“Waarom filosofen slechte politici zijn”, DS 28 maart 2019

“‘Denk jij dat een filosoof in de politiek iets kan bereiken?’ vroeg een journalist me, nadat Alicja Gescinska aankondigde dat ze in de politiek stapte. Wel, antwoordde ik, het bewijsmateriaal suggereert dat dit zelden lukt. Er zijn twee mogelijke problemen: een aantal filosofen verwart deze wereld met hun ideële voorstellingen, anderen slagen er niet in om het politieke spel naar hun hand te zetten.

Blijkbaar is er iets aan het filosofische denken waardoor veel filosofen erbarmelijke politieke keuzes maken. Deze kwestie is letterlijk zo oud als Plato; deze Griek schetste de ideale staat als weerspiegeling van eeuwige, perfecte ideeën, waarin filosofen als verlichte despoten zouden regeren. Hij verkoos de tirannie boven de Atheense democratie. Ook in recente tijden konden heel wat filosofen de lokroep van extreemlinkse (communistische) of extreemrechtse (nazistische, fascistische) dictaturen niet weerstaan, denk maar aan de maoïst Alain Badiou of Martin Heidegger, die een partijkaart van de NSDAP nam. Hannah Arendt verafschuwde deze totalitaire keuzes zo erg, dat ze geen filosoof genoemd wilde worden. In ‘The Life of the Mind’ tracht ze de typisch filosofische hang naar het tirannieke te verklaren door de voorkeur voor het contemplatieve leven. De Griekse filosoof Thales tuurde al wandelend zo intens naar de sterren, dat hij in een put viel. Zijn Thracische dienstmeid lachte hem hartelijk uit. Dat is Arendts les: politiek draait om handelen in pluraliteit, samen met anderen. Laat dit niet over aan denkers, al menen zij dat ze de verheven morele waarheid in pacht hebben.

Tegelijkertijd zijn er heel wat democratisch gezinde filosofen, die niet in de politieke wereld konden gedijen. Alexis de Tocqueville, bijvoorbeeld, schreef een meesterwerk over de democratie, maar ergerde zich blauw aan het politieke spel, en verliet na enkele jaren het Franse parlement. Idem voor John Stuart Mill, een uitzonderlijk politiek denker, die vrij spoedig gedesillusioneerd uit de politiek stapte.

Recent deed Michael Ignatieff een poging dit fenomeen te begrijpen, in zijn weergaloze, autobiografische ‘Fire and Ashes’. Deze man begrijpt de ervaring van het denken én van het politieke handelen; hij was professor politieke filosofie aan Harvard University, toen hij in 2004 aan een campagne begon om eerste minister van Canada te worden. ‘Noblesse oblige’, dacht de aristocraat Ignatieff. Maar in zijn boek ligt hij op pagina 20 al in de touwen. Hij had nochtans de ideeën, de gelegenheid, de middelen en het team om te slagen. Ignatieff leerde dat politiek fundamenteel verschilt van denken.

Continue Reading ›

“De eigenliefde van helikopterouders”, DS, 14 maart 0219

“Heel wat ouders cirkelen ongezond veel boven hun kinderen. Ze controleren ze, sturen ze voortdurend bij en steken veel tijd in hun prestaties. Dat doen ze veel meer dan vroegere generaties. Ze zijn ‘helikopterouders’ geworden. Dat heeft met economische redenen te maken, aldus macro-econoom Mathias Doepke (DS, 9 maart). Ongetwijfeld speelt het economische – angst voor ongelijkheid – een grote rol. Maar die enorme focus op de eigen kinderen past ook in een andere evolutie: dat burgers niet meer geloven in iets dat hen overstijgt – niet in God, een revolutionair ideaal of de eigen natie. Opoffering voor een collectief ideaal is voor de westerse mens ondenkbaar geworden, terwijl dat voor vorige generaties vanzelfsprekend was.

