“Rituelen behoeven geen vernedering”, column DS, 12 mei 2022

Bij het doopritueel van de studentenclub Reuzegom kwam de jonge student Sanda Dia om het leven. De rechtbank moet over de specifieke omstandigheden van zijn tragische dood oordelen. Wat me hier interesseert, is de meer algemene vraag of vernedering een rol speelt in ­rituelen en, indien ja, welke. Want het valt op dat de Reuzegommers mens­onterende behandelingen oplegden, die een opstapje zouden zijn om bij de elite te horen – ‘een gestoord bruut jaar voor de elite die we zijn’, dixit de schachtentemmer. Schachten moesten op zich laten urineren, levende en dode dieren inslikken (een muis door een blender gemixt), weerzinwekkende brouwsels drinken, uren in koud water liggen … .

Elke cultuur kent publieke overgangsrituelen: momenten van inwijding waarop de groep nieuwe leden ontvangt, die daardoor een nieuwe, ­hogere status krijgen. In veel culturen moet de ingewijde een echte proef doorstaan, bijvoorbeeld tijdens de ­puberteit. Die test scherpt de kwaliteiten aan die de jongere later nodig zal hebben, zoals moed, vindingrijkheid, veerkracht, geduld, volharding. Een klassiek voorbeeld is de jongeman die bij de Masai een nacht alleen in de wildernis moet doorbrengen. De rite is ook veelzijdig. Tijdens het hele proces komt de jongere in contact met leeftijdsgenoten en met volwassenen met wie hij een vertrouwensband opbouwt. Wijsheid doorgeven speelt een belangrijke rol, de jongeren worden aangezet om na te denken over hun rol als volwaardige deelnemer aan de gemeenschap. Die ervaring stimuleert het zelfvertrouwen. Na afloop geven de ouderen de ingewijden meer erkenning en verantwoor­delijkheid.

Het Westen heeft de voeling met overgangsrituelen veelal verloren. Het volstaat dat je jarig bent om dezelfde rechten als een volwassene te verkrijgen – op je achttiende mag je stemmen en word je financieel onafhankelijk. Toch vieren de meeste jongeren een transitie van kind naar jongvolwassene door religieuze of wereldlijke riten. Denk maar aan de plechtige communie, de joodse bar mitswa, de eerste deelname aan de ramadan of het lentefeest. Deelnemers krijgen vooral lessen als voorbereiding; ze moeten (religieuze) teksten uit het hoofd leren of zelf teksten samenstellen. Bovendien ligt de nadruk op de feestelijke viering en de geschenken. Er zijn amper tradities die erop gericht zijn om specifieke eigenschappen of vaardigheden te ontdekken.

De studentendoop bevat wel beproevingen, die studenten in de groep integreren. Deze initiatierite verschilt van het overgangsritueel tijdens de puberteit, omdat selectie hier een rol speelt – alleen de uitverkozenen mogen ingewijd worden. Rond deze dopen ontstaat geregeld ophef, omdat ze ontsporen, soms met fatale gevolgen. De Canadese psychologe en specialiste interculturele relaties Rachida Azdouz (Université de Montréal) benadrukt daarom dat dooprituelen altijd een betekenis moeten hebben. De leerervaring moet duidelijk zijn. Dat leerinzicht ontbreekt vaak, omdat een diepere reflectie over rituelen ook ontbreekt. Verder legt Azdouz uit dat gratuite vernederingen veelvuldig voorkomen, maar ontoelaatbaar zijn. Tegelijk maakt ze een onderscheid tussen vernedering en nederigheid: een beperkte vernederende ervaring kan wel zinvol zijn, wanneer die tot nederigheid inspireert (met inachtname van voldoende beschermende maatregelen, een aspect dat Azdouz benadrukt). Ze verwijst naar koningen die traditioneel krenkingen moesten ondergaan voor ze werden gekroond. Die ervaring moest hen er blijvend aan herinneren dat ­nederigheid een teken van grootsheid is en dat ze hun macht niet mochten misbruiken. Op gelijkaardige wijze kunnen deelnemers aan dopen die een leidende functie beogen, leren dat ze hun ego moeten temperen, aldus Azdouz. Die ervaring weerhoudt hen ervan om hun superioriteit te doen gelden. Intussen rijst de vraag of moderne samenlevingen geen andere middelen hebben dan een dosis vernedering om de toekomstige elite wat deemoed en zelfreflectie bij te brengen.

