“Wat zoeken we eigenlijk op vakantie?” Interview voor ‘Filosofisch Elftal’, Trouw, 9 juli 2020

“Waarom gaan we eigenlijk op vakantie? Wat zoeken we? Op vakantie vieren we onze existentie, zegt Tinneke Beeckman. Nee hoor, zegt Bas Haring, vakantie laat vaak juist zien dat we niet weten wat we met ons leven moeten.

‘Waarvoor ben ik dankbaar?’, column Knack, 24 juni 2020

Dit is de laatste column uit de reeks ‘De vraag van Tinneke Beeckman’, die in Knack liep van september 2019 tot juni 2020.

“Waarvoor ben ik dankbaar?

Toen ik mijn boek over Spinoza had afgewerkt, overviel me een overweldigende ervaring van dankbaarheid. Ik wandelde op de Kalmthoutse heide en wist dat ik de academische wereld zou verlaten. Het was een warme julidag. Het licht, de lucht, de bomen: alles zinderde. Ik keek op; ik wist me diep verbonden met de natuur die me eindeloos oversteeg en voelde een diepe dankbaarheid voor die buitengewone schoonheid, voor het leven. Nadien bleef de herinnering aan dat gevoel me vertrouwen geven, hoewel ik niet wist waar ik terecht zou komen.

Sindsdien sta ik elke dag even stil bij de mooie dingen, vooral in moeilijke tijden. Dankbaarheid is een vreugde, een liefde. Ik zie haar niet als een plicht. Immanuel Kant deed dat wel. Maar niemand vraagt ten slotte om geboren te worden, denk ik. Elk leven lijkt me een gunst, en wie een gunst geniet is geen schuldenaar. Dankbaarheid eert de generositeit, terwijl een verschuldiging een ongemakkelijk gevoel opwekt. Alsof je een schuldeiser moet vrezen die zijn vereffening ophaalt.

Bij dankbaarheid draait het om de vreugde die ik voel. Hoe anderen hun erkentelijkheid beleven, daar bemoei ik me niet mee. En als ‘dank’ iets is dat je vooral verwacht te ontvangen, reageer je zelf als een schuldeiser en mis je de essentie.

Dankbaarheid is cruciaal, maar wordt vaak veronachtzaamd. Bij prijsuitreikingen zoals de Oscars worden winnaars aangemaand om hun bedankingen bondig te houden. Anders zappen kijkers weg. En, waarom zou je benadrukken dat je niet alles in je eentje hebt bereikt?

Maar dat is juist het punt: wie veel bereikt, dankt dat aan zijn eigen inspanningen, maar ook aan de lasten die anderen droegen. Naast geslaagde bedrijfsleiders staan bekwame adviseurs, naarstige bedienden en meestal liefdevolle partners. Zonder de toewijding van ouders en grootouders waren de toppers allicht niet zo succesvol geweest. Wie eerlijk is, beseft het: zonder die ene lerares, zonder het werk van die politieke partij of beweging, zonder de inspiratie van die denker … was het anders gelopen. Dankbaarheid komt met inzicht en zelfkennis. Het is zelfs onontbeerlijk als je voor jezelf zorg wil dragen.

Marcus Aurelius begint zijn ‘Persoonlijke notities’ dan ook met een uitvoerige opsomming: hij benoemt al wie vanaf zijn jeugd tot zijn ontwikkeling heeft bijgedragen. Hij eindigt met de hulp van de goden en het gelukkige toeval. Met die erkentelijkheid opent hij het gesprek met zichzelf dat hij doorheen het boek voert en dat naar een innerlijke vrijheid leidt.

Deze stoïcijnse dankbaarheid is een levenskunst. Marcus Aurelius zoekt voortdurend het beste in zichzelf, en wil daarbij het juiste perspectief vinden. Ik probeer te doen zoals hij, en noteer elke dag schijnbaar gewone, maar opmerkelijke dingen. Ik kijk naar genereuze mensen als ik een rolmodel zoek, en ik blijf zelden hangen in spijt.

