Lezing ‘Spinoza en Machiavelli’, voor Vereniging het Spinozahuis

Op 27 maart gaf ik een zoom-lezing over ‘Spinoza en Machiavelli’ voor de Vereniging het Spinozahuis.

Spinoza is karig met complimenten, maar hij noemt Machiavelli in het Politiek Tractaat de ‘zeer wijze, zeer sluwe Florentijn’. Spinoza was ook voorstander van democratie, en schreef een bruikbare Ethica’. Voor hem was Machiavelli dan ook denker van de vrije republiek, geen cynisch machtsdenker.

In deze lezing geef ik de context van Spinoza’s citaten, en analyseer ik welke lessen Machiavelli te bieden had.

Er waren ongeveer 160 inschrijvingen – na mijn lezing stelden enkele aanwezigen boeiende vragen, die ook opgenomen werden.

Over Spinoza schreef ik ‘Door Spinoza’s Lens’ (2012, Pelckmans – 6e druk, nog beschikbaar) en in november verscheen ‘Machiavelli’s Lef‘ (4e druk).

Podcast ‘Kant, en klaar!’, Klara, 6 april 2021

In april is het de Maand van de Filosofie. Voor Klara nodigde Greet Van Thienen me uit voor een gesprek over één vraag van Immanuel Kant: Wat kan ik weten? Hoe moet ik handelen? Wat kan ik hopen? En wat is de mens?

En ik koos voor de ethische vraag: hoe moet ik handelen? De podcast van het gesprek is beschikbaar.

“Filosoof Tinneke Beeckman spreekt zich als public intellectual uit over de knelpunten van deze tijd. Zowel in haar columns als in haar boeken denkt ze na over wat vrijheid is, of hoe we als mens en burger onze verantwoordelijkheid kunnen opnemen.

Beeckman wordt geïnspireerd door filosofen Spinoza en Machiavelli. Ze bouwt verschillende bruggen tussen het denken van beide heren naar het leven van nu. Naar een tijd die al even onzeker is als de hunne. 

In deze aflevering denkt ze na over de Kant-vraag: Wat moet ik doen? Wat is goed handelen? Voor haar werkt de ethische praktijk van elke dag beter dan een of ander groot moreel principe waarop we ons kunnen richten. Haar antwoord is genuanceerd en helder, zoals we dat van haar kennen. Centraal staat het idee van verbondenheid met de anderen en met de natuur. 

Te Lezen: ‘Machiavelli’s lef, levensfilosofie voor de vrije mens’ van Tinneke Beeckman – uitgeverij Boom 2020.”

Greet Van Thienen publiceerde heel recent een filosofisch werk: ‘De stuntelende mens. Een klein onderzoek naar wat we zijn’ (Pelckmans, 2021), waarin een aantal vroegere ‘Kant’-interviews aan bod komen.

“Het spel van de tegenstander”, column DS 1 april 2021

‘Je speelt in de kaart van extreemrechts.’ Dat verwijt kreeg de 23-jarige Turks-Nederlandse Lale Gül in honderdvoud in haar mailbox, na de publicatie van haar autobiografische debuut­roman (DS 17 maart). In Ik ga leven beschrijft­ ze haar jeugd in een conservatief islamitisch gezin in Amsterdam-West. De protagonist Büsra mag nooit uitgaan, geen vriendschapsrelaties met mannen sluiten, niet zelfstandig gaan wonen. Een geheime relatie met een autoch­tone jongen moet ze verbreken. Na de publicatie is de auteur door haar familie verstoten, omdat ze de eer van de familie heeft geschonden. Als ‘afvallige’ moslima wordt ze al wekenlang met de dood bedreigd.

Wie zich een voorstander van vrijheid en gelijkheid noemt, zou zich solidair met Lale Gül moeten opstellen: ze wil de vrijheden die andere westerse vrouwen ook hebben. Of toch niet? Want Gül en wie het voor haar opneemt, zouden ‘in de kaart spelen van’ politici zoals Geert Wilders en Thierry Baudet.

‘Je speelt in de kaart van’ is een intimiderend argument dat al jaren meegaat, noteert Jean Birnbaum in zijn recent­ verschenen Le courage de la nuan­ce. Bij elk cruciaal politiek conflict duikt dat verwijt op. Zo ook rond 1936, tijdens de burgeroorlog die Spanje verdeelde in links (de republikeinen) en rechts (de aanhangers van Franco). Slechts enkele moedige, integere, vooruitziende denkers hebben aan die eis tot zwijgen kunnen weerstaan, aldus Birnbaum.

