“Prins Andrew, het probleem van de monarchie”, column DS 21 nov. 2019

“Veel mensen volgen de verhalen rond koninklijke families graag. Ze vallen voor de betoverende outfits, de fraaie paleizen en de elegante ceremonies. Af en toe halen schandalen de pers. Die lijken een vervelende smet op een gaaf blazoen. Maar het probleem zit dieper: scheve machtsverhoudingen vormen de kern van de monarchie.

Nu is er het schandaal rond de Britse prins Andrew. Hij zet een stap opzij na een verbijsterend interview enkele dagen geleden. Daarin probeert hij met eufemismen en povere uitvluchten zijn vriendschap met serieel meisjesverkrachter Jeffrey Epstein te rechtvaardigen (DS 18 november). Hij denkt niet aan de slachtoffers, rept met geen woord over excuses of berouw. Erger, hij gebruikt zijn bevoorrechte levensstijl als excuus: mensen gedragen zich nu eenmaal anders rondom royals … dus kon Andrew niet weten wat Epstein uitspookte. Uit dat interview blijkt geen spontane empathie, moreel inschattingsvermogen of verantwoordelijkheidszin. Dat ligt natuurlijk aan Andrew zelf. Maar de koninklijke leefwereld werkt wereldvreemdheid en een gevoel van bijzondere rechten en aanspraken in de hand. Gewone burgers die daarvan het slachtoffer worden, hebben weinig of geen verweer.

Zelfs wanneer de media een goednieuwsshow brengen, is de keerzijde nooit ver weg. Eind oktober vierde kroonprinses Elisabeth haar achttiende verjaardag. Over haar viel geen slecht woord te melden. Ze was voorbeeldig. Maar dezelfde week stond er een ander bericht in de krant: de elfjarige zoon van Delphine Boël, Oscar, kan geen bankrekening openen. Blijkbaar staat Boël op een zwarte lijst, omdat ze negatief in de media komt, heet het. Boël eist een vaderschapstest van koning Albert II – ze aanvaardt niet dat ze niet erkend wordt als zijn dochter. Ze handelt niet uit winstbejag, maar uit principe. De zaak-Boël onthult de kern van het probleem: wat telt, is je plaats in de koninklijke pikorde. Die geeft extra rechten aan het ene kind en ontneemt kansen aan het andere. Die onrechtvaardigheid is geen bijwerking, maar de essentie van het systeem.

Eigenlijk is het idee van erfopvolging zelf akelig: je promoveert na het tragische einde van een nauw familielid, door overlijden of aftreding (meestal na een conflict). Denk maar aan Boudewijns aantreden na de koningskwestie. Of kijk naar de film The king’s speech, over George VI, de vader van koningin Elizabeth II. Daarin komen de schuldgevoelens, zelfkwelling en andere drama’s naar voren. Het alternatief levert eveneens een bizar lot: een ouder die blijft voortdoen. Prins Charles, ondertussen 71 jaar en grootvader, is nog steeds aspirant-koning.

Gelukkig heeft de democratie de scherpste kantjes van de monarchie omgebogen. Zo beramen leden van koninklijke families geen moorden meer op hun rivalen. Dat gebeurde voordien wel. Lees er Shakespeare maar op na. Nu verloopt de overdracht van de macht vreedzaam, door een ceremonie waarbij de stem van het volk centraal staat: de verkiezingen. Dat is een overwinning van de democratie, waar ook aristocraten wel bij varen.

De democratie heeft nog politiek-filosofische bezwaren tegen de monarchie weggewerkt. Erfopvolging garandeert niet dat een koning(in) over enige politieke, morele of intellectuele kwaliteiten beschikt. Nu is de macht van de monarch beperkt en worden de politieke leiders beoordeeld en verkozen. Dat waarborgt evenmin veel kwaliteit, maar je kunt politici tenminste wegstemmen. Het lost nog een ander probleem op: veranderende tijden vereisen aangepast leiderschap. Dat kan een monarchie moeilijk leveren, dus is het goed dat de macht van de monarch beperkt blijft.

