“België, het belovende land”, DS, column 27 feb. 2020

“De federale regeringsvorming zit muurvast. Ondertussen lijken verkiezingen over de toekomst van het land vroeg of laat onafwendbaar. Alleen vragen verkiezingen inhoudelijke debatten en keuzes.

De N-VA lijkt federaal helemaal ‘out’. CD&V en Open VLD moeten dus een bocht maken naar de Vivaldi-coalitie (paars-groen plus CD&V), een regering met Vlaamse minderheid. De linkse grondtoon van die coalitie impliceert dat beide partijen hun eigen sociaal-economische visies grotendeels mogen opbergen. Dus profileren Open VLD en CD&V zich op ethische dossiers: euthanasie en abortus. Alleen staan ze wat die onderwerpen betreft diametraal tegenover elkaar. Dat wordt lastig.

Nieuwe verkiezingen dan maar? Ook lastig, zeker als de volgende verkiezingen zoals de vorige verlopen: zonder diepgravend debat, met magere programma’s en politici die de dag nadien vooral aan het eigenbelang denken. België is helaas al lang eerder een particratie dan een democratie. Partijen functioneren als bedrijven: ze willen vooral hun marktaandeel vergroten. Daarom hanteren de voorzitters veelal een campagneretoriek. Ze hebben sterke communicatiediensten uitgebouwd en invloedrijke studiediensten afgebouwd (of nooit opgericht). En waar bedrijven hun producten niet mogen aanprijzen door de concurrent openlijk de grond in te boren, mag dat in de politiek wel. Op zich maakt dat natuurlijk deel uit van het politieke debat, maar als de communicatie vrijwel uitsluitend op profilering is gericht, wordt de toon makkelijk negatief en inhoudsloos. Steeds meer burgers haken af. Desondanks verandert er niets, en dat belooft weinig goeds voor de toekomst.

Frisse of kritische ideeën komen ook amper van het parlement, dat grondwettelijk nochtans veel macht heeft. ­Leden kunnen wetsvoorstellen indienen en ze kunnen de regering controleren. Maar in België verhindert de particratie dat het parlement zijn macht ten volle gebruikt. Partijvoorzitters en enkele bestuurders zetten de lijnen uit, de rest volgt. Parlementsleden zijn partijsoldaten, schrijven Hendrik Vuye en Veerle Wouters in hun boek Schone schijn. Het duo wijst erop dat de Tweede Kamer in Nederland bijvoorbeeld wel een rol speelt tijdens de regeringsonderhandelingen, die transparanter verlopen. In België begint meteen na de verkiezingsdag de volgende campagne, met politici die af en toe voor de camera’s verschijnen, terwijl niemand anders informatie krijgt. Zelfs regeerakkoorden worden zonder grondige inzage goedgekeurd.

Daarbij speelt nog een factor: de federale structuur beloont politici die zich roekeloos gedragen. Ze schept een moral hazard. Dit is eigenlijk een economische term: hij betekent dat je meer risico durft te nemen omdat je de negatieve gevolgen van dat risico naar anderen kan doorschuiven. Dat fenomeen zien we voortdurend in België tussen de regio’s, omdat er geen unitaire partijen zijn. Vlaamse en Franstalige partijen bestaan naast elkaar, en politici kunnen alleen in één bepaalde regio worden verkozen (behalve in Brussel). Partijen maken dus gewaagde beloftes aan hun kiezers, terwijl ze hen tegelijk kunnen vrijwaren voor de nadelen van die keuzes. Die spelen ze door aan de burgers van de andere regio. Zo kunnen politici ook de volledige verantwoordelijkheid voor hun keuzes ontlopen, terwijl ze hun positie wel kunnen versterken. Maar op termijn ondervinden burgers wel degelijk de nadelen: politici worden niet genoeg aangespoord om een verantwoord beleid te voeren.

Daarom is een verregaande federalisering nodig. De Nederlandse intendant Ed Nijpels heeft gelijk (DS 24 februari): je krijgt Vlamingen en Walen niet meer dichter bij elkaar. Hervorm het land, zodat het functioneert zonder dat zo’n eensgezindheid nodig is. Neem beslissingen op het echelon dat er verantwoordelijkheid voor opneemt. Zo verhoog je de betrokkenheid. Dan worden politici niet meer beloond voor onhaalbare of onbetaalbare voorstellen.

Vroeg of laat komen er verkiezingen die over de toekomst van het land gaan. Maar die verkiezingen moeten wel inhoudelijk zijn, zodat burgers duidelijke en goed geïnformeerde keuzes kunnen maken. Zoals Luc Huyse terecht opmerkt: een Brexitscenario, waarbij burgers zonder kennis en inzicht beslissingen maken waarvan ze pas later de gevolgen ontdekken, is onwenselijk
(DS 11 februari)”

Deze column verscheen in De Standaard op 27 februari 2020.