Het onderscheid tussen nederigheid en vernedering illustreert bovendien twee visies op leiderschap die de kwestie van studentendopen ver te buiten gaan: dat je als leider het recht hebt ­anderen te vernederen, of dat leiderschap juist inhoudt dat je je ego kan milderen om een groep te inspireren. Helaas verschijnen geregeld voorbeelden van leiders die overtuigd zijn van hun recht op vernedering. Zij geven de boodschap aan ondergeschikten dat hun ambitie inhoudt dat ze zich moeten laten kleineren. Van het personeel in een van de meest gerenommeerde boekhandels van Brussel, Filigranes, of enkele onfortuinlijke doctoraatsstudenten aan de UGent of de KU Leuven, waarover een Pano-documentaire werd gemaakt (uitgezonden op 16 maart), tot jonge sporters of mensen die voor ‘topondernemers’, ‘topkunstenaars’ of ‘toppolitici’ werken. Overal zijn vergelijk­bare voorbeelden te vinden van mensen die prestigieuze posities bekleden, maar achter de schermen doelbewust anderen neerhalen. Terwijl een goede leider zijn doel bereikt door anderen in hun waarde te halen. Nederigheid is daarbij een vanzelfsprekende houding. ‘A truly humble person will not be ­thinking about humility, he will not be thinking about himself at all’, zoals C.S. Lewis het duidde.”

Over “Moed”, op Radio 1, De Wereld van Sofie, 28 april 2022

Wat beschouwen we als moedig? Verandert dat doorheen de tijd? Wat kan je doen om moediger te zijn? Dat vroeg Sofie Lemaire me, op Radio 1.

Je kan het gesprek opnieuw beluisteren.

“Moed houdt ook filosofen al eeuwenlang bezig.  Voor Aristoteles was moed een deugd, iets praktisch, waar je aan kon werken. De middenweg tussen roekeloosheid en verlammende angst. Het vermogen om ondanks je angst toch te handelen. Over deze en andere visies op moed praat Sofie Lemaire met filosofe Tinneke Beeckman.

“Obesitas weegt op de gezondheid”, DS, 28 april 2022

Op het bankje in het station zit een zwaarlijvige tiener, voorovergebogen naar zijn smartphone te staren. Ik vraag hem rustig of ik erbij mag. Eerder verlegen dan onvriendelijk trekt hij zijn spullen naar zich toe, en staart verder naar zijn scherm. Ik kan me voorstellen hoe dat toestel een gezel lijkt, zonder dat zijn eenzaamheid wordt door­broken. En hoe vaak zo’n obese jongen op zijn uiterlijk wordt aangesproken.

Negatief commentaar op iemands ­uiterlijk is kwetsend. Zelfs al zou zo’n opmerking goedbedoeld zijn, ze blijft contraproductief. Niemand krijgt energie om iets ten goede te veranderen als zijn zelfvertrouwen eerst onderuit werd gehaald. De kritiek op fatshaming is ­terecht; diversiteit mag, niet iedereen hoeft er hetzelfde uit te zien. Mensen kunnen op vele manieren mooi zijn.

Aan de andere kant is het een veeg teken dat een toenemend aantal jonge mensen met overgewicht kampt. Overgewicht is erg ongezond, het speelt een grote rol bij allerlei levensbedreigende ziektes. Voor wie corona kreeg en op ­intensieve zorg belandde, bijvoorbeeld, was het een belangrijke factor.

Kortom, mensen moeten wel aangespoord worden om een gezond gewicht te behouden, maar dan zonder dat ze zich gekleineerd voelen. Dat is een moeilijke oefening.