De journalist George Orwell engageerde zich aan de zijde van de communisten. De katholieke, conservatieve monarchist Georges Bernanos koos aanvankelijk partij voor de Spaanse nati­onalisten. In het begin waren ze onvoor­waardelijk verdediger van ‘hun’ kamp, dat streed tegen wat zij als het kwade beschouwen: barbarij en onderdrukking volgens de communisten, het einde van de christelijke beschaving volgens de aanhangers van Franco. Maar beide schrijvers ontdekten in volle strijd dat de werkelijkheid niet zwart-wit is. In Saluut aan Catalonië stelt Orwell­ ontgoocheld vast dat de linkse media even leugenachtig kunnen zijn als de officiële Spaanse pers. Hij houdt aan die constatatie een levenslange afkeer van stalinisme en links totalitarisme over. Animal farm en 1984 vloeiden uit die ervaring voort. In Les grands cimé­tières sous la lune beschrijft Bernanos de wreedheid en het geweld van de nationalisten: het trio Franco-Mussolini-Hitler heeft veeleer een pact met de duivel gesloten dan dat het zich door christelijke idealen laat inspireren.

Bernanos en Orwell weigerden de ogen te sluiten voor wat zich afspeelde, al stonden ze onder intense druk om ‘niet het spel van de tegenstander te spelen’. In zo’n conflict klinkt elke nuance, elke kanttekening als een verraad aan de eigen groep. Maar het echte verraad, betogen Orwell en Bernanos – elk op hun manier – is precies om de complexe werkelijkheid niet meer te willen zien. Dan wil je alleen je gelijk halen en ben je ontrouw aan jezelf. Zodra je ervaringen botsen met een strakke politieke of ideologische overtuiging, dan moet de overtuiging wijken. Nooit de waarheid.

Orwell en Bernanos begrepen dat de ontsporingen in de eigen politieke groep ondergeschikt kunnen lijken aan de grotere, ideologische strijd tussen de kampen. Maar dat is schijn: als je die ontsporingen verzwijgt, en de machtslogica erachter niet onthult, groeien ze uit tot een onontwijkbaar probleem.

Vandaag staan andere kampen tegen­over elkaar: de progressieve racismebestrijders aan de ene kant. En de extreemrechtse antimigratiepartijen aan de andere kant. In deze context doet iemand als Lale Gül haar verhaal. Ze beweert niet het verhaal van elke moslimvrouw te schrijven. Maar haar verhaal verbrijzelt de illusie dat er binnen minderheden geen verpletterende machtsdynamieken kunnen spelen: de ouders van de protagoniste verdedigen een maatschappijmodel dat ongelijke normen voor meisjes en jongens voorstaat en waarin seksualiteit taboe is. Dat model schrijft een erecode voor die vrouwen verantwoordelijk houdt voor de reputatie van de hele familie, terwijl mannen vrij zijn om te doen wat ze willen.

Als je een betere wereld wilt, moet je elke ongelijke machtsstrijd ernstig nemen. Want als je je alleen op de perceptie en de partijpolitieke effecten richt, raak je hopeloos verstrikt in je eigen hypo­crisie: je lijkt je te engageren tegen onrecht, maar je tolereert het ondraaglijke.”

Deze column verscheen in De Standaard op 1 april 2021.

“Als vrouwen klauwen”, column DS, 18 maart 2021

“Elke dag hoor je over geweld ­tegen vrouwen: op straat, in ­familiale kring, in het publieke domein. Die aandacht is ­terecht. Vrouwen worden nog vaak ­getroffen door allerlei soorten wan­gedrag. De grote meerderheid van ­(fysieke) gewelddaden plegen mannen. Hoe zwaarder het geweld, hoe vaker de plegers mannen zijn, wijst onderzoek uit. Maar deze drama’s mogen niet verhullen dat ook vrouwen gewelddadig kunnen zijn, en mannen soms moeten incasseren.

Eén op de vijf vrouwen is slachtoffer van partnergeweld en één op de zeven mannen. Dat onthutsende cijfer komt naar voren in de Canvas-docureeks Als je eens wist. Het vooroordeel dat leden van de ene groep, de mannen, per definitie de agressors zijn en de anderen, de vrouwen, altijd alleen de gedupeerden, klopt dus niet. In de eerste aflevering kwam een mannelijk slachtoffer van partnergeweld aan het woord. Jarenlang schaamde hij zich te erg om hulp te zoeken. En hij vreesde dat zijn partner zich als slachtoffer zou opstellen, mocht hij zich fysiek verdedigen.