‘Een vlaag van walging’, column DS, 13 februari 2020

Het coronavirus verspreidt zich in China en daarbuiten. In China neemt de overheid draconische maatregelen: burgers dragen mondmaskers, quarantaines worden opgericht en sommige steden worden zo goed als afgesloten. Ook elders in de wereld leeft enige angst voor het onbekende virus. Dit is begrijpelijk; vroeger hebben ziekten zoals de pest of de Spaanse griep ravages aangericht. Maar ziekten genereren ook walg. En dat gevoel is politiek gezien veel relevanter dan vaak wordt gedacht.

Walg is een sterke fysieke reactie op tekenen van ziekte of verval. Wie beschimmeld voedsel, uitwerpselen of braaksel waarneemt, wil meteen afstand nemen. Deze scherpe reflex is nuttig; het lichaam kiest voor zelfbescherming. Maar de gevoeligheid voor weerzin beïnvloedt ook morele en politieke oordelen. Op een diep psychologisch niveau verbinden we weerzin met ‘wij’ en ‘zij’, met wie er bij hoort, en wie niet; wie kunnen we vertrouwen, en wie niet; wat we zuiver vinden, en wat niet.

Vaak merken we die reactie amper: in vergelijking met woede, geluk of verdriet, heeft walg een minder bewust effect op keuzes. Maar dat maakt de emotie niet minder belangrijk, aldus psycholoog David Pizarro (Cornell University). Afkeer is meer een kwestie van reactie dan actie, van reflex dan reflectie. Dat geeft haar een retorische kracht, aldus Pizarro; ze is als een kleine ‘hack’ in de hersenen.

Wanneer politici er in slagen dit gevoel van aversie aan bepaalde groepen te koppelen, genereren ze dan ook een sterke emotionele respons. En dat gebeurt regelmatig. Recent verbond Filip Dewinter het coronavirus met het ‘islamvirus’. In nazipropaganda werden Joden met ratten en ongedierte vergeleken. Ook Donald Trump verwijst vaak naar afkeer. Tijdens een meeting sprak hij bijvoorbeeld over Hillary Clintons ‘walgelijke’ toiletstop tijdens een televisiedebat. Zo’n opmerkingen lijken van de pot gerukt, maar ze sorteren wel effect.

Meer nog, experimentele psychologen hebben aangetoond dat rechts-conservatieve kiezers gevoeliger zijn voor walg dan liberale kiezers. Neurowetenschapper Read Montague (Virginia Tech University) mat de neurale respons van mensen terwijl ze beelden bekeken van misvormde dieren, vuile toiletten en gezichten met zweren. Hij peilde ook naar hun politieke ideeën, op een spectrum van extreem liberaal tot extreem conservatief. En de gevoeligheid voor weerzin bleek groter te zijn bij conservatieven. Aan de scan kon Montague zelfs met 95% zekerheid zeggen of iemand liberaal dan wel conservatief was. De testpersonen kregen ook gewelddadige beelden te zien (mannen met revolvers gericht op de camera; vechtscènes, autowrakken) en aangename beelden (lachende babies, zonsondergangen, konijntjes). Maar alleen bij afkeer was er een sterke correlatie tussen respons en politieke overtuiging. Ook andere studies, van bijvoorbeeld Michael Bang Andersen (Aarhus University), wijzen op een overeenkomst tussen een gevoeligheid voor walg en een conservatieve ethos, zoals traditionalisme, religiositeit, steun voor autoriteit en hiërarchie, seksueel conservatisme en wantrouwen tegenover anderen. Walg heeft dus morele effecten; ethiek handelt niet alleen over goed en kwaad, maar ook over het zuivere. Religies hebben duidelijke regels voor voedsel, seksualiteit en de behandeling van lijken, bijvoorbeeld. Gelovigen ervaren weerzin bij de gedachte aan overtredingen.

Gevoelens van walg hebben zelfs een impact op politieke en morele ideeën: als de context afkeer oproept, verschuiven politieke ideeën naar de rechterkant van het spectrum. In Pizarro’s test, bijvoorbeeld, moesten proefpersonen morele en politieke vragen beantwoorden. Naast hen stond een bord dat eraan herinnerde om de handen te wassen teneinde griepinfecties te vermijden. Die verwijzing volstond om meer rechtse politieke stellingen en moreel conservatieve voorkeuren te noteren.

