“Gekleurde verwachtingen”, column 18 okt. 2018

” Wie naar de recente verkiezingsuitslag kijkt, ziet twee fenomenen: Vlaanderen en Franstalig België zijn twee aparte landen en diversiteit speelt amper een rol. Dat blijkt uit de commentaren. Wat er in Brussel of Wallonië gebeurt, kwam vooral op televisie beperkt aan bod.

Het woord diversiteit valt ook nauwelijks. Er gebeurde wel iets belangrijk. In Leuven werd de eerste allochtone burgemeester van een centrumstad verkozen, Mohamed Ridouani (sp-a). Zijn verkiezing is het bewijs, zegt hij, dat je je dromen kan waarmaken, ongeacht je afkomst. Als zoon van arbeidsmigratie kreeg hij van oud-burgemeester Louis Tobback de kans om zijn politieke talenten te ontwikkelen. Nu zien kiezers in ‘Mo’ de jonge, geëngageerde socialist. Ridouani voerde nooit een identitaire campagne. Wel een intelligente, linkse. De allereerste burgemeester van allochtone origine, Nadia Sminate (N-VA), profileert zich evenmin als een lid van een minderheidsgroep, wel als Vlaamse. Ook zij boekte forse winst in Londerzeel.

Nochtans zou de veranderende demografie electorale effecten moeten hebben. De meest diverse en de grootste stad van Vlaanderen is Antwerpen: meer dan de helft van de inwoners heeft een migratieachtergrond. Toch behield de N-VA haar zetels, tegen de verwachting in. Groen slaagde er niet om de macht van Bart De Wever (N-VA) te breken. Ze behaalde de vooropgestelde 20% niet. Nochtans had die partij belangrijke troeven: de thema’s luchtkwaliteit en mobiliteit waren prominent aanwezig in de campagne. Groen zette daarbij erg in op het verhaal van de superdiversiteit, ook in haar lijstvorming. Maar die superdiversiteit leidt dus niet tot meer linkse stemmen: met haar succes kannibaliseert Groen een ontgoochelende sp-a, en de PVDA trappelt ter plekke. Vlaams Belang blijft even groot. Continue Reading ›

“Wat zijn de motieven achter groepsdruk?” column DS 4 okt. 2018

Patrick Loobuyck legt de liberale principes mooi uit: sociale druk mag iemands deelname aan een toneelstuk niet verhinderen (DS, 3/10). Maar liberale principes schieten te kort om het fenomeen dat hij aanklaagt – groepsdruk – te doorgronden. Een voorbeeld dat hij geeft is dat Fatima Ezzarhouni afhaakt: zij wil niet meer participeren aan het theaterstuk ‘Lams Gods’ van Milo Rau. De redenen voor haar beslissing blijven echter onduidelijk, en haar situatie is complex. Los van haar geval, gebeurt het wel dat vrouwelijke performers tijdens of na een artistieke performance onder druk worden gezet. Zo moest de Marokkaanse actrice Loubna Abidar in 2015 Marokko ontvluchten nadat ze in ‘Much Loved’ een prostituee speelde. Nu wil Abidar in Frankrijk taboes over seksualiteit doorbreken. Ze botst op heel wat weerstand.

Iemand geen rol op de scène gunnen, gaat niet alleen over een beperking van iemands rechten. De vraag blijft: wat zijn de motieven van de groep die druk uitoefent? Hier speelt hoe mensen met hun eigen lichamelijkheid kunnen omgaan. Wat als al het lichamelijke slechts zondig is? Wat als sensualiteit vooral gecontroleerd moet worden, ook door iemands verschijning te controleren? Wat als vrouwelijkheid alleen verlokking betekent? Dan is deelnemen aan kunst met haar soms letterlijke naaktheid en kwetsbaarheid, verboden.

Wie contacten heeft in het onderwijs, weet dat de kunstzinnige activiteiten van sommige kinderen al heel vroeg in het gedrang komen. Er zijn allochtone ouders – neen, niet allemaal, maar het gebeurt – die kinderen wel mee laten oefenen voor het schoolse toneelstukje, maar op de dag van de opvoering hun kinderen thuishouden en zelf niet opdagen. Zo missen die kinderen het plezier om op te treden; ze missen een gedeelde ervaring met andere kinderen en een stimulerende artistieke prestatie. Dit alles heeft effecten op latere keuzes. Hoeveel mensen met een carrière op de televisie of in het theater, stonden juist op school voor het eerst op scène? Hetzelfde geldt voor andere kunstzinnige activiteiten: dansen, zingen, tekenen, schilderen. Oog voor schoonheid, die niet tot geile prikkels of provocaties kan worden herleid, ontwikkelt men dankzij een opvoeding.