Zuivere gevallen van slachtoffer versus dader bestaan, maar het gaat om een minderheid. Vaak is de situatie erg complex en zitten mensen in een destructieve dynamiek gevangen. Deze complexiteit gaat verloren omdat mensen duidelijk willen oordelen. Ze zoeken naar een zuiver goede en een zuiver slechte partij. Dat fenomeen valt op bij conflicten tussen bekende figuren, waarbij het publiek fel verdeeld reageert. Het is dus moeilijk om in te zien dat dezelfde persoon op het ene moment slachtoffer kan zijn, maar op een ander moment assertieve of kwetsende daden kan stellen. Het is alsof deze genuanceerde vaststelling ­iemands slachtofferschap zou miskennen, en dat is taboe. Maar het helpt alle betrokkenen verder om het hele verloop te begrijpen.

Vrouwen als slachtoffers neerzetten, betekent dat ze geen agency, geen handelingsruimte zouden hebben. En als vrouwen zich uitsluitend als slachtoffer beschouwen, blijven ze blind voor het kwetsende gedrag dat ze op bepaalde momenten zelf kunnen vertonen. Ze nemen er geen verantwoordelijkheid voor en beseffen niet hoe ze aan een ­negatieve spiraal bijdragen.

Deze nuances hebben niets te maken met victim blaming, de kwalijke om­kering waarbij het slachtoffer als schuldige wordt neergezet. Dat gebeurt bijvoorbeeld als je gaat beweren dat een verkrachte vrouw het onheil over zichzelf zou hebben uitgeroepen omdat ze in het donker alleen naar huis ging. Zo’n omkering is onaanvaardbaar, omdat daders hun verantwoordelijkheid dan op de ander mogen afschuiven en ze hun eigen misdrijven minimaliseren. Dat is onaanvaardbaar. Elke mens, man of vrouw, is volledig verantwoordelijk voor wat hij of zij doet.

De makkelijke tweedeling tussen de goede vrouwen en de slechte mannen helpt niemand om de ingewikkelde realiteit te begrijpen. Het is een illusie te denken dat geweld zou verdwijnen, als alle mannen – per definitie de slechte groep – hun gedrag zouden veranderen. Niet alle mannen zijn daders, en sommige mannen hebben recht op begrip, steun, hulp. Dergelijke, eenvoudige schema’s bevestigen het probleem dat ze willen bestrijden, want ze bevatten nieuwe vormen van uitsluiting en ­geweld.

Vrouwelijke agressiviteit wordt niet alleen privé miskend. Heldere voorbeelden kan je evengoed in politieke ideologieën vinden. Het nazisme gaf vrouwen alleen een plaats aan de haard. Maar de NSDAP had vanaf het begin vurige aanhangsters. Zij waren fanatieke propagandisten van de nazi-ideologie en faciliteerden de oorlogsinspanning. 

Hetzelfde geldt voor de westerse vrouwen die zich bij Islamitische Staat aan­sloten. In de media worden ze weleens als naïeve, willoze volgers neergezet, misleid door mannen. Ongetwijfeld zijn er vrouwen die in de klauwen ­terechtkwamen van een netwerk waaruit ze niet meer konden ontsnappen. Net zo goed zijn sommige IS-vrouwen echte gangsters. Ze hebben zich doel­bewust en vastberaden als strijdster ­opgeworpen. Ze hebben haatpropaganda verspreid, terrorisme gesteund of zelfs fysiek geweld gepleegd tegenover ‘niet-gelovigen’, ze hebben seksslaven vastgehouden en gevangenen gemarteld.

Het is paternalistisch om te denken dat vrouwen niet tot gruwelijke daden in staat zijn. En het is ook paternalistisch om hen hiervoor niet even verantwoordelijk te houden als de mannelijke plegers van geweld.”

In ‘De Afspraak op Vrijdag’ op 12 maart 2021

Op vrijdag 12 maart was ik in “De Afspraak op Vrijdag” op Canvas met Ivan De Vadder. Andere gasten waren voormalig minister van Justitie Koen Geens en politicoloog Dave Sinardet.