Niemand weet voorlopig hoe lang het coronavirus zich nog zal verspreiden, of hoe gevaarlijk het echt is. Continue Reading ›

“Een Europese uitlaatklep voor ontevreden burgers”, column DS 30 januari 2020

Spannende tijden in Europa: vanaf 1 februari is de Brexit een feit (onderhandelingen duren nog wel één à twee jaar). En voor burgers komt er een Europese Conferentie…

“Er komt een ‘Conferentie voor de Toekomst van Europa’ vanaf 9 mei 2020, om burgers meer inspraak te geven bij de Europese besluitvorming. Het project leidde tot kritische opmerkingen (Steven Van hecke, DS), ook omdat niemand weet wat er met de resultaten zal gebeuren in 2022.

Toch is zo’n conferentie een hoopvol signaal. De commissie, het Europese parlement, de Europese instellingen en de lidstaten erkennen dat burgers mee moeten beslissen over de EU. Dat gebeurde tot nog toe weinig. Zo was commissievoorzitster Von der Leyen geen Spitzenkandidaat bij de Europese parlementsverkiezingen, maar werd ze toch voorzitster.

Daarnaast speelt de impact van het Brexitreferendum in 2016. Niet alleen gaat de EU van 28 naar 27 lidstaten. De brexit is in strijd met een funderend principe: dat alle landen naar een ‘ever closer union’ zouden bewegen, zoals in het verdrag van Rome uit 1953 staat. Die ‘ever closer union’ was de horizon voor beleid; directe inspraak van de bevolking stond niet op de agenda. Want Europa was ook een morele belofte: nooit meer oorlog. De strijd tussen naties was voorbij, dankzij een vrije markt en nauwe economische samenwerking. Wie aan deze doelstellingen twijfelde, verloor morele legitimiteit.

In de opzet van de Conferentie wordt de mogelijkheid van kritiek wel meegenomen. Dat is een hele verbetering. Want de moraliserende retoriek om twijfelaars te doen zwijgen – vaak gebruikt door voorstanders van Europees federalisme – heeft het tegenovergestelde effect gehad: afkeer en weerstand. Tenslotte is kritiek op deze Unie onvermijdelijk: ze promoot vier vrijheden (personenverkeer, werknemersverkeer, goederenverkeer en kapitaal) en impliceert beleidskeuzes. Die keuzes hebben gevolgen. Er zijn winnaars en verliezers. Je kan die verliezers niet altijd wegzetten als egoïstisch, gesloten, dom, of erger nog, gevaarlijk nationalist, xenofoob, racistisch etc.

De euro-kritische stemmen klonken het luidst tijdens de referenda. Die referenda zijn wellicht een verkeerd middel om belangrijke, politieke kwesties te beslechten. Maar dan moet de EU-constructie meer rekening houden met oppositie. Omdat klassiek oppositievoeren binnen de EU zo moeilijk is, ontstaat principiële oppositie, zoals de Ierse politicoloog Peter Mair al in 2006 voorspelde. Klassieke oppositie betekent dat politieke partijen een alternatief kunnen zijn voor de heersende regering en haar beleid. Zo hebben ontevreden burgers een uitweg binnen het politieke systeem zelf. Anders verplaatst het ongenoegen zich naar de politieke structuur op zich. Peter Mair kwam tot die conclusie na de referenda in Nederland en Frankrijk in 2005, waarbij de bevolking zich telkens uitsprak tégen het grondwetsverdrag. Hij voorzag nog een andere ontwikkeling: Europese besluiten bepalen de nationale politiek steeds meer, ook indirect (regels voor begrotingen, bijvoorbeeld). Die invloed beperkt de ruimte voor de klassieke links-rechts discussies in nationale parlementen. En die evolutie vergroot de kans op een nieuwe breuklijn: tussen partijen die binnen of buiten de EU willen staan.

Neem Boris Johnsons laatste, overweldigende verkiezingsoverwinning in december 2019. Met zijn slogan ‘Get Brexit done’ verleidde hij veel voormalige Labour-kiezers. Zijn tegenstander, Jeremy Corbyn, bleef neutraal over de Brexit – hij stelde een nieuw referendum voor. Corbyns verpletterende nederlaag heeft ongetwijfeld vele oorzaken. Maar hij begreep alvast niet dat ‘binnen’ of ‘buiten’ de inzet was van de verkiezing.

Wat is er nodig om de stemmen van de bevolking succesvol te integreren? Continue Reading ›

“Meghan en Harry moeten burger worden”, column DS, 16 januari 2020

“De saga rond Harry en Meghan toont (opnieuw) dat de monarchie een wreed, oubollig instituut is. De aristocratie vertrekt van een ongelijkheid die haaks staat op de democratie, schreef ik hier al eerder (DS). Maar daarnaast speelt de houding van de bevolking. Die staat eerder ambivalent dan welwillend tegenover haar royals. Want wie privileges heeft, wordt pas geliefd indien hij ook opofferingen brengt. Anders mort het volk. Royals die al te vrij, rijk en gelukkig willen zijn, worden makkelijk het doelwit voor negatieve commentaar.