Niet iedereen bejubelt de dankbaarheid, want ze zou een schijnvoorstelling kunnen zijn. Wie ‘dank u’ zegt, denkt eigenlijk ‘nog’!, suggereert La Rochefoucauld (1613-1680). Ik geef toe, dat kan het geval zijn. Bij mij als er drankjes en lekkere hapjes worden opgediend.

Zelf ben ik oprecht dankbaar voor wie me kansen heeft gegeven, vaak zonder zekerheid dat ik het waard was. Elke dag opnieuw pluk ik daarvan de vruchten. Helaas zijn sommige groothartige beschermers er niet meer. Hen écht danken kan ik niet, maar ik probeer hun bezieling te behouden door er te zijn voor wie er nu is.

En als ik in een goede bui ben, voel ik dankbaarheid tegenover mensen die me hebben tegengewerkt. Hun gedrag heeft me aangespoord om me te ontwikkelen, om me te tonen. Dat zij andere bedoelingen hadden, maakt niets uit. Wat ertoe doet, is het verhaal dat je zelf maakt. En de mogelijkheden die je benut om je levenservaringen een betekenis te geven.”

Interview Knack – ‘filosofe in tijden van ‘White Privilege’, 24 juni 2020

“De kunst van de politiek is om de tegenstander niet als moreel slecht te veroordelen. Het lijkt steeds minder mensen te lukken, en daar maakt filosofe Tinneke Beeckman zich grote zorgen over. ‘Het streven naar zuiverheid is inherent gewelddadig’.

Interview Peter Casteels, foto’s Diego Franssens

” ‘Ik heb mij helemaal niet verveeld in de lockdown’, vertelt Tinneke Beeckman, als we haar ernaar vragen. ‘Ik heb een dochtertje van twee jaar en half waarmee ik elke dag naar het park ging. Het was fijn om te zien dat zij helemaal opgaat in het moment, wat een goede afwisseling was van alle bezorgdheden. En ik heb ook veel geschreven, en gelezen, zoals Circe van Madeline Miller. Dat is echt een fantastisch boek, waarin het verhaal van die vrouwelijke heldin in de Griekse mythologie wordt verteld. Zelfs als ik ’s nachts even wakker werd, begon ik er verder in te lezen.’

foto: Diego Franssens

Tinneke Beeckman schreef voor Knack het voorbije seizoen een wekelijkse column, waarin ze telkens een vraag die u zich vaak ook al wel eens op een onbewaakt moment had gesteld van filosofische duiding voorzag. Voor die reden zochten we haar op in haar appartement aan het Antwerpse Harmoniepark. De ene vraag ging over verveling, de andere over schaamte of vergankelijkheid, maar vaak over politieke kwesties. Beeckman is ook een politieke filosofe, en een commentator. Momenteel werkt ze aan een boek over de Italiaanse denker Niccolò Machiavelli, waardoor ze zich ook al liet inspireren voor een vraag die met de dag aan urgentie lijkt te winnen: hoe kan ik naar de politiek tegenstander blijven luisteren?

Tinneke Beeckman: Door die tegenstander in ieder geval niet als moreel slecht te zien, en zijn legitimiteit in twijfel te trekken. Het heeft geen enkele zin mensen op basis van hun politieke stellingnames op te delen in goed en slecht. Hoe meer iemand dat inziet, hoe meer hij ook van politiek begrijpt. En hoe meer hij of zij ook kan bereiken in de politiek.

Kan er in discussie over identiteitspolitiek wel op zo’n redelijk manier worden gesproken? Het gaat vaak over zulke persoonlijke kwesties dat het moeilijk is om er niet in morele begrippen over te denken.

We leven inderdaad in een tijd waarin het verschil tussen het private en het publieke vermindert. Terwijl mensen vroeger in die twee ruimtes andere personages waren, maken zij vandaag politieke kwesties privé. Iemand waarmee ik het politiek oneens ben, kwetst mij ook, dat is het gevoel. Alles is intiem geworden. Het is de kunst om politiek niet zo op te vatten.