De thema’s waren het drugsbeleid, de strijd tegen homohaat en de staatshervorming. Koen Geens bracht enkele voorstellen om de federale regeringsvorming te vergemakkelijken. Ook het voorstel van minister Verlinden om burgerpanels te organiseren kwam aan bod.

“Verdiensten maken mensen gelijk”, column DS 4 maart 2021

Hoe kun je tegemoetkomen aan de eisen van minder­heden zonder in identiteitspolitiek te belanden?Achter de discussie wie Amanda Gorman moet vertalen, gaan twee schrikbeelden schuil. Voor minderheden illustreert het voorval hoe ze zelden aan de bak komen. En blanke mensen ontwaren in het voorval een nieuw soort racisme: je wordt ‘wit’ genoemd (‘oude, witte man’ is het allerergste) en dus moet je zwijgen.

In deze complexe discussie helpt het om privilege, verdienste en voordeel van elkaar te onderscheiden. Westerse rechtsstaten hebben privileges zo goed als afgeschaft. Sinds de verlichting klinkt het dat alle mensen gelijk zijn voor de wet. De inherente hiërarchie ­ zoals ze tijdens het ancien régime ­bestond, werd neergehaald.

Maar tussen principe en realiteit gaapt soms een kloof. Sommige burgers behouden privileges omdat ze dankzij familiebanden, financiële middelen of hogere sociale status exclusieve rechten genieten. Zo ontsnappen ze aan geldende regels en soms aan de rechtsgang. Welke verdiensten deze mensen hebben, speelt nauwelijks een rol voor de positie die ze hebben ­bereikt. Denk maar aan de matig intelligente zoon van de president die ook president kan worden dankzij de financiële en politieke connecties van de ­vader. Of aan de frauderende fils à papa die faillissementen opstapelt, maar toch een imago van briljante zakenman kan neerzetten in een realityshow. En op zijn beurt ­president wordt. Deze voorbeelden zijn pijnlijk actueel. Naarmate dergelijke praktijken couranter zijn, is een samenleving ongelijker.

Privileges bestaan, maar niet alleen blanke mensen hebben ze. In geglobaliseerde, diverse grootsteden wonen ­geprivilegieerde inwoners van uiteen­lopende afkomst.

Je hebt ook heel wat mensen die geen privileges genieten, in de zin dat ze zich niet boven de wet kunnen stellen, en dat ze de regels in de samen­leving niet naar hun hand kunnen zetten. Die mensen hebben soms wel voordelen: ze hebben juist dat stapje voor op een groep echt achtergestelden. Ze krijgen dus meer kansen, bijvoorbeeld omdat hun ouders hoger opgeleid zijn. Een vrije samenleving doet er goed aan ook deze voordelige posities te proberen corrigeren: meer mensen moeten alle kansen krijgen, ongeacht afkomst of inkomsten. Niet alle blanke mensen ­genieten deze voordelige positie. Heel wat kinderen uit de arbeidersklasse worstelen met ongelijke behandelingen in het onderwijs, bijvoorbeeld. Hardnekkige vooroor­delen spelen daarbij een rol.

Het belangrijkste criterium voor een positie moet idealiter verdienste zijn: wat je doet of kunt, wat je geleerd hebt of waarin je ervaring hebt. Verdienste is niet gebonden aan kleur, gender, religie of andere kenmerken. De beste vertaler krijgt de opdracht, bijvoorbeeld. In een wereld waar de geprivilegieerden de plak zwaaien, weegt merite amper door. Maar aanhangers van identiteitspolitiek dreigen verdienste ook als secundair te beschouwen. Niet ­zozeer ­iemands argument telt, wel wie spreekt. Niet wat ­iemand doet, maar wie handelt, bepaalt iemands geloofwaardigheid. Identitaire hardliners spiegelen de logica van het privilege dat ze proberen te bestrijden.

Het lijkt me duidelijk dat de keuze voor Marieke Lucas Rijneveld als vertaler gewoon fout was. De selectie gebeurde niet op basis van verdienste. De eerste Nederlandse winnaar van de International Booker Prize zei in een vroeger interview ‘steenkolen-Engels’ te spreken. De aanstelling was bovendien een vorm van identiteitspolitiek: als non­binair persoon streeft de vertaler, zoals de auteur, naar een inclusieve samen­leving. Dat is gewoon een fout criterium. Ironisch genoeg deed het Rijneveld de das om, omdat ze niet in de juiste hokjes paste.