Toch is er nog iets waar mensen meer dan ooit in geloven, aldus de Franse filosoof Luc Ferry: de liefde, het intieme, de affectieve relaties met familie. Daarom lijken offers voor kinderen gebracht nooit een moeite te veel. Deze liefdescultus noemt Ferry in zijn boek ‘La révolution de l’amour’ het tweede humanisme. Het eerste humanisme, van de Renaissance en de Verlichting, stelde de mens centraal; maar die mens was nog deel van een geschiedenis, van een collectief verhaal. Een geslaagd leven was een leven dat de gemeenschap, de mensheid ten goede kwam. Zo’n transcendent perspectief is verdwenen, en daarmee ook de loyaliteit aan andere groepen of doelen. Het nieuwe humanisme combineert haar liefde met individuele vrijheid. Om zijn kinderen de beste opleiding te geven, bijvoorbeeld, stuurt de progressieve denker hen desnoods naar een selecte elite-school, hoewel dat botst met zijn overtuigingen; de nationalistische politicus, de top-brexiteer, zorgt voor zijn familie door in het buitenland zijn geld te beleggen. Intieme, familiale banden zijn het enige heilige, waarvoor mensen nog hun leven veil hebben. Ferry veroordeelt dit niet. Integendeel, het stemt hem optimistisch. Hij hoopt dat de liefde voor de kinderen ook affectie voor kleinkinderen en nakomelingen wordt en dat die liefde haar weg vindt naar een dieper ecologisch bewustzijn. Zo ontstaat er dan toch een nieuwe transcendentie, een perspectief voorbij het eigen bestaan. Ferry’s hoop resoneert met de scherpe observatie van Greta Thunberg: de jonge klimaatactiviste stelt dat hedendaagse ouders doen alsof ze ontzettend van hun kinderen houden. Ondertussen bekommeren ze zich te weinig om hun toekomst wanneer ze de effecten van klimaatopwerking negeren.

Deze paradox valt te rijmen: de liefde staat wel centraal, maar er is (nog) geen collectief perspectief. Kinderen zijn vandaag de dag al te zeer de graadmeter voor het leven van de ouders. Kinderen worden als fragiele wezens behandeld, die tegen elk onheil moeten worden beschermd. Alsof ouders elke pijn zouden kunnen vermijden. Continue Reading ›

“Over hypocrisie in de kerk”, column DS, 28 februari 2019

“Volgens ‘Sodoma’, het ophefmakende boek van de Franse socioloog Frédéric Martel, is verborgen homoseksualiteit een belangrijke sleutel om de kerk te begrijpen. Uit de ontmaskeringen valt ook op te maken hoe schadelijk hypocrisie kan zijn: het ondermijnt de moraal, creëert angst en dwang, versterkt autoritaire leiders en vertrapt de zwakkeren.

Niet elke schijnvertoning is evenwel een vorm van hypocrisie. Elke mens doet zich dagelijks anders voor dan hij is. Bijvoorbeeld door alleen foto’s van gelukzalige momenten op sociale media te plaatsen. Of door een deel van het intieme leven te verdoezelen. Volstrekte transparantie is evenmin mogelijk als wenselijk. Het woord ‘hypocrisie’ refereert in het Grieks aan een theaterspeler. Maar het betekent ook ‘een valse indruk opwekken van deugdzaamheid of religiositeit’. Dan wordt hypocrisie een kwalijke ondeugd.

Hypocrisie verschijnt makkelijker naarmate de morele idealen strenger zijn: hoe moeilijker de voorschriften te volgen zijn, hoe groter de kans op schijnheiligheid wordt. En hoe strikter de verboden, hoe groter de obsessie.