Maar kan iedereen het zich wel permitteren om op zo’n afstandelijke manier aan politiek te doen?

Waarom zouden anderen dat niet kunnen? Dat is paternalisme.

Omdat er voor hen misschien wel meer op het spel staat dan voor ons? Voor mensen die al het slachtoffer zijn geweest van discriminatie, gaat de discussie over praktijktests over henzelf. Voor mensen met voorouders die onder het kolonialisme leefden, betekent de discussie over de standbeelden van Leopold II allicht ook iets anders dan voor ons.

Ik heb begrip voor hun boosheid. Ze hebben het recht om te strijden voor hun idealen, met alle toegelaten politieke middelen. Voer de discussies dus in alle hevigheid, maar werp daar geen argumenten tussen waardoor je niet meer kan worden tegengesproken. Je legt geen mensen het zwijgen op. Iedereen die het oneens is met jou wegzetten omdat hun witte privileges er zogezegd voor zorgen dat zij niets van racisme begrijpen, is een stap te ver. Iemand daarom ook verwijten dat hij meeloopt met de onderdrukkers of de onderdrukten miskent, is niet eerlijk en zal politiek ook niets opleveren. We zien dat zulke harde posities tegenkrachten oproepen die electoraal zeer succesvol zijn. Politieke spelers moeten kunnen samenwerken, en niet altijd hun morele gelijk willen halen.

Hoe komt het dat het private en het publieke vandaag meer door elkaar lopen? Heeft het ermee te maken dat die minderheidsgroepen de voorbije jaren hun stem vonden in het debat?

Er is een kloof tussen generaties ontstaan over het idee van vrijheid. Ik merk een verschil tussen de mensen die opgroeiden toen de Berlijnse muur nog overeind stond, en jongeren die enkel daarna hebben geleefd. Toen Europa nog verdeeld was, betekende vrijheid ongecensureerd kunnen zeggen wat je dacht: alles was bespreekbaar, en met alles kon gelachen worden. Een Monthy-Python film als Life of Brian, een parodie op het Christus-verhaal, wekte wel veel discussie op, maar uiteindelijk triomfeerde de vrije mening. We vierden de vrijheid die we hadden in vergelijking met de onvrije regimes in Oost-Europa en de Sovjet-Unie. Het model – zowel politiek als ook economisch – dat in die landen werd opgelegd, was een realiteit waar tegen mensen zich toen afzetten. Niemand had in de jaren tachtig door dat de Sovjet-Unie op instorten stond, dus wij hebben dat model nog lange tijd ernstig genomen. Sinds 1990 heeft het vrije kapitalisme gewonnen, en nu definiëren jongeren de vrijheid anders. Het gaat er nu om jezelf te ontwikkelen, en te zijn wie je denkt te willen zijn. Jouw vrijheid bestaat erin dat anderen je daarin tegemoet treden, en dat niemand je mag kwetsen. Veel ouderen begrijpen echt niets van die identity politics. Ze vinden dat gewoon raar.

U hebt voor de val van de muur geleefd. Vindt u dat ook raar?

Ik probeer het nieuwe te begrijpen, want je kan zoiets niet afwimpelen als onzin. Dat doet onrecht aan de energie en de intensiteit waarmee jongeren daarover spreken. Ik stel wel vast dat er geen enkele tegenmacht meer is op economisch vlak. Economische alternatieven zijn sinds de val van de Muur verstomd. Dat verklaart ook waarom veel kwesties sociaal worden geduid. Er zijn maar weinig politiek goed uitgewerkte, concrete alternatieven voor het kapitalisme, en in zekere zin past die identiteitspolitiek zelfs binnen dat kapitalisme. Iedereen moet kunnen worden wie die wil zijn, en de markt biedt graag producten aan die daarbij helpen.

Ook feministische thema’s kwamen terecht in het veld van de identiteitspolitiek. Hebt u daar dan moeite mee?

