‘Waarvoor ben ik dankbaar?’, column Knack, 24 juni 2020

Dit is de laatste column uit de reeks ‘De vraag van Tinneke Beeckman’, die in Knack liep van september 2019 tot juni 2020.

“Waarvoor ben ik dankbaar?

Toen ik mijn boek over Spinoza had afgewerkt, overviel me een overweldigende ervaring van dankbaarheid. Ik wandelde op de Kalmthoutse heide en wist dat ik de academische wereld zou verlaten. Het was een warme julidag. Het licht, de lucht, de bomen: alles zinderde. Ik keek op; ik wist me diep verbonden met de natuur die me eindeloos oversteeg en voelde een diepe dankbaarheid voor die buitengewone schoonheid, voor het leven. Nadien bleef de herinnering aan dat gevoel me vertrouwen geven, hoewel ik niet wist waar ik terecht zou komen.

Sindsdien sta ik elke dag even stil bij de mooie dingen, vooral in moeilijke tijden. Dankbaarheid is een vreugde, een liefde. Ik zie haar niet als een plicht. Immanuel Kant deed dat wel. Maar niemand vraagt ten slotte om geboren te worden, denk ik. Elk leven lijkt me een gunst, en wie een gunst geniet is geen schuldenaar. Dankbaarheid eert de generositeit, terwijl een verschuldiging een ongemakkelijk gevoel opwekt. Alsof je een schuldeiser moet vrezen die zijn vereffening ophaalt.

Bij dankbaarheid draait het om de vreugde die ik voel. Hoe anderen hun erkentelijkheid beleven, daar bemoei ik me niet mee. En als ‘dank’ iets is dat je vooral verwacht te ontvangen, reageer je zelf als een schuldeiser en mis je de essentie.

Dankbaarheid is cruciaal, maar wordt vaak veronachtzaamd. Bij prijsuitreikingen zoals de Oscars worden winnaars aangemaand om hun bedankingen bondig te houden. Anders zappen kijkers weg. En, waarom zou je benadrukken dat je niet alles in je eentje hebt bereikt?

Maar dat is juist het punt: wie veel bereikt, dankt dat aan zijn eigen inspanningen, maar ook aan de lasten die anderen droegen. Naast geslaagde bedrijfsleiders staan bekwame adviseurs, naarstige bedienden en meestal liefdevolle partners. Zonder de toewijding van ouders en grootouders waren de toppers allicht niet zo succesvol geweest. Wie eerlijk is, beseft het: zonder die ene lerares, zonder het werk van die politieke partij of beweging, zonder de inspiratie van die denker … was het anders gelopen. Dankbaarheid komt met inzicht en zelfkennis. Het is zelfs onontbeerlijk als je voor jezelf zorg wil dragen.

Marcus Aurelius begint zijn ‘Persoonlijke notities’ dan ook met een uitvoerige opsomming: hij benoemt al wie vanaf zijn jeugd tot zijn ontwikkeling heeft bijgedragen. Hij eindigt met de hulp van de goden en het gelukkige toeval. Met die erkentelijkheid opent hij het gesprek met zichzelf dat hij doorheen het boek voert en dat naar een innerlijke vrijheid leidt.

Deze stoïcijnse dankbaarheid is een levenskunst. Marcus Aurelius zoekt voortdurend het beste in zichzelf, en wil daarbij het juiste perspectief vinden. Ik probeer te doen zoals hij, en noteer elke dag schijnbaar gewone, maar opmerkelijke dingen. Ik kijk naar genereuze mensen als ik een rolmodel zoek, en ik blijf zelden hangen in spijt.

Niet iedereen bejubelt de dankbaarheid, want ze zou een schijnvoorstelling kunnen zijn. Wie ‘dank u’ zegt, denkt eigenlijk ‘nog’!, suggereert La Rochefoucauld (1613-1680). Ik geef toe, dat kan het geval zijn. Bij mij als er drankjes en lekkere hapjes worden opgediend.

Zelf ben ik oprecht dankbaar voor wie me kansen heeft gegeven, vaak zonder zekerheid dat ik het waard was. Elke dag opnieuw pluk ik daarvan de vruchten. Helaas zijn sommige groothartige beschermers er niet meer. Hen écht danken kan ik niet, maar ik probeer hun bezieling te behouden door er te zijn voor wie er nu is.

En als ik in een goede bui ben, voel ik dankbaarheid tegenover mensen die me hebben tegengewerkt. Hun gedrag heeft me aangespoord om me te ontwikkelen, om me te tonen. Dat zij andere bedoelingen hadden, maakt niets uit. Wat ertoe doet, is het verhaal dat je zelf maakt. En de mogelijkheden die je benut om je levenservaringen een betekenis te geven.”

Interview Knack – ‘filosofe in tijden van ‘White Privilege’, 24 juni 2020

“De kunst van de politiek is om de tegenstander niet als moreel slecht te veroordelen. Het lijkt steeds minder mensen te lukken, en daar maakt filosofe Tinneke Beeckman zich grote zorgen over. ‘Het streven naar zuiverheid is inherent gewelddadig’.