Felle moraalridders hebben dus vaak wat te verbergen. Dat merkte, volgens Martel, de huidige paus Franciscus zelf op: de geestelijken die zich als het meest rigide voordoen, leiden vaak een dubbelleven. Franciscus strijdt binnen het Vaticaan dan ook tegen een traditie van hypocrisie, die begon met Paulus VI, verergerde onder Johannes Paulus II en tot de ambtsaftreding van Benedictus XVI leidde. De situatie klinkt vrij tegenstrijdig: Paus Franciscus is progressief, vermoedelijk heteroseksueel, maar in zijn geloof niet antihomoseksueel, in tegenstelling tot een zeer conservatieve groep hogere geestelijken, die openlijk homofoob zijn, maar in het geheim homoseksueel. In deze machtsstrijd speelt schijnheiligheid een cruciale rol.

Hypocrisie creëert bijvoorbeeld angst. Wat telt, is hoe iemand overkomt. Niet of iemand echt moreel handelt. Wie dan het slachtoffer wordt van roddels heeft weinig verweer. Hypocrisie zet ook aan tot dwang: de schijnheilige eist een hoger sociaal aanzien dan hij op basis van zijn ware gedrag zou verdienen. De hypocriet ontneemt de ander een kritische kijk op zijn morele status. Zo dwingt een schaamteloze misdadiger hetzelfde respect af als een heilige. Dat gold bijvoorbeeld voor de Mexicaanse priester Martial Maciel. Deze stichter van de ‘Legionairs van Christus’ bouwde in Latijns Amerika een invloedrijke organisatie uit, gesteund door paus Johannes Paulus II. Hij installeerde een absolute zwijgplicht onder zijn volgelingen. Gedurende tientallen jaren misbruikte hij tientallen jonge mannen en verduisterde hij miljoenen dollars waarmee hij zijn luxeleven financierde. Volgens de socioloog Martel is het onduidelijk in welke mate Paus Johannes Paulus II van deze affaires op de hoogte was. In elk geval werd pas na zijn dood een kritisch onderzoek naar Maciels misdaden ingesteld.

Hypocrisie helpt dus de machtigen en verdrukt de zwakkeren. Want wie zo’n streng vermanende vinger op zich gericht voelt, ervaart makkelijk schaamte, schuld of zelfhaat. Deze gevoelens geven iemand niet meteen veel zelfvertrouwen of daadkracht. Hypocrisie wordt dus makkelijk manipulatief, en zelfs in politieke zin. Martel schetst onder meer de verbanden tussen het Vaticaan onder paus Johannes Paulus II (en diens ‘eerste minister’ Angelo Sodano), en Pinochets dictatuur in Chili. Paus Johannes Paulus II streed intens om het communisme in Oost-Europa ten val te brengen. Elders voerde hij ook een anti-links beleid, zoals in Latijns-Amerika. De manipulatieve hypocrisie werd hier ingezet: Martel beschrijft hoe Angelo Sodano geruchten over homoseksualiteit van progressieve priesters gebruikte om hen in diskrediet te brengen.

Na lectuur blijft de lezer over met een wrang gevoel. Het lijkt alsof de Kerk ten prooi is gevallen aan de schijnheilige pilaarbijters waar Molière in de zeventiende eeuw de draak mee stak. La Rochefoucauld, een tijdgenoot van Molière, stelde dat hypocrisie een eerbetoon was van de ondeugd aan de deugd: zelfs de leugenaar erkent de kracht van de waarheid. ‘Vlucht de achterklap en het liegen’, zo luidt het gebod. Voor welke deugden staat een Kerk die toelaat dat sommige van haar gezagsdragers haar eigen geboden zo met de voeten treden?”

Deze column verscheen in De Standaard op 28 februari 2019.