Ik zal mij in ieder geval niet snel gekwetst voelen. Over die aflevering van Fawlty Towers die werd verwijderd, zei men ook dat er misogyne passages in zaten.  Daar voel ik mij absoluut niet door aangesproken. Ik begrijp hoe satire en ironie werken, en ik kan ook zien dat het in de literatuur net interessant kan zijn om ‘foute’ personages op te voeren. Dat helpt ons om menselijke verhoudingen beter te begrijpen. Natuurlijk: ik lees liever Madeline Miller dan Henry Miller. Maar ik zeg niet dat mijn dochter hem later niet mag lezen, of dat zijn boeken verboden moeten worden. Alleen heb ik niets met  Henry Miller. En ik heb ook niets met mannen die hem graag lezen. Mocht een man zich tegen mij gedragen zoals in het universum van Miller, zal het zijn beste dag niet zijn.

Is het relletje rond de aflevering van Fawlty Towers een stommiteit, of vindt u het net typerend voor de tijdsgeest?

Ik hoop dat nuance mogelijk blijft: John Cleese is Leopold II niet. (lacht) In Engeland en de Verenigde Staten is het al gebeurd dat academische medewerkers die een verkeerd woord gebruikten, tot ontslag werden gedwongen, bijvoorbeeld. Ondanks herhaalde excuses en pogingen tot opheldering over de onderliggende bedoelingen. Het zijn vaak derden die het hardst reageren: ik ben niet beledigd, maar ik neem het op voor de onderdrukten die zich beledigd voelen, en ik richt daarom al mijn haat op u. Dat streven naar zuiverheid is inherent gewelddadig. Dat is wat er gebeurt als de tegenstander moreel wordt gedelegitimeerd, en in die zin hoop ik dat mensen die hun idealen op zo’n manier verabsoluteren het nooit voor het zeggen krijgen.

Eén van uw columns vroeg zich af wanneer vrouwen genoeg geëmancipeerd zijn. Vindt u uzelf voldoende geëmancipeerd?

Soms wel, soms niet. Er zijn momenten waarop ik minder geëmancipeerd ben dan ik zou willen zijn.

Welke momenten zijn dat dan?

Dat is privé, en ik kan de scheiding met het publieke gelukkig nog wel maken. (lacht) In die column gaat het over Burkes ideaal van vrouwelijke schoonheid. Voor mij mogen vrouwen best verleidelijk zijn. Dat is aangenaam, en zelfs belangrijk. Maar een vrouw kan alleen vrij zijn als ze op andere momenten durft beslissen om niet te behagen, of te proberen in de smaak te vallen. Ik zie vrouwen in mijn omgeving die van zichzelf vinden dat ze enorm geëmancipeerd zijn, terwijl ik merk dat ze het cruciaal blijven vinden wat mannen van hen denken.

Nu maak u zich er makkelijk vanaf met een voorbeeld van andere vrouwen.

Ik noem hun namen wel niet. (lacht) In mijn columns vertrek ik van persoonlijke vragen. Ik geef mij waarschijnlijk bloot op een manier die ik zelf niet door heb, aangezien lezers dingen opmerken die je zelf niet ziet. Maar het strikt persoonlijke van mijn leven is voor andere mensen banaal. Daar hebben ze geen boodschap aan.

U schreef zelf ook dat iemand die ‘genadeloos openhartig’ is als hij over zichzelf vertelt door niemand nog sympathiek zou worden bevonden. Is het dat ook een beetje?

De schrijver George Orwell zei dat hij nooit een autobiografie zou schrijven, omdat het leven uit vele kleine vernederingen bestaat, die een mens nooit durft toe te geven. Het is ontzettend moeilijk om absoluut eerlijk over je eigen leven te vertellen en een glorieus verhaal over te houden. Daarvoor moet je ongelooflijk veel fantasie hebben. (lacht)

U noemde Orwell ook als één van de schrijvers die u de inspiratie geven om echt vrij te denken. Hoe werkt dat?