In al die kwesties duikt hetzelfde probleem op: sommige mensen genieten uitzonderlijk veel macht, rijkdom en privilege, die ze gekregen hebben zonder enige verdienste. Hun voorrecht is dat ze in een bepaalde volgorde geboren worden als het kind van uitverkoren ouders. En hoe ze zich ook gedragen, veelal ze behouden hun privileges. Uitzonderlijk moeten ze wel toegeven aan intense (media)druk, zoals nu voor Prins Andrew het geval is.

Deze ongelijkheid staat fundamenteel haaks op de democratische gedachte, en op de grondwet: dat alle mensen gelijk en vrij geboren worden. Het botst ook met een humanistisch idee: dat je de uitwassen van mensonterende machtsrelaties zo veel mogelijk moet uitbannen.”

Deze column verscheen in De Standaard op donderdag 21 november 2019.

“Wanneer ben ik echt vrij om te denken?”, Knack, 12 nov. 2019

Elke week publiceer ik in Knack een tekst in de rubriek ‘de vraag van Tinneke Beeckman’. Ik beantwoord er een moeilijke kwestie.

Eén vraag was – “Wanneer ben ik echt vrij om te denken?

“Vrij denken is moeilijker dan het lijkt. Natuurlijk hoor je om de haverklap over kritische, rebelse, eigenzinnige burgers. Het klinkt goed. Maar vrijdenkers zijn een zeldzame soort. Als je echt vrij wil denken, moet je onderzoeken wat jouw vrijheid in de weg kan staan. Dan bots je op vragen over je levenshouding, de beperkingen van je geest of je relaties tot anderen.

Volgens Immanuel Kant (1724-1804) staan lafheid en luiheid vrijheid en mondigheid in de weg. Het is zoveel makkelijker om denken aan anderen over te laten en gewoon te gehoorzamen! Maar die tijd is voorbij, meent Kant. Hij leefde nog niet in een verlicht tijdperk, maar wel in een tijdperk van de Verlichting. De ambitie om zelf te denken, behoort juist tot de kern van haar project: ‘Verlichting is het uittreden van de mens uit zijn zelf verschuldigde onmondigheid. Onmondigheid is het onvermogen zich van het eigen verstand te bedienen zonder de leiding van een ander verstand te volgen.’ Elke mens beschikt over de rede. Domheid mag geen excuus zijn voor een gebrek aan moed. Sapere aude!, schrijft Kant, ‘durf te denken of te weten’. Hij ontleent de uitspraak aan de Romeinse dichter Horatius: ‘Dimidium facti, qui coepit, habet; sapere aude, incipe.’; wie begonnen is, heeft de helft gedaan. Durf te weten, begin.’ Daarmee geeft Horatius een belangrijke inzicht: je moet beginnen en durven onderweg te zijn; je mag je niet laten ontmoedigen omdat je niet geheel vrij zou zijn.

Filosofen hebben heel wat hindernissen beschreven die inherent zijn aan de menselijke geest. Elke mens heeft vooroordelen en blinde vlekken. Zo kan je doorgaans beter de motieven van anderen inschatten dan dat je je eigen verlangens kent (Spinoza). Je overschat makkelijk de waarde van je eigen kennis (Montaigne). Of je kan je te sterk met je eigen ideeën identificeren; dan vraagt elke aanpassing een hele inspanning. Daarom zijn gesprekken met andersgezinden nodig; als ze slim zijn, zoals Socrates, sturen je ergste denkfouten bij. Stoïcijnen, cynici en sceptici raden aan om tegen jezelf te denken. Zo vermijd je de neiging om de verschillen met anderen nodeloos uit te vergroten, om het beangstigende van de buitenwereld te overschatten of om de wereld op te delen in goede en kwade mensen (waarbij je jezelf natuurlijk als het referentiepunt voor het goede neemt).

