“Rituelen behoeven geen vernedering”, column DS, 12 mei 2022

Bij het doopritueel van de studentenclub Reuzegom kwam de jonge student Sanda Dia om het leven. De rechtbank moet over de specifieke omstandigheden van zijn tragische dood oordelen. Wat me hier interesseert, is de meer algemene vraag of vernedering een rol speelt in ­rituelen en, indien ja, welke. Want het valt op dat de Reuzegommers mens­onterende behandelingen oplegden, die een opstapje zouden zijn om bij de elite te horen – ‘een gestoord bruut jaar voor de elite die we zijn’, dixit de schachtentemmer. Schachten moesten op zich laten urineren, levende en dode dieren inslikken (een muis door een blender gemixt), weerzinwekkende brouwsels drinken, uren in koud water liggen … .

Elke cultuur kent publieke overgangsrituelen: momenten van inwijding waarop de groep nieuwe leden ontvangt, die daardoor een nieuwe, ­hogere status krijgen. In veel culturen moet de ingewijde een echte proef doorstaan, bijvoorbeeld tijdens de ­puberteit. Die test scherpt de kwaliteiten aan die de jongere later nodig zal hebben, zoals moed, vindingrijkheid, veerkracht, geduld, volharding. Een klassiek voorbeeld is de jongeman die bij de Masai een nacht alleen in de wildernis moet doorbrengen. De rite is ook veelzijdig. Tijdens het hele proces komt de jongere in contact met leeftijdsgenoten en met volwassenen met wie hij een vertrouwensband opbouwt. Wijsheid doorgeven speelt een belangrijke rol, de jongeren worden aangezet om na te denken over hun rol als volwaardige deelnemer aan de gemeenschap. Die ervaring stimuleert het zelfvertrouwen. Na afloop geven de ouderen de ingewijden meer erkenning en verantwoor­delijkheid.

Het Westen heeft de voeling met overgangsrituelen veelal verloren. Het volstaat dat je jarig bent om dezelfde rechten als een volwassene te verkrijgen – op je achttiende mag je stemmen en word je financieel onafhankelijk. Toch vieren de meeste jongeren een transitie van kind naar jongvolwassene door religieuze of wereldlijke riten. Denk maar aan de plechtige communie, de joodse bar mitswa, de eerste deelname aan de ramadan of het lentefeest. Deelnemers krijgen vooral lessen als voorbereiding; ze moeten (religieuze) teksten uit het hoofd leren of zelf teksten samenstellen. Bovendien ligt de nadruk op de feestelijke viering en de geschenken. Er zijn amper tradities die erop gericht zijn om specifieke eigenschappen of vaardigheden te ontdekken.

De studentendoop bevat wel beproevingen, die studenten in de groep integreren. Deze initiatierite verschilt van het overgangsritueel tijdens de puberteit, omdat selectie hier een rol speelt – alleen de uitverkozenen mogen ingewijd worden. Rond deze dopen ontstaat geregeld ophef, omdat ze ontsporen, soms met fatale gevolgen. De Canadese psychologe en specialiste interculturele relaties Rachida Azdouz (Université de Montréal) benadrukt daarom dat dooprituelen altijd een betekenis moeten hebben. De leerervaring moet duidelijk zijn. Dat leerinzicht ontbreekt vaak, omdat een diepere reflectie over rituelen ook ontbreekt. Verder legt Azdouz uit dat gratuite vernederingen veelvuldig voorkomen, maar ontoelaatbaar zijn. Tegelijk maakt ze een onderscheid tussen vernedering en nederigheid: een beperkte vernederende ervaring kan wel zinvol zijn, wanneer die tot nederigheid inspireert (met inachtname van voldoende beschermende maatregelen, een aspect dat Azdouz benadrukt). Ze verwijst naar koningen die traditioneel krenkingen moesten ondergaan voor ze werden gekroond. Die ervaring moest hen er blijvend aan herinneren dat ­nederigheid een teken van grootsheid is en dat ze hun macht niet mochten misbruiken. Op gelijkaardige wijze kunnen deelnemers aan dopen die een leidende functie beogen, leren dat ze hun ego moeten temperen, aldus Azdouz. Die ervaring weerhoudt hen ervan om hun superioriteit te doen gelden. Intussen rijst de vraag of moderne samenlevingen geen andere middelen hebben dan een dosis vernedering om de toekomstige elite wat deemoed en zelfreflectie bij te brengen.

Het onderscheid tussen nederigheid en vernedering illustreert bovendien twee visies op leiderschap die de kwestie van studentendopen ver te buiten gaan: dat je als leider het recht hebt ­anderen te vernederen, of dat leiderschap juist inhoudt dat je je ego kan milderen om een groep te inspireren. Helaas verschijnen geregeld voorbeelden van leiders die overtuigd zijn van hun recht op vernedering. Zij geven de boodschap aan ondergeschikten dat hun ambitie inhoudt dat ze zich moeten laten kleineren. Van het personeel in een van de meest gerenommeerde boekhandels van Brussel, Filigranes, of enkele onfortuinlijke doctoraatsstudenten aan de UGent of de KU Leuven, waarover een Pano-documentaire werd gemaakt (uitgezonden op 16 maart), tot jonge sporters of mensen die voor ‘topondernemers’, ‘topkunstenaars’ of ‘toppolitici’ werken. Overal zijn vergelijk­bare voorbeelden te vinden van mensen die prestigieuze posities bekleden, maar achter de schermen doelbewust anderen neerhalen. Terwijl een goede leider zijn doel bereikt door anderen in hun waarde te halen. Nederigheid is daarbij een vanzelfsprekende houding. ‘A truly humble person will not be ­thinking about humility, he will not be thinking about himself at all’, zoals C.S. Lewis het duidde.”