechtstaat. Maar een onafhankelijke magistratuur betekent helemaal niet dat burgers geen vragen of zelfs eisen mogen stellen aan hun rechters. Vrouwen mogen best eisen dat magistraten beseffen hoe zwaar de gevolgen van zo’n seksuele misdrijven zijn. Lees maar eens wat zo’n aanranding met iemand doet. Op de websites van vrouwenorganisaties, zoals de Vrouwenraad, staan heel wat pakkende verhalen. Rechters moeten de opvolging van zo’n zaken dus ernstig nemen. Verder mogen burgers verwachten dat hun magistraten regelmatig bijkomende opleidingen volgen, bijvoorbeeld om daderprofielen beter in te schatten. Dat is geen inmenging in hun onafhankelijkheid, maar professionalisering.

Met justitie vallen geen verkiezingen te winnen, zeggen commentatoren gewoonlijk. Vandaar dat het departement zo stiefmoederlijk wordt behandeld. Op de koop toe staan slachtoffers vaak alleen en lijden ze in stilte, verpletterd door pijn, verdriet en schaamte. Geen materiaal voor een wervend politiek verhaal, lijkt het. Het wordt hoog tijd dat dit verandert. Dat alle kiezers zich solidair verklaren met de slachtoffers en hun families. Dat ze de hervorming van justitie als thema op tafel houden. Want niemand, geen vrouw, kind of man mag het slachtoffer zijn van iemands brutaliteit.”

Deze column verscheen op donderdag 9 mei 2019 in De Standaard. 

“Het gevaar van zelfcensuur”, column DS 24 april 2019

Hoe zwaar moet een linkse intellectueel eraan tillen dat zijn analyses soms door rechtse partijen worden gesmaakt? De socioloog Mark Elchardus krijgt daarover geregeld verwijten, zei hij in Knack. Patrick Loobuyck kaartte het probleem ook aan in Sampol. Vooral over hete hangijzers zoals migratie en diversiteit stroken de analyses van linkse denkers niet altijd met wat linkse activisten of sympathisanten aanvaardbaar vinden. Zeker in verkiezingstijden (wanneer zijn die er niet?) lijkt strategie belangrijker dan inhoud. In extremis kan de denker zelf gewoon als rechts worden weggezet. Daarmee vervalt diens legitimiteit om heikele onderwerpen te bespreken. Einde discussie.

Hoe moet een denker daarop reageren? Wel, je kunt niet iedereen behagen, en wie vrij wil denken, mag zich niets aantrekken van de hokjes waarin hij dreigt te verzanden. Sociale druk is vervelend, maar je kunt de dynamiek makkelijk doorzien.

Zoals de (linkse) historicus Tony Judt noteerde: ‘Je kan mensen niet verhinderen om gelijk te hebben voor de verkeerde redenen. De angst om in slecht gezelschap te belanden, is geen uitdrukking van politieke zuiverheid, maar van een gebrek aan zelfvertrouwen.’ Judt citeerde de Brits-Hongaarse schrijver Arthur Koestler, die ervaring had met pogingen om mensen voor hun denken te vervolgen. Koestler schreef ‘Darkness at noon’, over een communistische activist, die onder Stalins dictatuur voor volksverraad wordt vervolgd, hoewel hij trouw aan de revolutie had meegewerkt. Maar in een totalitair regime kan iedereen willekeurig als verrader worden bestempeld. Niemand is zuiver genoeg. Al in 1940 waarschuwde Koestler voor het linkse totalitarisme, lang voordat linkse intellectuelen in het Westen dit gevaar wilden onderkennen. Daarom meende Judt dat Koestler waardevolle lessen over intellectuele integriteit kan geven. Ook George Orwell prikte de ontsporing van Stalins communisme vanaf het begin door. En ook hij ontleedde het gevaar van zelfcensuur, die optreedt wanneer je bang bent om tot de verkeerde groep te worden gerekend.