Lichamelijke activiteiten omvatten ook sport. Niet toevallig duiken hier mogelijk conflicten met allochtone ouders op: jongens en meisjes die niet samen mogen sporten; meisjes die niet mee mogen zwemmen. De ouders zelf wijzen op de vrijheid van godsdienst in de multiculturele samenleving: zij mogen beslissen in naam van hun geloof. Dat kan best, maar hun keuzes hebben gevolgen voor de toekomstkansen van hun kinderen. Opvoeding en initiatie in de kunsten beïnvloeden of volwassenen aan cultuur deelnemen, alsook of ze aanvaarden dat anderen dat doen.

Hiermee raakt dit thema aan de diversiteit. Diversiteit wil zeggen dat burgers uiteenlopende etnische achtergronden, religieuze opvattingen en seksuele voorkeuren hebben. Idealiter zijn ze in al hun verschillen even goed aanwezig in de politiek, op school, in de bedrijfswereld, en in de kunsten. Deze diversiteit op alle domeinen is een belangrijk politiek streefdoel. Dan blijken heel wat domeinen ‘te blank’ te zijn.

Bijvoorbeeld de kunsten: men probeert een idee te krijgen van de reële diversiteit op en voor het podium. In de zaal en op de planken zijn er veel te veel blanken. Volgens de liberale logica wijst dit op racisme en discriminatie: als individuen ergens niet geraken, worden ze verhinderd. Alle obstakels moeten dus verdwijnen: gelijke kansen betekent dat iedereen zijn recht op een oorspronkelijke vrijheid herwint. Die gedachte klinkt heel fair. Ongetwijfeld spelen racisme en discriminatie wel degelijk een rol, en dat moet worden aangepakt. Alleen is die verklaring ontoereikend: ook hoe mensen met lichamelijkheid en sensualiteit omgaan, moet deel uitmaken van het debat over vrijheid en diversiteit.

Kortom, als je alleen vanuit de liberale logica denkt, dan mis je een belangrijke factor: de bredere cultuur en het geheel van overtuigingen die mensen kunnen motiveren om de rechten van anderen al dan niet te erkennen.”

Deze column verscheen in De Standaard op 4 oktober 2018.

“Onze verhalen zijn van iedereen”, DS 20 sept. 2018

“Vorig weekend hield de rector van de VUB, Caroline Pauwels een bevlogen pleidooi voor de Verlichting, en ze heeft daarin groot gelijk (DS, 15/09). Ze bestempelt de Verlichting als een open houding, een pleidooi voor rede, humanisme en wetenschap. Ze toont hoe actueel en noodzakelijk deze begrippen zijn in een complexe, diverse wereld.

Tegelijk waarschuwt ze voor een al te historische interpretatie, die de Verlichting te exclusief zou maken: mensen die van elders komen, kunnen zich er dan niet meer in vinden. Een universele Verlichting, is dan ontdaan van haar ‘westerse’ karakter. Dit laatste klopt echter niet: juist door de context, de verhalen en de denkers te belichten, kan je de universele boodschap van de Verlichting helpen begrijpen.

Neem dat verhaal dat de Franse gelauwerde film ‘Ridicule’ vertelt (gebaseerd op de mémoires van Adèle D’Osmond, Comtesse de Boigne) over de jonge baron, Grégoire Ponceludon de Malavoy die zag hoe arme mensen bij bosjes stierven door moerasziektes. Als ingenieur wilde hij die moerassen droogleggen, en trok hij naar Versailles om de koning, Lodewijk XVI, te overtuigen. Maar hij ontdekte een wereld van intrige en bedrog, van valse gevatheid en spot, waar niemand zich om het lot van een ander bekommert. Pas na de Franse Revolutie werden dergelijke openbare werken die mensen het leven redden, mogelijk.

De les is duidelijk: als koningen zich afgezanten van God wanen, en zich opsluiten in hun weelderige hoven, blijven ze blind voor het lijden van de bevolking.

Zonder idee van gelijkheid, zonder politieke structuren om volksinspraak te hebben, leeft een kleine groep in luxe, en crepeert de rest. Waarom zouden mensen uit Afrika of Azië met dat historisch verhaal zich niet verbonden voelen, en meteen begrijpen wat de meerwaarde is van wetenschappelijk onderzoek, en van democratische structuren?