Orwell is in zijn werk zodanig moedig en eerlijk geweest, dat geeft mij energie. Het zou al schoon zijn als ik een duizendste van zijn moed zou hebben. Hij schreef namelijk weldegelijk autobiografische romans, zoals Burmese days over zijn leven in Birma in de jaren twintig onder het Britse rijk. Hij had de mogelijkheid om daar te leven als een rijke en machtige koloniaal, maar zag zelf de gruwel en de horror van dat leven in. Daar zijn maar heel weinigen toe in staat. Orwell kon een vrouw kopen om ermee te doen wat hij maar wilde – dat mocht toen allemaal -, maar hij voelde zich daardoor vooral eenzaam. Dat schreef hij ook op.

Wordt u van zulke boeken ook een beter mens?

Natuurlijk niet. Wat is dat nu voor een vraag? (lacht)

De vraag naar de kracht van de literatuur: kan ze mensen veranderen?

Ik denk niet dat mensen die veel literatuur lezen per se betere mensen zijn. Je moet altijd de oefening maken naar je eigen leven, en dat is confronterend. In The catcher in the rye schrijft J. D. Salinger bijvoorbeeld over zijn afkeer van phonies, dikdoeners. In het beste geval staan de lezers van dat boek even stil bij de momenten in hun leven dat zij zich zo hebben gedragen. Maar veranderen? Dat lukt alleen als je dat zelf wil.

Ziet u veel echte vrijdenkers in Vlaanderen?

Continue Reading ›

In “De Afspraak” op Canvas, 15 juni 2020

Maandag 15 juni 2020 was ik te gast bij Phara de Aguirre in ‘De Afspraak’ op Canvas. 

De andere gasten waren Frank Van Massenhoven, oud-topambtenaar en Urbanus.

We hadden het over Sihame El Kaouakibi en haar koers als parlementslid, humor en satire, identiteitspolitiek en polarisering. En ten slotte ook over Corona, en telewerken.

‘Politici moeten ambitie tonen voor burgers’, Radio 1, 25 mei 2020

Op Radio 1 interviewde Ruth Joos me op maandag 25 mei 2020. Een jaar na de verkiezingen, verschenen de resultaten van De Stemming (onderzoek in opdracht van VRT en De Standaard, uitgevoerd door UA en VUB). Daaruit blijkt dat het vertrouwen in politici zeer laag is; dat de ‘traditionele partijen’ nog meer terrein verliezen (hierover publiceerde later die week een column in De Standaard: ‘als het loont om tegen de andere te zijn’.

Wat moet er gebeuren?  Ik overliep enkele belangrijke aspecten van leiderschap, van campagnevoeren en van beleid.

Te beluisteren op Radio 1, ‘De Wereld Vandaag’.

In ‘De Afspraak op Vrijdag’, van 22 mei 2020 kwamen deze thema’s deels aan bod.

 

Over het coronavirus, gesprek in “De Wereld van Sofie”, Radio 1, 13 maart 2020

Op Radio 1 had ik een gesprek met Sofie Lemaire in “De Wereld van Sofie” met over wat we al geleerd hebben van het Coronavirus. Op de site van Radio 1 kan het gesprek opnieuw worden beluisterd.

“Coronavirus  in het begin weggelachen?

Aan de start van de verspreiding van het nieuwe coronavirus werd er nogal laconiek gereageerd. We lachten het allemaal wat weg, maar nu overvalt ons toch een bepaald schuldgevoel. “Ik vind het wel oké dat er mee gelachen wordt”, zegt filosofe Tinneke Beeckman in ‘De Wereld van Sofie’. “Het is een heel normale reactie.”

Volgens Tinneke Beeckman heb je altijd een beetje tijd nodig om te beseffen hoe ernstig een situatie is. “Je kan het jezelf niet kwalijk nemen dat je niet op elk moment een volledig inzicht hebt in hoe ernstig iets is.” Het een beetje weglachen is een manier om ermee om te gaan.

Kwetsbaarheid van de mens

Misschien heeft het wel te maken met het feit dat we ons iets te sterk voelen op de wereld. Dat we niet meer verwachten dat we geraakt kunnen worden.