Een uitgeverij kan ook proberen om de voordelen tussen kandidaten te corrigeren. Ze kan op zoek gaan naar getalenteerde jongeren en hen desnoods mee opleiden, vooral als ze de ervaring ontberen die mensen met meer kansen nu eenmaal makkelijker hebben. Deze corrigerende houding vereist geen ideologische stellingname over groepen, maar wel een kritische kijk naar de eigen commerciële motieven. De uitgeverij wilde op korte termijn een hit scoren door de bekende naam van de vertaler te koppelen aan de bekende naam van de auteur. Dat een uitgever boeken wil verkopen, kan niemand kwalijk vinden. Dat de bekommernissen om literaire kwaliteit niet primeerden, is pijnlijk. En de gemakzucht is ontgoochelend: als het besef speelt dat meer mensen kansen moeten krijgen, zijn langetermijnvisies nodig.

Deze column verscheen in De Standaard op 4 maart 2021.

Over verdiensten en privilege schrijf ik uitgebreid in mijn laatste boek ‘Machiavelli’s Lef. Levensfilosofie voor de vrije mens‘.

Over Hannah Arendt in “Interne Keuken”, radio 1

Op 6 februari 2021 sprak ik in ‘Interne Keuken‘ op Radio 1 over Ann Heberleins biografie: ‘Hannah Arendt. Over liefde en kwaad’. Die biografie was de aanleiding voor een gesprek over filosofie, liefde, denken en de positie van de ‘paria’.

Met Koen Fillet en Sven Speybrouck, productie door Erik Van Grieken.

Andere gasten waren Mira Feticu, over haar boek ‘Een Ode aan het Nederlands’; Ilja Van Hespen over drugsvangst op zee en Rob Eeckhoutover Catch. Een uitzending die je telkens in een andere wereld deed belanden!

Hierover ging het gesprek over Hannah Arendt:

“Kijk, wat Hannah Arendt met Martin Heidegger heeft gehad, het zijn onze zaken niet. Ok, hij was – tegelijk haar mentor en minnaar – een van de beroemdste filosofen van zijn tijd, terwijl zij zou uitgroeien tot een van de meest invloedrijke intellectuelen van de twintigste eeuw. Zij was Joods en moest als jonge vrouw nazi-Duitsland ontvluchten, hij ontpopte zich tot een fervent aanhanger van Hitler.

Zij dacht en schreef een leven lang over goed en kwaad, over liefde en macht, mensenrechten en maatschappelijk engagement. Hij werd de eerste jaren na de oorlog met pek en veren afgevoerd. Maar wie nam voor hem op? Hannah Arendt.

Misschien we het er toch maar over hebben. Over wat dat was tussen die twee. En over de Holocaust en vergeving.”

‘Zorgers vormen de basis voor alles’, column DS, 4 feb. 2021

Een crisis openbaart verhoudingen die zich in betere tijden aan het oog onttrekken. In die zin lijkt ze op een kristal: pas als die valt, verschijnen de verborgen breuklijnen. Ervaringen van kwetsbaarheid en afhankelijkheid, bijvoorbeeld, bleven vóór de pandemie makkelijker verstopt. Verhalen over nood, ziekte, lijden, eenzaamheid of dood konden naar de marges van het drukke leven worden verbannen. De werk­omstandigheden van verzorgers, die er wel mee te maken kregen, waren geen dringend gespreksonderwerp.

Die verzorgers hebben het al enkele maanden extra zwaar. Tegelijk werd bij de eerste lockdown duidelijk dat zij de boel draaiende houden. Verplegend personeel, hulpverleners, winkelbedienden, chauffeurs, treinconducteurs, kinderverzorgers, leerkrachten en veel anderen zijn onontbeerlijk. Toch voeren ze een beroep uit dat vaak ondergewaardeerd wordt. Ze hebben weinig status en verdienen relatief weinig. Ze krijgen ook sneller dan anderen met agressie te maken. Die benarde situ­atie hangt samen met politieke en sociale structuren, maar ook met morele prioriteiten. Welke morele begrippen doen recht aan de levensnoodzakelijke praktijken die verzorgende mensen uitvoeren?

Die vraag staat centraal in het werk van de Franse filosofe Sandra Laugier, auteur van onder meer Le souci des autres. Éthique et politique du care (2006). In Vlaanderen is Laugier amper bekend, in Frankrijk is ze een invloedrijke filo­soof. Voor zorg gebruikt Laugier de Engelse term ‘care’, en niet het Franse ‘soin’. ‘Care­’ impliceert een actie­, het betekent zorgen voor. En het behelst een houding: geven om iets of iemand, aandacht hebben voor, zich ergens om bekommeren. Het impliceert ‘taking care’ (wat het Franse ‘soin­’ vat), én ‘caring about’.

