‘Cafépraat helpt politici niet vooruit’, DS, 15 okt. 2020

Bart De Wever kan heel wat leren­ van Frank Vandenbroucke, staat in het redactionele commentaar (DS 14 oktober): een politiek parcours kan plots gele­genheden scheppen die eerst onmogelijk leken. Daarvoor is soms een tocht door de woestijn nodig. De N-VA-voorzitter kan ook op andere vlakken een voorbeeld nemen aan de nieuwe SP.A-minister, denk ik.

Volgens de laatste peiling staat Vanden­broucke meteen op de tweede plaats van de lijst met de populairste politici. In wezen is hij niets veranderd: na tien jaar afwezigheid spreekt hij nog altijd als de slimste van de klas en verdedigt hij een duidelijke, heldere visie. Zo ook vorige donderdagavond, toen de minister aan tafel zat bij Danira Boukhriss in haar programma Vandaag op Eén. Hij werd als nestor van de regering opgevoerd naast het jongste regeringslid, Sammy Mahdi (CD&V). In een divers, jong en vrouwelijk gezelschap was de minister genereus en zelfrelativerend, zonder dat hij toegaf op politieke inhoud. Wellicht heeft Vandenbroucke wat redenen om verbitterd en boos te zijn over het verleden, maar die blad­zijde heeft hij duidelijk omgeslagen.

Diezelfde avond kwam ik zappend bij Gert late night (Vier) terecht. Daar besprak De Wever met Sam Gooris en gastheren James en Gert of de sfeer van het programma cafépraat bevordert. Twee weken eerder had De Wever er, in bijzijn van Theo Francken, over de liberalen gezegd dat ‘de blauwe vrienden op de knieën zullen moeten gaan, hun mond moeten opendoen en slikken. We maken ze kapot in de oppositie’.

Op die uitspraak kwam heel wat kritiek. Maar wat onderbelicht bleef, was het politieke effect ervan. De uitspraak was niet alleen vulgair, maar ook vernederend. Dat maakte de uitlating moreel laakbaar én politiek contraproductief. ‘Beledigende, krenkende taal wekt haat tegen degenen die haar bezigen, en is hun van geen enkel nut’, schrijft Machiavelli in zijn Discorsi. Gedachten over staat en politiek. De vernedering is een wapen dat je schijnbaar tegen anderen inzet, maar eigenlijk op jezelf richt. Daarom raadt de Florentijn zo’n schuttingtaal af: als je iemand vernedert, versterk je alleen de noodzaak bij die ander om jou te bestrijden. En dat is ook wat nu gebeurde. In één zin verenigde De Wever zijn liberale rivalen, in plaats van hen te treffen. Nochtans had Georges-Louis Bouchez (MR) de wankele coalitie bijna opgeblazen met zijn eigen­gereide optreden. Maar na De Wevers­ uitspraak trokken alle coalitiepartners aan één zeel. Toekomstig premier­ Alexander De Croo verscheen als een staatsman, zonder dat hij iets bijzonders hoefde te doen.

Na de felle kritiek op De Wevers uithaal reageerde een deel van de N-VA-achterban defensief: de voorzitter werd alweer aangevallen in de media. Het klopt dat De Wevers uitspraken in het verleden soms uit hun context werden gehaald, waarna ze dagenlang onderwerp van debat waren. Eind 2017 gaf De Wever bijvoorbeeld een interview met de Gazet van Antwerpen over verdachten van terrorisme. Wie het hele interview las, zag dat hij weinig verkeerds zei. Toch veroorzaakte de uitspraak heel wat beroering, en werd De Wever stigmatisering van groepen en racisme verwe­ten.

Dit is een ander verhaal: hier ging De Wever in de fout. Hij zocht uitvluchten voor zijn uitlatingen. In De zevende dag zei hij dat hij ‘ook maar een mens’ is en dat hij ‘cafépraat’ verkocht. Daarmee nam hij geen verantwoordelijkheid voor de nefaste politieke gevolgen van zijn eigen agressie: de taal van vernedering en belediging helpt alleen je tegenstanders vooruit. Het is opmerkelijk dat dit eenvoudige, letterlijk eeuwen­oude inzicht zo weinig wordt begrepen. Natuurlijk kunnen politici met zo’n taalgebruik veel aandacht genereren. Ze kunnen sympathie opwekken bij hun trouwe achterban, met wie ze direct communiceren via sociale media. Maar uiteindelijk schieten ze zichzelf in de voet: ze creëren de illusie dat straffe taal politiek efficiënt is. Dat is niet zo. Uiteindelijk slagen zulke politici er niet meer in om medestanders te vinden, waardoor ze politiek weinig kunnen veran­deren.

Bart De Wever heeft betere momenten gekend. Vroeger discussieerde hij bijvoorbeeld met wijlen Etienne Vermeersch over de verlichting in Reyers Laat – een voorganger van Boukhriss’ programma. Sterker, zijn succes heeft deels met zijn intellectuele houding te maken. Zoals Vandenbroucke nu populair is, deels omdat hij zijn slimme zelf durft te zijn. Als partijvoorzitter en burge­meester zou De Wever beter van Verhulsts boot – en soortgelijke sloepen – wegblijven, en een andere retoriek aanslaan. Anders eindigt ‘nil volentibus arduum’ in ‘sic transit gloria mundi’.