Andere obstakels hebben met externe factoren te maken, zoals financiële afhankelijkheid. Je bent overduidelijk niet vrij als je een broodheer moet dienen – vrijdenkers houden zich best ver van partijpolitiek of bedrijven. De baas hoeft zelfs geen expliciete beperkingen op te leggen. Zodra je weet dat je positie afhangt van zijn goedkeuring, dreig je jezelf bij te sturen. Zelfcensuur is zelfs een belangrijke vorm van vrijheidsbeperking. Ze werkt sluipend: als iemand macht over je uitoefent, beïnvloedt dat je oordeel. Je zal sommige vragen of conclusies liever omzeilen. Maar een vrijdenker moet élke vraag, elke conclusie kunnen overwegen, ook de schijnbaar ondenkbare.

Zelfs zonder financiële afhankelijkheid speelt sociale druk een rol. Vrij denken impliceert bovenal de moed om alleen te staan. Dan pas kan je keuzes maken die commentatoren, collega’s, vrienden of buren zouden mishagen. Eigenlijk kan je niemand verwijten conformistisch te zijn, want eenzaamheid is angstaanjagend. Die eenzaamheid werk je als vrij mens onbedoeld in de hand: je confronteert anderen met de grote of kleine compromissen die ze elke dag sluiten. Verwacht geen dankbaarheid.

Vrij denken lijkt me eerder een moment van genade dan een permanente toestand. Je kan het proberen, af en toe lukt het (even). Buitengewone voorbeelden helpen. Enkele passages uit het werk van Mary Wollstonecraft, George Eliot of George Orwell geven me tonnen energie.”

Uitzonderlijk publiceer ik deze tekst uit de hele Knack-reeks – begin november organiseerde het Geuzenhuis ‘De Nacht van de Vrijdenker‘ in de Vooruit in Gent. Tientallen filosofen, wetenschappers en opiniemakers gaven lezingen, deden mee aan debatten, gesprekken of workshops.

‘George’, gesprek over George Eliot, en haar roman Middlemarch, klara, 11 nov. 2019

‘George Eliot, de Victoriaanse schrijfster, werd 200 jaar geleden geboren. Ze vertaalde filosofen zoals Feuerbach en Spinoza, sprak met Darwin, Dickens en James. En ze schreef  het meesterwerk ‘Middlemarch’.

Greet Van Thienen interviewde historica Kaat Wils en mezelf als George Eliot-fans. Wat kunnen we nog van haar werk opsteken? Waarom zouden we Middlemarch nog lezen?’

Op Klara, podcast.

“De band tussen vriendinnen Assita Kanko en Tinneke Beeckman”, Het Nieuwsblad, 19 oktober 2019

Bij het Europees Parlement. foto: Ivan Put.

Dit artikel verscheen in ‘Het Nieuwsblad’ op zaterdag 19 oktober 2019. Door Nathalie Dirix, foto’s: Ivan Put.

De band tussen vriendinnen Assita Kanko en Tinneke Beeckman”

“Na onze gesprekken voel ik me altijd een beetje slimmer”

“Het was intellectuele liefde op het eerste gezicht.” Zo omschrijft N-VA-politica Assita Kanko (39) de vonk tussen haar en filosofe Tinneke Beeckman (43) tijdens hun allereerste gesprek. Een vonk die meteen het begin was van een mooie vriendschap tussen twee vrouwen.

Het is vrijdagavond. In een café niet ver van het Europees Parlement klinken Assita Kanko en Tinneke Beeckman op het weekend. En op de vele jaren dat ze elkaar nog mogen inspireren.

Hoe hebben jullie elkaar leren kennen?
Tinneke: “Het was zeven jaar geleden tijdens een lezing in Gent. Assita kwam er praten over vrouwenrechten. Wat me opviel, was dat ze een fotografe, Liliane Nabora, meegebracht had en die aan de aanwezigen voorstelde. Dat maakte meteen duidelijk dat Assita generositeit naar vrouwen toe niet alleen predikt, maar ook in de praktijk toepast door vrouwen daadwerkelijk te steunen. Het gaf een gevoel van vertrouwen.”