Zelfcensuur, aldus Orwell, heeft twee nefaste gevolgen. Ze heeft een kwantitatief effect: zodra voldoende mensen zichzelf censureren, beland je de facto in een samenleving waar politieke censuur regeert. Daar heb je zelfs geen bestraffende overheid meer voor nodig. Mensen staan vanzelf op de rem, omdat ze sociale uitsluiting (of erger) vrezen. Zelfcensuur heeft evengoed een kwalitatief effect: wanneer je je ideeën voor anderen moet verzwijgen, begin je uiteindelijk tegen jezelf te liegen. Dat is wat zijn romanfiguren overkomt: ze zijn het contact met het eigen denken kwijt. Daarom is vrijheid van spreken zo belangrijk: ze bevat de vrijheid om te denken.

Die dynamiek van sociale druk, conformisme en het gebrek aan authenticiteit werkt vooral bij de intellectuele bovenlaag, aldus Orwell. Want zij verliest zich in een strijd om filosofische rechtlijnigheid. De arbeiders, de ‘proles’ (van het proletariaat), leven in een andere wereld. George Orwell beschreef die in The road to Wigan Pier. Voor de mijnwerkers in Noord-Engeland betekent socialisme gewoon betere lonen, meer zorg voor hun familie en meer vrijheid tegenover hun baas. Zij willen geen foutdenkenden opjagen. Zij leven volgens hun morele code, die Orwell common decency noemde. Dat is een soort elementair fatsoen, waardoor je sommige kwalijke handelingen nooit stelt, zonder dat je daarvoor een verheven theorie nodig hebt. Je volgt je eigen geweten, je eigen emoties, je eigen regels, los van wat anderen denken of willen. Daarop zou links haar hoop moeten richten.

Met het socialisme zelf was volgens Orwell niets mis. Hij was zo scherp voor de linkse intelligentsia, die mensen in hokjes stak en ideologische zuiverheid nastreefde, omdat hij linkse bewegingen wilde vooruithelpen. Opnieuw sluit dit aan bij wat Mark Elchardus in zijn interview suggereert: dat linkse politici en organisaties vaak te neerbuigend doen over de ideeën, waarden en opvattingen van gewone mensen. Hij had naar eigen zeggen gehoopt dat links zou stoppen met gewone mensen weg te zetten als ‘achterlijk’, maar dat is niet gebeurd. Dat kan hard klinken. Maar soms draag je bij door ongegeneerd te zeggen wat je denkt. Zelfs al horen sommigen het niet graag, en zouden ze het al te graag als verdacht wegzetten.”

Deze column verscheen in De Standaard op donderdag 24 april 2019.

“Waarom filosofen slechte politici zijn”, DS 28 maart 2019

“‘Denk jij dat een filosoof in de politiek iets kan bereiken?’ vroeg een journalist me, nadat Alicja Gescinska aankondigde dat ze in de politiek stapte. Wel, antwoordde ik, het bewijsmateriaal suggereert dat dit zelden lukt. Er zijn twee mogelijke problemen: een aantal filosofen verwart deze wereld met hun ideële voorstellingen, anderen slagen er niet in om het politieke spel naar hun hand te zetten.

Blijkbaar is er iets aan het filosofische denken waardoor veel filosofen erbarmelijke politieke keuzes maken. Deze kwestie is letterlijk zo oud als Plato; deze Griek schetste de ideale staat als weerspiegeling van eeuwige, perfecte ideeën, waarin filosofen als verlichte despoten zouden regeren. Hij verkoos de tirannie boven de Atheense democratie. Ook in recente tijden konden heel wat filosofen de lokroep van extreemlinkse (communistische) of extreemrechtse (nazistische, fascistische) dictaturen niet weerstaan, denk maar aan de maoïst Alain Badiou of Martin Heidegger, die een partijkaart van de NSDAP nam. Hannah Arendt verafschuwde deze totalitaire keuzes zo erg, dat ze geen filosoof genoemd wilde worden. In ‘The Life of the Mind’ tracht ze de typisch filosofische hang naar het tirannieke te verklaren door de voorkeur voor het contemplatieve leven. De Griekse filosoof Thales tuurde al wandelend zo intens naar de sterren, dat hij in een put viel. Zijn Thracische dienstmeid lachte hem hartelijk uit. Dat is Arendts les: politiek draait om handelen in pluraliteit, samen met anderen. Laat dit niet over aan denkers, al menen zij dat ze de verheven morele waarheid in pacht hebben.

