In ‘De Afspraak op Vrijdag’ op 13 januari 2023

Samen met Fouad Gandoul (columnist) en Nadia Naji (voorzitster Groen) was ik te gast bij Ivan De Vadder, op canvas, op vrijdag 13 januari.

We hadden het over de deal die de federale regering sloot met Engie (oa over nucleair afval), over asielzoekers in Brussel, en over ‘Het verhaal van Vlaanderen’.

Wat de canon juist betekent, leg ik hier uit.

“Kan één man CD&V redden?”, column DS, 30 juni 2022

Sammy Mahdi is de nieuwe voorzitter van CD&V. Sommigen hopen dat hij het tij kan keren. Misschien wel. Maar is het realistisch om van één politicus de redding te verwachten? De impact van de grote boegbeelden – Tindemans, Martens, Dehaene – paste in een tijdperk. Christendemocraten ­waren succesvol toen het machtsspel vooral op Belgisch nationaal niveau plaatsvond, met de Europese Unie als verre horizon. Leiders hebben toen de bakens voor staatshervormingen en voor Europese integratie verzet. Het was een politiek van zachtjes bij­sturen op weg naar het einddoel. Zo verliep de methode van Jean Monnet in Europa, en ook die van CD&V, aldus Dehaene in zijn memoires. Intussen heeft dat nationale regerings­niveau aan belang ingeboet, terwijl de regio’s en het Europese niveau ­belangrijker zijn geworden.

In zijn memoires legt Dehaene uit hoe CD&V als grootste partij in België de meerderheid in toom moest houden en met de minderheid compromissen moest sluiten. De partij kreeg het vertrouwen van kiezers door ­problemen op te lossen, door vol te houden en met een aura van bestuurlijke efficiëntie naar de kiezer te trekken. Hoe onelegant, obscuur, onbegrijpelijk de compromissen ook waren. Dehaene onderstreept hoe hij er vanaf de ­jaren 70-80 alles aan deed om te vermijden dat verkiezingen rond communautaire thema’s draaiden, want die kon CD&V niet winnen. In 2007 brachten ze Leterme wel naar een verkiezingsoverwinning. Dat brak CD&V zuur op: voormalig kartelpartner N-VA werd de grootste partij.

Als premier onderhandelde ­Dehaene over de beslissende stap naar een federale staat in 1993. In zijn boek wijst hij op het Belgische misverstand dat sluimerend vorm kreeg: tussen de compromissen door verloor men uit het oog hoezeer ­Nederlands­taligen en Franstaligen niet alleen verschillende, maar tegengestelde modellen gebruiken: territorialiteit staat tegenover personenrecht; consumentenfederalisme versus fiscale verantwoordelijkheid; België met twee gemeenschappen ­tegenover drie of vier gewesten (met Brussel als twistpunt). Elk com­promis geeft aan de ­tegengestelde partijen de indruk dat ze hun doel benaderen. Uiteindelijk lukt dat niet meer. 

Rond 2007 stelt Dehaene vast dat zijn jongere CD&V-collega’s confederaal denken, niet federaal. Ze kijken naar België vanuit Vlaanderen, niet naar Vlaanderen vanuit België. Die houding leeft ook bij veel kiezers, ­behalve in Brussel wellicht. De twee populairste partijen, zowel bij verkiezingen als in de peilingen, zijn nu Vlaams-nationalistische partijen. De zuilen zijn afgebrokkeld en in Franstalig België liggen de kaarten anders. In die situatie wordt het voor de christendemocraten moeilijk om de voormalige rol van de verzoenende ­bestuurspartij op zich te nemen. 

En wat met de andere pijler van de naoorlogse christendemocratie: de Europese constructie? Christendemocratische boegbeelden, zoals Dehaene en Van Rompuy, speelden er een cruciale rol. Aan die positie ontleende de CVP veel moreel gezag: na de gruwel van de Tweede Wereldoorlog bracht de Europese samenwerking vrede en welvaart. Jarenlang beleden christendemocraten hun Europese liefde, die hun nationale macht niet beperkte. Ministers in de regering bemiddelden succesvol tussen werkgevers en werknemers, ­tussen burgers en de politiek. 

Dehaene loodst in de jaren 90 België de muntunie in, na zware besparingen. Maar zo geeft hij essentiële politieke instrumenten uit handen. In tijden van crisis gaat het EU-beleid ook meer over sociale kwesties, ­migratie, veiligheid, milieu, ­klimaat, en landbouw. Zo belet het Europese niveau nationale politici om compromissen te maken waarmee ze vroeger uitpakten. Na het debacle rond Arco wil CD&V wel wat doen voor de gedupeerden (op kosten van de belastingbetaler), maar de EU verhindert dat. Zo’n maatregel wordt als onterechte staatssteun beschouwd, en dus als concurrentievervalsing. Of neem het landbouwbeleid. De EU legt regels op om de milieu- en klimaatschade van stikstof te beperken. Geen CD&V-minister kan de impact ervan wijzigen, al is die landbouw­minister een minister voor de land­bouwers. Hoe verwerf je dan een ­aura van betrouwbare beleidspartij? 