“De steunpilaren van autoritaire regimes”, DS, 14 febr. 2019

“Autoritaire regimes – van Rusland en Hongarije over Turkije en Saoedi-Arabië tot China – gaan heel strategisch om met vrijheid. Zij hebben de vrijheid handig in tweeën gedeeld, aldus de Canadese denker Michael Ignatieff. Russische, Turkse of Chinese burgers hebben wel private vrijheden, zoals de vrijheid om te bezitten, om het land te verlaten, en om in stilte ontevreden te zijn. Maar ze hebben geen politieke vrijheid; ze mogen niet openlijk protest aantekenen, ze kunnen hun politici niet ter verantwoording roepen, ze mogen niet vrij verenigingen oprichten. Door die bijzondere combinatie kunnen zo’n regimes juist blijven bestaan zonder al te veel interne oppositie. Burgers mogen rondreizen, dus de ontevredenen, de studenten kunnen weggaan (en eventueel terugkeren). Rijken kunnen elders investeren en van een luxueus leven genieten in een vrije samenleving. De band met het westen versterkt zelfs het autoritaire regime: de westerse welvaart biedt de ontevreden ballingen betere kansen, terwijl de westerse rechtstaat investeringen en eigendommen beschermt. Autoritaire regimes geven dus een ‘exit’, zoals Hirschman het noemt, terwijl ze de ‘voice’, de politieke stem, van hun burgers beperken. De open, liberale samenlevingen worden zo vaak ongewild de steunpilaren van autoritaire leiders, onder meer in Rusland, Turkije of China.

Deze dynamiek smoort de hoop dat deze regimes op termijn als vanzelfsprekend meer politieke vrijheid zouden toelaten. Deze nieuwe dynamiek staat ook haaks op de oorspronkelijke verwachting. De hoop dat de idealen van de Westerse liberale democratie zich langzaamaan over de hele wereld, de niet-democratische landen incluis, zouden verspreiden, lijkt ijdel.

Maar er is meer. Die regimes beïnvloeden ook onze liberale democratieën. Het zijn de vrije, open samenlevingen die de negatieve effecten van autoritaire regimes ondergaan. Dat zijn direct of indirecte invloeden, zoals de affaire Benalla aantoont. De fratsen van Alexandra Benalla, de voormalige bodyguard van president Macron, leken eerst een schandaaltje voor de zomerse komkommertijd. Maar sinds de zomer, verschijnen haast elke dag verschijnen nieuwe onthullingen over dit contemporain spionageverhaal.

De zaak Benalla begon op 1 mei 2018. Toen filmden omstaanders de jongeman terwijl hij, ogenschijnlijk als politieagent, protesterende betogers in elkaar mepte. Officieel was hij destijds verantwoordelijk voor de veiligheid van president Emmanuel Macron. Die eerste mei maakte hij als observator deel uit van de officiële ordehandhavers. Wat een zaak leek van testosteron en vilein machtsmisbruik deinde spoedig uit. In juli 2018 werd Benalla weliswaar ontslagen, maar hij behield meerdere diplomatieke paspoorten, waarmee hij ongecontroleerd rondreisde naar Afrikaanse regeringsleiders. Hij hield ook na zijn ontslag een speciaal beveiligd telefoontoestel, dat alleen door de president, zijn directe omgeving en de hoogste militairen wordt gebruikt om ultrageheime informatie uit te wisselen.

Alsof dit nog niet opmerkelijk genoeg is, onthulde de onafhankelijke mediasite ‘Mediapart’ vorige week twijfelachtige financiële transacties: Benalla zou veiligheidscontracten hebben afgesloten met Russische oligarchen die nauwe banden hebben met Poetin, maar die in Monaco en Frankrijk verblijven. De Fransman zou hiervoor 2,2 miljoen euro hebben ontvangen. Het journalistieke onderzoek is nog volop aan de gang; de Franse justitie wil voorlopig vooral van de journalisten weten wie hun bronnen zijn.