Of lees het verhaal ‘Zadig’ van Voltaire, dat zich in Babylon situeert. Voltaire vertelt de avonturen van een man die strijdt tegen onrecht en voor rechtvaardigheid. Gevat en meeslepend toont Voltaire hoe wetenschappelijke methodes de jongeman op weg helpen om de waarheid te achterhalen, zich van bedriegers en machtswellustelingen te bevrijden. Waarom zou zo’n korte roman niet inspirerend kunnen zijn? In Frankrijk wordt Voltaire nog veel gelezen, en terecht. Dat heeft niets met nationalisme, maar juist met de geest van humanisme en universalisme te maken.

Of neem het historische verhaal van Chevalier de la Barre, die in 1766 op twintigjarige leeftijd op de brandstapel eindigde; hij wilde niet knielen bij een processie, en werd beschuldigd van heiligschennis. Zijn overtuigingen werden hem fataal. Hij is een voorbeeld voor niet-gelovigen om met moed hun overtuiging te beleven. Vandaag de dag worden nog altijd mensen terecht gesteld omdat ze het officiële geloof niet willen aanhangen. Waarom zouden mensen uit andere landen dan niet begrijpen hoe aangrijpend dit verhaal is, en wat er allemaal gebeurde voordat een begrip als de vrijheid van mening en geloof werkelijkheid werd?

Pauwels heeft gelijk dat de Verlichting veel beter verdiend dan herleid te worden tot een strijdmiddel tégen anderen. En verhalen uit andere streken die menselijkheid, vrijheid en gelijkheid illustreren, zijn voor iedereen een verrijking. Maar je kan de Verlichting niet begrijpen – of uitleggen – zonder haar historische context, haar bijzondere denkers en aandoenlijke verhalen te raadplegen. Dat niet iedereen zich ‘goed voelt’ bij Westerse tradities, mag hierin geen rol spelen. Jongere generaties mogen niet onterfd worden van het rijke westerse verleden, omdat diversiteit het nieuwe ordewoord zou zijn. Veel keuze is er trouwens niet: zonder kennis van het verleden, kan de toekomst alleen eenzaamheid zijn.”

Deze column verscheen op 20 september 2018 in De Standaard.

“Revolutie of rustige vastheid?” in De Mining, DS 14 maart 2018

Deze tekst verscheen in de digitale Avondeditie van De Standaard op woensdag 14 maart 2018.

“CD&V worstelt met rechtse stemmen in eigen geledingen, klinkt het. De uitspraken van Kamerlid Hendrik Bogaert en staatssecretaris Pieter De Crem bevestigen een interne kritiek dat CD&V een te links imago zou hebben (DS 14 maart). Volgens enkele politici mag de partij best wat strenger zijn over veiligheid en migratie. Daarmee komt de partij in het vaarwater van de N-VA. Beide partijen willen de grootste volkspartij van Vlaanderen zijn. De N-VA doet het goed in de peilingen, terwijl CD&V de vroegere glorie niet meer kan benaderen.

De strijd tussen CD&V en de N-VA kan je ook anders zien. Eigenlijk doen ze het tegenovergestelde. De N-VA presenteert zich als de partij van de verandering, als ‘anderspartij’, zoals Carl Devos het noemt. Maar tegelijkertijd verdedigt ze conservatieve standpunten. Het veiligheids- en integratiebeleid bevat maatregelen om de snel veranderende samenleving te vertragen. De partij staat voor minder globalisering en diversiteit, en voor behoud van de oude, gezegende levensstijl.

Het beleid van staatssecretaris voor Asiel en Migratie Theo Francken en minister van Binnenlandse Zaken Jan Jambon (N-VA) draagt momenteel de goedkeuring van heel wat Vlamingen weg, zoals een recente peiling aantoonde. Kortom, de partij mag zich dan als de grote verandering voorstellen, in wezen is ze allesbehalve revolutionair. Zeker nu ze haar communautaire agenda heeft opgeborgen.

De christendemocraten doen veelal het omgekeerde: ze beweren de rustige vastheid te incarneren, maar onder hun leiderschap zijn revolutionaire veranderingen tot stand gekomen. Revolutionair betekent hier fundamenteel, onomkeerbaar en op langere termijn onvoorspelbaar.