Interview Peter Casteels, foto’s Diego Franssens

” ‘Ik heb mij helemaal niet verveeld in de lockdown’, vertelt Tinneke Beeckman, als we haar ernaar vragen. ‘Ik heb een dochtertje van twee jaar en half waarmee ik elke dag naar het park ging. Het was fijn om te zien dat zij helemaal opgaat in het moment, wat een goede afwisseling was van alle bezorgdheden. En ik heb ook veel geschreven, en gelezen, zoals Circe van Madeline Miller. Dat is echt een fantastisch boek, waarin het verhaal van die vrouwelijke heldin in de Griekse mythologie wordt verteld. Zelfs als ik ’s nachts even wakker werd, begon ik er verder in te lezen.’

foto: Diego Franssens

Tinneke Beeckman schreef voor Knack het voorbije seizoen een wekelijkse column, waarin ze telkens een vraag die u zich vaak ook al wel eens op een onbewaakt moment had gesteld van filosofische duiding voorzag. Voor die reden zochten we haar op in haar appartement aan het Antwerpse Harmoniepark. De ene vraag ging over verveling, de andere over schaamte of vergankelijkheid, maar vaak over politieke kwesties. Beeckman is ook een politieke filosofe, en een commentator. Momenteel werkt ze aan een boek over de Italiaanse denker Niccolò Machiavelli, waardoor ze zich ook al liet inspireren voor een vraag die met de dag aan urgentie lijkt te winnen: hoe kan ik naar de politiek tegenstander blijven luisteren?

Tinneke Beeckman: Door die tegenstander in ieder geval niet als moreel slecht te zien, en zijn legitimiteit in twijfel te trekken. Het heeft geen enkele zin mensen op basis van hun politieke stellingnames op te delen in goed en slecht. Hoe meer iemand dat inziet, hoe meer hij ook van politiek begrijpt. En hoe meer hij of zij ook kan bereiken in de politiek.

Kan er in discussie over identiteitspolitiek wel op zo’n redelijk manier worden gesproken? Het gaat vaak over zulke persoonlijke kwesties dat het moeilijk is om er niet in morele begrippen over te denken.

We leven inderdaad in een tijd waarin het verschil tussen het private en het publieke vermindert. Terwijl mensen vroeger in die twee ruimtes andere personages waren, maken zij vandaag politieke kwesties privé. Iemand waarmee ik het politiek oneens ben, kwetst mij ook, dat is het gevoel. Alles is intiem geworden. Het is de kunst om politiek niet zo op te vatten.

Maar kan iedereen het zich wel permitteren om op zo’n afstandelijke manier aan politiek te doen?

Waarom zouden anderen dat niet kunnen? Dat is paternalisme.

Omdat er voor hen misschien wel meer op het spel staat dan voor ons? Voor mensen die al het slachtoffer zijn geweest van discriminatie, gaat de discussie over praktijktests over henzelf. Voor mensen met voorouders die onder het kolonialisme leefden, betekent de discussie over de standbeelden van Leopold II allicht ook iets anders dan voor ons.

Ik heb begrip voor hun boosheid. Ze hebben het recht om te strijden voor hun idealen, met alle toegelaten politieke middelen. Voer de discussies dus in alle hevigheid, maar werp daar geen argumenten tussen waardoor je niet meer kan worden tegengesproken. Je legt geen mensen het zwijgen op. Iedereen die het oneens is met jou wegzetten omdat hun witte privileges er zogezegd voor zorgen dat zij niets van racisme begrijpen, is een stap te ver. Iemand daarom ook verwijten dat hij meeloopt met de onderdrukkers of de onderdrukten miskent, is niet eerlijk en zal politiek ook niets opleveren. We zien dat zulke harde posities tegenkrachten oproepen die electoraal zeer succesvol zijn. Politieke spelers moeten kunnen samenwerken, en niet altijd hun morele gelijk willen halen.

Hoe komt het dat het private en het publieke vandaag meer door elkaar lopen? Heeft het ermee te maken dat die minderheidsgroepen de voorbije jaren hun stem vonden in het debat?

Er is een kloof tussen generaties ontstaan over het idee van vrijheid. Ik merk een verschil tussen de mensen die opgroeiden toen de Berlijnse muur nog overeind stond, en jongeren die enkel daarna hebben geleefd. Toen Europa nog verdeeld was, betekende vrijheid ongecensureerd kunnen zeggen wat je dacht: alles was bespreekbaar, en met alles kon gelachen worden. Een Monthy-Python film als Life of Brian, een parodie op het Christus-verhaal, wekte wel veel discussie op, maar uiteindelijk triomfeerde de vrije mening. We vierden de vrijheid die we hadden in vergelijking met de onvrije regimes in Oost-Europa en de Sovjet-Unie. Het model – zowel politiek als ook economisch – dat in die landen werd opgelegd, was een realiteit waar tegen mensen zich toen afzetten. Niemand had in de jaren tachtig door dat de Sovjet-Unie op instorten stond, dus wij hebben dat model nog lange tijd ernstig genomen. Sinds 1990 heeft het vrije kapitalisme gewonnen, en nu definiëren jongeren de vrijheid anders. Het gaat er nu om jezelf te ontwikkelen, en te zijn wie je denkt te willen zijn. Jouw vrijheid bestaat erin dat anderen je daarin tegemoet treden, en dat niemand je mag kwetsen. Veel ouderen begrijpen echt niets van die identity politics. Ze vinden dat gewoon raar.

U hebt voor de val van de muur geleefd. Vindt u dat ook raar?

Ik probeer het nieuwe te begrijpen, want je kan zoiets niet afwimpelen als onzin. Dat doet onrecht aan de energie en de intensiteit waarmee jongeren daarover spreken. Ik stel wel vast dat er geen enkele tegenmacht meer is op economisch vlak. Economische alternatieven zijn sinds de val van de Muur verstomd. Dat verklaart ook waarom veel kwesties sociaal worden geduid. Er zijn maar weinig politiek goed uitgewerkte, concrete alternatieven voor het kapitalisme, en in zekere zin past die identiteitspolitiek zelfs binnen dat kapitalisme. Iedereen moet kunnen worden wie die wil zijn, en de markt biedt graag producten aan die daarbij helpen.

Ook feministische thema’s kwamen terecht in het veld van de identiteitspolitiek. Hebt u daar dan moeite mee?