Assita: “Toen ik diezelfde avond Tinnekes uiteenzetting over de filosoof Spinoza hoorde, viel me op hoe zij gedachten op een heel rustige manier kan overbrengen. Ik zag een intelligente vrouw die heel veel weet en haar kennis niet gebruikt om te imponeren, maar om je aan het denken te zetten. Ik voel me dan ook altijd een beetje slimmer na een gesprek met haar. Eigenlijk was ik meteen verkocht door haar intelligentie en haar bescheidenheid. Noem het maar: intellectuele liefde op het eerste gezicht.” (lacht)

Wat hebben jullie al van elkaar geleerd?
Assita: “Verleden jaar zijn we met een aantal vriendinnen voor een paar dagen naar het zuiden van Frankrijk getrokken. Tinneke toonde er zonder enige gêne haar moederlijke kant aan ons. Hoe vaak heeft ze geen foto’s van haar babydochtertje, Alma, getoond? Ze miste haar en liet dat duidelijk blijken. Mooi vond ik dat. Het zette me aan het denken. Je hoeft inderdaad je kwetsbaarheid als moeder niet te verbergen. Ik denk dat ik dat vroeger als kersverse moeder te veel gedaan heb.”

Tinneke: “Het klopt dat ik zonder enige schaamte de moeder in mij naar boven laat komen. Maar als het over van elkaar leren gaat, dan sta ik graag even stil bij het boek dat Assita schreef. Daarin leerde ik niet alleen een vrouw kennen die het slachtoffer van genitale verminking geworden was. Ook een vrouw die ervoor gekozen heeft om zichzelf te emanciperen. Ik heb haar via mail laten weten hoe belangrijk haar verhaal was om andere mensen die verdrukt en niet gehoord worden een stem te geven.”

Wat waarderen jullie in elkaar?
Assita: “Ik zou eindeloos naar Tinneke kunnen luisteren. Ze kan me tot rust brengen. Maar vergis je niet: achter haar rede gaat heel wat passie schuil. Die combinatie van passie en intelligentie vind ik heel bijzonder. Voor Tinneke is denken een proces dat nooit stopt. Zelf vind ik een open mindset ook heel belangrijk. Want als het denken stopt, stopt ook de dialoog. Daarom vind ik het boek The righteous mind – Why good people are divided by politics and religion van Jonathan Haidt zo boeiend. Hij maakt duidelijk waarom we ons in de loopgraven van ons eigen gelijk graven, als we stoppen met nadenken.”

Tinneke: “Jij hebt dat boek dus ook gelezen. Is inderdaad een bijzonder interessant boek dat aantoont hoe belangrijk het is om empathie te hebben, ook voor de mensen met wie je het niet eens bent. Maar al te vaak zijn we gefocust op ons eigen grote gelijk, waardoor we vergeten echt te luisteren naar wat de andere zegt. Belangrijk is niet dat je het eens bent met de andere, wel dat je van elkaar leert. Dat andere mensen anders in het leven staan dan jijzelf, is echt oké.”

Assita: “Tinneke schrikt er niet voor terug om voor haar mening uit te komen. Ze zegt wat ze denkt. Toch houdt ze er geen rigide denkbeelden op na. Ze staat met een grote openheid in de wereld. Dat waardeer ik. Ook hou ik ervan dat ze haar vrouwelijkheid toont. Is het je al opgevallen dat ze altijd lipstick draagt?” (lacht)

Tinneke: “Zonder lipstick voel ik me naakt en kom ik niet buiten. (lacht) Waarom zouden zorg voor het lichamelijke en het geestelijke niet samengaan? Assita bewijst trouwens ook dat die combinatie perfect kan. Haar gedrevenheid en sensualiteit, ik vind het een knap duo. En haar enorme geloof in de vrouwelijke kracht en haar talent om die kracht aan te wakkeren. Assita richtte Polin op om vrouwen in de politiek te empoweren. Knap is dat ze erin slaagt om vrouwen, over de partijgrenzen heen, samen te brengen en ze te doen geloven in zichzelf. Haar inzet bestaat erin het beste in zo veel mogelijk vrouwen naar boven te brengen. Zelf ben ik een paar keer naar zo’n Polin-bijeenkomst gegaan. De positieve energie die ik er voelde, werkt aanstekelijk.”