“Daar valt veel over te zeggen. Dan daag je het noodlot in zekere zin ook uit. Je wordt heel nonchalant en zelfgenoegzaam.”

Deze situaties van leven en dood zijn we niet meer gewoon. “De dood is iets wat we steeds meer denken te kunnen controleren door de technologie bijvoorbeeld. We leven ook langer. Maar plots ontstaat er iets dat aan de controle ontsnapt. Al behoort het eigenlijk gewoon tot het leven. “

“We zijn minder zelfvoorzienend en we zijn ons niet altijd bewust van die kwetsbaarheid. Maar dat ervaren we deze dagen wel”, zegt Beeckman.

Respecteer de politici

De houding tegenover politici is Beeckman al opgevallen de voorbije weken. “In goede tijden verwachten we dat politici dingen doen die ons goed uitkomen, en vooral op korte termijn. Hervormingen die nodig zijn op langere termijn, daar moeten we niet echt veel van weten. We zijn daar heel aarzelend over. Denk aan het klimaat of de betonstop.”

“Maar als het dan crisis is”, gaat Beeckman verder, “dan willen we plots dat politici leiderschap tonen. En dat is moeilijk want die politici zijn het gewoon om naar de burgers te luisteren.”

“Ik denk dat we in tijden van crisis maar ook in andere tijden, leiderschap moeten verdragen. We moeten er ook mee om kunnen dat er beslissingen worden genomen die misschien niet zo populair zijn maar wel noodzakelijk. Als we leiderschap eisen moeten we het altijd eisen, en niet alleen nu.””

“Prins Andrew, het probleem van de monarchie”, column DS 21 nov. 2019

“Veel mensen volgen de verhalen rond koninklijke families graag. Ze vallen voor de betoverende outfits, de fraaie paleizen en de elegante ceremonies. Af en toe halen schandalen de pers. Die lijken een vervelende smet op een gaaf blazoen. Maar het probleem zit dieper: scheve machtsverhoudingen vormen de kern van de monarchie.

Nu is er het schandaal rond de Britse prins Andrew. Hij zet een stap opzij na een verbijsterend interview enkele dagen geleden. Daarin probeert hij met eufemismen en povere uitvluchten zijn vriendschap met serieel meisjesverkrachter Jeffrey Epstein te rechtvaardigen (DS 18 november). Hij denkt niet aan de slachtoffers, rept met geen woord over excuses of berouw. Erger, hij gebruikt zijn bevoorrechte levensstijl als excuus: mensen gedragen zich nu eenmaal anders rondom royals … dus kon Andrew niet weten wat Epstein uitspookte. Uit dat interview blijkt geen spontane empathie, moreel inschattingsvermogen of verantwoordelijkheidszin. Dat ligt natuurlijk aan Andrew zelf. Maar de koninklijke leefwereld werkt wereldvreemdheid en een gevoel van bijzondere rechten en aanspraken in de hand. Gewone burgers die daarvan het slachtoffer worden, hebben weinig of geen verweer.

Zelfs wanneer de media een goednieuwsshow brengen, is de keerzijde nooit ver weg. Eind oktober vierde kroonprinses Elisabeth haar achttiende verjaardag. Over haar viel geen slecht woord te melden. Ze was voorbeeldig. Maar dezelfde week stond er een ander bericht in de krant: de elfjarige zoon van Delphine Boël, Oscar, kan geen bankrekening openen. Blijkbaar staat Boël op een zwarte lijst, omdat ze negatief in de media komt, heet het. Boël eist een vaderschapstest van koning Albert II – ze aanvaardt niet dat ze niet erkend wordt als zijn dochter. Ze handelt niet uit winstbejag, maar uit principe. De zaak-Boël onthult de kern van het probleem: wat telt, is je plaats in de koninklijke pikorde. Die geeft extra rechten aan het ene kind en ontneemt kansen aan het andere. Die onrechtvaardigheid is geen bijwerking, maar de essentie van het systeem.