Ik zal mij in ieder geval niet snel gekwetst voelen. Over die aflevering van Fawlty Towers die werd verwijderd, zei men ook dat er misogyne passages in zaten.  Daar voel ik mij absoluut niet door aangesproken. Ik begrijp hoe satire en ironie werken, en ik kan ook zien dat het in de literatuur net interessant kan zijn om ‘foute’ personages op te voeren. Dat helpt ons om menselijke verhoudingen beter te begrijpen. Natuurlijk: ik lees liever Madeline Miller dan Henry Miller. Maar ik zeg niet dat mijn dochter hem later niet mag lezen, of dat zijn boeken verboden moeten worden. Alleen heb ik niets met  Henry Miller. En ik heb ook niets met mannen die hem graag lezen. Mocht een man zich tegen mij gedragen zoals in het universum van Miller, zal het zijn beste dag niet zijn.

Is het relletje rond de aflevering van Fawlty Towers een stommiteit, of vindt u het net typerend voor de tijdsgeest?

Ik hoop dat nuance mogelijk blijft: John Cleese is Leopold II niet. (lacht) In Engeland en de Verenigde Staten is het al gebeurd dat academische medewerkers die een verkeerd woord gebruikten, tot ontslag werden gedwongen, bijvoorbeeld. Ondanks herhaalde excuses en pogingen tot opheldering over de onderliggende bedoelingen. Het zijn vaak derden die het hardst reageren: ik ben niet beledigd, maar ik neem het op voor de onderdrukten die zich beledigd voelen, en ik richt daarom al mijn haat op u. Dat streven naar zuiverheid is inherent gewelddadig. Dat is wat er gebeurt als de tegenstander moreel wordt gedelegitimeerd, en in die zin hoop ik dat mensen die hun idealen op zo’n manier verabsoluteren het nooit voor het zeggen krijgen.

Eén van uw columns vroeg zich af wanneer vrouwen genoeg geëmancipeerd zijn. Vindt u uzelf voldoende geëmancipeerd?

Soms wel, soms niet. Er zijn momenten waarop ik minder geëmancipeerd ben dan ik zou willen zijn.

Welke momenten zijn dat dan?

Dat is privé, en ik kan de scheiding met het publieke gelukkig nog wel maken. (lacht) In die column gaat het over Burkes ideaal van vrouwelijke schoonheid. Voor mij mogen vrouwen best verleidelijk zijn. Dat is aangenaam, en zelfs belangrijk. Maar een vrouw kan alleen vrij zijn als ze op andere momenten durft beslissen om niet te behagen, of te proberen in de smaak te vallen. Ik zie vrouwen in mijn omgeving die van zichzelf vinden dat ze enorm geëmancipeerd zijn, terwijl ik merk dat ze het cruciaal blijven vinden wat mannen van hen denken.

Nu maak u zich er makkelijk vanaf met een voorbeeld van andere vrouwen.

Ik noem hun namen wel niet. (lacht) In mijn columns vertrek ik van persoonlijke vragen. Ik geef mij waarschijnlijk bloot op een manier die ik zelf niet door heb, aangezien lezers dingen opmerken die je zelf niet ziet. Maar het strikt persoonlijke van mijn leven is voor andere mensen banaal. Daar hebben ze geen boodschap aan.

U schreef zelf ook dat iemand die ‘genadeloos openhartig’ is als hij over zichzelf vertelt door niemand nog sympathiek zou worden bevonden. Is het dat ook een beetje?

De schrijver George Orwell zei dat hij nooit een autobiografie zou schrijven, omdat het leven uit vele kleine vernederingen bestaat, die een mens nooit durft toe te geven. Het is ontzettend moeilijk om absoluut eerlijk over je eigen leven te vertellen en een glorieus verhaal over te houden. Daarvoor moet je ongelooflijk veel fantasie hebben. (lacht)

U noemde Orwell ook als één van de schrijvers die u de inspiratie geven om echt vrij te denken. Hoe werkt dat?

Orwell is in zijn werk zodanig moedig en eerlijk geweest, dat geeft mij energie. Het zou al schoon zijn als ik een duizendste van zijn moed zou hebben. Hij schreef namelijk weldegelijk autobiografische romans, zoals Burmese days over zijn leven in Birma in de jaren twintig onder het Britse rijk. Hij had de mogelijkheid om daar te leven als een rijke en machtige koloniaal, maar zag zelf de gruwel en de horror van dat leven in. Daar zijn maar heel weinigen toe in staat. Orwell kon een vrouw kopen om ermee te doen wat hij maar wilde – dat mocht toen allemaal -, maar hij voelde zich daardoor vooral eenzaam. Dat schreef hij ook op.

Wordt u van zulke boeken ook een beter mens?

Natuurlijk niet. Wat is dat nu voor een vraag? (lacht)

De vraag naar de kracht van de literatuur: kan ze mensen veranderen?

Ik denk niet dat mensen die veel literatuur lezen per se betere mensen zijn. Je moet altijd de oefening maken naar je eigen leven, en dat is confronterend. In The catcher in the rye schrijft J. D. Salinger bijvoorbeeld over zijn afkeer van phonies, dikdoeners. In het beste geval staan de lezers van dat boek even stil bij de momenten in hun leven dat zij zich zo hebben gedragen. Maar veranderen? Dat lukt alleen als je dat zelf wil.

Ziet u veel echte vrijdenkers in Vlaanderen?

Continue Reading ›

“De band tussen vriendinnen Assita Kanko en Tinneke Beeckman”, Het Nieuwsblad, 19 oktober 2019

Bij het Europees Parlement. foto: Ivan Put.

Dit artikel verscheen in ‘Het Nieuwsblad’ op zaterdag 19 oktober 2019. Door Nathalie Dirix, foto’s: Ivan Put.