Veiligheid (drugs, terrorisme, ­militaire strategie) is in grote mate een transnationale kwestie, die ­lokaal gevolgen heeft. Dat geldt ook voor energie, economie, klimaat, ­migratie. Of voor de invloed van machtige ­socialemediabedrijven op de leef­wereld van jongeren, of op ­politieke debatten. Het wordt erg moeilijk om een kwaliteitsvol leven op lokaal vlak te beloven, als je geen bredere impact hebt. Dat is een kwestie waar elke ­regerende partij mee worstelt. Mahdi kan door anderen beproefde recepten overnemen – een spectaculaire, maar onhaalbare aankondigings­politiek, polariserende aanvallen op tegenstanders of profilering op triviale ­thema’s. In de competitie met andere politici kan dat lonen. Maar het leidt niet tot een machtige beleidspartij.”

Deze column verscheen in De Standaard op donderdag 30 juni 2022.

“Als alleen de ‘goede vrouw’ steun krijgt”, column DS, 21 okt. 2021

” Ook de rol van Ines De Vos roept vragen op.

De zaak-De Pauw ontlokte intense reacties, ook op sociale media. Daarbij horen felle steunbetuigingen aan de echtgenote van Bart De Pauw, Ines De Vos. Zij zou als ‘enige vrouw waardigheid’ uitstralen, of ‘vechten voor haar gezin’. Wat mij interesseert, is niet alleen­ welke feiten de betrokkenen hebben­ gepleegd, maar ook hoe het publie­ke debat over sociale rollen verloopt, en welk maatschappijbeeld daaruit spreekt. Wat mag je verwachten van een televisiester, een zaakvoerder, een werknemer of een gezinslid?

Dat de echtgenote als enige vrouw steun krijgt, verwondert me. Tenslotte was ze De Pauws manager. Later was ze zaakvoerder van het bedrijf Koeken Troef. In die functie wist ze al jaren dat er klachten waren over het gedrag van De Pauw. Woestijnvisbaas Wouter Vandenhaute informeerde De Vos in 2008 al dat De Pauw jongere vrouwen lastigviel op de set van Loft, bijvoorbeeld. En als zaakvoerder had De Vos professionele verplichtingen: ze moest erop toezien dat jonge vrouwen op de werkvloer van haar bedrijf in een veilige omgeving konden werken. Van De Pauw weten we dat hij aan jonge vrouwelijke collega’s eerst flirterige berichtjes stuurde, en dat dat uitdraaide op onophoudelijke stromen boodschappen, ook ’s nachts. Hij eiste daarbij dat die collega’s zijn berichten geheim hielden tijdens de werkuren. Nu wordt De Pauw aangeklaagd voor belaging en elektronische overlast. De juiste rol en betekenis van De Vos als baas is nog onduidelijk, maar vragen zijn er alvast wel.

De Pauw had blijkbaar sinds 1999 ook affaires met medewerksters (in brede­ zin), en zijn partner bleek daarvan op de hoogte. Dat meer private aspect­ van de relatie tussen De Pauw en zijn vrouw gaat niemand wat aan. De Vos hoeft haar keuzes aan niemand uit te leggen. Alleen had ze ook een professionele verhouding met De Pauw en (minstens indirect) met de vrouwen die hij in die context lastigviel. Dat ze zijn echtgenote is en moeder van zijn kinderen, verandert daar niets aan. Haar rol beperkt zich niet tot die van gezinslid. Ze heeft zelf gekozen voor een andere rol, met een andere maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het is paternalistisch om haar die verantwoordelijkheid te ontkennen.

Anders gezegd, niet het gezinsleven staat hier ter discussie, maar de arbeids­voorwaarden voor werknemers in kwetsbare posities. Waar het om draait, is dat deze vrouwen als werkneemster een beroep willen kunnen uitoe­fenen zonder dat hun integriteit wordt geschonden. Dat het grensoverschrijdende gedrag van de baas ‘erbij zou horen’, is precies wat de vrouwen die op het proces getuigen, niet meer aanvaarden.

Los daarvan blijft de vraag welke voorstelling van de ideale echtgenote of moeder in deze steunbetuigingen doorschemert. Verdient een vrouw die haar echtgenoot naar de rechtbank begeleidt echt meer respect dan een echtgenote die een ontrouwe, stalkende man allang zou verlaten hebben? Zou die gescheiden vrouw minder van haar kinderen houden of minder voor hen proberen te zorgen? Is onophoudelijke steun voor de partner of vader voor kinderen altijd de beste optie? Ik zou het zo stellig niet durven te beweren. Daarbij klinkt de bewondering voor de houding van de vrouw in kwestie hypocriet zolang er geen kritisch woord volgt over de houding van de man die bereid is het welzijn van zijn gezin op te offeren aan zijn overspelige verlangens.