Cruciaal is ook de rol van de voedingsindustrie te erkennen. Het is niet toevallig dat mensen nu meer over­gewicht hebben dan vroeger. In 2015 voerde België een suikertaks in, maar die was veel te laag om tot een gedragsverandering te leiden; daarvoor is niet 3 procent, maar minimum 10 tot 20 procent nodig, volgens specialisten. Meestal verzandt de discussie rond zo’n suikertaks in een welles-nietesdiscussie over koopkracht. Dat is maar een deel van het verhaal. Onderzoek toont aan dat maatregelen tegen obesitas positieve effecten hebben voor de consument (die nadien geen hogere verzekeringspremies of andere medische onkosten aangerekend krijgt). En in de discussie moet de rol van de voedingsindustrie worden betrokken. Het winstmodel van bedrijven is niet gericht op de gezondheid van de consument, maar op de voordelen voor de aandeelhouders.

In zijn boek The hacking of the American mind. The science behind the corporate takeover of our bodies and brains (2018) schetst de Amerikaanse endo­crinoloog Robert Lustig een vernietigend beeld van die voedingsindustrie. Hij toont een verband tussen de dramatische toename van overgewicht in de VS vanaf de jaren 80 en de doorbraak van een industrie die goedkope suikerrijke, vetrijke en zoute producten op de markt brengt. Als wetenschapper benadrukt Lustig het effect van voedings­patronen op chemische reacties in de hersenen. Sommige stoffen genereren een geluksgevoel (happiness), andere geven genot (pleasure). Voor geluk heb je hoge doses serotonine nodig, voor de korte kick een shot dopamine. Junkfood (suikerrijk en vettig) stimuleert de dopamineproductie en geeft zo’n korte kick. Maar wie vaak die stimulans activeert, wordt gevoellozer. Iedereen met een grote of kleine verslaving herkent dat: na een tijdje heeft een kleine dosis suiker, ­koffie of alcohol niet meer hetzelfde ­effect. Je hebt méér nodig. Intussen neemt ook de serotonine in je hersenen af, waardoor je welbevinden daalt. Je bent dus nog meer geneigd naar producten te grijpen die je een opkikker geven. Zo kom je in een vicieuze cirkel terecht, waarbij je veel ongezonde spullen eet of drinkt, die je uiteindelijk een ellendig gevoel bezorgen.

Wat je gelukkig maakt, en wat je ­genot geeft, zijn dus niet alleen twee verschillende, maar zelfs tegengestelde dingen, aldus Lustig. Geluk veronderstelt volgens hem ervaringen, activiteiten waarvan je positieve effecten voelt op lange termijn (gezond eten); je doet het samen met anderen (met vrienden dineren, niet alleen voor je scherm zitten); je kunt het delen, het is niet alleen voor jezelf; je blijft onafhankelijk van bepaalde substanties (suiker, alcohol, drugs); en véél verbruiken stelt geen probleem. De kick, daarentegen, geeft je kortstondig een beter gevoel, je ­ervaart het alleen, je kunt het niet ­delen, je hebt een substantie nodig en veelvuldige inname kan tot verslaving leiden.

Natuurlijk kun je iedereen vrij laten om te consumeren wat hij wil. Alleen is niet iedereen gelijk in die afweging. De ene is beter geïnformeerd, beter ­omringd, beter betaald dan de andere. Daarom moet de consument beter ­beschermd worden. Als je stelt dat mensen individuele keuzes kunnen maken, en dat de overheid niet betuttelend mag optreden, misken je die ongelijkheid. Gezondheidsorganisaties stellen niet alleen suikertaksen voor, maar ook een ruim, positief beleid. Gezonde voeding zou goedkoper moeten zijn, door minder belastingen op groenten en fruit. Voedingslabels kunnen verder worden uitgewerkt. En hoe kinderen en jongeren het doelpubliek zijn van voedingsindustrieën, moet worden bekeken.

De jongen naast me vindt misschien dat volwassenen zich niet met zijn leven moeten moeien. Ik zeg al niets meer. Maar zonder hem het leven lastig te maken, kunnen volwassenen er wel op toezien dat jongeren zoals hij gezonder kunnen opgroeien.”