De band tussen vriendinnen Assita Kanko en Tinneke Beeckman”

“Na onze gesprekken voel ik me altijd een beetje slimmer”

“Het was intellectuele liefde op het eerste gezicht.” Zo omschrijft N-VA-politica Assita Kanko (39) de vonk tussen haar en filosofe Tinneke Beeckman (43) tijdens hun allereerste gesprek. Een vonk die meteen het begin was van een mooie vriendschap tussen twee vrouwen.

Het is vrijdagavond. In een café niet ver van het Europees Parlement klinken Assita Kanko en Tinneke Beeckman op het weekend. En op de vele jaren dat ze elkaar nog mogen inspireren.

Hoe hebben jullie elkaar leren kennen?
Tinneke: “Het was zeven jaar geleden tijdens een lezing in Gent. Assita kwam er praten over vrouwenrechten. Wat me opviel, was dat ze een fotografe, Liliane Nabora, meegebracht had en die aan de aanwezigen voorstelde. Dat maakte meteen duidelijk dat Assita generositeit naar vrouwen toe niet alleen predikt, maar ook in de praktijk toepast door vrouwen daadwerkelijk te steunen. Het gaf een gevoel van vertrouwen.”

Assita: “Toen ik diezelfde avond Tinnekes uiteenzetting over de filosoof Spinoza hoorde, viel me op hoe zij gedachten op een heel rustige manier kan overbrengen. Ik zag een intelligente vrouw die heel veel weet en haar kennis niet gebruikt om te imponeren, maar om je aan het denken te zetten. Ik voel me dan ook altijd een beetje slimmer na een gesprek met haar. Eigenlijk was ik meteen verkocht door haar intelligentie en haar bescheidenheid. Noem het maar: intellectuele liefde op het eerste gezicht.” (lacht)

Wat hebben jullie al van elkaar geleerd?
Assita: “Verleden jaar zijn we met een aantal vriendinnen voor een paar dagen naar het zuiden van Frankrijk getrokken. Tinneke toonde er zonder enige gêne haar moederlijke kant aan ons. Hoe vaak heeft ze geen foto’s van haar babydochtertje, Alma, getoond? Ze miste haar en liet dat duidelijk blijken. Mooi vond ik dat. Het zette me aan het denken. Je hoeft inderdaad je kwetsbaarheid als moeder niet te verbergen. Ik denk dat ik dat vroeger als kersverse moeder te veel gedaan heb.”

Tinneke: “Het klopt dat ik zonder enige schaamte de moeder in mij naar boven laat komen. Maar als het over van elkaar leren gaat, dan sta ik graag even stil bij het boek dat Assita schreef. Daarin leerde ik niet alleen een vrouw kennen die het slachtoffer van genitale verminking geworden was. Ook een vrouw die ervoor gekozen heeft om zichzelf te emanciperen. Ik heb haar via mail laten weten hoe belangrijk haar verhaal was om andere mensen die verdrukt en niet gehoord worden een stem te geven.”

Wat waarderen jullie in elkaar?
Assita: “Ik zou eindeloos naar Tinneke kunnen luisteren. Ze kan me tot rust brengen. Maar vergis je niet: achter haar rede gaat heel wat passie schuil. Die combinatie van passie en intelligentie vind ik heel bijzonder. Voor Tinneke is denken een proces dat nooit stopt. Zelf vind ik een open mindset ook heel belangrijk. Want als het denken stopt, stopt ook de dialoog. Daarom vind ik het boek The righteous mind – Why good people are divided by politics and religion van Jonathan Haidt zo boeiend. Hij maakt duidelijk waarom we ons in de loopgraven van ons eigen gelijk graven, als we stoppen met nadenken.”

Tinneke: “Jij hebt dat boek dus ook gelezen. Is inderdaad een bijzonder interessant boek dat aantoont hoe belangrijk het is om empathie te hebben, ook voor de mensen met wie je het niet eens bent. Maar al te vaak zijn we gefocust op ons eigen grote gelijk, waardoor we vergeten echt te luisteren naar wat de andere zegt. Belangrijk is niet dat je het eens bent met de andere, wel dat je van elkaar leert. Dat andere mensen anders in het leven staan dan jijzelf, is echt oké.”

Assita: “Tinneke schrikt er niet voor terug om voor haar mening uit te komen. Ze zegt wat ze denkt. Toch houdt ze er geen rigide denkbeelden op na. Ze staat met een grote openheid in de wereld. Dat waardeer ik. Ook hou ik ervan dat ze haar vrouwelijkheid toont. Is het je al opgevallen dat ze altijd lipstick draagt?” (lacht)

Tinneke: “Zonder lipstick voel ik me naakt en kom ik niet buiten. (lacht) Waarom zouden zorg voor het lichamelijke en het geestelijke niet samengaan? Assita bewijst trouwens ook dat die combinatie perfect kan. Haar gedrevenheid en sensualiteit, ik vind het een knap duo. En haar enorme geloof in de vrouwelijke kracht en haar talent om die kracht aan te wakkeren. Assita richtte Polin op om vrouwen in de politiek te empoweren. Knap is dat ze erin slaagt om vrouwen, over de partijgrenzen heen, samen te brengen en ze te doen geloven in zichzelf. Haar inzet bestaat erin het beste in zo veel mogelijk vrouwen naar boven te brengen. Zelf ben ik een paar keer naar zo’n Polin-bijeenkomst gegaan. De positieve energie die ik er voelde, werkt aanstekelijk.”

Het is de laatste tijd stil rond Polin.
Assita: “Mijn agenda is op dit moment drukbezet door mijn werk in het Europees Parlement, maar ik ben met een aantal mensen aan het brainstormen over hoe we Polin nieuw leven kunnen inblazen. Zodat het opnieuw als platform ingezet kan worden waar vrouwen samen dingen in beweging zetten. Want daar is het mij echt om te doen: tastbare resultaten op het vlak van vrouwenrechten neerzet
Vullen jullie elkaar goed aan als doener en denker?