Die ambivalentie is inherent aan de monarchie, maar door de massamedia klinkt ze feller. Ambivalentie betekent dat de monarch zowel met een bijzondere liefde als met een bijzondere strengheid wordt bejegend. De liefde was vroeger zelfs ‘deference’, een onderdanige bewondering. Monarchen kregen bijzondere krachten toegemeten, waardoor ze het land konden beschermen. Mensen geloofden dat de (Franse) koning hen bijvoorbeeld kon genezen door hen aan te raken (aldus Marc Bloch). Dit soort bijgeloof is verdwenen. Daarmee is ook de aanbidding verminderd. Toch is er nog een uitzonderlijk respect; protocollaire regels illustreren dat de monarch letterlijk en symbolisch op iedereen voorrang heeft.

Maar tegenover die liefde staat heel wat dwang. Bij voorrechten horen plichten. Een bijna wreedaardige beperking is dat koningin Elizabeth II nooit mag tonen wie ze is. Tijdens haar ontmoetingen mag ze alleen handjes schudden, glimlachen en neutrale opmerkingen maken. Elizabeth gedraagt zich dan ook afstandelijk. Ze lijkt behept met een Britse ‘stiff upper lip’. Maar haar terughoudendheid is fundamenteler; ze hoort bij de ‘twee lichamen’ van de soeverein; de koningin is een publieke persoon (dit is haar heilige functie) en een private persoon. Als soeverein incarneert ze de ‘body politic’, de staat, de gemeenschap. De koningin is dus een mens. Maar door een heilig ritueel tijdens de troonsbestijging wordt ze méér dan gewoon Elizabeth. Voortaan beleeft ze niet alleen haar persoonlijke leven, maar belichaamt ze een eeuwige functie. Hoe meer de koningin haar persoonlijke karakter – de echte Elizabeth – verbergt, hoe beter ze haar functie uitoefent, en hoe meer macht ze verwerft.

De huidige koningin Elizabeth wordt alom geprezen omdat ze dit al bijna 70 jaar uitstekend doet. In de buitenwereld weet niemand wie ze echt is; Alan Bennett suggereert in de geestige novelle ‘De ongewone lezer’ dat er weinig te kennen valt. Maar dat doet er niet toe. Burgers zien dat de koningin offers brengt. Altijd roept de plicht. Soms ziet ze er een beetje gelukkig uit, maar met mate.

Elke royal die probeert om als persoon naar voren te treden, wordt afgestraft. De gekwelde prinses Diana wilde een hartenkoningin zijn. Ze werd populairder naarmate ze ongelukkiger was. Maar ze gaf ook interviews over haar intieme leven, en met haar scheiding verloor ze haar koninklijke titels. Want de monarchie verdraagt weinig individualiteit.

De bevolking wil dus wel respect opbrengen, maar alleen wanneer royals voldoende inspanningen leveren. Begin jaren ‘90 vond prins Charles zijn romantische geluk belangrijker dan zijn functie; zijn perikelen werden breed uitgesmeerd in de tabloids en door miljoenen mensen gelezen. Tabloids gebruiken het excuus dat royals belastinggeld krijgen. Dit is de moderne formulering van de ruilhandel rond privileges. De generositeit van de bevolking is dus voorwaardelijk; haar respect kan snel in minachting omslaan.

Nu verschijnt Meghan Markle. Ze is een moderne, Amerikaanse vrouw. Ze heeft eigen levensstijl, waarover ze vroeger blogde. Ze reflecteert waarschijnlijk niet over de leer van de twee lichamen van de vorst, maar ze wil hoe dan ook niet in zo’n keurslijf. Ze wil samen met haar man zichzelf zijn, vrij. Dat kan niemand haar kwalijk nemen. Welke hedendaagse mens wil volgens eeuwenoude tradities leven? De vraag is of Harry en Meghan hun koninklijke titels mogen behouden. Misschien lijkt het aanvaardbaar dat ze op die manier financieel onafhankelijk kunnen zijn. Maar dit impliceert een uitverkoop van de koninklijke status, die de monarchie aantast en de kritische media-aandacht niet zal wegnemen. Eigenlijk is er maar één uitkomst; gewoon burger worden.”

Deze column verscheen op donderdag 16 januari 2020 in De Standaard.

“De schaduwkant van de regenboogcoalitie”, DS, 19 dec. 2019

“De knoop rond de federale regeringsvorming valt amper te ontwarren. Een meerderheid aan Vlaamse kant is er alleen als de N-VA meedoet, maar die partij wil niet echt, en niemand wil de N-VA. De tweede optie is paars-groen, maar die regering heeft een heel krappe meerderheid in het federale parlement, en een opvallende minderheid aan Vlaamse kant. De derde optie is paars-groen-oranje, met een minderheid aan Vlaamse kant, maar een ruime meerderheid federaal.