Deze column verscheen in De Standaard van donderdag 28 april 2022.

Over Michael Boelgakov ‘De Meester en Margarita’ in ‘De Balie’, 1 mei 2022

Op zondagavond 1 mei nam ik deel aan een gespreksavond over Michael Boelgakov roman ‘De Meester en Margarita’ in De Balie te Amsterdam. Het werd een heel bijzondere avond, met theater, gesprekken en analyses. Je kan die op de site van vimeo opnieuw zien.

“Het is een van de beroemdste boeken uit de wereldliteratuur: De Meester en Margarita van Michael Boelgakov. Met zijn satirisch en magisch-realistische verhaal vol duivels, zwarte katten en religieuze figuren gaf Boelgakov scherpe kritiek op de Sovjetmaatschappij uit de jaren dertig waar kunstenaars en andersdenkenden massaal de mond werd gesnoerd. Zijn kritiek is actueler dan ooit. De Balie en Orkatercollectief KONVOOI verkennen op het podium samen met vertaler Nina Targan Mouravi, literatuurwetenschapper Philip Westbroek en politiek filosoof Tinneke Beeckman de actualiteit van deze cultroman met gesprek, theater en muzikale intermezzo’s. Hoe moeten we vanuit het nu kijken naar Boelgakovs literair verzet tegen een autocratisch regime?

De Meester en Margarita De Balie x Orkater over de actualiteit van kunst en verzet from De Balie TV on Vimeo.

Michael Boelgakov (Kyiv, 1891 – Moskou, 1940) schreef tot vlak voor zijn dood aan zijn meesterwerk. Pas 26 jaar na zijn overlijden werd De Meester en Margarita in zwaar gecensureerde versie uitgegeven in Rusland en zorgde voor een wereldwijde sensatie en vormden een inspiratiebron voor talloze kunstenaars.

Het talentvolle Orkater/De Nieuwkomers KONVOOI onderzoekt in hun bewerking van Boelgakovs werk hoe de mens zich staande houdt in een wereld waarin waarheid haar waarde verloren lijkt te hebben. De bejubelde voorstelling is opnieuw te zien in het theater van 8 april t/m 21 mei.

Nina Targan Mouravi is vertaler, portrettist en ontwerper. Ze werd geboren in Georgie en groeide op in Moskou in een kunstenaarsfamilie. Sinds 1991 woont ze in Nederland. Ze stelde meerdere bundels samen met haar vertalingen van Georgische en Russische poëzie.

Tinneke Beeckman is politiek filosoof en columnist bij De Standaard. In haar werken Macht en Onmacht, Door Spinoza’s lens en Machiavelli’s les schrijft ze over thema’s als macht, waarheid en democratie.

Philip Westbroek is literatuurwetenschapper aan de Universiteit van Amsterdam. Hij doceert letterkunde en filosofie bij onder meer de vakgroepen theaterwetenschappen, slavistiek en religie binnen de faculteit der geesteswetenschappen.

Orkater/De Nieuwkomers is een talentontwikkelingsprogramma specifiek gericht op muziektheater. Muziektheatergezelschap Orkater is in 2006 gestart met de Nieuwkomers waarbij jonge professionele theatermakers de gelegenheid krijgen om binnen Orkater hun eigen muziektheatervoorstelling te maken.

‘Is het onderscheid tussen links en rechts gedateerd?’, interview over Franse verkiezingen voor Trouw, 14 april 2022

Dit interview verscheen in Trouw, op 14 april 2022, door Maurice van Turnhout.

In het Filosofisch Elftal legt Trouw een actuele vraag voor aan twee filosofen uit een poule van elf. Vandaag: past de politieke strijd tussen Macron en Le Pen nog in de traditionele tegenstelling tussen links en rechts?

De links-rechts-tegenstelling is in Frankrijk niet langer leidend,’ zo luidde een analyse van de eerste ronde van de Franse presidentsverkiezingen maandagochtend in deze krant. De sociaal-liberale president Emmanuel Macron en zijn nationalistische uitdager Marine Le Pen kwamen als winnaars uit de bus. Allebei beweren ze van zichzelf dat ze de links-rechts-tegenstelling overstijgen: ni droit, ni gauche.