Tinneke: “Assita is zeer actiegericht. Ze heeft ook een zeer druk sociaal leven. Dat past bij haar rol als politica. Zelf ben ik meer introvert. Ik hou ervan om zaken meer vanop afstand en vanuit een beschouwend perspectief te bekijken. Dat wil echter niet zeggen dat ik filosofie als puur abstracte theorie zie. Voor mij moet filosofie over iets wezenlijks gaan. Het moet je aanzetten tot denken. Je helpen om je denken te verruimen, zodat je meerdere denkpistes krijgt waaruit je kunt kiezen. Daarom is het contact met Assita ook zo interessant. Haar wereld verruimt ook mijn denken.”

Assita: “Weet je wat ons ook verbindt? Dat we allebei van lekker eten en literatuur houden.”

Over welke onderwerpen praten jullie graag met elkaar?
Assita: “Dat kunnen de meest uiteenlopende onderwerpen zijn. Mooie mannen is er een van. (lacht) Een ernstiger thema dat regelmatig in onze gesprekken opduikt, is: durf te denken. Het valt ons op hoe moeilijk het voor heel wat mensen is om hun denkpatronen in vraag te stellen.”

Tinneke: “Er is vandaag een sterke ideologische verdeeldheid in het debat. Je wordt snel in een kamp geplaatst. We vinden het allebei jammer dat het zo moeilijk is om het hokjesdenken te overstijgen. Nochtans, tijden veranderen. De wereld ziet er vandaag helemaal anders uit dan dertig jaar geleden. Het is dan toch ook logisch dat je concepten en recepten die dertig jaar geleden werkten, durft uit te dagen.”

Assita: “Op dat vlak vinden we elkaar helemaal. Het gebeurt regelmatig dat ik iets lees waarvan mijn wenkbrauwen fronsen. Dan stuur ik die tekst met een smiley naar Tinneke en weet ik dat ze het begrepen heeft.”

Tinneke: “Kwetsbaarheid en authenticiteit liggen ons allebei na aan het hart. In onze gesprekken hebben we het er soms over. Over hoe je in die jungle van opinies oprecht jezelf kunt blijven zonder opzijgeschoven of verkeerd begrepen te worden.”

Assita: “Ik heb daarin geleerd dat ik de andere niet kan veranderen. Wel kan ik nadenken hoe ik mijn boodschap beter kan overbrengen zonder dat ik hoef in te binden.”

Tinneke: “Assita wordt soms nogal hard aangepakt op sociale media. Ik begrijp dat niet, want niemand wordt mooi door haar lelijk te maken. Hoewel ze weet hoe met die aanvallen om te gaan, helpt het om er af en toe over te praten en zo zaken in perspectief te plaatsen.”

Waarin verschillen jullie van elkaar?
Tinneke: “We hebben een heel ander temperament. Ook over sociaal-economische zaken kunnen we van mening verschillen. Ik vind dat totaal geen probleem. Ik heb helemaal geen behoefte om met mensen af te spreken die net hetzelfde als ik denken. In de politiek gaan zou ook niets voor mij zijn. Daarvoor koester ik te veel mijn onafhankelijkheid als filosoof. Die onafhankelijkheid is volgens mij niet compatibel met partijpolitiek.”

Assita: “Ik ben weliswaar geen filosoof en toch filosofeer ik graag. En ook al ben ik dan politica, toch blijf ik voor mezelf denken en mijn mening zeggen.”

Maar als filosoof zal je vrijheid van denken toch minder snel ingeperkt worden dan als politica.
Assita: “Toch vind ik dat je ook als politica moet kunnen blijven zeggen wat je denkt. Ik besef dat dit een grote uitdaging is. Maar ik ben wie ik ben en wil graag zo blijven. Wel vind ik het belangrijk dat je de bal en niet de man of de vrouw speelt. Dat is trouwens niet mijn manier van aan politiek doen.”

Tinneke: “Je kunt inderdaad als politica voor jezelf blijven denken. Maar voor mij is dat toch iets anders dan als filosoof vrij denken. Ik heb geen kiezers die bepaalde zaken van me verwachten. Wat ik wel weet, is dat Assita en ik allebei een grondige hekel hebben om bepaalde denkpatronen opgelegd te worden. Daarvoor staan we veel te veel op onze vrijheid.”

Rechtuit zeggen wat je denkt. Het schrikt geen van jullie beide af. Voelt dat soms niet eenzaam?
Tinneke: “Soms gebeurt het inderdaad dat wat je zegt niet leuk gevonden wordt. Maar als je vrij wilt zijn, moet je eenzaam durven zijn. En als je kijkt welke weg Assita heeft afgelegd, dan kan ik me moeilijk voorstellen dat zij het erg vindt om in een debat met haar mening alleen te staan. Ze komt van Burkina Faso en zit in het Europees Parlement. Dat toont dat ze door iets gedreven wordt dat veel fundamenteler is dan de kritiek die ze krijgt.” Continue Reading ›

Interview “Klasse”, september 2019

“Een tien op tien is saai. Een gemiste kans om iets bij te leren.”

Interview voor “Klasse Magazine“, door Piet Creten, Foto’s van Tina Herbots

Vlaamse leraren kiezen voor hun beroep om maatschappelijke meerwaarde te creëren, maar slechts 30% voelt zich daarin gewaardeerd door de samenleving. Hoe kijkt filosoof Tinneke Beeckman naar enkele opvallende resultaten uit TALIS 2018, een internationaal onderzoek naar hoe leraren basisonderwijs en eerste graad secundair hun werk ervaren? En wat kunnen we leren van Hegel, Heidegger en Camus?

Zijn leraren wat naïeve wereldverbeteraars?