De kwestie overstijgt de persoon Benalla. In welke mate kan een land zijn politieke vrijheid beschermen – de rechtsstaat, vrije pers, vrije verkiezingen, individuele rechten – tegen de inmenging vanuit en de invloed van het grote geld uit niet-democratische landen? De vraag rijst ook bij de fiscale paradijzen die bestaan bij de gratie van vrije samenlevingen, of bij dubieuze investeringen door die regimes in Europese bedrijven of in het Europees patrimonium. Continue Reading ›

“De slavernij van de vrouwen”, DS, 31 jan. 2019

“De Verlichting wordt terecht genoemd als een periode waarin de ongelijkheid van vrouwen wordt aangekaart. De voorbije dagen werd dat verband nog eens benadrukt in het afscheid aan Etienne Vermeersch. Vrouwen hadden in die periode weliswaar weinig rechten, en dat bleef nog lange tijd het geval. Maar het intellectuele verzet is er zeker, bij heel wat filosofen zoals Thomas Paine en Nicolas de Condorcet, en bij schrijfsters als Marie de Gournay, Olympe de Gouges en Mary Wollstonecraft. Ook in literaire werken zijn schitterende voorbeelden te vinden, die tot deze tijd doorwerken.

Zo’n revolutionaire roman is bijvoorbeeld ‘Les Liaisons dangereuses’ (‘Riskante relaties’, in de nieuwste vertaling) van Choderlos de Lacos. Dit boek uit 1782 is veel meer dan een liefdesroman; het schetst de uitwassen van het Ancien Régime, waaraan de Franse Revolutie zeven jaar later een einde maakt. De auteur, Choderlos de Laclos was een belezen aristocraat en militair. Deze bewonderaar van Roussau schreef ook enkele essays over de opvoeding van de vrouw.

Laclos beschrijft in zijn beroemde briefroman een samenleving waarin vrouwen geen degelijke opvoeding krijgen en een leven in onvrijheid leiden. De hele samenleving betaalt daarvoor een prijs: hypocrisie, wreedheid en cynisme komt uiteindelijk niemand ten goede.

In zijn briefroman ontvouwt Laclos drie nefaste keuzes voor aristocratische vrouwen: naïef romantisme, religieus ascetisme of cynisme. De eerste twee opties volgen uit een religieuze opvoeding. Als jonge meisjes worden de personages Cécile de Volanges en Marie de Tourvel naar kloosters gestuurd. Daar leren ze echter niets bruikbaars voor het echte leven. Cécile kan wat op een harp tokkelen, maar ze heeft nooit geleerd om na te denken. Marie de Tourvel is begaafder, maar de streng religieuze regels, die ze heeft aangeleerd, bieden geen innerlijke kracht wanneer ze in een diepe crisis terecht komt.

Volgens Laclos verwart een paternalistische opvoeding onschuld met onwetendheid; vrouwen moeten de morele zuiverheid incarneren en worden daarom dom gehouden. Ze begrijpen niets van de samenleving, en vallen ten prooi aan nihilistische religieuze instellingen, onverschillige echtgenoten of hardvochtige verleiders.

Eén legendarisch personage kan zich hieraan onttrekken: de geraffineerde, berekende en superieur intelligente Madame de Mertueil. Overdag speelt zij de deugdzame markiezin, maar ’s nachts leidt ze een leven met veel seks, bedrog en manipulatie. Ook zij kreeg geen instructieve leerkrachten als kind. Maar ze ging in het geniep de boeken uit haar vaders bibliotheek lezen. Ze koos voor zichzelf de opleiding die voorbehouden was aan mannen. Laclos laat het haar allemaal haarfijn uitleggen in een beroemde brief, die het hart van de roman uitmaakt. Maar voor Laclos helpt haar wetenschappelijke rationaliteit haar slechts gedeeltelijk, omdat ze wil meedraaien in een moreel corrupte wereld. Mertueil gebruikt haar kennis ten kwade. Ze observeert meesterlijk hoe deugdzame vrouwen moeten lijden, maar ze voelt slechts minachting voor hen. Haar cynische wrok is geen feminisme.