Laugier werd geïnspireerd door Carol­ Gilligans In a different voice (1982). In dat werk onderzoekt Gilligan hoe jongens en meisjes morele dilemma’s interpreteren. Niet alleen doen ze dat vaak verschillend. Heel wat psychologen beschouwen abstracte en universele argumenten – die jongens vaker aanhalen – als moreel hoogstaander. Volgens Gilligan gebruiken meisjes dan weer makkelijker argumenten rond verbondenheid en zorg om hun verantwoordelijkheid te bepalen.

Natuurlijk zijn concepten als autonomie, rationaliteit en universaliteit belangrijk in het morele denken, noteert Laugier. Alleen moet er meer pluraliteit komen in wat als moreel waardevol geldt. Ze zoekt een taal om praktijken te belichten die erop gericht zijn om het dagelijkse leven van anderen mogelijk te maken. Daarom ontwikkelt ze het begrip ‘care’. Zo krijgt autonomie bijvoorbeeld een andere dimensie. Een succesvolle zakenman die de wereld rondreist, zegt Laugier, lijkt autonoom, maar zijn levensstijl is slechts mogelijk dankzij de veelzijdige, vaak onzichtbare inzet, de ‘care’, van anderen. Die ‘care’ is vaak in de handen van vrouwen, maar is niet wezenlijk vrouwelijk. Ook mannen kunnen verschillende morele perspectieven innemen.

Daaraan dacht ik toen ik in deze krant het relaas las van voormalig VRT-directeur Harry Sorgeloos (DS 9 juli 2020). Sorgeloos verliet de VRT om geriatrisch verpleger te worden. Hij wist bij zijn overstap dat hij privileges zou kwijt­raken, dat mensen bijvoorbeeld niet meer louter vanwege zijn positie naar hem zouden luisteren. Als verpleger moet hij zich daarentegen voor anderen openstellen. In zijn nieuwe functie constateert hij dat vooral vrouwen voor anderen zorgen. Ook thuis, geeft hij toe. Tegelijk heeft hij nu het gevoel dat hij meer met het leven zelf bezig is, en vindt hij zijn drive in kleine, menselijke dingen, niet meer in persoonlijke ambitie.

Het onderscheid in morele waardering – tussen rationaliteit en autonomie versus ‘care’ – zet zich in de eco­nomische en sociale realiteit door. De manager die meet, kwantificeert en objec­tiveert, lijkt valabeler werk te verrichten. Maar vaak belast de rationele eis tot renda­biliteit het werk van zorgend personeel door administratieve rompslomp te creëren.

Door de lockdowns lijken politici te beseffen dat levensnoodzakelijke beroepen meer ondersteuning verdienen. Dat is fijn, maar er is ook een andere kijk op kwetsbaarheid en afhankelijkheid nodig. Die zijn geen tekenen van zwakte, aldus Laugier, maar maken deel uit van de menselijke conditie. Wie zich daarvan bewust is, voelt zich op een andere manier verantwoordelijk. En niet alleen voor mensenlevens tijdens een pandemie. Bij uitbreiding voor alle levende wezens. ‘Care’ heeft ook een ecologische dimensie. Dat maakt het begrip voor de toekomst alleen­ maar relevanter.

Interview over Machiavelli in ‘La-On Magazine’

Interview door Paul Cools en Thomas Feijen, ‘La-On Magazine‘.

“Machiavelli is veel subtieler dan zijn reputatie doet vermoeden.

Filosofe Tinneke Beeckman schreef een boek over een van de meest verkeerd begrepen denkers ooit: Niccolò Machiavelli (1469-1527). De Italiaan ging de geschiedenis in als een pleitbezorger van list, misleiding en onderdrukking. Maar Beeckman herkende in zijn geschriften vooral een pragmatisch diplomaat die belang hecht aan republikeinse vrijheden en volksinspraak. Waarom is Machiavelli ook vandaag nog relevant?

Machiavelli heeft zijn reputatie al eeu- wenlang niet mee. Hoe ben je ertoe gekomen om het brede publiek te laten kennismaken met zijn andere kant? 