Tinneke Beeckman: “Lesgeven moét een missie zijn. Verschillende leraren vertellen me geïnspireerd te zijn door de film Dead Poets Society. Ze beseffen dat jongeren kwetsbaar zijn, maar ook geweldige kwaliteiten hebben. Dat je als leraar een mensenleven kan veranderen. Nieuwsanker Martine Tanghe zei ooit dat ze haar liefde voor taal te danken heeft aan een leraar. De geweldige emancipatie van Vlaanderen heeft veel met onderwijs te maken. Het opende werelden die voor mensen thuis gesloten bleven. Onderwijs kan dus zeker de wereld verbeteren. Het zou erg zijn als leraren daar niet meer in geloven.”

De leraar uit de film wordt uiteindelijk wel ontslagen. Waarom vallen te veel gemotiveerde leraren uit?

Tinneke Beeckman: “In deze tijd moet je je voortdurend verantwoorden. Leraren krijgen het gevoel dat ze gewantrouwd worden. Te veel administratie doorkruist hun engagement voor jongeren. Dat is dodelijk voor hun motivatie. Je moet ze autonomie geven,ze moeten zelf kunnen invullen hoe ze bepaald eopdrachten uitvoeren. Zodat ze voelen dat je vertrouwt op hun kunde. Natuurlijk is controle nodig. Er zijn leraren die er de kantjes aflopen of die bijsturing nodig hebben. Feedback stimuleert ook. Maar het probleem is dat collega’s elkaar alleen aanspreken wanneer iets misloopt.”

Foto: Tina Herbots

Het beeld uit de film zal veel leraren romantisch aandoen. Leerlingen huppelen niet altijd enthousiast achter de bevlogen leraar aan.

Tinneke Beeckman: “Het moeilijke is dat de dankbaarheid pas achteraf komt. In de klas zijn leerlingen soms lastig, zien ze het doel van je inspanningen niet of rebelleren ze als je ze straft. Maar achteraf zijn ze vaak wel blij met wat ze geleerd hebben of dat ze op tijd zijn bijgestuurd. Misschien kunnen we leraren wat meer uitgestelde feedback geven over de belangrijke impact die ze hebben door oud-leerlingen daarover te bevragen.”

“Erkenning mag ook niet alleen van leerlingen komen. Je zit nu eenmaal met een autoriteitsrelatie. Hegel zegt daarover dat een meester zich nooit helemaal erkend kan voelen als hij alleen maar slaven heeft. Een slaaf kan je per definitie geen appreciatie geven. Nu wil ik leerlingen niet met slaven vergelijken, maar feedback van collega’s is noodzakelijk om te weten of je echt naar waarde geschat wordt.”

Moeten leraren elkaar meer complimenten geven?

Tinneke Beeckman: “Er kan meer steun voor mekaar zijn, meer kwetsbaarheid en positieve feedback tussen leraren. Ze moeten van elkaar horen dat ze het goed doen en waar progressie mogelijk is. Kwetsbaarheid betekent aan elkaar zeggen waar je geen raad mee weet, wat je al geprobeerd hebt en elkaar ondersteunen. Een grote verbondenheid is daarin heel belangrijk. Ook als ouders vertrouwen in leraren uitspreken, heeft dat effect.”

Slechts 30% van de leraren voelt zich gewaardeerd door de samenleving. Waar komt dat vandaan?

Tinneke Beeckman: “Ouders zien in hun kinderen meer dan ooit het verlengde van zichzelf. Vroeger kregen mensen meer kinderen. Die verschilden soms sterk van elkaar. De ene ging studeren, de andere was goed in een ambacht. Dat er ook een zwart schaap van de familie was, hoorde erbij. Maar nu hebben ouders 1 of 2 kinderen. Die moeten het waarmaken volgens de heersende prestigenorm, zoals veel diploma’s. Je moet ook vooral de indruk geven slim te zijn, terwijl mensen zovele kwaliteiten kunnen hebben.”

“De prestaties van het kind stralen af op de ouders. Voor kinderen is dat een loodzware last. Want ze kunnen niet allemaal de verwachtingen inlossen. Ouders aanvaarden moeilijker tekorten of beperkingen. Daar komt veel kritiek op leraren vandaan. Want als het misloopt, haalt de leraar niet uit het kind wat erin zit.”

“Je ziet dat ook op andere vlakken. Groepsgeest wordt minder geapprecieerd. Waarom speel je voetbal? Volgens Albert Camus leerde hij er de moraal. Hij ontdekte wat kameraadschap of fair play is. Dat je je best kan doen en toch kan verliezen. Maar nu schuilt in elk zoontje misschien wel de nieuwe Messi. Aan de trainer om dat talent te ontdekken en helemaal te ontwikkelen. Er zijn clubs waar ouders niet meer langs de kant van het veld mogen staan bij trainingen. Ze hebben voortdurend commentaar. Hun kind krijgt niet genoeg aandacht.”

“Onderwijs, je hobby of sport geeft kinderen en hun ouders vandaag identiteit en status. Daar toon je wie je bent, dat je beter bent dan anderen. Je moet overal excelleren, de primus inter pares zijn.”

Sommige experten zeggen dat we net meer moeten mikken op excellerende leerlingen. Is dat geen goede zaak?

Tinneke Beeckman: “De vraag is op welke manier. Dat kan ook door te zeggen dat een kind niet te veel naar zijn ouders moet luisteren. Als leerlingen verpletterd worden door verwachtingen en schoolresultaten een persoonlijkheidskenmerk worden, is dat niet goed. Leren is ook weten dat je soms opnieuw moet proberen. Dat een fout een gelegenheid is om te leren. In dat opzicht is een tien op tien gewoon saai. Het is een gemiste kans om iets bij te leren.”