‘Riskante relaties’ schetst de ongelijkheid op het vlak van de liefde: mannen doen wat ze willen, ze lopen geen risico. Voor vrouwen dreigt de uitsluiting, wanneer hun overspelige of vrije relaties publiek worden. Veel is toegelaten, zolang het in het verborgene gebeurt. Zo’n hypocriete, dubbele moraal fnuikt elke zoektocht naar ware liefde, leert Laclos. Zelfs de libertijnse geesten gaan aan hun eigen huichelarij ten onder.

Al die ellende noemt Laclos in een essay de ‘slavernij van de vrouwen’. En die valt niet gewoon met betere scholing voor vrouwen op te lossen. De samenleving moest grondig worden hervormd.

Je hoeft dus geen expliciete formuleringen over vrouwenrechten te zoeken, om uit de Verlichtingsperiode meesterlijke aanklachten tegen de benadeling van vrouwen te vinden. Deze buitengewone roman is niet zomaar een goed geschreven, polyfoon verhaal over de libertijnse zeden van het Ancien Régime. Het is een aanklacht tegen een maatschappij die vrouwen dom houdt en verdrukt.”

Deze column verscheen in De Standaard op 31 januari 2019. En het is een reactie op de ettelijke stukken die anti-Verlichting zijn, maar zonder degelijke referentie naar teksten.

“De prijs van opportunisme”, column DS op 17 januari 2019

“Hoe is het zo ver kunnen komen met Groot-Brittannië? Niemand lijkt nog voldoende van het land te houden om het te redden. Niet de ambitieuze politici, die hun eigen carrière belangrijker vinden dan het algemene belang. Niet de Europese Unie, die het uittredende land lijkt te willen straffen met een moeilijke deal.

Hoe valt dit dubbele falen te verklaren? Groot-Brittannië was een land met een bevolking die bereid was tot zelfopoffering om de eigen grootsheid te behouden, zoals Churchill beklijvend vatte in zijn beroemde speech over ‘bloed, zweet en tranen’. Net zo goed voerde het land een wreedaardig beleid tegenover andere volkeren. Het Britse imperiale verleden kent gruwelijke wapenfeiten. Zo pookten de Britten religieuze gevoeligheden tussen moslims en Hindoes in India op, om het land te verdelen. Het had duizenden doden tot gevolg. De macht van de Chinese keizer wilden ze dan weer met opiumoorlogen breken, wat tot ontelbare verslaafden leidde.

Nu lijkt het onwrikbare Groot-Brittannië een zelfdestructieve koers te varen. Het referendum heeft de eilandbewoners diep verdeeld. De Brexit stort het land in een diepe economische crisis. Politieke leiders lijken deze koers wel te beseffen, maar ze hebben evenmin de macht als de autoriteit om haar te veranderen.

Heel wat factoren spelen een rol. Eén daarvan is het schaamteloos opportunisme van toppolitici. De rivaliteit tussen David Cameron, Boris Johnson, Michael Gove beheerst al jaren het politieke bedrijf. Die politici eigenden zich het recht toe om zich alleen om hun eigen carrière bekommeren. In die geest besloot Cameron tot een referendum. Hij trok met die belofte in 2015 naar de kiezers, en won de verkiezingen. Een enorme gok, die hij uiteindelijk verloor. Met dramatische gevolgen.