Het is merkwaardig om deze oubollige dubbele moraal nog aan te treffen: de man is professioneel buitengewoon geslaagd, maar heeft een zwak voor vrouwelijk schoon; de goede echtgenote blijft haar buitengewone man steunen en beschermt op die manier de waarde van het gezin. De ontevreden vrouwelijke collega’s, daarentegen, verdienen vooral afkeuring, omdat ze hun klachten openbaar hebben gemaakt, en de manier waarop ze behandeld werden als problematisch ervaren.

Deze zaak over seksueel grensoverschrijdend gedrag lijkt me een gelegenheid om voorbij bestaande sjablonen te kijken. Annelies D’Espallier, de ombudsvrouw gender van de Vlaamse ombudsdienst, gaf in De zevende dag aan dat niet alle slachtoffers van seksueel geweld vrouwen zijn. Ook mannen kunnen slachtoffer zijn. Het is belangrijk om die realiteit te erkennen. Daarnaast kunnen mannen of vrouwen in bepaalde gevallen misschien zelf geen dader zijn, maar wel als enabler fungeren. Dan maken ze het grensoverschrijdende gedrag­ van iemand anders mogelijk, door de dader te beschermen, de feiten toe te dekken of de slachtoffers in de kou te laten staan. Misschien is de tijd gekomen om ook die verantwoordelijkheden helder te onderzoeken.”

Deze column verscheen in De Standaard op 21 oktober 2021.

Dat Loft een bedenkelijke film is qua vrouwbeeld, analyseer ik in deze column uit 2014.

‘Hoe jezelf te overstijgen’, column DS 9 september 2021

“‘Breek uit jezelf.’ Dat was de boodschap van Kristien Hemmerechts in haar ontwapenende interviews in Knack en De afspraak op Canvas. Sinds enige tijd bezoekt Hemmerechts misvieringen van de kerkgemeenschap Sant’Egidio. Daar voelt ze zich thuis en in ‘Gods handen’, zonder dat ze dat verder wil definiëren. Mensen zoeken vaak tevergeefs het geluk in zichzelf of hun partner. Die ik-gerichtheid maakt on­gelukkig, meent de schrijfster.

Dat begrijp ik: een leven van een egogerichte consument geeft geen duurzame voldoening. En een rituele beleving van transcendentie kan vervullend zijn – daarvoor heb je geen dogma’s of geloof­ nodig.

Ik ben niet katholiek opgevoed, en ik kan (of wil) de persoonlijke weg van Hemmerechts niet beoordelen. Ik heb me nooit tegen de kerk hoeven te verzetten, maar ze trekt me ook niet aan. De vraag blijft of haar negatieve kanten – waaronder machtsmisbruik, een enge kijk op vrouwen en op seksualiteit – acci­denteel zijn, dan wel inherent deel uitmaken van haar ingesteldheid. Misschien­ vertelt Hemmerechts’ relaas minder over de kerk dan over het falen van de seculiere varianten. Socialis­tische en andere niet-confessionele bewe­gingen waren decennialang succes­vol, omdat ze de behoefte aan soli­dariteit, barmhartigheid en gemeenschaps­zin politiek vertaalden.

Hemmerechts vermeldt ook het verlangen om voor zichzelf op te komen, zonder zich op te sluiten in een eigen ‘ik’. In de kerk kan ze dat bredere perspectief ervaren. Er zijn ook alternatieven, die mensen nog altijd blijven ontdekken.

Het klassieke wijsheidsidee – van Plato en Aristoteles tot de stoïcijnen en de epicuristen – draaide om die bredere vraag. Dat idee bevat drie elementen (die op uiteenlopende manieren werden uitgewerkt): er zijn praktijken om voor het ‘zelf’ te zorgen, door die praktijken kun je jezelf overstijgen, en een geslaagd leven organiseer je met anderen.

Je hebt een ‘zelf’. Of beter, je hebt een zelfbewustzijn, je denkt over jezelf als iemand die waarden heeft. En je hebt een innerlijke vrijheid om dat zelf (deels) vorm te geven. Dankzij geestelijke oefeningen kun je die vrijheid be­waren. Je waakt erover dat je niet door dogma’s of dwalingen van anderen in de war raakt. Evenmin word je door je passies of verlangens overheerst. Daartoe zijn er geestelijke oefeningen, zoals Pierre Hadot ze beschrijft. Je richt je aandacht op het hier en nu. Je doet aan gewetensonderzoek, je bereidt je voor op tegenslag en je leert scherp te onderschei­den wat van jezelf afhangt (dan kun je handelen) en wat buiten je macht ligt (dat moet je aanvaarden).