“Leerlingen moeten leren inschatten waar hun mogelijkheden liggen met hoe de kaarten voor hen geschud zijn qua aanleg, temperament, opvoeding of vorige keuzes. Daar moet je het beste van maken. Zo bereik je meer dan wanneer je rondloopt met onrealistische verwachtingen van anderen. En het maakt je gelukkiger. Een goede school geeft dat soort feedback aan leerlingen en ouders. Die invulling van excelleren is prima.”

Die feedback zal niet altijd even goed aankomen. Begrijp je ouders die meteen op school staan om te klagen?

Tinneke Beeckman: “Achter boosheid schuilt vaak angst. Veel ouders vertrouwen er niet op dat het met hun kinderen in deze snel veranderende samenleving per definitie goed zal gaan. Een wereld vol technologie die veel beroepen overbodig zal maken, jaagt ze op. Die angst is begrijpelijk.”

“De leraar is een toegankelijk aanspreekpunt. Als je je zorgen maakt over diversiteit of het gebruik van sociale media. Tegen wie ga je klagen? Of als je bang bent dat het niveau van het onderwijs daalt. Dan is een oudercontact een goed moment om je hart te luchten.”

Hoe kunnen we het beroep weer meer prestige geven?

Tinneke Beeckman: “Het probleem is dat in een neoliberale maatschappij degenen die de winst maximaliseren het meeste prestige krijgen. Bedrijfsleiders, goed verdienende financieel experts, consulenten. Voorbeelden als Steve Jobs illustreren een hyperindividualistische kijk op de wereld. Je hebt alles aan jezelf te danken. School is niet nodig als je slim bent. Je ontdekt alles zelf wel. Dat is een vorm van narcisme. Mensen zien zichzelf niet meer als een schakel tussen generaties of andere mensen. Ze zijn niet dankbaar voor wat anderen voor hen gedaan hebben. Die mentaliteit heerst helaas op dit moment.”

“Terwijl goede leraren op termijn bij uitstek zorgen voor winstmaximalisatie. Die is niet onmiddellijk meetbaar, maar iedere keer dat je mensen motiveert, zelfvertrouwen geeft, talenten ontwikkelt, ben je een van de drijvende krachten in een samenleving. Dat moeten we veel meer benadrukken als we over onderwijs spreken.” Continue Reading ›

“Achter de angst schuilt veel ambitie”, Interview Voka Magazine, Q3, 2019

Journaliste Katrien Stragier legde me enkele paradoxen voor om de hedendaagse politieke situatie te analyseren. Dit interview verscheen in september 2019, in ‘Voka Tribune’.

“De bange, boze kiezer is eigenlijk net ambitieus  (en andere paradoxen van nu)”

 

Gaan we angstige jaren tegemoet? Ja, menen sommigen op basis van de verkiezingsuitslag. Maar politiek filosofe Tinneke Beeckman ziet dat anders. “Er wordt gezegd dat de kiezer bang en boos is. Maar ik vind het net goed dat mensen zeggen: ‘Politici, jullie doen het niet goed genoeg’. Achter die angst gaat wel ambitie schuil.” We leggen haar deze en enkele andere paradoxen van nu voor.

 

Paradox 1:

We zijn nog nooit zo welvarend geweest, maar toch zijn we bang en boos

 Alle statistieken wijzen erop dat we het eigenlijk nog nooit zo goed hebben gehad, maar toch laten we protest horen in het stemhokje.

“Het vooral gaat over: gaan mijn kinderen het nog zo goed hebben als ik? En dat is een terechte bekommernis. Het onderwijs is daar een goede indicator voor. Wij zijn in Vlaanderen altijd heel fier geweest op ons onderwijs, dat er mee voor heeft gezorgd dat we zo’n kwantumsprong konden maken. Als er dan berichten komen dat de kwaliteit daarvan daalt, dan genereert dat angst.”

We gaan angstige jaren tegemoet?

“Achter die angst zit ook een bekommernis. Het is goed dat we cijfers die aantonen dat de leesvaardigheid daalt niet trivialiseren. Ik vind goed dat mensen zeggen: ‘Dat is niet goed genoeg’. Er zit dus ook wel een ambitie achter die angst en dat is gezond. Ook al liggen de politieke kaarten op dit moment heel moeilijk, is dat wel een energie waar je iets mee kan doen. Maar die gevoelens worden vaak snel weggezet vanuit de politiek. Wij zijn de redelijke politici, en de anderen zijn irrationeel. Tja, als je zo betuttelend wordt toegesproken, stop je met luisteren.”

Paradox 2:

We hebben het minste aandacht voor het niveau waar het meeste beleid beslist wordt

 Het Europese niveau bepaalt 60 tot 70 procent van het beleid. Toch is daar minder aandacht voor dan het Vlaamse of het federale niveau.

“Ja, dat is echt een van de kernproblemen van deze tijd. Het heeft er mee te maken dat politiek heel fysiek is. Michael Ignatieff, politiek filosoof en voormalig kandidaat-premier in Canada, schrijft dat in ‘Fire and ashes’. Je voelt je meer betrokken bij politici die je kan ontmoeten. Europese politici zouden dus meer kunnen rondreizen of een campagne voeren zoals in de VS. Ten tweede is politiek iets heel competitiefs. De kiezer moet op jou stemmen en niet op die ander. Dat maakt deel uit van het spel, maar heb je minder Europees, waardoor de aandacht naar het nationale niveau wordt getrokken.” Continue Reading ›

“Strandlectuur voor gevorderden”, Knack 10 juli 2019

“We leven in politiek complexe en verwarrende tijden. Daarom vroeg Knack aan 30 bevoorrechte waarnemers suggesties voor boeken die licht in de duisternis kunnen brengen.”  Door Simon Demeulemeester en Ewald Pironet.