Neem het Europese beleid. Onder leiding van Herman Van Rompuy, jarenlang voorzitter van de Europese Raad en president van Europa, heeft de Europese Unie de nationale politiek diepgaand veranderd. Natiestaten hebben heel wat soevereiniteit afgestaan. Europa controleert de begrotingen, bepaalt indirect de migratiepolitiek en intervenieert radicaal in tijden van crisis (denk maar aan Griekenland).

Toegegeven, die beslissingen werden niet uitsluitend door christendemocraten genomen. Maar de grote tenoren speelden in die periode wel een hoofdrol in de Europese politiek. Denk maar aan Merkels ‘Wir schaffen das’, als (tijdelijk) antwoord op een ongeziene toestroom van vluchtelingen. Ook die crisis werd als een ingrijpende omwenteling van de samenleving ervaren.

De kritiek van De Crem en Bogaert kan je in dit licht zien. De CD&V-leiding lijkt moslims als kandidaat-kiezers te beschouwen. Dat is niet onlogisch: de kloof tussen katholieken en vrijzinnigen is die tussen gelovigen en ongelovigen (soms ook wel verlichtingsfundamentalisten genoemd, een onzinnige term) geworden. Deze keuze lijkt de continuïteit van de rustige vastheid te bevestigen. Maar ze is revolutionairder dan ze lijkt. Zeker, er zullen tussen beide geloofsgroepen heel wat raakpunten zijn. Maar de ene religieuze inspiratie valt niet zomaar met de andere te vergelijken. Wat voor de ene christendemocraat dus een bezadigde aansluiting bij de werkelijkheid is, klinkt voor de andere wellicht als de zoveelste aanwijzing van een onbestendige wereld.

“Diversiteit mag geen ideologie zijn”, column DS, 29 juni 2017

“Diversiteit is vandaag een feit geworden. In een diverse en rechtvaardige samenleving kunnen heel verschillende mensen harmonieus samenleven. Maar diversiteit kan ook een ideologie worden. Ze wordt dan bejubeld omdat ze per definitie positief zou zijn. Jammer genoeg kan diversiteit als ideologie polarisering juist in de hand werken. Elk voordeel heeft zijn nadeel, zei een beroemde filosoof. Twee recente voorbeelden illustreren zijn gelijk: het opiniestuk ‘Bonje in Berkeley, maar het is niet de schuld van Trump’ (DS 24 juni) en het debat over Erdogans plan om de evolutietheorie in het onderwijs af te schaffen (DS 23 juni) .

Vooreerst is er feitelijke demografische diversiteit: de samenleving bestaat uit verschillende burgers qua etnische achtergrond, religieuze beleving, seksuele voorkeuren, leeftijd, geslacht en scholingsgraad. Idealiter wordt die demografische diversiteit weerspiegeld op de werkvloer, in scholen, in het politieke of openbare leven. Het is rechtvaardig om die diversiteit te verdedigen, en jammer genoeg loopt het daar soms mis.

Maar dan is er een ideologische oproep tot diversiteit, en die leidt tot een onoverbrugbare wij-zijtegenstelling. In zijn opiniebijdrage over conflicten tussen studenten aan Berkeley vermeldt Jeroen Dewulf ‘de eis voor respect op de eigen visie en het beleven van de eigen identiteit die zo extreem wordt geformuleerd dat al het andere als belemmerend en beledigend wordt ervaren’. Studenten gaan met elkaar op de vuist, omdat ze elkaars controversiële sprekers niet verdragen. Eerder waren er al conflicten rond ‘safe spaces ‘op campussen. Studenten van minderheidsgroepen eisten vanuit hun specifieke etnische, seksuele of religieuze identiteit het recht om veilige plekken te hebben, waar ze zich niet aan de meerderheid hoefden aan te passen. Dit gaat dus niet over diversiteit binnen een inclusieve samenleving of gemeenschap, maar over groepen die radicaal tegenover elkaar staan.