Toch is ook die optie problematisch op langere termijn: wie het beleid van zo’n regering afkeurt, kan in Vlaanderen niet meer stemmen voor een pro-Belgische centrumpartij. Daarbij komt dat de volgende regering een enorm begrotingstekort moet oplossen, en dus wellicht nieuwe belastingen heft en bespaart. Tegenstand kan zo’n regering dus zeker verwachten. Wat dan?

Een democratie is een politiek systeem waarbij politieke instellingen zo georganiseerd zijn, dat een politieke omslag mogelijk is: wanneer burgers misnoegd zijn over het beleid, kunnen ze bij de volgende verkiezing voor een andere partij stemmen, zonder dat deze keuze de fundamentele structuur van een land op stelten zet. Met deze mogelijkheid tot vreedzame, stabiele oppositie verschilt een democratie bijvoorbeeld van een dictatuur. Oppositie daar betekent ofwel dat kritische burgers in de gevangenis verdwijnen, ofwel dat verenigd verzet tegen de macht de dictator zelf doet wankelen.

Die democratische machtswissel vind je ook terug in de ideologische tegenstellingen, in alle variaties tussen linkse en rechtse posities binnen het politieke spectrum. In hun programma’s, en ook in regeerakkoorden, formuleren partijen hun plannen voor een begroting. Daarmee geven ze aan welk beleid ze willen voeren: ze maken aan de ene kant duidelijk welke burgers (of groepen) ze op welke manier willen belasten, en aan de andere kant aan welke burgers of groepen ze de geïnde bedragen willen overmaken. Het fundamentele meningsverschil over de begroting kan je als de verschillende visies op gelijkheid en vrijheid formuleren: elke partij beantwoordt de vraag hoe je de gelijkheid en de vrijheid van de burgers het beste gestalte geeft. Wie regeert, mag zijn visie uitproberen. Die poging wordt beoordeeld door de kiezer bij de volgende verkiezing, en beloond of bestraft. Continue Reading ›

‘In het spoor van Ivan’, column DS, 5 dec. 2019

“Hebben we nieuwe euthanasiewetten voor dementerenden ­nodig? De vraag ligt op tafel, onder meer door het partijpolitieke getouwtrek rond een nieuwe federale regering.

Maar het probleem rond de omgang met de dood is fundamenteler dan deze ene kwestie. Hoe rond je het leven af, wanneer je steeds meer mogelijkheden hebt om het te verlengen? Hoe verhoud je je tot de dood, in een cultuur die leven gelijkstelt aan het ideaal om zo lang mogelijk door te gaan?

‘Elke mens heeft een onvervreemdbaar recht op leven, vrijheid en het nastreven van geluk.’ Dat schreef Thomas Jefferson in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring in 1776. Een soortgelijke gedachte inspireert de Franse ‘Verklaring voor de rechten van de mens en de burger’ in 1789. Vanaf de verlichting staan de menselijke waardigheid, gelijkheid en vrijheid centraal in het maatschappelijke streven. Het wetenschappelijke onderzoek dient de collectieve wil om het lot van de mens te verbeteren. Die omwenteling heeft tot spectaculaire resultaten geleid: minder kindersterfte, hogere levenskwaliteit, langere levensduur.

Ondertussen hebben technische ontwikkelingen een ander tijdperk ingeluid: Silicon Valley-miljardairs, zoals Bill Maris van Google, dromen van onsterfelijkheid. Vroeger werden wetenschap en technologie ingezet om een menswaardig leven te garanderen en om armoede en onwetendheid te bestrijden. Nu worden ze ingezet om de strijd tegen de dood zelf te winnen. Elk letsel of ziekte wordt een technisch mankement.

Daarmee wordt de dood naar de achtergrond verwezen. Elke ochtend ontwaakt de westerse mens met de onuitgesproken verwachting dat hij de dag ­levend doorkomt. Vorige generaties hadden dit niet, en miljoenen mensen over de hele wereld hebben het evenmin. Voor hen is het leven broos, de dood altijd nabij. De frêle constitutie van een pasgeborene, het risicovolle moment van de bevalling, een infectie die niet gauw wordt verzorgd, conflicten en geweld: voor veel niet-westerse mensen is het leven elke dag een half wonder.

In het Westen is de afwezigheid van de dood niet alleen een realiteit, ze is een wens. In heel wat interviews antwoorden bekende Vlamingen dat ze een ‘snelle’ dood willen, op late leeftijd. Snel, zodat ze niet beseffen stervende te zijn. Maar je kunt niet oud worden zonder de dood te zien naderen. Het overlijden van je naasten herinnert je aan je eigen sterfelijkheid.