Analyses over het verdwijnen van de links-rechts-tegenstelling waren de afgelopen decennia ook na Nederlandse verkiezingsuitslagen niet van de lucht. Is die tegenstelling voltooid verleden tijd in de Europese politiek?

Oorspronkelijk stamt het onderscheid tussen ‘links’ en ‘rechts’ uit het Franse parlement, waar in de tijd van de Franse Revolutie de conservatieve monarchisten rechts van de voorzitter zaten en de progressieve republikeinen links.

“Tijdens de Dreyfusaffaire, rond 1900, verscherpte die links-rechts-tegenstelling zich,” zegt Tinneke Beeckman, filosoof en columnist. “De Joodse luitenant Alfred Dreyfus werd ten onrechte beschuldigd van landverraad. Na zijn veroordeling schreef Émile Zola zijn beroemde krantenartikel met de titel J’Accuse. Hij koos daarin de positie van de republikeinen uit de Franse Revolutie: alle burgers hebben gelijke rechten, dus elke burger heeft het recht om na een valse beschuldiging de staat aan te klagen. Tegelijkertijd kaartte Zola de uitbuiting van arbeiders door het kapitalisme aan.”

Zo vielen bij Zola het linkse politieke verhaal over gelijke rechten en het linkse economische verhaal over anti-kapitalisme samen, zegt Beeckman. “Tegenover Zola stonden de rechtse reactionaire krachten, die nostalgisch waren naar de dagen van het ancien régime, toen politieke macht nog was gebaseerd op privileges, tradities en religie. Tijdens de laatste verkiezingsronde werd het links van Zola vertegenwoordigd door de socialist Jean-Luc Mélenchon, terwijl kandidaat Éric Zemmour zich opstelde als rechts-reactionair.”

Uiteindelijk zijn het niet Mélenchon en Zemmour die in de tweede ronde van de verkiezingen op 24 april de degens kruisen, maar Macron en Le Pen. “Zij combineren allebei linkse en rechtse posities,” vervolgt Beeckman. “Dat kan tot verwarring leiden. Le Pen probeert de arbeidersklasse economisch aan te spreken, de traditionele achterban van links.”

Frank Ankersmit, emeritus-hoogleraar intellectuele geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen, vult aan: “Traditioneel-links is in Frankrijk gedecimeerd, vandaar dat er in die hoek voor Le Pen een wereld te winnen valt. Ze profiteert ervan dat Macron niet bepaald overkomt als iemand die pal staat voor de ‘verworpenen der aarde’, zoals het heette in het oude strijdlied van de linkse arbeidersbeweging. Macron wordt gezien als de president van de rijken, niet geheel ten onrechte.”

Beeckman: “Le Pens achterban zit grotendeels op het platteland, waar mensen vaak sociaal conservatief zijn maar economisch gezien voorstander van overheidsingrijpen. Macron biedt precies het tegenovergestelde. Op sociaal vlak is hij links, denk aan bijvoorbeeld homorechten en het recht op abortus, maar hij voerde de afgelopen vijf jaar ook een liberaal economisch beleid met nadruk op individualisme en promotie van het bedrijfsleven. Macron vertegenwoordigt het midden, het is moeilijk te zeggen waar hij nu precies voor staat. De tegenstelling tussen hem en Le Pen draait niet zozeer om links tegen rechts, meer om de vraag: ben je voor of tegen globalisering? Le Pen stelt zich op als nationalistisch, sterk tegen de Europese Unie. Haar kiezers voelen zich door een internationaal georiënteerde politicus als Macron in de steek gelaten, ze hebben het gevoel dat ze hun identiteit verliezen in een geglobaliseerde wereld.”