Maar deze opportunistische ingesteldheid is geen individueel probleem. Het heeft zich in de harten en geesten genesteld sinds Thatchers beleid in de jaren ’80: als elk individu zijn eigenbelang nastreeft, komt dat het geheel ten goede. Meer nog, dat grotere geheel bestaat eigenlijk amper. Alleen individuele keuzes tellen. Sociaaleconomisch leidde deze ideologie tot privatiseringen (die ‘Labour’ onder Tony Blair nog verder doorvoerde). Privatiseringen zijn echter niet louter een economische kwestie. Ze hebben politieke gevolgen: ze tasten het burgerschap aan. Zo heeft de bovenlaag haar leven als burger geprivatiseerd door overheidstaken over te nemen: ze leeft in aparte, beveiligde wijken, stuurt haar kinderen naar private scholen, koopt private ziekteverzekeringen en pensioenfondsen. Het maakt solidariteit moeilijker: rijkeren zijn steeds minder bereid om voor een overheidssysteem bij te springen, waarop ze zelf geen beroep doen. Daarbij zijn twee werelden ontstaan, waartussen een onoverbrugbare kloof ligt. Cameron behoort zelf tot de bovenlaag. Hij besloot stoer tot een referendum, maar had geen idee wat er bij de bevolking leefde. En er is nog een element: de geest van privatisering beïnvloedt ook de politieke berichtgeving. Kijk even naar de loeiharde, vernederende koppen van Britse kranten. Sinds Margaret Thatcher hebben ambitieuze politici noodgedwongen goede connecties met mediatycoons als Rupert Murdoch. Zijn ‘tabloids’ stoken schanddalen op, verspreiden foute informatie en zetten bevolkingsgroepen tegen elkaar op. In zo’n landschap is denken over het algemeen belang op langere termijn onmogelijk geworden. Erger nog, vermits eigenbelang het belangrijkste criterium is, eisten Thatcher en haar epigonen hun geld van de Europese Unie terug: ‘I want my money back’. De Unie moest renderen, anders was ze overbodig.

Het falen ligt ook deels aan de Europese Unie. Continue Reading ›

“Geen democratie zonder soevereiniteit”, column DS, 20 dec. 2018

” Het begrip soevereiniteit verschijnt de laatste tijd steeds vaker in politieke discussies, zeker wanneer het over migratie gaat (Naegels, 17/12). Dat rechtse partijen het woord gebruiken, volstaat volgens tegenstanders om het begrip verdacht te maken. Soevereiniteit zou een gevaarlijke illusie zijn, die we best achter ons laten (Goossens, 15/12). Maar dat klopt helemaal niet: soevereiniteit blijft een cruciaal politiek gegeven in een democratie. Neem nu de vraag of burgers vervroegd naar de stembus moeten. Wat stellen zo’n verkiezingen anders voor, dan een uitdrukking van soevereiniteit?

Soevereiniteit slaat op een macht die het hoogste gezag kan uitoefenen zonder aan een ander orgaan verantwoording af te leggen. Na de middeleeuwen kreeg de vorst dergelijke absolute macht. Later, na de Verlichting, drong de idee van volkssoevereiniteit door: het volk kreeg het hoogste gezag in handen. Zo verwierf het zelfbeschikking: het volk stemde een grondwet, die de hoogste autoriteit in een samenleving vastlegt. Geen andere macht incarneert een hoger gezag; geen vorst of vertegenwoordiger van een of andere God. Ook andere landen mogen deze zelfbeschikking niet verstoren. Dit begrip van soevereiniteit hangt nauw samen met de natiestaat. Die natiestaat grondvest het succesvolle model voor welvaart waarvan we genieten.

Ondertussen kunnen landen het steeds minder alleen redden. Ze moeten politiek, economisch, militair samenwerken, en akkoorden sluiten over migratie en klimaat. Europese natiestaten hebben grote delen van hun soevereiniteit afgestaan aan de Europese Unie. Het Franse volk stemde tegen die evolutie in 2005, maar dat vond niemand een bezwaar. In 2011, kreeg de Europese commissie controle over de nationale begrotingen. Na de economische-en de bankencrisis van 2008, was deze maatregel nodig om de eurozone veilig te stellen, klonk het. Dat kan best zijn. Maar hiermee hebben regeringen de sleutels voor een eigen beleid deels uit handen gegeven: elk land dat zijn begroting niet op orde krijgt, moet de welvaartstaat afbouwen. Continue Reading ›