“Politici, verklein het speelveld niet”, column DS, 1 okt. 2020

De Vivaldi-regering begint aan haar opdracht. Na bijna 500 dagen komt een coalitie tot stand van verliezende partijen (alleen Groen en Ecolo gingen erop vooruit). De drie traditionele Vlaamse partijen – CD&V, Open VLD en de SP.A – treden toe, mét Groen. Toch vormt deze bonte groep aan Vlaamse kant geen meerderheid. Het centrum verkleint.

Het Belgische politieke systeem is aan hervorming toe, maar lijkt er niet meer toe in staat. Bart De Wever (N-VA) pleit voor een ander kiessysteem: een meerderheidsstelsel. Dat partijen proberen het stelsel naar hun hand te zetten, gebeurt wel vaker­, gaf Marc Reynebeau al aan (DS 30 september). Deze omkering van een proportioneel naar een meerderheidssysteem is grondwettelijk niet haalbaar en politiek niet wenselijk, schreef politicoloog Bart Maddens in De Tijd

Een verandering is ook een slecht idee om een andere reden: het meerderheidssysteem lijkt het centrum stabiel te verenigen, maar die stabiliteit is bedrieglijk. In werkelijkheid blijven vooral mensen uit een kleine, geprivilegieerde groep aan de macht. Zij hebben weinig voeling met wat er bij de bevolking leeft. Dat gebrek aan pluraliteit bij de top wreekt zich uiteindelijk.Een democratie moet de zorgen van mensen die extreem stemmen, beantwoorden op een niet-extreme manier

Bij een meerderheidssysteem zijn er twee dominante partijen, omdat de grootste partij in een kiesdistrict alle zetels voor dat district in het parlement krijgt. De kleinere partijen worden heel klein (ze kunnen wel lokaal de grootste zijn, en hier en daar een zetel halen) of ze verdwijnen. Daardoor kan de winnende centrumpartij het beleid uittekenen, zonder coalitiepartners. Dat lijkt stabiliteit te brengen, en de pluraliteit zou niet verdwijnen, doordat kleinere bewegingen correcties doorvoeren. Maar de politieke evoluties in het Verenigd Koninkrijk tonen de valkuilen.

In een meerderheidssysteem regeert dezelfde kleine groep het land. De politieke winnaars delen grosso modo dezelfde ideologie. De conservatief David Cameron zag zichzelf als de opvolger van Labour-leider Tony Blair. Dat zegt voldoende over de ideologische eensgezindheid bij de politieke klasse. Die kleine kring politici komt uit veelal dezelfde welstellende laag, ze frequenteerde dezelfde scholen (private scholen zoals Eton, universiteiten zoals Oxford en Cambridge). De veranderingen en omwentelingen in de samenleving worden niet echt politiek vertaald, maar ingezet als munitie in een interne partijpolitieke machtsstrijd.

Neem de saga rond de Brexit. Nigel Farage (Ukip) had premier Cameron aangespoord om een referendum over de Britse deelname aan de EU te organiseren. Cameron was zelf voorstander van Brits lidmaatschap, maar beloofde een referendum te houden. Hij was ervan overtuigd dat hij niet kon verliezen. Maar hij verloor, want in zijn zogezegd stabiele midden had Cameron geen voeling met wat er leefde bij de bevolking: een diep ressentiment tegen ‘de elite’ na de financiële crisis in 2008.

De brexiteers wendden dat ressentiment aan in hun strijd tegen de EU, de globalisering en een open migratiebeleid. De brexiteers wakkerden een aloude trots aan: dat het Verenigd Koninkrijk een grootmacht is die niemand nodig heeft, en al zeker geen Europeanen. Integendeel, het Verenigd Koninkrijk heeft onbreekbare vriendschapsbanden met de Verenigde Staten, en dat is voldoende. In zijn recente The Churchill complex doorprikt Ian Buruma de Britse illusie van de Brits-Amerikaanse alliantie, die Churchill tijdens de Tweede Wereldoorlog in het leven riep. De waarheid is dat de Britten er binnenkort helemaal alleen voorstaan, zonder betrouwbare bondgenoten.

In het referendum werden plots nieuwe breuklijnen duidelijk: platteland tegen stad, lageropgeleid tegen hogeropgeleid, oud tegen jong, ontmoedigde verliezer van de globalisering tegenover hoopvolle winnaar. De uitkomst van het referendum diende vooral als strijdmiddel tussen rivalen van die grootste partij. Camerons partij­genoot en concurrent Boris Johnson was ook tegenstander van de Brexit. Tot hij het verschil wilde maken met Cameron, en zijn kar keerde. Daarop werd Theresa May even premier – zij probeerde een Brexit-deal te sluiten met de EU. Om zich van haar te kunnen onderscheiden, pookte Johnson het anti-EU-sentiment hoog op; May haalde bakzeil. Zo lag de weg open voor Johnsons premierschap.