Het is de laatste tijd stil rond Polin.
Assita: “Mijn agenda is op dit moment drukbezet door mijn werk in het Europees Parlement, maar ik ben met een aantal mensen aan het brainstormen over hoe we Polin nieuw leven kunnen inblazen. Zodat het opnieuw als platform ingezet kan worden waar vrouwen samen dingen in beweging zetten. Want daar is het mij echt om te doen: tastbare resultaten op het vlak van vrouwenrechten neerzet
Vullen jullie elkaar goed aan als doener en denker?

Tinneke: “Assita is zeer actiegericht. Ze heeft ook een zeer druk sociaal leven. Dat past bij haar rol als politica. Zelf ben ik meer introvert. Ik hou ervan om zaken meer vanop afstand en vanuit een beschouwend perspectief te bekijken. Dat wil echter niet zeggen dat ik filosofie als puur abstracte theorie zie. Voor mij moet filosofie over iets wezenlijks gaan. Het moet je aanzetten tot denken. Je helpen om je denken te verruimen, zodat je meerdere denkpistes krijgt waaruit je kunt kiezen. Daarom is het contact met Assita ook zo interessant. Haar wereld verruimt ook mijn denken.”

Assita: “Weet je wat ons ook verbindt? Dat we allebei van lekker eten en literatuur houden.”

Over welke onderwerpen praten jullie graag met elkaar?
Assita: “Dat kunnen de meest uiteenlopende onderwerpen zijn. Mooie mannen is er een van. (lacht) Een ernstiger thema dat regelmatig in onze gesprekken opduikt, is: durf te denken. Het valt ons op hoe moeilijk het voor heel wat mensen is om hun denkpatronen in vraag te stellen.”

Tinneke: “Er is vandaag een sterke ideologische verdeeldheid in het debat. Je wordt snel in een kamp geplaatst. We vinden het allebei jammer dat het zo moeilijk is om het hokjesdenken te overstijgen. Nochtans, tijden veranderen. De wereld ziet er vandaag helemaal anders uit dan dertig jaar geleden. Het is dan toch ook logisch dat je concepten en recepten die dertig jaar geleden werkten, durft uit te dagen.”

Assita: “Op dat vlak vinden we elkaar helemaal. Het gebeurt regelmatig dat ik iets lees waarvan mijn wenkbrauwen fronsen. Dan stuur ik die tekst met een smiley naar Tinneke en weet ik dat ze het begrepen heeft.”

Tinneke: “Kwetsbaarheid en authenticiteit liggen ons allebei na aan het hart. In onze gesprekken hebben we het er soms over. Over hoe je in die jungle van opinies oprecht jezelf kunt blijven zonder opzijgeschoven of verkeerd begrepen te worden.”

Assita: “Ik heb daarin geleerd dat ik de andere niet kan veranderen. Wel kan ik nadenken hoe ik mijn boodschap beter kan overbrengen zonder dat ik hoef in te binden.”

Tinneke: “Assita wordt soms nogal hard aangepakt op sociale media. Ik begrijp dat niet, want niemand wordt mooi door haar lelijk te maken. Hoewel ze weet hoe met die aanvallen om te gaan, helpt het om er af en toe over te praten en zo zaken in perspectief te plaatsen.”

Waarin verschillen jullie van elkaar?
Tinneke: “We hebben een heel ander temperament. Ook over sociaal-economische zaken kunnen we van mening verschillen. Ik vind dat totaal geen probleem. Ik heb helemaal geen behoefte om met mensen af te spreken die net hetzelfde als ik denken. In de politiek gaan zou ook niets voor mij zijn. Daarvoor koester ik te veel mijn onafhankelijkheid als filosoof. Die onafhankelijkheid is volgens mij niet compatibel met partijpolitiek.”

Assita: “Ik ben weliswaar geen filosoof en toch filosofeer ik graag. En ook al ben ik dan politica, toch blijf ik voor mezelf denken en mijn mening zeggen.”

Maar als filosoof zal je vrijheid van denken toch minder snel ingeperkt worden dan als politica.
Assita: “Toch vind ik dat je ook als politica moet kunnen blijven zeggen wat je denkt. Ik besef dat dit een grote uitdaging is. Maar ik ben wie ik ben en wil graag zo blijven. Wel vind ik het belangrijk dat je de bal en niet de man of de vrouw speelt. Dat is trouwens niet mijn manier van aan politiek doen.”