Die oefeningen zijn dus een zorg voor zichzelf, maar ze zijn geen egotrip. In de Brieven aan Lucilius, geeft de stoïcijn­ Seneca deze raad: ‘Concentreer je op het werkelijk goede en zoek je vreugde in wat van jou zelf is. Maar wat betekent “wat van jou zelf is”? Wat jij zelf bent en wat het beste deel van jou is.’ Dat beste deel is het goddelijke, waardoor je deel uitmaakt van de goddelijke rede, van de natuur. De vrije mens slaagt erin zich helemaal aan de kosmos over te geven. Bij die stoïcijnse gedachte hoort een inzet voor de anderen, voor de gemeenschap. Dat komt bij keizer Marcus Aurelius bijvoorbeeld uitvoe­rig aan bod. Kortom, de stoïcijn doet niet aan zelfpromotie: hij wil zichzelf niet in de kijker zetten door zichzelf met anderen te vergelijken of door zijn succesjes te etaleren.

Epicuristen geloven dan weer niet in een transcendentie naar het goddelijke. Maar ze halen hun bevrijdende ervaring wel uit iets dat buiten het ‘zelf’ ligt: een soort genade over de schoonheid van de wereld. Voor Lucretius kun je elke­ dag opnieuw naar de wereld kijken met de nieuwsgierige bewondering van iemand die haar voor de eerste keer ziet, én met de intense waardering van iemand die haar voor de laatste keer bekijkt. Ook zijn filosofische praktijk veronderstelt leven met anderen. Epicurus heeft geprobeerd gemeenschappen op te richten, waarvan leden door vriendschapsbanden met elkaar verbonden zijn. De antieke filosoof schaaft dus aan zichzelf, hij polijst zijn leven door zich inzetten in en voor de ‘polis’, in de gemeenschap, gesterkt door de wetenschap dat hij deel uitmaakt van een heel universum.”

Deze column verscheen in De Standaard, op 9 september 2021.

In ‘De Afspraak’ op donderdag 27 mei 2021

Op donderdag 27 mei 2021 was ik te gast in De Afspraak op Canvas, met viroloog Erika Vlieghe en Vincent Van Quickenborne.

De onderwerpen waren de gunstige coronacijfers, de zoektocht naar Jürgen Conings en de rol van wetenschappers in tijden van crisis. Waarom zijn mensen boos op wetenschappers?

“De bondgenoot van de bedrieger”, column DS, 29 april 2021

“De saga rond Sihame El Kaou­akibi blijft duren. Hoe de kaarten juist liggen, moeten rechtbanken uitzoeken. Maar het staat vast dat El Kaouakibi veel vertrouwen en welwillendheid wist op te wekken bij politici, bedrijfsleiders en journalisten. Hoe was dat mogelijk? De Amerikaans-Russische Maria Konni­kova, doctor in de psychologie, schreef met The confidence game. The psychology of the con and why we fall for it every time (2016) een werk dat kan helpen om het fenomeen te begrijpen.

Waarom laat je je soms verleiden en oplichten? Omdat mensen erin slagen jouw vertrouwen te winnen. En ze geven­ je het gevoel dat ze je iets aan­bieden. In werkelijkheid verlies je. Wanneer je beseft wat er is gebeurd, is het te laat. En op dat moment ben je allicht niet geneigd om het bedrog aan de grote klok te hangen. Want als gedupeerde verlies je prestige: je bent blijkbaar niet zo alert en scherp als je wilt lijken. De stilte van de benadeelden verklaart deels waarom bedrog langere tijd kan doorgaan. Het is opmerkelijk, maar niet verrassend, dat interne klokkenluiders en leden van de raad van bestuur van Let’s Go Urban het geknoei naar buiten brachten, en niet de gedupeerde bedrijfsleiders, politici of journalisten, die gewillig meestapten in haar verhaal.

Dit is een ander aspect: oplichters vertellen overtuigende, emotionele ­persoonlijke verhalen. Die beïnvloeden ­iemands oordeel sterker dan formele, rationele feiten. Als een feit aannemelijk klinkt, wil je het nog bewezen zien. Als een verhaal aannemelijk klinkt, geloof je dat het waar is, aldus Konnikova. In dat mooie verhaal van de oplichter mag je meedoen, ook jij kunt er deel van worden. Die uitnodiging verhoogt de indruk dat je vrijwillig en zonder druk hebt toegehapt.

De tijdgeest bepaalt gedeeltelijk welke­ verhaalformules goed werken. Je bent geneigd je met iemand te associëren omdat die weerspiegelt hoe je bent, hoe je wilt zijn of hoe je wilt lijken. Wat dat precies inhoudt, kan verschillen. Een slachtoffer van Bernie Madoffs ­piramidespel vertelde dat diens afkomst, connecties en reputatie vertrouwen wekten, omdat hij zo graag tot ­Madoffs leefwereld wilde behoren. El Kaouakibi’s projecten hadden een ­andere aantrekkingskracht. Als je met haar samenwerkte, participeerde je aan een ideaal van ‘empowerment’ en verantwoordelijkheid, aan de strijd tegen racisme en discriminatie. Haar magische kracht van selfmade ondernemer straalde ook op jou af.