Juist daartegen bestaat een handig verweer: je kunt de dood altijd als een probleem van de ander beschouwen. Heel wat mensen lijken zo op Ivan Iljitsj, uit Tolstojs roman De dood van Ivan ­Iljitsj. De stervende Ivan voert een gesprek met zichzelf, over wat hij in ‘de logica van Kiesewetter had geleerd: Caius is een mens, mensen zijn sterfelijk, dus Caius is sterfelijk. Dit had hem zijn hele leven alleen juist geleken met betrekking tot Caius, maar absoluut niet tot hemzelf. Het ging daar om de mens ­Caius, om de mens in het algemeen, en dan was het volstrekt juist; maar hij was Caius niet en hij was niet zomaar een mens, hij was altijd volkomen, maar dan ook volkomen anders geweest dan alle andere schepsels.’ Ivan Iljitsj denkt dus dat ‘men’ wel sterft, maar hij hoeft het niet te doen. Tot hij zelf ziek wordt. Hij leert dat elke mens zijn eigen leven moet leiden en zijn eigen dood moet sterven.

Leven en dood hangen met elkaar samen: het ene kan niet zonder het andere. Want leef je wel met meer liefde voor het leven als je erin slaagt om de dood te verbannen? Of spelen verdoving, medicatie, antidepressiva (zelfs lang voor het ­levenseinde) een steeds grotere rol? Enkele maanden voor zijn dood noteert ­Tolstoj in zijn dagboek hoe gunstig hij het ervaart om te weten dat de dood op elk moment kan toeslaan. Je leeft intenser als je de natuurlijke band tussen ­leven en dood niet verbreekt. In heel wat discussies over gezondheid, levenseinde en zelfbeschikking verdwijnt de meer fundamentele verhouding tot de dood en het leven op de achtergrond. Ten ­onrechte.”

Deze column verscheen in De Standaard op 5 december 2019.

“Prins Andrew, het probleem van de monarchie”, column DS 21 nov. 2019

“Veel mensen volgen de verhalen rond koninklijke families graag. Ze vallen voor de betoverende outfits, de fraaie paleizen en de elegante ceremonies. Af en toe halen schandalen de pers. Die lijken een vervelende smet op een gaaf blazoen. Maar het probleem zit dieper: scheve machtsverhoudingen vormen de kern van de monarchie.

Nu is er het schandaal rond de Britse prins Andrew. Hij zet een stap opzij na een verbijsterend interview enkele dagen geleden. Daarin probeert hij met eufemismen en povere uitvluchten zijn vriendschap met serieel meisjesverkrachter Jeffrey Epstein te rechtvaardigen (DS 18 november). Hij denkt niet aan de slachtoffers, rept met geen woord over excuses of berouw. Erger, hij gebruikt zijn bevoorrechte levensstijl als excuus: mensen gedragen zich nu eenmaal anders rondom royals … dus kon Andrew niet weten wat Epstein uitspookte. Uit dat interview blijkt geen spontane empathie, moreel inschattingsvermogen of verantwoordelijkheidszin. Dat ligt natuurlijk aan Andrew zelf. Maar de koninklijke leefwereld werkt wereldvreemdheid en een gevoel van bijzondere rechten en aanspraken in de hand. Gewone burgers die daarvan het slachtoffer worden, hebben weinig of geen verweer.

Zelfs wanneer de media een goednieuwsshow brengen, is de keerzijde nooit ver weg. Eind oktober vierde kroonprinses Elisabeth haar achttiende verjaardag. Over haar viel geen slecht woord te melden. Ze was voorbeeldig. Maar dezelfde week stond er een ander bericht in de krant: de elfjarige zoon van Delphine Boël, Oscar, kan geen bankrekening openen. Blijkbaar staat Boël op een zwarte lijst, omdat ze negatief in de media komt, heet het. Boël eist een vaderschapstest van koning Albert II – ze aanvaardt niet dat ze niet erkend wordt als zijn dochter. Ze handelt niet uit winstbejag, maar uit principe. De zaak-Boël onthult de kern van het probleem: wat telt, is je plaats in de koninklijke pikorde. Die geeft extra rechten aan het ene kind en ontneemt kansen aan het andere. Die onrechtvaardigheid is geen bijwerking, maar de essentie van het systeem.