Tinneke: “Je kunt inderdaad als politica voor jezelf blijven denken. Maar voor mij is dat toch iets anders dan als filosoof vrij denken. Ik heb geen kiezers die bepaalde zaken van me verwachten. Wat ik wel weet, is dat Assita en ik allebei een grondige hekel hebben om bepaalde denkpatronen opgelegd te worden. Daarvoor staan we veel te veel op onze vrijheid.”

Rechtuit zeggen wat je denkt. Het schrikt geen van jullie beide af. Voelt dat soms niet eenzaam?
Tinneke: “Soms gebeurt het inderdaad dat wat je zegt niet leuk gevonden wordt. Maar als je vrij wilt zijn, moet je eenzaam durven zijn. En als je kijkt welke weg Assita heeft afgelegd, dan kan ik me moeilijk voorstellen dat zij het erg vindt om in een debat met haar mening alleen te staan. Ze komt van Burkina Faso en zit in het Europees Parlement. Dat toont dat ze door iets gedreven wordt dat veel fundamenteler is dan de kritiek die ze krijgt.” Continue Reading ›

Rubriek ‘U Nu!’ in Poëziekrant, september 2019

 

Dit interview verscheen in de rubriek ‘U nu!’, in “Poëziekrant”, nummer 5 september/oktober 2019, jaargang 43.

  • Wie/wat bracht je tot de poëzie?

Mijn moeder.

 

  • Wat vond je als scholier van poëzie?

Op school hield ik niet van poëzie, integendeel.

 

  • Wat is de mooiste versregel ooit?

Op het graf van Kazantzakis op Kreta las ik dit als tiener: “Ik hoop niets, ik vrees niets, ik ben vrij.” (Δεν ελπίζω τίποτα. Δε φοβούμαι τίποτα. Είμαι λέφθερος”).

Andere suggestie:

“Par le pouvoir d’un mot

Je recommence ma vie

Je suis né pour te connaître

Pour te nommer

Liberté. van Paul Eluard

 

  • Welk vers heeft jou tot tranen toe bewogen?

“En als ik over mijn liefde niet kan spreken, als ik niet praat over je haar, je lippen, je ogen, geven toch jouw gezicht dat ik bewaar in mijn ziel, de klank van je stem die ik bewaar in mijn geest, de dagen van september die opdoemen in mijn dromen, vorm en kleur aan mijn woorden en mijn zinnen, op welk onderwerp ik ook inga, over welk denkbeeld ik ook spreek.” (Kavafis)

 

  • Welk gedicht/welke regel mag op jouw doodsprentje?

“Het menselijk vermogen is zeer beperkt en wordt door de macht buiten hem oneindig overtroffen”. Niet poëtisch, maar filosofisch wel treffend: zo beschrijft Spinoza de menselijke kwetsbaarheid, en het verzoent mij met de dood.

 

  • Welke dichter had je dolgraag willen ontmoeten en waarom?

Lord Byron. Met hem had ik graag in Portovenere gezwommen.

 

  • Wat is poëzie voor jou?

Een belletje zuurstof.

 

  • Wanneer/waar lees jij poëzie?

Vooral als ik ongelukkig ben.

 

  • Helpt poëzie en hoe?  Zoals literatuur helpt poëzie om te beseffen dat je niet alleen bent.

 

  • Wie of wat is je muze?

Spinoza en al wie ik liefheb.

 

  • Gebruikte je ooit poëzie voor oneigenlijke doelen?

Continue Reading ›

Interview “Klasse”, september 2019

“Een tien op tien is saai. Een gemiste kans om iets bij te leren.”

Interview voor “Klasse Magazine“, door Piet Creten, Foto’s van Tina Herbots

Vlaamse leraren kiezen voor hun beroep om maatschappelijke meerwaarde te creëren, maar slechts 30% voelt zich daarin gewaardeerd door de samenleving. Hoe kijkt filosoof Tinneke Beeckman naar enkele opvallende resultaten uit TALIS 2018, een internationaal onderzoek naar hoe leraren basisonderwijs en eerste graad secundair hun werk ervaren? En wat kunnen we leren van Hegel, Heidegger en Camus?