In de Vlaamse rangen zitten valsspelers, aldus De Wever in De zevende dag: bij de kleinere partijen vind je altijd politici die federale akkoorden willen sluiten tegen het verlangen van de meerderheid van Vlaamse kiezers in. Maar welke grondstroom bedient Boris Johnson met zijn beleid op langere termijn? Heeft de krimpende middenklasse betere vooruitzichten na de Brexit? Staat Groot-Brittannië sterker dan tevoren? Of heeft Johnson alles roekeloos ingezet om zelf premier te kunnen worden?

Een democratie moet de bekommernissen van de mensen die extreem stemmen, beantwoorden op een niet-extreme manier. Daartoe is een open contact nodig met de diversiteit en de pluraliteit aan visies. En daartoe moeten nieuwe generaties politici, met andere ideeën en voorkeuren uit meerdere lagen van de bevolking een kans krijgen om deel te nemen aan de macht. Wat een democratie niet nodig heeft, is dat dit speelveld wordt verengd tot een machtsstrijd binnen een kleine, geprivilegieerde groep, in welk kies­systeem dan ook.”

Deze column verscheen in De Standaard op 1 oktober 2020.

Interview Knack – ‘filosofe in tijden van ‘White Privilege’, 24 juni 2020

“De kunst van de politiek is om de tegenstander niet als moreel slecht te veroordelen. Het lijkt steeds minder mensen te lukken, en daar maakt filosofe Tinneke Beeckman zich grote zorgen over. ‘Het streven naar zuiverheid is inherent gewelddadig’.

Interview Peter Casteels, foto’s Diego Franssens

” ‘Ik heb mij helemaal niet verveeld in de lockdown’, vertelt Tinneke Beeckman, als we haar ernaar vragen. ‘Ik heb een dochtertje van twee jaar en half waarmee ik elke dag naar het park ging. Het was fijn om te zien dat zij helemaal opgaat in het moment, wat een goede afwisseling was van alle bezorgdheden. En ik heb ook veel geschreven, en gelezen, zoals Circe van Madeline Miller. Dat is echt een fantastisch boek, waarin het verhaal van die vrouwelijke heldin in de Griekse mythologie wordt verteld. Zelfs als ik ’s nachts even wakker werd, begon ik er verder in te lezen.’

foto: Diego Franssens

Tinneke Beeckman schreef voor Knack het voorbije seizoen een wekelijkse column, waarin ze telkens een vraag die u zich vaak ook al wel eens op een onbewaakt moment had gesteld van filosofische duiding voorzag. Voor die reden zochten we haar op in haar appartement aan het Antwerpse Harmoniepark. De ene vraag ging over verveling, de andere over schaamte of vergankelijkheid, maar vaak over politieke kwesties. Beeckman is ook een politieke filosofe, en een commentator. Momenteel werkt ze aan een boek over de Italiaanse denker Niccolò Machiavelli, waardoor ze zich ook al liet inspireren voor een vraag die met de dag aan urgentie lijkt te winnen: hoe kan ik naar de politiek tegenstander blijven luisteren?

Tinneke Beeckman: Door die tegenstander in ieder geval niet als moreel slecht te zien, en zijn legitimiteit in twijfel te trekken. Het heeft geen enkele zin mensen op basis van hun politieke stellingnames op te delen in goed en slecht. Hoe meer iemand dat inziet, hoe meer hij ook van politiek begrijpt. En hoe meer hij of zij ook kan bereiken in de politiek.

Kan er in discussie over identiteitspolitiek wel op zo’n redelijk manier worden gesproken? Het gaat vaak over zulke persoonlijke kwesties dat het moeilijk is om er niet in morele begrippen over te denken.

We leven inderdaad in een tijd waarin het verschil tussen het private en het publieke vermindert. Terwijl mensen vroeger in die twee ruimtes andere personages waren, maken zij vandaag politieke kwesties privé. Iemand waarmee ik het politiek oneens ben, kwetst mij ook, dat is het gevoel. Alles is intiem geworden. Het is de kunst om politiek niet zo op te vatten.

Maar kan iedereen het zich wel permitteren om op zo’n afstandelijke manier aan politiek te doen?

Waarom zouden anderen dat niet kunnen? Dat is paternalisme.

Omdat er voor hen misschien wel meer op het spel staat dan voor ons? Voor mensen die al het slachtoffer zijn geweest van discriminatie, gaat de discussie over praktijktests over henzelf. Voor mensen met voorouders die onder het kolonialisme leefden, betekent de discussie over de standbeelden van Leopold II allicht ook iets anders dan voor ons.

Ik heb begrip voor hun boosheid. Ze hebben het recht om te strijden voor hun idealen, met alle toegelaten politieke middelen. Voer de discussies dus in alle hevigheid, maar werp daar geen argumenten tussen waardoor je niet meer kan worden tegengesproken. Je legt geen mensen het zwijgen op. Iedereen die het oneens is met jou wegzetten omdat hun witte privileges er zogezegd voor zorgen dat zij niets van racisme begrijpen, is een stap te ver. Iemand daarom ook verwijten dat hij meeloopt met de onderdrukkers of de onderdrukten miskent, is niet eerlijk en zal politiek ook niets opleveren. We zien dat zulke harde posities tegenkrachten oproepen die electoraal zeer succesvol zijn. Politieke spelers moeten kunnen samenwerken, en niet altijd hun morele gelijk willen halen.