Dankzij Spinoza. In de zeventiende-eeuwse Nederlandse Republiek lazen veel tijdgenoten van hem Machiavelli om te ontdekken hoe men een republiek moest organiseren. Machiavelli was voor hen de man met de wijze antwoorden. Vijftien jaar geleden las ik voor het eerst Machiavelli’s Discorsi en ik was meteen weg van hem. Er zitten talloze passages in dat boek waarin hij zijn afschuw betuigt over machtswillekeur. Als rondreizende dignitaris voor de republiek Firenze zette hij zich in voor vrijheden. Hij ging praten met de prominente figuren van zijn tijd zoals de paus en de Franse koning over de onafhankelijkheid van de stadsstaat.

In je boek schrijf je dat voor Machia- velli politiek uit conflict bestaat. Het conflict tussen de elite en het volk. 

Machiavelli maakt het verschil tussen de elite, de aristocratie en de burgerij. Hij is heel positief over de mogelijkheden van een volk om zichzelf te besturen. De aristocraten zijn de mensen die terughou- dend zijn als het om verandering gaat. Denk aan magistraten of de legerleiding. Zij verlangen ernaar om hun macht te behouden en te vergroten. Dat kan leiden tot tirannie. Daarom is het belangrijk dat het volk ook inspraak heeft.

Bestaat er vandaag nog een grote kloof tussen de elite en het volk?
Vandaag bestaat de politieke opdeling tussen linkse en rechtse partijen. Maar het is complex: binnen linkse partijen kunnen politici machtsbehoudend denken, en sommige rechtse partijen proberen het volk aan te spreken. In elk geval

heb je in een samenleving altijd mensen die eerder behoudsgezind zijn en anderen die alles wat te maken heeft met autoriteit in vraag stellen. Deze twee uitersten heeft een samenleving nodig. Machiavelli geeft zelf een voorbeeld: wanneer er een acute dreiging is, is de aristocratie belangrijk omdat die de middelen heeft om snel in te grijpen. Ook Churchill deed als conservatief politicus tijdens WO II een appel op het Britse patriottisme om het volk te verenigen. Alles wat behoudsge- zind is, zoals nationale symbolen of een vlag, is op zo’n moment belangrijk.

Heeft Machiavelli ooit aangegeven dat hij hoopte op een eengemaakt Italië? Hij droomde daar wel van. In het laatste hoofdstuk van Il Principe fantaseert hij over een sterke figuur die Italië zou kunnen herenigen. Machiavelli denkt in te- genstelling tot veel anderen helemaal niet zo universalistisch. Zijn favoriete systeem voor de vrijheid is de republiek, maar zijn realisme noopt hem om te zeggen dat niet elke samenleving daar klaar voor is. In 1520 is hij in zijn teksten een duidelijke voorstander van een republiek met volksinspraak, maar tegelijkertijd vindt hij dat er een sterke leider nodig is.

De Belgische staatsstructuur en de verschillende taalgemeenschappen staan soms weleens tegenover elkaar. Kan conflict ook contraproductief worden en verlammend werken?

Een goed politiek conflict ontstaat wanneer alle verschillende stromingen en verlangens een plaats krijgen binnen één structuur. Als het conflict het staatsbestel als zodanig in vraag stelt, dan is het effect nefast. Je hebt dat bijvoorbeeld in België en in de werking van de Europese Unie. Zulke conflicten, zoals ook de Britten die uit de EU stappen, helpen de politieke gemeenschap en vrijheid niet vooruit.

Vanaf wanneer verzandt conflict in polarisatie?
Als je de mening van de ander niet meer erkent. Machiavelli laat daarom steeds verschillende stemmen aan het woord. Hij schrijft in Il Principe dat de elite de stand- punten van het volk moet begrijpen en andersom. Het is voor de mens belangrijk om zich in te leven in andersdenkenden. Wie er een andere visie op nahoudt, is niet per se een vijand. Helaas hebben alle kanten van het politieke spectrum het hier vandaag moeilijk mee.

Verwijs je daarom in ‘Machiavelli’s lef’ naar de opgang van identiteitsdenken? Ja, aanhangers van identiteitspolitiek kijken alleen naar wie machtig en geprivilegieerd is en wie niet. Daaraan worden morele oordelen gekoppeld: privilege is slecht, slachtofferschap is goed. Alles — van werkloosheid tot schoolachterstand — wordt tot deze tweedeling herleid. ‘Witte’ heteromannen zijn slecht en die positie bepaalt of iemand mag spreken of moet zwijgen. ‘Zwarten kunnen nooit racist zijn,’ wordt dan gezegd. Daardoor telt individuele verantwoordelijkheid niet meer mee. Identiteitspolitiek zet mensen tegen elkaar op en belemmert eerder de weg naar een vrije samenleving met min- der privileges en meer gelijkheid.