Zijn leraren wat naïeve wereldverbeteraars?

Tinneke Beeckman: “Lesgeven moét een missie zijn. Verschillende leraren vertellen me geïnspireerd te zijn door de film Dead Poets Society. Ze beseffen dat jongeren kwetsbaar zijn, maar ook geweldige kwaliteiten hebben. Dat je als leraar een mensenleven kan veranderen. Nieuwsanker Martine Tanghe zei ooit dat ze haar liefde voor taal te danken heeft aan een leraar. De geweldige emancipatie van Vlaanderen heeft veel met onderwijs te maken. Het opende werelden die voor mensen thuis gesloten bleven. Onderwijs kan dus zeker de wereld verbeteren. Het zou erg zijn als leraren daar niet meer in geloven.”

De leraar uit de film wordt uiteindelijk wel ontslagen. Waarom vallen te veel gemotiveerde leraren uit?

Tinneke Beeckman: “In deze tijd moet je je voortdurend verantwoorden. Leraren krijgen het gevoel dat ze gewantrouwd worden. Te veel administratie doorkruist hun engagement voor jongeren. Dat is dodelijk voor hun motivatie. Je moet ze autonomie geven,ze moeten zelf kunnen invullen hoe ze bepaald eopdrachten uitvoeren. Zodat ze voelen dat je vertrouwt op hun kunde. Natuurlijk is controle nodig. Er zijn leraren die er de kantjes aflopen of die bijsturing nodig hebben. Feedback stimuleert ook. Maar het probleem is dat collega’s elkaar alleen aanspreken wanneer iets misloopt.”

Foto: Tina Herbots

Het beeld uit de film zal veel leraren romantisch aandoen. Leerlingen huppelen niet altijd enthousiast achter de bevlogen leraar aan.

Tinneke Beeckman: “Het moeilijke is dat de dankbaarheid pas achteraf komt. In de klas zijn leerlingen soms lastig, zien ze het doel van je inspanningen niet of rebelleren ze als je ze straft. Maar achteraf zijn ze vaak wel blij met wat ze geleerd hebben of dat ze op tijd zijn bijgestuurd. Misschien kunnen we leraren wat meer uitgestelde feedback geven over de belangrijke impact die ze hebben door oud-leerlingen daarover te bevragen.”

“Erkenning mag ook niet alleen van leerlingen komen. Je zit nu eenmaal met een autoriteitsrelatie. Hegel zegt daarover dat een meester zich nooit helemaal erkend kan voelen als hij alleen maar slaven heeft. Een slaaf kan je per definitie geen appreciatie geven. Nu wil ik leerlingen niet met slaven vergelijken, maar feedback van collega’s is noodzakelijk om te weten of je echt naar waarde geschat wordt.”

Moeten leraren elkaar meer complimenten geven?

Tinneke Beeckman: “Er kan meer steun voor mekaar zijn, meer kwetsbaarheid en positieve feedback tussen leraren. Ze moeten van elkaar horen dat ze het goed doen en waar progressie mogelijk is. Kwetsbaarheid betekent aan elkaar zeggen waar je geen raad mee weet, wat je al geprobeerd hebt en elkaar ondersteunen. Een grote verbondenheid is daarin heel belangrijk. Ook als ouders vertrouwen in leraren uitspreken, heeft dat effect.”

Slechts 30% van de leraren voelt zich gewaardeerd door de samenleving. Waar komt dat vandaan?

Tinneke Beeckman: “Ouders zien in hun kinderen meer dan ooit het verlengde van zichzelf. Vroeger kregen mensen meer kinderen. Die verschilden soms sterk van elkaar. De ene ging studeren, de andere was goed in een ambacht. Dat er ook een zwart schaap van de familie was, hoorde erbij. Maar nu hebben ouders 1 of 2 kinderen. Die moeten het waarmaken volgens de heersende prestigenorm, zoals veel diploma’s. Je moet ook vooral de indruk geven slim te zijn, terwijl mensen zovele kwaliteiten kunnen hebben.”