Hoe komt het dat het private en het publieke vandaag meer door elkaar lopen? Heeft het ermee te maken dat die minderheidsgroepen de voorbije jaren hun stem vonden in het debat?

Er is een kloof tussen generaties ontstaan over het idee van vrijheid. Ik merk een verschil tussen de mensen die opgroeiden toen de Berlijnse muur nog overeind stond, en jongeren die enkel daarna hebben geleefd. Toen Europa nog verdeeld was, betekende vrijheid ongecensureerd kunnen zeggen wat je dacht: alles was bespreekbaar, en met alles kon gelachen worden. Een Monthy-Python film als Life of Brian, een parodie op het Christus-verhaal, wekte wel veel discussie op, maar uiteindelijk triomfeerde de vrije mening. We vierden de vrijheid die we hadden in vergelijking met de onvrije regimes in Oost-Europa en de Sovjet-Unie. Het model – zowel politiek als ook economisch – dat in die landen werd opgelegd, was een realiteit waar tegen mensen zich toen afzetten. Niemand had in de jaren tachtig door dat de Sovjet-Unie op instorten stond, dus wij hebben dat model nog lange tijd ernstig genomen. Sinds 1990 heeft het vrije kapitalisme gewonnen, en nu definiëren jongeren de vrijheid anders. Het gaat er nu om jezelf te ontwikkelen, en te zijn wie je denkt te willen zijn. Jouw vrijheid bestaat erin dat anderen je daarin tegemoet treden, en dat niemand je mag kwetsen. Veel ouderen begrijpen echt niets van die identity politics. Ze vinden dat gewoon raar.

U hebt voor de val van de muur geleefd. Vindt u dat ook raar?

Ik probeer het nieuwe te begrijpen, want je kan zoiets niet afwimpelen als onzin. Dat doet onrecht aan de energie en de intensiteit waarmee jongeren daarover spreken. Ik stel wel vast dat er geen enkele tegenmacht meer is op economisch vlak. Economische alternatieven zijn sinds de val van de Muur verstomd. Dat verklaart ook waarom veel kwesties sociaal worden geduid. Er zijn maar weinig politiek goed uitgewerkte, concrete alternatieven voor het kapitalisme, en in zekere zin past die identiteitspolitiek zelfs binnen dat kapitalisme. Iedereen moet kunnen worden wie die wil zijn, en de markt biedt graag producten aan die daarbij helpen.

Ook feministische thema’s kwamen terecht in het veld van de identiteitspolitiek. Hebt u daar dan moeite mee?

Ik zal mij in ieder geval niet snel gekwetst voelen. Over die aflevering van Fawlty Towers die werd verwijderd, zei men ook dat er misogyne passages in zaten.  Daar voel ik mij absoluut niet door aangesproken. Ik begrijp hoe satire en ironie werken, en ik kan ook zien dat het in de literatuur net interessant kan zijn om ‘foute’ personages op te voeren. Dat helpt ons om menselijke verhoudingen beter te begrijpen. Natuurlijk: ik lees liever Madeline Miller dan Henry Miller. Maar ik zeg niet dat mijn dochter hem later niet mag lezen, of dat zijn boeken verboden moeten worden. Alleen heb ik niets met  Henry Miller. En ik heb ook niets met mannen die hem graag lezen. Mocht een man zich tegen mij gedragen zoals in het universum van Miller, zal het zijn beste dag niet zijn.

Is het relletje rond de aflevering van Fawlty Towers een stommiteit, of vindt u het net typerend voor de tijdsgeest?

Ik hoop dat nuance mogelijk blijft: John Cleese is Leopold II niet. (lacht) In Engeland en de Verenigde Staten is het al gebeurd dat academische medewerkers die een verkeerd woord gebruikten, tot ontslag werden gedwongen, bijvoorbeeld. Ondanks herhaalde excuses en pogingen tot opheldering over de onderliggende bedoelingen. Het zijn vaak derden die het hardst reageren: ik ben niet beledigd, maar ik neem het op voor de onderdrukten die zich beledigd voelen, en ik richt daarom al mijn haat op u. Dat streven naar zuiverheid is inherent gewelddadig. Dat is wat er gebeurt als de tegenstander moreel wordt gedelegitimeerd, en in die zin hoop ik dat mensen die hun idealen op zo’n manier verabsoluteren het nooit voor het zeggen krijgen.

Eén van uw columns vroeg zich af wanneer vrouwen genoeg geëmancipeerd zijn. Vindt u uzelf voldoende geëmancipeerd?

Soms wel, soms niet. Er zijn momenten waarop ik minder geëmancipeerd ben dan ik zou willen zijn.

Welke momenten zijn dat dan?