Eigenlijk is het idee van erfopvolging zelf akelig: je promoveert na het tragische einde van een nauw familielid, door overlijden of aftreding (meestal na een conflict). Denk maar aan Boudewijns aantreden na de koningskwestie. Of kijk naar de film The king’s speech, over George VI, de vader van koningin Elizabeth II. Daarin komen de schuldgevoelens, zelfkwelling en andere drama’s naar voren. Het alternatief levert eveneens een bizar lot: een ouder die blijft voortdoen. Prins Charles, ondertussen 71 jaar en grootvader, is nog steeds aspirant-koning.

Gelukkig heeft de democratie de scherpste kantjes van de monarchie omgebogen. Zo beramen leden van koninklijke families geen moorden meer op hun rivalen. Dat gebeurde voordien wel. Lees er Shakespeare maar op na. Nu verloopt de overdracht van de macht vreedzaam, door een ceremonie waarbij de stem van het volk centraal staat: de verkiezingen. Dat is een overwinning van de democratie, waar ook aristocraten wel bij varen.

De democratie heeft nog politiek-filosofische bezwaren tegen de monarchie weggewerkt. Erfopvolging garandeert niet dat een koning(in) over enige politieke, morele of intellectuele kwaliteiten beschikt. Nu is de macht van de monarch beperkt en worden de politieke leiders beoordeeld en verkozen. Dat waarborgt evenmin veel kwaliteit, maar je kunt politici tenminste wegstemmen. Het lost nog een ander probleem op: veranderende tijden vereisen aangepast leiderschap. Dat kan een monarchie moeilijk leveren, dus is het goed dat de macht van de monarch beperkt blijft.

In al die kwesties duikt hetzelfde probleem op: sommige mensen genieten uitzonderlijk veel macht, rijkdom en privilege, die ze gekregen hebben zonder enige verdienste. Hun voorrecht is dat ze in een bepaalde volgorde geboren worden als het kind van uitverkoren ouders. En hoe ze zich ook gedragen, veelal ze behouden hun privileges. Uitzonderlijk moeten ze wel toegeven aan intense (media)druk, zoals nu voor Prins Andrew het geval is.

Deze ongelijkheid staat fundamenteel haaks op de democratische gedachte, en op de grondwet: dat alle mensen gelijk en vrij geboren worden. Het botst ook met een humanistisch idee: dat je de uitwassen van mensonterende machtsrelaties zo veel mogelijk moet uitbannen.”

Deze column verscheen in De Standaard op donderdag 21 november 2019.

“Wanneer ben ik echt vrij om te denken?”, Knack, 12 nov. 2019

Elke week publiceer ik in Knack een tekst in de rubriek ‘de vraag van Tinneke Beeckman’. Ik beantwoord er een moeilijke kwestie.

Eén vraag was – “Wanneer ben ik echt vrij om te denken?

“Vrij denken is moeilijker dan het lijkt. Natuurlijk hoor je om de haverklap over kritische, rebelse, eigenzinnige burgers. Het klinkt goed. Maar vrijdenkers zijn een zeldzame soort. Als je echt vrij wil denken, moet je onderzoeken wat jouw vrijheid in de weg kan staan. Dan bots je op vragen over je levenshouding, de beperkingen van je geest of je relaties tot anderen.

Volgens Immanuel Kant (1724-1804) staan lafheid en luiheid vrijheid en mondigheid in de weg. Het is zoveel makkelijker om denken aan anderen over te laten en gewoon te gehoorzamen! Maar die tijd is voorbij, meent Kant. Hij leefde nog niet in een verlicht tijdperk, maar wel in een tijdperk van de Verlichting. De ambitie om zelf te denken, behoort juist tot de kern van haar project: ‘Verlichting is het uittreden van de mens uit zijn zelf verschuldigde onmondigheid. Onmondigheid is het onvermogen zich van het eigen verstand te bedienen zonder de leiding van een ander verstand te volgen.’ Elke mens beschikt over de rede. Domheid mag geen excuus zijn voor een gebrek aan moed. Sapere aude!, schrijft Kant, ‘durf te denken of te weten’. Hij ontleent de uitspraak aan de Romeinse dichter Horatius: ‘Dimidium facti, qui coepit, habet; sapere aude, incipe.’; wie begonnen is, heeft de helft gedaan. Durf te weten, begin.’ Daarmee geeft Horatius een belangrijke inzicht: je moet beginnen en durven onderweg te zijn; je mag je niet laten ontmoedigen omdat je niet geheel vrij zou zijn.