Tegelijkertijd zijn er heel wat democratisch gezinde filosofen, die niet in de politieke wereld konden gedijen. Alexis de Tocqueville, bijvoorbeeld, schreef een meesterwerk over de democratie, maar ergerde zich blauw aan het politieke spel, en verliet na enkele jaren het Franse parlement. Idem voor John Stuart Mill, een uitzonderlijk politiek denker, die vrij spoedig gedesillusioneerd uit de politiek stapte.

Recent deed Michael Ignatieff een poging dit fenomeen te begrijpen, in zijn weergaloze, autobiografische ‘Fire and Ashes’. Deze man begrijpt de ervaring van het denken én van het politieke handelen; hij was professor politieke filosofie aan Harvard University, toen hij in 2004 aan een campagne begon om eerste minister van Canada te worden. ‘Noblesse oblige’, dacht de aristocraat Ignatieff. Maar in zijn boek ligt hij op pagina 20 al in de touwen. Hij had nochtans de ideeën, de gelegenheid, de middelen en het team om te slagen. Ignatieff leerde dat politiek fundamenteel verschilt van denken.

Continue Reading ›

“De eigenliefde van helikopterouders”, DS, 14 maart 0219

“Heel wat ouders cirkelen ongezond veel boven hun kinderen. Ze controleren ze, sturen ze voortdurend bij en steken veel tijd in hun prestaties. Dat doen ze veel meer dan vroegere generaties. Ze zijn ‘helikopterouders’ geworden. Dat heeft met economische redenen te maken, aldus macro-econoom Mathias Doepke (DS, 9 maart). Ongetwijfeld speelt het economische – angst voor ongelijkheid – een grote rol. Maar die enorme focus op de eigen kinderen past ook in een andere evolutie: dat burgers niet meer geloven in iets dat hen overstijgt – niet in God, een revolutionair ideaal of de eigen natie. Opoffering voor een collectief ideaal is voor de westerse mens ondenkbaar geworden, terwijl dat voor vorige generaties vanzelfsprekend was.

Toch is er nog iets waar mensen meer dan ooit in geloven, aldus de Franse filosoof Luc Ferry: de liefde, het intieme, de affectieve relaties met familie. Daarom lijken offers voor kinderen gebracht nooit een moeite te veel. Deze liefdescultus noemt Ferry in zijn boek ‘La révolution de l’amour’ het tweede humanisme. Het eerste humanisme, van de Renaissance en de Verlichting, stelde de mens centraal; maar die mens was nog deel van een geschiedenis, van een collectief verhaal. Een geslaagd leven was een leven dat de gemeenschap, de mensheid ten goede kwam. Zo’n transcendent perspectief is verdwenen, en daarmee ook de loyaliteit aan andere groepen of doelen. Het nieuwe humanisme combineert haar liefde met individuele vrijheid. Om zijn kinderen de beste opleiding te geven, bijvoorbeeld, stuurt de progressieve denker hen desnoods naar een selecte elite-school, hoewel dat botst met zijn overtuigingen; de nationalistische politicus, de top-brexiteer, zorgt voor zijn familie door in het buitenland zijn geld te beleggen. Intieme, familiale banden zijn het enige heilige, waarvoor mensen nog hun leven veil hebben. Ferry veroordeelt dit niet. Integendeel, het stemt hem optimistisch. Hij hoopt dat de liefde voor de kinderen ook affectie voor kleinkinderen en nakomelingen wordt en dat die liefde haar weg vindt naar een dieper ecologisch bewustzijn. Zo ontstaat er dan toch een nieuwe transcendentie, een perspectief voorbij het eigen bestaan. Ferry’s hoop resoneert met de scherpe observatie van Greta Thunberg: de jonge klimaatactiviste stelt dat hedendaagse ouders doen alsof ze ontzettend van hun kinderen houden. Ondertussen bekommeren ze zich te weinig om hun toekomst wanneer ze de effecten van klimaatopwerking negeren.

Deze paradox valt te rijmen: de liefde staat wel centraal, maar er is (nog) geen collectief perspectief. Kinderen zijn vandaag de dag al te zeer de graadmeter voor het leven van de ouders. Kinderen worden als fragiele wezens behandeld, die tegen elk onheil moeten worden beschermd. Alsof ouders elke pijn zouden kunnen vermijden. Continue Reading ›