Dat is privé, en ik kan de scheiding met het publieke gelukkig nog wel maken. (lacht) In die column gaat het over Burkes ideaal van vrouwelijke schoonheid. Voor mij mogen vrouwen best verleidelijk zijn. Dat is aangenaam, en zelfs belangrijk. Maar een vrouw kan alleen vrij zijn als ze op andere momenten durft beslissen om niet te behagen, of te proberen in de smaak te vallen. Ik zie vrouwen in mijn omgeving die van zichzelf vinden dat ze enorm geëmancipeerd zijn, terwijl ik merk dat ze het cruciaal blijven vinden wat mannen van hen denken.

Nu maak u zich er makkelijk vanaf met een voorbeeld van andere vrouwen.

Ik noem hun namen wel niet. (lacht) In mijn columns vertrek ik van persoonlijke vragen. Ik geef mij waarschijnlijk bloot op een manier die ik zelf niet door heb, aangezien lezers dingen opmerken die je zelf niet ziet. Maar het strikt persoonlijke van mijn leven is voor andere mensen banaal. Daar hebben ze geen boodschap aan.

U schreef zelf ook dat iemand die ‘genadeloos openhartig’ is als hij over zichzelf vertelt door niemand nog sympathiek zou worden bevonden. Is het dat ook een beetje?

De schrijver George Orwell zei dat hij nooit een autobiografie zou schrijven, omdat het leven uit vele kleine vernederingen bestaat, die een mens nooit durft toe te geven. Het is ontzettend moeilijk om absoluut eerlijk over je eigen leven te vertellen en een glorieus verhaal over te houden. Daarvoor moet je ongelooflijk veel fantasie hebben. (lacht)

U noemde Orwell ook als één van de schrijvers die u de inspiratie geven om echt vrij te denken. Hoe werkt dat?

Orwell is in zijn werk zodanig moedig en eerlijk geweest, dat geeft mij energie. Het zou al schoon zijn als ik een duizendste van zijn moed zou hebben. Hij schreef namelijk weldegelijk autobiografische romans, zoals Burmese days over zijn leven in Birma in de jaren twintig onder het Britse rijk. Hij had de mogelijkheid om daar te leven als een rijke en machtige koloniaal, maar zag zelf de gruwel en de horror van dat leven in. Daar zijn maar heel weinigen toe in staat. Orwell kon een vrouw kopen om ermee te doen wat hij maar wilde – dat mocht toen allemaal -, maar hij voelde zich daardoor vooral eenzaam. Dat schreef hij ook op.

Wordt u van zulke boeken ook een beter mens?

Natuurlijk niet. Wat is dat nu voor een vraag? (lacht)

De vraag naar de kracht van de literatuur: kan ze mensen veranderen?

Ik denk niet dat mensen die veel literatuur lezen per se betere mensen zijn. Je moet altijd de oefening maken naar je eigen leven, en dat is confronterend. In The catcher in the rye schrijft J. D. Salinger bijvoorbeeld over zijn afkeer van phonies, dikdoeners. In het beste geval staan de lezers van dat boek even stil bij de momenten in hun leven dat zij zich zo hebben gedragen. Maar veranderen? Dat lukt alleen als je dat zelf wil.

Ziet u veel echte vrijdenkers in Vlaanderen?

Continue Reading ›

In “De Afspraak” op Canvas, 15 juni 2020

Maandag 15 juni 2020 was ik te gast bij Phara de Aguirre in ‘De Afspraak’ op Canvas. 

De andere gasten waren Frank Van Massenhoven, oud-topambtenaar en Urbanus.

We hadden het over Sihame El Kaouakibi en haar koers als parlementslid, humor en satire, identiteitspolitiek en polarisering. En ten slotte ook over Corona, en telewerken.

‘En, behoort u tot de “goede groep”?’ column DS, 11 juni 2020

“In de strijd tegen racisme en onrecht komt ook ‘identity politics’ uit Amerika overwaaien: ‘zwarten’ staan tegenover ‘witten’, slachtoffers tegenover onderdrukkers.

De activisten hebben ongetwijfeld nobele bedoelingen: racisme en discriminatie bestrijden en iedereen gelijke kansen geven. Maar de geschiedenis leert dat nobele doelen niet volstaan om een politieke hemel op aarde te creëren. Meer nog, wie te sterk vanuit zijn grote morele gelijk argumenteert, krijgt nog meer tegenstand. Dat is precies wat vandaag de dag gebeurt.

Aanhangers van identity politics kijken naar de samenleving vanuit één vraag: wie is machtig en geprivilegieerd, en wie niet? Daaraan worden niet alleen politieke, maar ook morele oordelen gekoppeld: privilege is slecht, slachtofferschap is goed. Verder wordt elke analyse van een fenomeen – werkloosheid of schoolachterstand – tot deze tweedeling herleid. Complexe culturele, economische, historische of andere factoren tellen niet mee (tenzij om daderschap/slachtofferschap te bevestigen).

Huidskleur en gender zijn doorslaggevend: de ‘witten’ zijn onderdrukkers, de ‘niet-witten’ slachtoffers. ‘Witte’ heteromannen zijn het toppunt van slecht, bijvoorbeeld.  Die positie – privilege versus slachtofferschap – bepaalt iemands legitimiteit: mag die persoon spreken, of moet die zwijgen? Dit gaat ver: een slachtoffer kan bepaalde misdrijven niet meer plegen. ‘Zwarten kunnen nooit racist zijn’, klinkt het dan. Want daarvoor moet iemand ‘wit privilege’ hebben. Deze logica ontneemt mensen dus hun individuele verantwoordelijkheid.