Dat alles heeft nog meer effect wanneer je jezelf overschat. Bijvoorbeeld wanneer je vindt dat je wel recht hebt op een gelukje. Konnikova illustreert die neiging tot zelfoverschatting met de bizarre zwaktes die mensen van zichzelf kunnen toegeven (en die ook in gewone interviews opduiken): mensen noemen zichzelf te perfectionistisch, te open, te vertrouwend. Wat betekent dat ze bij zichzelf vooral kwaliteiten zien.

Waarom zou je dan niet het geluk hebben dat iemand je de buitengewone gelegenheid biedt, waar je al zo lang op wacht? Daar ga je het best snel in mee, want er zijn nog geïnteresseerden. Zo val je voor de pitch van de oplich­ter. 

Zodra je intekent, word je selectiever in de informatie die je wil erkennen. Hoe hoger de inzet, hoe minder je geneigd­ bent tot strenge controle. Je wordt, bizar genoeg, de bondgenoot van de bedrieger: ook jij wil dat het mooie verhaal verdergaat.

Overmoed en zelfoverschatting zijn de instrumenten waarmee de con-artist tewerkgaat. Diezelfde kenmerken worden de bedrieger vroeg of laat fataal. Maar veel schuldinzicht hebben de ­daders in Konnikova’s verhalen doorgaans niet. Ze betreuren vooral dat ze betrapt werden.

Konnikova behandelt geen politieke affaires. Dit is een apart aspect van El Kaouakibi’s zaak. Maar duidelijk is dat het politieke bestel structuren heeft om oplichting moeilijker te maken. Op voorwaarde dat politici daar gebruik van maken. Commissies, administraties en audits dienen precies om de kracht van één verhaal te ontmijnen en de realiteit te laten spreken. Vriendjespolitiek is alleen al daarom een slecht idee: oplichters opereren makkelijker wanneer persoonlijke contacten volstaan om middelen te krijgen.

Je kunt als politicus pech inroepen omdat je de foute mensen hebt ontmoet. Maar het is geen pech meer wanneer je de controlemechanismes hebt helpen te omzeilen. ‘Je moet niet het slachtoffer uithangen, maar je verantwoordelijkheid nemen.’ Wat klonk die boodschap goed toen El Kaouakibi ze verkondigde.”

Deze column verscheen in De Standaard op 29 april 2021.

“Als vrouwen klauwen”, column DS, 18 maart 2021

“Elke dag hoor je over geweld ­tegen vrouwen: op straat, in ­familiale kring, in het publieke domein. Die aandacht is ­terecht. Vrouwen worden nog vaak ­getroffen door allerlei soorten wan­gedrag. De grote meerderheid van ­(fysieke) gewelddaden plegen mannen. Hoe zwaarder het geweld, hoe vaker de plegers mannen zijn, wijst onderzoek uit. Maar deze drama’s mogen niet verhullen dat ook vrouwen gewelddadig kunnen zijn, en mannen soms moeten incasseren.

Eén op de vijf vrouwen is slachtoffer van partnergeweld en één op de zeven mannen. Dat onthutsende cijfer komt naar voren in de Canvas-docureeks Als je eens wist. Het vooroordeel dat leden van de ene groep, de mannen, per definitie de agressors zijn en de anderen, de vrouwen, altijd alleen de gedupeerden, klopt dus niet. In de eerste aflevering kwam een mannelijk slachtoffer van partnergeweld aan het woord. Jarenlang schaamde hij zich te erg om hulp te zoeken. En hij vreesde dat zijn partner zich als slachtoffer zou opstellen, mocht hij zich fysiek verdedigen.

Zuivere gevallen van slachtoffer versus dader bestaan, maar het gaat om een minderheid. Vaak is de situatie erg complex en zitten mensen in een destructieve dynamiek gevangen. Deze complexiteit gaat verloren omdat mensen duidelijk willen oordelen. Ze zoeken naar een zuiver goede en een zuiver slechte partij. Dat fenomeen valt op bij conflicten tussen bekende figuren, waarbij het publiek fel verdeeld reageert. Het is dus moeilijk om in te zien dat dezelfde persoon op het ene moment slachtoffer kan zijn, maar op een ander moment assertieve of kwetsende daden kan stellen. Het is alsof deze genuanceerde vaststelling ­iemands slachtofferschap zou miskennen, en dat is taboe. Maar het helpt alle betrokkenen verder om het hele verloop te begrijpen.

Vrouwen als slachtoffers neerzetten, betekent dat ze geen agency, geen handelingsruimte zouden hebben. En als vrouwen zich uitsluitend als slachtoffer beschouwen, blijven ze blind voor het kwetsende gedrag dat ze op bepaalde momenten zelf kunnen vertonen. Ze nemen er geen verantwoordelijkheid voor en beseffen niet hoe ze aan een ­negatieve spiraal bijdragen.