Eigenlijk is het idee van erfopvolging zelf akelig: je promoveert na het tragische einde van een nauw familielid, door overlijden of aftreding (meestal na een conflict). Denk maar aan Boudewijns aantreden na de koningskwestie. Of kijk naar de film The king’s speech, over George VI, de vader van koningin Elizabeth II. Daarin komen de schuldgevoelens, zelfkwelling en andere drama’s naar voren. Het alternatief levert eveneens een bizar lot: een ouder die blijft voortdoen. Prins Charles, ondertussen 71 jaar en grootvader, is nog steeds aspirant-koning.

Gelukkig heeft de democratie de scherpste kantjes van de monarchie omgebogen. Zo beramen leden van koninklijke families geen moorden meer op hun rivalen. Dat gebeurde voordien wel. Lees er Shakespeare maar op na. Nu verloopt de overdracht van de macht vreedzaam, door een ceremonie waarbij de stem van het volk centraal staat: de verkiezingen. Dat is een overwinning van de democratie, waar ook aristocraten wel bij varen.

De democratie heeft nog politiek-filosofische bezwaren tegen de monarchie weggewerkt. Erfopvolging garandeert niet dat een koning(in) over enige politieke, morele of intellectuele kwaliteiten beschikt. Nu is de macht van de monarch beperkt en worden de politieke leiders beoordeeld en verkozen. Dat waarborgt evenmin veel kwaliteit, maar je kunt politici tenminste wegstemmen. Het lost nog een ander probleem op: veranderende tijden vereisen aangepast leiderschap. Dat kan een monarchie moeilijk leveren, dus is het goed dat de macht van de monarch beperkt blijft.

In al die kwesties duikt hetzelfde probleem op: sommige mensen genieten uitzonderlijk veel macht, rijkdom en privilege, die ze gekregen hebben zonder enige verdienste. Hun voorrecht is dat ze in een bepaalde volgorde geboren worden als het kind van uitverkoren ouders. En hoe ze zich ook gedragen, veelal ze behouden hun privileges. Uitzonderlijk moeten ze wel toegeven aan intense (media)druk, zoals nu voor Prins Andrew het geval is.

Deze ongelijkheid staat fundamenteel haaks op de democratische gedachte, en op de grondwet: dat alle mensen gelijk en vrij geboren worden. Het botst ook met een humanistisch idee: dat je de uitwassen van mensonterende machtsrelaties zo veel mogelijk moet uitbannen.”

Deze column verscheen in De Standaard op donderdag 21 november 2019.

‘Amerika’s corruptie, nav de Weinstein-zaak’, column DS 7 nov 2019

“Twee jaar na #Metoo halen verhalen over geweld tegen vrouwen de krant (moorddadig partnergeweld Karel Verhoeven, DS); in populaire televisiereeksen wordt seksueel geweld geproblematiseerd (DSaudio). Recent publiceerde journalist Ronan Farrow ‘Catch and Kill’ (DS, 15/10); het boek gaat over Hollywood producer en seriële verkrachter Harvey Weinstein en over de moeilijkheden die Farrow ondervond om de waarheid uit te brengen.

Je kan de politieke toestand van een land proberen te begrijpen door de verkiezingen, de politieke partijen, de wetten en de overheden te analyseren. Maar je kan ook heel wat informatie over de democratische situatie uit zo’n journalistiek werk halen. Dit boek geeft enkele feiten over de corruptie in de Amerikaanse samenleving: sommige superrijken hanteren legale en illegale middelen om mensen te intimideren, te manipuleren en controleren.

Wat opvalt in het Weinstein-verhaal is dat de man niet alleen staat. Hij opereert in een cultuur waarin beroemdheid en rijkdom worden verafgood. Die cultuur maakt zijn macht mogelijk. Zelf had Weinstein de absolute top in Hollywood bereikt, en was hij onaantastbaar. Hij kon iemands carrière maken of breken. Voor zijn bedrijf brengt hij jaarlijks miljoenen dollars op. Dus stemt dat bedrijf – en vele andere – de juridische praktijken op hem af. Zelfs bij aanklachten over seksueel geweld, redeneren topadvocaten alleen in het bedrijfsbelang.

Geld beheerst ook de politiek en de media. Weinstein doneert kwistig aan politici. Hij geeft geld aan de officier van justitie, Cyrus Vance Jr. die een aanklacht tegen Weinstein klasseert. Hij steunt bladen als ‘The National Enquirer’. Hier komt de titel ‘Catch and Kill’ vandaan: het blad verzamelde roddels over mogelijke tegenstanders van Weinstein, om hen te kunnen chanteren.