Fundamenteel spiegelt ‘identity politics’ een racistische kijk op de wereld. Bij racisme wordt iemand op basis van huidskleur beoordeeld. Martin Luther King droomde dan ook dat “ooit op een dag mijn kinderen niet beoordeeld worden op de kleur van hun huid, maar op de ‘content of their character’”. Maar identity politics verbindt iemands politieke en morele legitimiteit even goed aan zijn huidskleur.

De blanken die dit discours ernstig nemen en meegaan in ‘identity politics’ hebben twee opties: ofwel meedoen met variaties op extreemrechts en hun ‘blankheid’ opeisen. Ofwel knielen en hun schaamte tonen over hun ‘witheid’. Zo worden ze minder slecht dan andere ‘witten’; zij beseffen tenminste hoe schuldig ze zijn.

Deze politieke polarisering op morele grond doet me denken aan een periode in de Franse Revolutie die Anatole France treffend beschreven heeft. De protagonist in zijn historische roman ‘Les dieux ont soif’ (‘De goden hebben dorst’, 1912), is de jonge, idealistische schilder Évariste Gamelin. Gamelin wordt meegesleurd in de meest radicale, Jacobijnse logica: de revolutie wil het goede, namelijk absolute gelijkheid realiseren. Wat klinkt beter? Maar de realiteit draait anders uit. Want wie niet tot het (goede) volk behoort, wordt een vijand van de revolutie. Gamelin gaat hierin mee. Hij wordt rechter. Tijdens de processen die hij voorzit, spelen feiten amper een rol, en de goede intenties van de beklaagden evenmin. Gamelin veroordeelt aan de lopende band en blijft onverschillig voor het leed dat hij aanricht. Het ideaal van de revolutie is het enige wat telt. Anatole France, een overtuigd republikein die zich had ingezet voor Dreyfus, schetst hoe gevaarlijk het ideaal van morele zuiverheid is, hoe gevaarlijk groepsdenken kan zijn: de meest welmenende burgers worden aangeklaagd en vervolgd. Uiteindelijk lijkt niemand voldoende zuiver, en dus veilig te zijn. Gamelin ook niet.

Ik ontwaar vandaag een gelijkaardige retoriek: wie goed is, bestrijdt de onderdrukking, wie niets doet of zwijgt is slecht. Tegen andersdenkenden worden intentieprocessen gevoerd. Wie tot de goede groep behoort, moet zijn steun op elk moment bewijzen, bijvoorbeeld door foto’s of reacties op sociale media te posten. Omgekeerd krijgt elk groepslid prestige door zo fel mogelijk actie te voeren. Bij de hedendaagse call-out cultuur primeert de verontwaardiging: hoe harder iemand ‘onderdrukkers’ detecteert en aanklaagt, hoe meer aanzien die persoon bij zijn gelijkgezinden kan krijgen. Of zo’n acties anderen beschadigen, telt amper mee. Individueel leed, van wie onterecht als racist wordt bestempeld, is ondergeschikt aan de goede zaak.

Groepsdenken op zich is niet slecht, morele doelen nastreven evenmin. Integendeel, beide zijn nodig om de samenleving te veranderen. Heel wat intelligente, idealistische jongeren en studenten (van alle kleuren) willen vooral meewerken aan een betere wereld en onrecht bestrijden. Dat is een heel goede zaak. De vraag is alleen hoe inclusief en open hun actiegroepen zijn, en welke middelen ze inzetten. Moraliteit verbindt en verblindt mensen, aldus sociaal psycholoog Jonathan Haidt in ‘The righteous mind, why good people are divided by politics and religion.’ Moraliteit verbindt mensen in ideologische teams die elkaar bestrijden alsof de wereld van elke overwinning afhangt. En moraliteit verblindt mensen voor het feit dat er in elk team goede mensen zitten, die iets belangrijks te zeggen hebben.”

Deze column verscheen in De Standaard op donderdag 11 juni 2020.

De logica van slachtofferschap, ressentiment en machteloosheid analyseerde ik voor het eerst in mijn boek “Macht en Onmacht. Een verkenning van de hedendaagse aanslag op de Verlichting”.

‘Politici moeten ambitie tonen voor burgers’, Radio 1, 25 mei 2020

Op Radio 1 interviewde Ruth Joos me op maandag 25 mei 2020. Een jaar na de verkiezingen, verschenen de resultaten van De Stemming (onderzoek in opdracht van VRT en De Standaard, uitgevoerd door UA en VUB). Daaruit blijkt dat het vertrouwen in politici zeer laag is; dat de ‘traditionele partijen’ nog meer terrein verliezen (hierover publiceerde later die week een column in De Standaard: ‘als het loont om tegen de andere te zijn’.

Wat moet er gebeuren?  Ik overliep enkele belangrijke aspecten van leiderschap, van campagnevoeren en van beleid.

Te beluisteren op Radio 1, ‘De Wereld Vandaag’.