Ankersmit: “Dat verlies van identiteit heeft alles te maken met hoe linkse partijen vanaf eind vorige eeuw met migratie zijn omgaan. Links zag immigranten als verworpenen der aarde, maar had te weinig oog voor haar traditionele electoraat. Het arbeidersproletariaat zag immigranten als concurrenten en trok vervolgens de identitaire kaart, in Nederland bijvoorbeeld door op de partij van Pim Fortuyn te stemmen. Links heeft zichzelf in de voet geschoten door die oude achterban te negeren, ook in Frankrijk.”

Beeckman: “Er wordt nu gevreesd dat kiezers van de socialist Mélenchon in de tweede ronde van de verkiezingen over zullen lopen naar Le Pen. Net als in de jaren dertig van de vorige eeuw is er op de flanken van zowel links als rechts een afkeer van de geglobaliseerde, liberaal-kapitalistische elite. In de dertiger jaren deed Erich Fromm sociologisch onderzoek naar kiezers uit de arbeidersklasse. Fromm bestudeerde in wat voor huizen ze woonden, hoe ze zich kleedden en gedroegen. En wat bleek? Mensen die sterk op elkaar leken qua waarden en levensstijl werden soms door extreem-links aangesproken en soms door extreem-rechts, afhankelijk van hoe het politieke verhaal aan ze verteld werd.”

Ankersmit: “Ja, die extremen raken elkaar meer dan je op inhoudelijke gronden zou verwachten. Tegenwoordig lijken kiezers narrig te zijn geworden, ze willen zich afzetten tegen wat middenpartijen als redelijk en fatsoenlijk beschouwen. Het maakt ze niet uit of die radicale reactie van links of van rechts komt. Ook in de Verenigde Staten zie je die verontrustende tendens. Robert Putnam schreef twintig jaar geleden het boek Bowling Alone, over de versplintering van de Amerikaanse sociale orde. Door sterk toegenomen individualisering kregen kiezers het idee dat ze nergens meer toe behoren en dat er niemand meer voor hen opkomt. Dan is het wachten op een sterke man als Donald Trump, die aan zulke gevoelens appelleert.”

Beeckman: “In mijn thuisland België maken de communisten nu een comeback, soms peilen ze al op 10 procent. Volgens mij bewijst het dat mensen hongerig zijn naar meer ideologische aanscherping. Ze willen zich graag identificeren met een bepaalde groep, en daar is ook helemaal niets mis mee. Met een middenpositie misken je dat er een ideologische tegenstelling tussen links en rechts bestaat, schreef de Belgische filosoof Chantal Mouffe. Een centrumpolitiek als die van Macron doet het volk op de langere termijn meer kwaad dan goed. Je probeert extremen te vermijden, maar daarmee komen die extremen juist aan de flanken op.”

Ankersmit: “Daar ben ik het volmondig mee eens. Als we in Nederland ons honderdvijftig jaar oude stelsel van partijpolitiek willen behouden is het absoluut noodzakelijk om weer scherper te profileren op links en rechts. Wie weet nog waar het CDA voor staat, of de VVD? Zonder politiek ideaal heeft een partij geen bestaansrecht. De Tweede Kamer is een toneelspel, waar politici als acteurs de rol van hun achterban vertolken. En dan moet je ook vanuit de engelenbak kunnen zien of de spelers van links of van rechts opkomen.”

In het Filosofisch Elftal legt Trouw een actuele vraag voor aan twee filosofen uit een poule van elf. Lees hier eerdere afleveringen terug.

“Why we fight”, documentaire van Alain Platel & Mirjam Devriendt – 16 April 2022 in Gent

Op zaterdag 16 april neem ik deel aan een gesprek over de documentaire ‘Why we Fight’ (waarin ik ook aan het woord kom). Samen met de makers – Alain Platel en Mirjam Devriendt – en met Koert Debeuf.

Tickets zijn verkrijgbaar: in Sphinx Cinema te Gent.

“Alain Platel is vooral bekend als drijvende kracht achter het dansgezelschap Les Ballets C de la B. Samen met Mirjam Devriendt zoekt hij in deze pakkende documentaire naar de wortels van geweld.

Van geësthetiseerd geweld in dans tot knokpartijen en grote oorlogen: ‘Why we fight?’ exploreert de vechtersbaas in de mens.