Deze nuances hebben niets te maken met victim blaming, de kwalijke om­kering waarbij het slachtoffer als schuldige wordt neergezet. Dat gebeurt bijvoorbeeld als je gaat beweren dat een verkrachte vrouw het onheil over zichzelf zou hebben uitgeroepen omdat ze in het donker alleen naar huis ging. Zo’n omkering is onaanvaardbaar, omdat daders hun verantwoordelijkheid dan op de ander mogen afschuiven en ze hun eigen misdrijven minimaliseren. Dat is onaanvaardbaar. Elke mens, man of vrouw, is volledig verantwoordelijk voor wat hij of zij doet.

De makkelijke tweedeling tussen de goede vrouwen en de slechte mannen helpt niemand om de ingewikkelde realiteit te begrijpen. Het is een illusie te denken dat geweld zou verdwijnen, als alle mannen – per definitie de slechte groep – hun gedrag zouden veranderen. Niet alle mannen zijn daders, en sommige mannen hebben recht op begrip, steun, hulp. Dergelijke, eenvoudige schema’s bevestigen het probleem dat ze willen bestrijden, want ze bevatten nieuwe vormen van uitsluiting en ­geweld.

Vrouwelijke agressiviteit wordt niet alleen privé miskend. Heldere voorbeelden kan je evengoed in politieke ideologieën vinden. Het nazisme gaf vrouwen alleen een plaats aan de haard. Maar de NSDAP had vanaf het begin vurige aanhangsters. Zij waren fanatieke propagandisten van de nazi-ideologie en faciliteerden de oorlogsinspanning. 

Hetzelfde geldt voor de westerse vrouwen die zich bij Islamitische Staat aan­sloten. In de media worden ze weleens als naïeve, willoze volgers neergezet, misleid door mannen. Ongetwijfeld zijn er vrouwen die in de klauwen ­terechtkwamen van een netwerk waaruit ze niet meer konden ontsnappen. Net zo goed zijn sommige IS-vrouwen echte gangsters. Ze hebben zich doel­bewust en vastberaden als strijdster ­opgeworpen. Ze hebben haatpropaganda verspreid, terrorisme gesteund of zelfs fysiek geweld gepleegd tegenover ‘niet-gelovigen’, ze hebben seksslaven vastgehouden en gevangenen gemarteld.

Het is paternalistisch om te denken dat vrouwen niet tot gruwelijke daden in staat zijn. En het is ook paternalistisch om hen hiervoor niet even verantwoordelijk te houden als de mannelijke plegers van geweld.”

In ‘De Afspraak op Vrijdag’ op 12 maart 2021

Op vrijdag 12 maart was ik in “De Afspraak op Vrijdag” op Canvas met Ivan De Vadder. Andere gasten waren voormalig minister van Justitie Koen Geens en politicoloog Dave Sinardet.

De thema’s waren het drugsbeleid, de strijd tegen homohaat en de staatshervorming. Koen Geens bracht enkele voorstellen om de federale regeringsvorming te vergemakkelijken. Ook het voorstel van minister Verlinden om burgerpanels te organiseren kwam aan bod.

‘Cafépraat helpt politici niet vooruit’, DS, 15 okt. 2020

Bart De Wever kan heel wat leren­ van Frank Vandenbroucke, staat in het redactionele commentaar (DS 14 oktober): een politiek parcours kan plots gele­genheden scheppen die eerst onmogelijk leken. Daarvoor is soms een tocht door de woestijn nodig. De N-VA-voorzitter kan ook op andere vlakken een voorbeeld nemen aan de nieuwe SP.A-minister, denk ik.

Volgens de laatste peiling staat Vanden­broucke meteen op de tweede plaats van de lijst met de populairste politici. In wezen is hij niets veranderd: na tien jaar afwezigheid spreekt hij nog altijd als de slimste van de klas en verdedigt hij een duidelijke, heldere visie. Zo ook vorige donderdagavond, toen de minister aan tafel zat bij Danira Boukhriss in haar programma Vandaag op Eén. Hij werd als nestor van de regering opgevoerd naast het jongste regeringslid, Sammy Mahdi (CD&V). In een divers, jong en vrouwelijk gezelschap was de minister genereus en zelfrelativerend, zonder dat hij toegaf op politieke inhoud. Wellicht heeft Vandenbroucke wat redenen om verbitterd en boos te zijn over het verleden, maar die blad­zijde heeft hij duidelijk omgeslagen.

Diezelfde avond kwam ik zappend bij Gert late night (Vier) terecht. Daar besprak De Wever met Sam Gooris en gastheren James en Gert of de sfeer van het programma cafépraat bevordert. Twee weken eerder had De Wever er, in bijzijn van Theo Francken, over de liberalen gezegd dat ‘de blauwe vrienden op de knieën zullen moeten gaan, hun mond moeten opendoen en slikken. We maken ze kapot in de oppositie’.