In ‘De Afspraak op Vrijdag’, van 22 mei 2020 kwamen deze thema’s deels aan bod.

 

“Ook nu moeten we kritisch zijn voor de regering”, column DS, 27 maart 2020

“Mag je wel kritisch zijn voor een regering in tijden van crisis? Dat lijkt ongepast, want burgers hebben andere zorgen. Deze opmerking hoor je geregeld, ook bij politici. Veel mensen hebben inderdaad – en terecht – andere bekommernissen dan complexe politieke principes: hun gezondheid, familie, werk, toekomst. Maar precies omdat deze crisis alle aandacht opeist, en omdat er uitzonderlijke maatregelen worden getroffen, is een kritische blik belangrijk.

Want noodzaak is een sterk retorisch wapen in de politiek: ze doet alle commentaar verstommen. Dat wist de Romeinse geschiedschrijver Livius al. Procedures van een uitzonderingstoestand moeten nauwlettend worden bekeken: de uitvoerende macht – eerste minister, regering – krijgt speciale bevoegdheden. Dat is grondwettelijk toegelaten. Maar een gevaar ontstaat wanneer de controle op die uitvoerende macht te sterk verminderd. Die controle gebeurt normaliter door het parlement, de rechterlijke macht en de media.

De voorbije weken werd het federale parlement driemaal uitgeschakeld. De regering Wilmès heeft verre van een parlementaire meerderheid: 38 op 150 zetels. De hemeltergende saga over de mislukte regering van nationale eenheid, met een brede meerderheid in beide taalgroepen, is uitvoerig besproken: Connor Rousseau, Paul Magnette, Georges-Louis Bouchez, Bart De Wever, Joachim Coens en Gwendolyn Rutten speelden een hoofdrol.

Daarnaast krijgt deze minderheidsregering volmachten. Nochtans kan ze heel wat doen binnen het crisisbeheer, zoals nu al het geval is. Maar door die volmachten valt de parlementaire controle weg (wetten zouden na één jaar worden gestemd, maar dat is een eeuwigheid in de politiek). Er staat niets in de volmachtenwet over een verplicht verslag aan de kamer-voorzitter en het parlement. Toegankelijke informatie is echter nodig om de regering te controleren. Premier Wilmès organiseert elke zaterdag wel een superkern: met haar ministers en de partijvoorzitters. Niet eens met de fractievoorzitters in het federale parlement, behalve wanneer een partijvoorzitter zijn fractieleider toelaat. Blijkbaar is het wantrouwen binnen de partijen zo groot, dat dit niet vaak zal gebeuren.

In de uitzonderingstoestand toont zich de soeverein, aldus rechtsfilosoof Carl Schmitt in ‘Politieke Theologie’: wie de macht heeft om te rechtsstaat op te heffen, die heeft de macht écht in handen. ‘In zo’n situatie is het duidelijk dat de staat blijft, terwijl de wet zich terugtrekt. Omdat de uitzondering verschillend is van anarchie en chaos, zal de orde in de juridische betekenis nog steeds heersen, zelfs al is het niet van de gewone soort. De geldende wetten worden in een noodtoestand bijgevolg vervangen door concrete, in de heersende of dreigende situatie noodzakelijke maatregelen.’ Wie het nog niet wist, heeft het nu geleerd: in België is de soeverein een kransje partijvoorzitters. Zij bepalen alle akkoorden. En er is geen wettelijke procedure om hen te controleren. Ze zijn niet eens rechtstreeks door de bevolking verkozen. Continue Reading ›

Over het coronavirus, gesprek in “De Wereld van Sofie”, Radio 1, 13 maart 2020

Op Radio 1 had ik een gesprek met Sofie Lemaire in “De Wereld van Sofie” met over wat we al geleerd hebben van het Coronavirus. Op de site van Radio 1 kan het gesprek opnieuw worden beluisterd.

“Coronavirus  in het begin weggelachen?

Aan de start van de verspreiding van het nieuwe coronavirus werd er nogal laconiek gereageerd. We lachten het allemaal wat weg, maar nu overvalt ons toch een bepaald schuldgevoel. “Ik vind het wel oké dat er mee gelachen wordt”, zegt filosofe Tinneke Beeckman in ‘De Wereld van Sofie’. “Het is een heel normale reactie.”

Volgens Tinneke Beeckman heb je altijd een beetje tijd nodig om te beseffen hoe ernstig een situatie is. “Je kan het jezelf niet kwalijk nemen dat je niet op elk moment een volledig inzicht hebt in hoe ernstig iets is.” Het een beetje weglachen is een manier om ermee om te gaan.

Kwetsbaarheid van de mens

Misschien heeft het wel te maken met het feit dat we ons iets te sterk voelen op de wereld. Dat we niet meer verwachten dat we geraakt kunnen worden.

“Daar valt veel over te zeggen. Dan daag je het noodlot in zekere zin ook uit. Je wordt heel nonchalant en zelfgenoegzaam.”