Drie dansers uit Platels voorstelling ‘Nicht slafen’ vertellen over hun ervaringen met geweld, zowel fysiek als psychologisch. Hun observaties en opmerkingen worden afgewisseld met interventies van onder anderen kunstenares Berlinde De Bruyckere en filosoof Philipp Blom. Geleidelijk aan wordt duidelijk dat geweld vaak een uitlaatklep is voor ongenoegen dat niet op een andere manier geventileerd kan worden. En dat geweld onlosmakelijk deel uitmaakt van een democratie. 


16/04 om 20u: première in aanwezigheid van Alain Platel en Mirjam Devriendt, Koert Debeuf en Tinneke BeeckmanFilmvertoning met nagesprek ‘Why We Fight NOW?’. Moderator: Tim Maerschand (Urgent.fm).

De andere data:
19/04/22 – Brussel – The Merode*
20/04/22 – Antwerpen – De Cinema* 21/04/22 – Gent – Sphinx Cinema* nagesprek ‘Positief Agressief’ met Lieven Deloof (vzw Touché) 22/04/22 – Brussel – Bozar* 23/04/22 – Kortrijk – Kunstencentrum Buda* 23/04/22 – Oostende – Cinema Storck 27/04/22 – Antwerpen – De Cinema 28/04/22 – Charleroi – Quai 10* 30/04/22 – Gent – Sphinx Cinema* nagesprek ‘Make Art Not War’ met Joost Demuynck (psycho-analyticus, Artevelde Hogeschool) 23/04/22 – Oostende – Cinema Storck ​​09/05/22 – Mechelen – Filmhuis Mechelen* 14 &15/05/22 – Koersel-Beringen – Roxy Theatre *in aanwezigheid van de regisseurs Tickets via: whywefightdocumentary.com/screenings Trailer: https://www.youtube.com/watch?v=u7fFbY4wMtY

Facebook: https://www.facebook.com/whywefightdocumentary

“Wellicht voelen al die roeptoeters zich ook niet goed in hun vel”,

Wie het hardst de ander kan neerhalen, lijkt een winnaar. Die ­brutaliteit in de sociale omgang laat veel sporen na. Bijna de helft van alle jongeren krijgt te maken met cyberpesten, blijkt uit onderzoek van de UGent. Werk­nemers in de zorgverlening of bij het openbaar vervoer klagen over toegenomen verbaal (en soms ­fysiek) geweld. In het politieke ­debat zijn scherpe aanvallen vaak persoonlijk, niet inhoudelijk. Alleen wie dat niet beu wordt, kan het er volhouden.

Wellicht voelen die roeptoeters zich evenmin goed in hun vel. Dit is geen excuus voor slecht gedrag. ­Ieder mens is verantwoordelijk voor zijn woorden en daden. Wel vermoed ik dat er een verband bestaat tussen innerlijk onbehagen en agressief taalgebruik. Aan het ­gesprek dat je met anderen voert, gaat een innerlijk gesprek vooraf. In je hoofd formuleer je je reacties op anderen. En je beoordeelt jezelf. Hoe mild, begripvol, genereus ­verloopt die interactie? Hoe spreek je jezelf toe als je een fout maakt? Zeg je dan ‘ik wil nu rustig kijken wat volgende keer beter kan’? Of ontsteekt er een tirade in je hoofd, waarin je jezelf idiote, hopeloze knoeier noemt?

De Amerikaanse psycholoog ­Marshall Rosenberg laat deel­nemers aan zijn workshops over ­geweldloze communicatie die oefening maken, precies omdat mensen er weinig bij stilstaan. De reflectie past in Rosenbergs methode. Hij leert je hoe je je in alle omstandigheden helder kunt uitdrukken en begripvol kunt luisteren. Ongeacht wat de ander doet. 

Rosenberg onderscheidt meerdere vormen van communicatie die een open gesprek met anderen in de weg staan, zoals moralistisch oor­delen en je verantwoordelijkheid ontkennen. 