“De prestaties van het kind stralen af op de ouders. Voor kinderen is dat een loodzware last. Want ze kunnen niet allemaal de verwachtingen inlossen. Ouders aanvaarden moeilijker tekorten of beperkingen. Daar komt veel kritiek op leraren vandaan. Want als het misloopt, haalt de leraar niet uit het kind wat erin zit.”

“Je ziet dat ook op andere vlakken. Groepsgeest wordt minder geapprecieerd. Waarom speel je voetbal? Volgens Albert Camus leerde hij er de moraal. Hij ontdekte wat kameraadschap of fair play is. Dat je je best kan doen en toch kan verliezen. Maar nu schuilt in elk zoontje misschien wel de nieuwe Messi. Aan de trainer om dat talent te ontdekken en helemaal te ontwikkelen. Er zijn clubs waar ouders niet meer langs de kant van het veld mogen staan bij trainingen. Ze hebben voortdurend commentaar. Hun kind krijgt niet genoeg aandacht.”

“Onderwijs, je hobby of sport geeft kinderen en hun ouders vandaag identiteit en status. Daar toon je wie je bent, dat je beter bent dan anderen. Je moet overal excelleren, de primus inter pares zijn.”

Sommige experten zeggen dat we net meer moeten mikken op excellerende leerlingen. Is dat geen goede zaak?

Tinneke Beeckman: “De vraag is op welke manier. Dat kan ook door te zeggen dat een kind niet te veel naar zijn ouders moet luisteren. Als leerlingen verpletterd worden door verwachtingen en schoolresultaten een persoonlijkheidskenmerk worden, is dat niet goed. Leren is ook weten dat je soms opnieuw moet proberen. Dat een fout een gelegenheid is om te leren. In dat opzicht is een tien op tien gewoon saai. Het is een gemiste kans om iets bij te leren.”

“Leerlingen moeten leren inschatten waar hun mogelijkheden liggen met hoe de kaarten voor hen geschud zijn qua aanleg, temperament, opvoeding of vorige keuzes. Daar moet je het beste van maken. Zo bereik je meer dan wanneer je rondloopt met onrealistische verwachtingen van anderen. En het maakt je gelukkiger. Een goede school geeft dat soort feedback aan leerlingen en ouders. Die invulling van excelleren is prima.”

Die feedback zal niet altijd even goed aankomen. Begrijp je ouders die meteen op school staan om te klagen?

Tinneke Beeckman: “Achter boosheid schuilt vaak angst. Veel ouders vertrouwen er niet op dat het met hun kinderen in deze snel veranderende samenleving per definitie goed zal gaan. Een wereld vol technologie die veel beroepen overbodig zal maken, jaagt ze op. Die angst is begrijpelijk.”

“De leraar is een toegankelijk aanspreekpunt. Als je je zorgen maakt over diversiteit of het gebruik van sociale media. Tegen wie ga je klagen? Of als je bang bent dat het niveau van het onderwijs daalt. Dan is een oudercontact een goed moment om je hart te luchten.”

Hoe kunnen we het beroep weer meer prestige geven?

Tinneke Beeckman: “Het probleem is dat in een neoliberale maatschappij degenen die de winst maximaliseren het meeste prestige krijgen. Bedrijfsleiders, goed verdienende financieel experts, consulenten. Voorbeelden als Steve Jobs illustreren een hyperindividualistische kijk op de wereld. Je hebt alles aan jezelf te danken. School is niet nodig als je slim bent. Je ontdekt alles zelf wel. Dat is een vorm van narcisme. Mensen zien zichzelf niet meer als een schakel tussen generaties of andere mensen. Ze zijn niet dankbaar voor wat anderen voor hen gedaan hebben. Die mentaliteit heerst helaas op dit moment.”

“Terwijl goede leraren op termijn bij uitstek zorgen voor winstmaximalisatie. Die is niet onmiddellijk meetbaar, maar iedere keer dat je mensen motiveert, zelfvertrouwen geeft, talenten ontwikkelt, ben je een van de drijvende krachten in een samenleving. Dat moeten we veel meer benadrukken als we over onderwijs spreken.” Continue Reading ›