Op die uitspraak kwam heel wat kritiek. Maar wat onderbelicht bleef, was het politieke effect ervan. De uitspraak was niet alleen vulgair, maar ook vernederend. Dat maakte de uitlating moreel laakbaar én politiek contraproductief. ‘Beledigende, krenkende taal wekt haat tegen degenen die haar bezigen, en is hun van geen enkel nut’, schrijft Machiavelli in zijn Discorsi. Gedachten over staat en politiek. De vernedering is een wapen dat je schijnbaar tegen anderen inzet, maar eigenlijk op jezelf richt. Daarom raadt de Florentijn zo’n schuttingtaal af: als je iemand vernedert, versterk je alleen de noodzaak bij die ander om jou te bestrijden. En dat is ook wat nu gebeurde. In één zin verenigde De Wever zijn liberale rivalen, in plaats van hen te treffen. Nochtans had Georges-Louis Bouchez (MR) de wankele coalitie bijna opgeblazen met zijn eigen­gereide optreden. Maar na De Wevers­ uitspraak trokken alle coalitiepartners aan één zeel. Toekomstig premier­ Alexander De Croo verscheen als een staatsman, zonder dat hij iets bijzonders hoefde te doen.

Na de felle kritiek op De Wevers uithaal reageerde een deel van de N-VA-achterban defensief: de voorzitter werd alweer aangevallen in de media. Het klopt dat De Wevers uitspraken in het verleden soms uit hun context werden gehaald, waarna ze dagenlang onderwerp van debat waren. Eind 2017 gaf De Wever bijvoorbeeld een interview met de Gazet van Antwerpen over verdachten van terrorisme. Wie het hele interview las, zag dat hij weinig verkeerds zei. Toch veroorzaakte de uitspraak heel wat beroering, en werd De Wever stigmatisering van groepen en racisme verwe­ten.

Dit is een ander verhaal: hier ging De Wever in de fout. Hij zocht uitvluchten voor zijn uitlatingen. In De zevende dag zei hij dat hij ‘ook maar een mens’ is en dat hij ‘cafépraat’ verkocht. Daarmee nam hij geen verantwoordelijkheid voor de nefaste politieke gevolgen van zijn eigen agressie: de taal van vernedering en belediging helpt alleen je tegenstanders vooruit. Het is opmerkelijk dat dit eenvoudige, letterlijk eeuwen­oude inzicht zo weinig wordt begrepen. Natuurlijk kunnen politici met zo’n taalgebruik veel aandacht genereren. Ze kunnen sympathie opwekken bij hun trouwe achterban, met wie ze direct communiceren via sociale media. Maar uiteindelijk schieten ze zichzelf in de voet: ze creëren de illusie dat straffe taal politiek efficiënt is. Dat is niet zo. Uiteindelijk slagen zulke politici er niet meer in om medestanders te vinden, waardoor ze politiek weinig kunnen veran­deren.

Bart De Wever heeft betere momenten gekend. Vroeger discussieerde hij bijvoorbeeld met wijlen Etienne Vermeersch over de verlichting in Reyers Laat – een voorganger van Boukhriss’ programma. Sterker, zijn succes heeft deels met zijn intellectuele houding te maken. Zoals Vandenbroucke nu populair is, deels omdat hij zijn slimme zelf durft te zijn. Als partijvoorzitter en burge­meester zou De Wever beter van Verhulsts boot – en soortgelijke sloepen – wegblijven, en een andere retoriek aanslaan. Anders eindigt ‘nil volentibus arduum’ in ‘sic transit gloria mundi’.

“Politici, verklein het speelveld niet”, column DS, 1 okt. 2020

De Vivaldi-regering begint aan haar opdracht. Na bijna 500 dagen komt een coalitie tot stand van verliezende partijen (alleen Groen en Ecolo gingen erop vooruit). De drie traditionele Vlaamse partijen – CD&V, Open VLD en de SP.A – treden toe, mét Groen. Toch vormt deze bonte groep aan Vlaamse kant geen meerderheid. Het centrum verkleint.