Heel veel mensen ervaren ‘noodzaak’ als een vrijheidsbeperking. Machiavelli ziet het gek genoeg als iets positiefs. Machiavelli is veel subtieler dan zijn reputatie doet vermoeden. Je weet soms niet van een zestiende-eeuwse schrijver of hij iemand citeert of zijn eigen ideeën op papier zet. Vaak reconstrueert Machiavelli een gesprek en rond dit onderwerp voert hij de Romeinse geschiedschrijver Livius op die zegt dat noodzaak het sterkste wapen is. Het kan legitimeren dat de uitvoerende macht meer slagkracht krijgt. Politici zijn geneigd om telkens een noodzaak in te roepen: ‘We moeten dit of dat…’ Maar al bestaat er een noodzaak, dan blijft de politieke pluraliteit: er zijn altijd verschillende keuzes. Daarom moet je oppassen voor de retorische truc, alsof er maar één oplossing zou zijn.

Hoe kan een burger bepalen of een maatregel noodzakelijk is?
Bij Machiavelli bestaat het idee van kritisch burgerschap en de ruimte om te kunnen protesteren. Voor het algemeen belang moet men vertrouwen op het volk.

Is dat in het verleden ook niet heel erg fout gelopen?
Het volk kan zich inderdaad door een leider laten misleiden. Dat thema behandel ik uitvoerig in het boek. Maar ook dan speelt de elite een ambivalente rol: meestal doet zo’n autoritaire leider alsof hij het volk vertegenwoordigt, terwijl hij de financiële, culturele middelen heeft die bij de elite horen. Autoritaire leiders krijgen ook vrij spel in een samenleving die al corrupt is. Je moet je dus niet blindstaren op het gedrag van zo’n leider.

Hoe zou Montesquieu, de Verlichte grondlegger van de scheiding der machten, tegenover Machiavelli ge- staan hebben?

De republiek was voor Montesquieu een samenlevingsvorm met de deugd als principe. Dat betekende voor hem niet alleen patriottisme en gehoorzaamheid aan de wet, maar ook een verlangen. Zowel bij Machiavelli als Montesquieu gaat het niet over een christelijke deugd. Het heeft eerder te maken met burgerschap en het volgen van bepaalde zeden. Zo volstaat het niet dat er wetten zijn, want mensen moeten ze ook volgen. Daarover zouden ze het eens zijn geweest.

In je boek verwijs je niet vaak naar actuele voorbeelden, maar tijdens het lezen kan je niet anders dan verbanden leggen met bijvoorbeeld het populisme van Trump. Waarom mijd je dat zelf?
Ik wil vooral concepten zoals noodzaak en deugd aanreiken zodat mensen ze voor zichzelf kunnen invullen. Als schrijver ben ik er heel beducht voor om geen goeroe te zijn. Als filosoof kan ik alleen maar het perspectief verbreden. Hoe de lezer daarmee omgaat, moet hij zelf kiezen. Ook dat is pluraliteit.

Volgens de politicoloog David Runci- man bevindt de democratie zich per- manent in een staat van crisis. Moeten we ook niet beter leren omgaan met conflict?

Daar ben ik het mee eens. Er zijn zoveel crisissen geweest. Bij betogingen tegen de economische Eenheidswet begin jaren ’60 vielen in België zelfs doden. Elk tijdvak heeft natuurlijk wel bepaalde uit- dagingen. Sociale media versterken bijvoorbeeld narcistische tendensen bij politici én burgers. Die overdreven aandacht voor het eigen ego botst met het politieke spel. Wat je volgens Machiavelli moet doen, is je eigen virtù ontwikkelen, dit is deugd als een mogelijkheid tot actie. Zo omschrijft Hannah Arendt virtù: ze schrijft aan Machiavelli precies dit idee van ‘vrijheid in actie’ toe. Onderneem, begin iets nieuws, engageer je met anderen. Machiavelli geeft geen eenduidige definitie. Ik heb in het boek de verschillende aspecten van het begrip verzameld om een duidelijker beeld te geven.”