Als je moralistisch oordeelt, dan bestempel je mensen als fout of slecht omdat ze iets doen dat niet strookt met jouw waardeschaal. Daaronder valt elke vorm van ­beschuldigen, vernederen of etiketten opkleven. ‘Wat is dat voor een ­ijdeltuit’, denk je dan, of: ‘Die houding is egoïstisch.’ Dan volgt vaak de zogenaamd noodzakelijke ­bestraffing: een ‘slecht’, ‘verkeerd’ iemand verdient een (publieke) ­terechtwijzing. Alsof het terecht en zelfs nodig is dat je die ander op zijn plaats zet. Op die manier blijf je blind voor je eigen veroordelende gedrag, en de nefaste dynamiek die je daarmee op gang trekt. Want de tegenstander reageert veelal met scherpe veroordelingen. Intussen verbetert niemands gedrag. Dat hoeft niet te verbazen: negatieve ­gevoelens tasten je eigenwaarde aan. Als je bekritiseerd wordt, voel je je kleiner, minder. Een kind wordt niet slimmer als iemand het dom noemt; het groeit als het vertrouwen krijgt in de eigen capaciteiten. ­Natuurlijk moeten kinderen gecorrigeerd worden. Maar je kunt hen aanmanen zonder hen met kritiek, schuld en schaamte te beladen. Scherpe kritieken en etiketten lijken op korte termijn goed te werken, omdat kinderen aan de verwachtingen van volwassenen willen voldoen. Helaas verinnerlijken ze die veroordelingen. Soms herhalen ze die veroordelende taal, in extremis als ze anderen pesten. Zo’n pester moet op zijn gedrag worden aangesproken. Maar de vraag is hoe je dat doet. Als je de boodschap geeft: ‘jij bent slecht, jij verdient een straf’, dan helpt dat waarschijnlijk nauwelijks. Want dan voed je die innerlijke genadeloze criticus, die de negatieve dynamiek in stand houdt. De vraag is eerder welke nood er schuilgaat achter die harde woorden voor de ander. Alleen door begrip kun je iemands houding veranderen. 

Aangeleerde gewoonten kunnen lang doorwerken – in een tierende volwassene schuilt een vernederd kind. En die verinnerlijking van ­categoriek taalgebruik genereert de zelfkritiek. Bij depressieve of angstige gevoelens duikt dan een streng stemmetje op in je hoofd, dat je nog meer naar beneden haalt. 

Op de koop toe hebben mensen de neiging om de verantwoordelijkheid voor hoe ze zich voelen bij de ander te leggen. Als je bijvoorbeeld zegt: ‘Jij maakt dat ik boos was en uithaalde’. Dat klopt niet. De ander kan wel een aanleiding zijn voor je boze gevoelens, maar je blijft zelf de oorzaak. Want je reactie vloeit voort uit de gedachte die zich in je ontwikkelt. In je hoofd begint het te malen en de uitkomst lijkt onontkoombaar: de aanstoker moet ­gestraft worden! In werkelijkheid beslis je zelf wat je doet. 

Je kunt dus onmogelijk mild zijn voor anderen, als je het niet bent voor jezelf. Daartoe moet je de eigen gevoelens en de achterliggende ­behoeften helder leren verwoorden. Dat kan heel wat oefening vergen. Die behoeften liggen diep begraven achter een goed geoefend vermogen om straf uit de hoek te komen.”

Deze column verscheen in De Standaard op 31 maart 2022.

In ‘Berg en Dal’ op Klara, 27 maart 2022

Op zondag 27 maart was ik te gast bij Pat Donnez, in het Klara-programma ‘Berg en Dal’.

Ik koos twee fragmenten: een dialoog uit de Dodengesprekken van Lucianus en een recept uit het kookboek van Julia Child.

“In haar columns fileert Beeckman de politieke en maatschappelijke actualiteit. Dat doet ze onder een motto uit George Orwells ‘1984’: “goed zien wat er onder je neus bevindt, is het moeilijkste wat er is.” Gelukkig heeft ze Spinoza en Machiavelli, de twee mannen in haar leven, om haar te helpen kijken.”

foto: Suzanna Loyens