Deze situaties van leven en dood zijn we niet meer gewoon. “De dood is iets wat we steeds meer denken te kunnen controleren door de technologie bijvoorbeeld. We leven ook langer. Maar plots ontstaat er iets dat aan de controle ontsnapt. Al behoort het eigenlijk gewoon tot het leven. “

“We zijn minder zelfvoorzienend en we zijn ons niet altijd bewust van die kwetsbaarheid. Maar dat ervaren we deze dagen wel”, zegt Beeckman.

Respecteer de politici

De houding tegenover politici is Beeckman al opgevallen de voorbije weken. “In goede tijden verwachten we dat politici dingen doen die ons goed uitkomen, en vooral op korte termijn. Hervormingen die nodig zijn op langere termijn, daar moeten we niet echt veel van weten. We zijn daar heel aarzelend over. Denk aan het klimaat of de betonstop.”

“Maar als het dan crisis is”, gaat Beeckman verder, “dan willen we plots dat politici leiderschap tonen. En dat is moeilijk want die politici zijn het gewoon om naar de burgers te luisteren.”

“Ik denk dat we in tijden van crisis maar ook in andere tijden, leiderschap moeten verdragen. We moeten er ook mee om kunnen dat er beslissingen worden genomen die misschien niet zo populair zijn maar wel noodzakelijk. Als we leiderschap eisen moeten we het altijd eisen, en niet alleen nu.””

“Hoe Erdogan links in een spreidstand dwingt” column DS, 12 maart 2020

“Waarom is het problematisch dat heel wat Belgen met een dubbele nationaliteit hier links stemmen, terwijl ze in het buitenland rechtse politici prefereren? Neem de dubbelzinnige houding tegenover Erdogan en zijn AKP. Over hem noteert de Turkse schrijfster Elif Shafak (DS/)dat hij ‘zich (…) populistisch, islamistisch en volslagen autoritair (ging) opstellen. De AKP liet de EU-criteria voor lidmaatschap los, negeerde democratische hervormingen, blies het pluralisme op en plooide terug op zichzelf. Vergeet niet dat deze regering een coalitie is van de AKP met de MHP, de extreemrechtse Partij van de Nationalistische Beweging.’

In haar tekst stelt Shafak – die ook heel wat scherpe kritiek heeft op het Europese beleid – Erdogans standpunt recht tegenover een linkse, progressieve, pro-Europese, liberale en democratische visie. Erdogan krijgt echter heel wat steun onder Europese Turken, die in Europa voor linkse partijen kiezen. Denk maar de razend populaire Turks-Belgische Emir Kir, burgemeester van Sint-Joost-ten-Node. Hij werd in januari uit de PS gezet, uitgerekend omdat hij twee Turkse MHP-burgemeesters had ontvangen.

Deze spreidstand is problematisch voor linkse partijen op langere termijn, en wel om drie redenen. Vooreerst hebben partijen weinig aan al te opportunistische kiezers. Natuurlijk denken kiezers altijd in een bepaalde mate aan hun eigenbelang: ze stemmen voor partijen omdat ze geloven dat ze er zelf beter van worden. Daarin hebben ze geen ongelijk. Maar wanneer ze ideologisch weinig affiniteit voelen met hun stemkeuze, dan wordt hun steun erg voorwaardelijk en eenzijdig. Een progressief project heeft een basissteun nodig om een sociale strijd te kunnen voeren (met petities, betogingen, stakingen, acties). Ideologische affiniteit zorgt er juist voor dat burgers niet alleen iets willen ontvangen, maar zich voor een project willen inzetten. Dat is erg belangrijk, zeker wanneer partijen moeilijke tijden doormaken.

Daarnaast ontstaan er inhoudelijke spanningen: heel wat kiezers van dit electoraat zijn ethisch en religieus veel conservatiever dan de partij die initieel klassieke linkse standpunten bepleit. Denk maar aan thema’s als euthanasie en abortus, of aan seksuele vrijheid (LGTB-rechten) of gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen en dierenrechten. In het ergste geval begint een partij compromissen te sluiten met die conservatievere kiezers. Daardoor wordt ze minder aantrekkelijk voor wie echt progressieve standpunten verdedigt. En dit is Shafaks beschrijving van Erdogans beleid: ‘Vandaag wordt Turkije dus bestuurd door de slechtst mogelijke ideologische combinatie: ultranationalisme gemengd met islamisme, populisme en autoritarisme. En dat met een patriarchaat dat zich ingegraven heeft.’ Verder vraagt Shafak wat Europa als inspiratie nog betekent ‘voor een land (Turkije) waar moorden op vrouwen tussen 2002 en 2009 met 1.400 procent zijn gestegen, waar wetgevers de straf proberen te reduceren voor verkrachters van minderjarigen als ze erin toestemmen te trouwen met hun slachtoffer?’ Shafak onderstreept hoezeer Erdogans beleid zich heeft afgekeerd van Europese waarden. En de regressieve omkering van vrouwenrechten die in Turkije plaatsvindt, zou een oprecht progressieve kiezer met afkeer moeten vervullen. Hetzelfde geldt voor Erdogans droom van een Ottomaans Rijk. Hoe valt dat te verzoenen met het klassiek linkse antimilitarisme, antikolonialisme en anti-imperialisme? Continue Reading ›