Het Belgische politieke systeem is aan hervorming toe, maar lijkt er niet meer toe in staat. Bart De Wever (N-VA) pleit voor een ander kiessysteem: een meerderheidsstelsel. Dat partijen proberen het stelsel naar hun hand te zetten, gebeurt wel vaker­, gaf Marc Reynebeau al aan (DS 30 september). Deze omkering van een proportioneel naar een meerderheidssysteem is grondwettelijk niet haalbaar en politiek niet wenselijk, schreef politicoloog Bart Maddens in De Tijd

Een verandering is ook een slecht idee om een andere reden: het meerderheidssysteem lijkt het centrum stabiel te verenigen, maar die stabiliteit is bedrieglijk. In werkelijkheid blijven vooral mensen uit een kleine, geprivilegieerde groep aan de macht. Zij hebben weinig voeling met wat er bij de bevolking leeft. Dat gebrek aan pluraliteit bij de top wreekt zich uiteindelijk.Een democratie moet de zorgen van mensen die extreem stemmen, beantwoorden op een niet-extreme manier

Bij een meerderheidssysteem zijn er twee dominante partijen, omdat de grootste partij in een kiesdistrict alle zetels voor dat district in het parlement krijgt. De kleinere partijen worden heel klein (ze kunnen wel lokaal de grootste zijn, en hier en daar een zetel halen) of ze verdwijnen. Daardoor kan de winnende centrumpartij het beleid uittekenen, zonder coalitiepartners. Dat lijkt stabiliteit te brengen, en de pluraliteit zou niet verdwijnen, doordat kleinere bewegingen correcties doorvoeren. Maar de politieke evoluties in het Verenigd Koninkrijk tonen de valkuilen.

In een meerderheidssysteem regeert dezelfde kleine groep het land. De politieke winnaars delen grosso modo dezelfde ideologie. De conservatief David Cameron zag zichzelf als de opvolger van Labour-leider Tony Blair. Dat zegt voldoende over de ideologische eensgezindheid bij de politieke klasse. Die kleine kring politici komt uit veelal dezelfde welstellende laag, ze frequenteerde dezelfde scholen (private scholen zoals Eton, universiteiten zoals Oxford en Cambridge). De veranderingen en omwentelingen in de samenleving worden niet echt politiek vertaald, maar ingezet als munitie in een interne partijpolitieke machtsstrijd.

Neem de saga rond de Brexit. Nigel Farage (Ukip) had premier Cameron aangespoord om een referendum over de Britse deelname aan de EU te organiseren. Cameron was zelf voorstander van Brits lidmaatschap, maar beloofde een referendum te houden. Hij was ervan overtuigd dat hij niet kon verliezen. Maar hij verloor, want in zijn zogezegd stabiele midden had Cameron geen voeling met wat er leefde bij de bevolking: een diep ressentiment tegen ‘de elite’ na de financiële crisis in 2008.

De brexiteers wendden dat ressentiment aan in hun strijd tegen de EU, de globalisering en een open migratiebeleid. De brexiteers wakkerden een aloude trots aan: dat het Verenigd Koninkrijk een grootmacht is die niemand nodig heeft, en al zeker geen Europeanen. Integendeel, het Verenigd Koninkrijk heeft onbreekbare vriendschapsbanden met de Verenigde Staten, en dat is voldoende. In zijn recente The Churchill complex doorprikt Ian Buruma de Britse illusie van de Brits-Amerikaanse alliantie, die Churchill tijdens de Tweede Wereldoorlog in het leven riep. De waarheid is dat de Britten er binnenkort helemaal alleen voorstaan, zonder betrouwbare bondgenoten.

In het referendum werden plots nieuwe breuklijnen duidelijk: platteland tegen stad, lageropgeleid tegen hogeropgeleid, oud tegen jong, ontmoedigde verliezer van de globalisering tegenover hoopvolle winnaar. De uitkomst van het referendum diende vooral als strijdmiddel tussen rivalen van die grootste partij. Camerons partij­genoot en concurrent Boris Johnson was ook tegenstander van de Brexit. Tot hij het verschil wilde maken met Cameron, en zijn kar keerde. Daarop werd Theresa May even premier – zij probeerde een Brexit-deal te sluiten met de EU. Om zich van haar te kunnen onderscheiden, pookte Johnson het anti-EU-sentiment hoog op; May haalde bakzeil. Zo lag de weg open voor Johnsons premierschap.

In de Vlaamse rangen zitten valsspelers, aldus De Wever in De zevende dag: bij de kleinere partijen vind je altijd politici die federale akkoorden willen sluiten tegen het verlangen van de meerderheid van Vlaamse kiezers in. Maar welke grondstroom bedient Boris Johnson met zijn beleid op langere termijn? Heeft de krimpende middenklasse betere vooruitzichten na de Brexit? Staat Groot-Brittannië sterker dan tevoren? Of heeft Johnson alles roekeloos ingezet om zelf premier te kunnen worden?

Een democratie moet de bekommernissen van de mensen die extreem stemmen, beantwoorden op een niet-extreme manier. Daartoe is een open contact nodig met de diversiteit en de pluraliteit aan visies. En daartoe moeten nieuwe generaties politici, met andere ideeën en voorkeuren uit meerdere lagen van de bevolking een kans krijgen om deel te nemen aan de macht. Wat een democratie niet nodig heeft, is dat dit speelveld wordt verengd tot een machtsstrijd binnen een kleine, geprivilegieerde groep, in welk kies­systeem dan ook.”

Deze column verscheen in De Standaard op 1 oktober 2020.