Filosofen hebben heel wat hindernissen beschreven die inherent zijn aan de menselijke geest. Elke mens heeft vooroordelen en blinde vlekken. Zo kan je doorgaans beter de motieven van anderen inschatten dan dat je je eigen verlangens kent (Spinoza). Je overschat makkelijk de waarde van je eigen kennis (Montaigne). Of je kan je te sterk met je eigen ideeën identificeren; dan vraagt elke aanpassing een hele inspanning. Daarom zijn gesprekken met andersgezinden nodig; als ze slim zijn, zoals Socrates, sturen je ergste denkfouten bij. Stoïcijnen, cynici en sceptici raden aan om tegen jezelf te denken. Zo vermijd je de neiging om de verschillen met anderen nodeloos uit te vergroten, om het beangstigende van de buitenwereld te overschatten of om de wereld op te delen in goede en kwade mensen (waarbij je jezelf natuurlijk als het referentiepunt voor het goede neemt).

Andere obstakels hebben met externe factoren te maken, zoals financiële afhankelijkheid. Je bent overduidelijk niet vrij als je een broodheer moet dienen – vrijdenkers houden zich best ver van partijpolitiek of bedrijven. De baas hoeft zelfs geen expliciete beperkingen op te leggen. Zodra je weet dat je positie afhangt van zijn goedkeuring, dreig je jezelf bij te sturen. Zelfcensuur is zelfs een belangrijke vorm van vrijheidsbeperking. Ze werkt sluipend: als iemand macht over je uitoefent, beïnvloedt dat je oordeel. Je zal sommige vragen of conclusies liever omzeilen. Maar een vrijdenker moet élke vraag, elke conclusie kunnen overwegen, ook de schijnbaar ondenkbare.

Zelfs zonder financiële afhankelijkheid speelt sociale druk een rol. Vrij denken impliceert bovenal de moed om alleen te staan. Dan pas kan je keuzes maken die commentatoren, collega’s, vrienden of buren zouden mishagen. Eigenlijk kan je niemand verwijten conformistisch te zijn, want eenzaamheid is angstaanjagend. Die eenzaamheid werk je als vrij mens onbedoeld in de hand: je confronteert anderen met de grote of kleine compromissen die ze elke dag sluiten. Verwacht geen dankbaarheid.

Vrij denken lijkt me eerder een moment van genade dan een permanente toestand. Je kan het proberen, af en toe lukt het (even). Buitengewone voorbeelden helpen. Enkele passages uit het werk van Mary Wollstonecraft, George Eliot of George Orwell geven me tonnen energie.”

Uitzonderlijk publiceer ik deze tekst uit de hele Knack-reeks – begin november organiseerde het Geuzenhuis ‘De Nacht van de Vrijdenker‘ in de Vooruit in Gent. Tientallen filosofen, wetenschappers en opiniemakers gaven lezingen, deden mee aan debatten, gesprekken of workshops.

‘George’, gesprek over George Eliot, en haar roman Middlemarch, klara, 11 nov. 2019

‘George Eliot, de Victoriaanse schrijfster, werd 200 jaar geleden geboren. Ze vertaalde filosofen zoals Feuerbach en Spinoza, sprak met Darwin, Dickens en James. En ze schreef  het meesterwerk ‘Middlemarch’.

Greet Van Thienen interviewde historica Kaat Wils en mezelf als George Eliot-fans. Wat kunnen we nog van haar werk opsteken? Waarom zouden we Middlemarch nog lezen?’

Op Klara, podcast.