Het Amerikaanse juridische systeem werkt even goed de macht van superrijken in de hand. Aanklachten komen eerder in de handen van advocaten dan van magistraten. Vrouwen die over Weinsteins wangedrag vertellen, worden door zijn advocaten met vervolging bedreigd. Vernederd, geïntimideerd en uitgeput ondertekenen zij een non-disclosure agreement: in ruil voor een zak geld moeten ze over de gebeurtenissen zwijgen. Maar dat geld lost voor die vrouwen niets op. Ze zijn hun zelfrespect kwijt, ze voelen zich psychisch gekraakt. Hun professionele reputatie wordt besmeurd: ‘Te moeilijk om mee te werken’, klinkt het. Ze kunnen niemand meer vertrouwen; Weinstein huurt detectives in en betaalt medewerkers om zijn slachtoffers te blijven controleren. Aan de slachtoffers worden dus fundamentele vrijheden ontnomen; om te spreken, zich juridisch te verdedigen, om een carrière te ambiëren. Er ontstaat een fundamentele ongelijkheid: tussen wie de middelen heeft om de wereld naar zijn hand te zetten, en wie de macht van anderen moet ondergaan.

Continue Reading ›

“Het beeld van een ‘schuldig Vlaanderen’ blijft wegen op de politieke realiteit, column DS, 24 okt. 2019

Vlaanderen heeft een eenzijdige kijk op haar oorlogsverleden: historici hebben de collaboratie veel grondiger onderzocht dan het verzet. Nu zendt Canvas de reeks ‘de kinderen van het verzet’ uit, na de reeks ‘de kinderen van de collaboratie’. Daarmee verricht de zender pionierswerk, want verzetsdaden komen in Vlaanderen zelden aan bod. Er volgt nog een reeks over de kinderen van de holocaust.

Het verzet heeft de strijd om de herinnering verloren, heet het. Nochtans hebben burgers over heel Vlaanderen in alle lagen van de bevolking vormen van verzet georganiseerd. Maar de namen van verzetshelden zijn onbekend. Erger nog, over verzetslieden bestaan vooral karikaturale voorstellingen, alsof ze opportunisten of bruten waren. Geen roman of film verbeeldt heldenmoed in de strijd tegen de Duitse bezetter. Dit is uitzonderlijk in vergelijking met de buurlanden. Hoe is dit mogelijk? Historici wijzen op vele factoren, die met het einde van de oorlog te maken hebben: het verzet is politiek erg verdeeld; de grote politieke families willen vooral de vooroorlogse orde meteen herstellen en de Belgische staat bouwt geen actief herinneringsbeleid uit. Daarbij proberen collaborateurs na de oorlog eerherstel te krijgen. Ze ontberen schuldbesef over hun foute keuzes, en blijven de aandacht op zichzelf richten. Bij volgende generaties heeft dat een bijzonder effect gehad: ze beschouwen Vlaanderen niet als een plek met een complex oorlogsverleden, maar met een schuldig verleden, dat ze helemaal afwijzen, of helemaal omarmen. Zonder een genuanceerde herinnering. Continue Reading ›

“Ook je tegenstander kan verlichting brengen”, column DS, 10 okt. 2019

“Maandagavond werd het boek ‘De nagelaten geschriften’ van de in januari gestorven Etienne Vermeersch voorgesteld aan de UGent. Die avond interviewde ik de twee samenstellers: Johan Braeckman en Dirk Verhofstadt. Lezend in de bundel kwam ik Etienne Vermeersch opnieuw tegen: hij was voor mij een intellectueel uit de Renaissance, die in Vlaanderen een beetje Verlichting probeerde te brengen.

Vermeersch leek een hedendaagse Pico della Mirandola: beslagen in wetenschappen, filosofie, kunst, muziek, in Grieks en Latijn. Hij kende de ‘Divina Comedia’ deels uit het hoofd, genoot intens van Bach. Hij schreef stimulerende opiniebijdragen over een hedendaags probleem, met spijkerharde argumentaties, zoals Pico, en lange, onderbouwde redenaties ver voorbij de waan van de dag. Altijd stond de mens centraal. Wetenschap en kennis dienden om het menselijke lot te verbeteren. Denken deed Vermeersch geheel ongebonden: geen enkele politieke partij, groep of beweging kon hem claimen. Uiteindelijk legde hij alleen rekenschap af aan zichzelf, en zijn eigen visie op waarheid.

Vermeersch gaf mee vorm aan de omslag die Vlaanderen maakte: van een paternalistische samenleving naar een wereld waarin zelfbeschikking meer ruimte krijgt. Vermeersch incarneerde die twee momenten. Hij was de eeuwige professor, die anderen belerend toesprak, tot ergernis van zijn critici. Tegelijkertijd stimuleerde hij de onafhankelijke reflectie van elke mens die hij ontmoette. Hij pendelde moeiteloos tussen de culturele, intellectuele elite waarvan hij deel uitmaakte (dankzij zijn Jezuïeten-opleiding, dankzij de universiteit) en het volk, waartoe hij in zijn hart behoorde. Continue Reading ›