Die polarisering is niet de schuld van Donald Trump en zijn opruiende taal. Deze kwalijke evolutie hebben progressieven ­helemaal aan zichzelf te danken. Vlak na Trumps verkiezing schreef de liberale filosoof Mark Lilla: ‘De fixatie op diversiteit in onze scholen en in de pers heeft een generatie van liberalen en progressieven geproduceerd die narcistisch onwetend zijn over de toestanden buiten hun zelfbepaalde groepen, en onverschillig voor de nood om Amerikanen te bereiken in alle groepen.’ De radicale beleving van diverse identiteiten bevestigt groepen in hun morele superioriteit en verhindert dat ze zich solidair voelen met wie niet tot hun groep behoort.
Langzaamaan knaagt dit fenomeen ook aan het vrije onderzoek: wetenschappelijke debatten dreigen aan het diversiteitsideaal te worden opgeofferd. Tot een veilige plek aan de universiteit behoort het recht op veilige boeken, cursussen en gesprekken. Er ontstaat een recht op gefilterde en selectieve ideeën, die niemand tegen de borst stuiten. Het is een alarmerende ontwikkeling aan instellingen, waar de scherpste geesten elkaar zouden moeten versterken.

Diversiteit als ideologie is dus nefast voor het vrije denken. Neem nu het debat rond Erdogans plan om de evolutietheorie uit de lessen van het middelbare onderwijs te schrappen. Ook bij Vlamingen van diverse roots vindt die maatregel heel wat bijval, schreef Fouad Gandoul in De Morgen . Wie de evolutietheorie aanvaardt, wordt terechtgewezen omdat hij de basisbeginselen van de islam zou verloochenen.

Charles Darwins publicaties ontlokten ook in zijn tijd stormen van protest. Maar ondertussen mag het duidelijk zijn – over alle politieke of religieuze verschillen heen – dat de wetenschappelijkheid van een theorie niet afhangt van de vraag of ze overeenstemt met iemands geloof of identiteit.

Nog een andere kwestie wordt het, wanneer diversiteit wordt ingeroepen om zo’n verzet te rechtvaardigen. De logica lijkt erg op die van studenten die ‘safe spaces’ eisen: een meerderheidsdiscours verdedigt de evolutietheorie, maar minderheden hebben hun rechten. Lang leve de diversiteit, waar ieder zijn waarheid of wetenschappelijkheid mag kiezen, afhankelijk van waar ieder zich comfortabel bij voelt.

In de Verenigde Staten bestaat er evengoed fel protest tegen de evolutietheorie in het onderwijs. Die tegenkanting komt uit dezelfde hoek: die van reactionaire religieuze bewegingen, die het liefst de moderniteit, met haar ideeën van zelfbeschikking en kritisch denken, zouden afschaffen. Die opvatting heeft dus duidelijk niets met de rechtvaardige strijd voor diversiteit en tegen achterstelling te maken.”

Deze column verscheen in De Standaard op donderdag 29 juni 2017.

“Apartheid in België ?”, Column DS, 27 april 2015.

Unknown 08.33.05“Soms lees je zo’n absurde bewering dat je meteen de bladzijde wilt omslaan. Bert Anciaux stelt dat we hier dezelfde principes toepassen als tijdens de apartheid in Zuid-Afrika (Knack 22 april). In dat interview zegt hij ook ‘zichzelf niet als het grote licht te beschouwen’. Die eerlijke vaststelling zou kunnen volstaan om zijn gesprek gewoon te vergeten. Maar ook groteske uitspraken hebben consequenties. En die zijn niet onschuldig: de term ‘apartheid’ maakt van de etnisch-culturele minderheden hier slachtoffers van wrede misdaden tegen de menselijkheid. Zulke misdaden worden dan zelfs door de staat georganiseerd. Hoe kun je verwachten dat deze mensen meewerken aan onze samenleving wanneer een politicus zoiets onzinnigs beweert?

Unknown Anciaux omschrijft apartheid foutief als ‘het ontnemen van culturele identiteit’.

Eigenlijk is apartheid een officieel systeem van rassensegregatie op basis van een      pseudowetenschappelijk racisme: ‘ras’ bepaalt het recht op deelname aan politiek, het recht op aankoop van huizen, het recht op toegang tot scholen. Geldt dat hier? Natuurlijk niet. Fundamentele rechten zijn gewaarborgd, in België, maar ook in de Europese Unie.
In Zuid-Afrika veegde de apartheid de beleving van cultuur en identiteit trouwens niet uit: ze legde de nadruk op eigenheid, op gescheiden ontwikkeling. Dat Anciaux totaal verward is, blijkt dan ook uit zijn kritiek op het huidige inburgeringsbeleid als een assimilatiecultuur: assimilatie is juist het tegenovergestelde van apartheid. Het betekent dat alle burgers als één ondeelbaar politiek-cultureel geheel worden beschouwd, zoals in Frankrijk tijdens de negentiende eeuw. Continue Reading ›