Andere stemmen zijn Philippe Van Parijs (die juist zoals ik Luuk Van Middelaars boek aanraadt), Linda De Win, Bruno De Wever, Hendrik Vos, Hendrik Vuye, Guy Tegenbos, Pierre Wunsch, Frans Crols, Béatrice Delvaux, Rolf Falter, Siegfried Bracke, Geert Bourgeois, Annemie Neyts, Bart Maddens, Abderrahim Lahlali, Marcia De Wachter, Noël Slangen, Ivan De Vadder, Bart Van Loo, Caroline Pauwels en Fernand Keuleneer.

Mijn lijstje – op de vraag welk boek relevant is om België/Vlaanderen te begrijpen:

Luuk Van Middelaar, ‘Het Nieuwe Europa’. Deze auteur auteur is een commentator van Europa, die het van binnenuit kent. Het is toegepaste politieke filosofie. Van Middelaar herstelt de essentie van het politieke in het Europese project: het conflict, het verschil, de tegenspraak.  Dat is wat er nodig is, vandaag de dag: tegenspraak als deel van het systeem.

Verdere suggesties: Kemal Rijken – ‘Eigen volk. Hoe het rechtsnationalisme Europa veroverde’ (2019). En Hendrik Vuye en Veerle Wouters – ‘De maat van de monarchie’ (2016).

“Factcheck” nav mijn interview in Humo, DS 6 juni 2019

Het interview met Humo over de overwinning van het Vlaams Belang, leverde me een factcheck op bij De Standaard, door Wim Winckelmans. Hij publiceerde op 6 juni dit artikel:

“‘De arena waarin politici opereren, wordt steeds kleiner. Het Europese niveau bepaalt 60 tot 70 procent van het beleid.’ Politiek filosofe Tinneke Beeckman wijst er in het weekblad ­Humo op dat politici wel de indruk geven dat ze alle instrumenten in handen hebben om het beleid te veranderen, maar dat die handen in de realiteit vaak gebonden zijn.

Er zijn ooit zelfs hogere percentages geopperd. Voormalig Europees Commissievoorzitter Jacques Delors voorspelde in de jaren tachtig dat 80 procent van de eengemaakte markt een wetgeving met Europese oorsprong zou krijgen. Het cijfer is daarna overgenomen door eurosceptici om te waarschuwen voor de bemoeizucht van superstaat Europa.

Hoe groot de Europese invloed echt is, valt nochtans moeilijk precies te bepalen. Continue Reading ›

“De ravage na de verkiezingen: hoe de stemming omsloeg’, Interview Humo, 4 juni 2019

Humo-journalisten Raf Liekens en Annemie Bulté interviewden me over de verkiezingsoverwinning van Vlaams Belang op 26 mei 2019: wat valt er over de uitslag te zeggen?

Eerder besprak ik dit thema in De Afspraak en op Radio 1.

In dit interview komen ook  Fons Van Dyck, Jan Callebaut, Mark Elchardus, Bart Maddens, Dave Sinardet, Guillaume Van der Stichelen en Cas Mudde aan het woord.

Continue Reading ›

“Over vaders”, in ‘De Vragen van Proust’, DM, 9 juni 2019

Zondag was het vaderdag. De Morgen publiceerde enkele uitspraken over vaders uit hun reeks ‘De Vragen van Proust’, door Ann Jooris en Fernand Van Damme.

Met fragmenten van Dirk De Wachter, Youssef Kobo, Petra De Sutter, Lynn Wesenbeek, Jean-Marie De Decker en vele anderen.

Dit is mijn verhaal, als fragment uit een langer interview.

“Mijn ouders zijn allebei overleden. Ze hebben ons heel veel liefde en affiniteit meegegeven voor literatuur en muziek, voor andere culturen, voor politiek ook. Ze hadden het niet echt breed. En toch namen ze ons van kleins af aan mee op reis: naar Athene, Rusland, Egypte, Marokko, India… Je kinderen andere beschavingen leren kennen was voor mijn vader een humanistisch ideaal. Ik heb daar een enorm gevoel van verbondenheid aan overgehouden.

“Mijn ouders kookten ook heel graag en maakten vaak uitheemse gerechten. Dan gingen we thuis op reis. Mijn vader zorgde voor vlaggetjes van het land en zette lokale muziek op. Zo hadden we Zaïrese avonden en aten we moambe, Indiase avonden en aten we curry’s, Libanese avonden en zetten we Fairuz op (een van de bekendste zangeressen van het Midden-Oosten, red.). Dat was altijd heel avontuurlijk.

“Maar het idee dat kinderen altijd alles leuk moesten vinden, bestond bij mij thuis niet. Evengoed zette mijn vader een ­documentaire op over de Holocaust of over Stalingrad en ­moesten we stilletjes luisteren. Hij vond dat we voeling moesten hebben met de geschiedenis. En ik denk dat ik daardoor thuis veel meer geleerd heb dan op school.”

foto’s: Stefaan Temmerman

“De Stand van de Democratie”, Interview op VRT website, 22 april 2019

Dit interview verscheen op de VRT Nieuwssite op maandag 22 april 2019, in een reeks politieke denkers over de democratie vandaag.

Tinneke Beeckman is een Vlaamse filosofe en columniste. Ze behandelt thema’s op het raakvlak van filosofie, maatschappij en politiek. Ze is een graag geziene gaste in de Vlaamse kranten, radio en televisie.

Door Rony Van Gastel, VRT niewssite.

 

“Mevrouw Beeckman, klassieke centrumpartijen verliezen overal aanhang. Hoe komt dat?

De klassieke centrumpartijen bestaan al heel lang.  Ze zijn groot geworden met beslissingen en standpunten over de maatschappelijke breuklijnen van de twintigste, en zelfs het einde van de negentiende eeuw eeuw.  Katholiek versus vrijzinnig, om er maar eentje te noemen.  Nieuwe partijen en bewegingen hebben het gemakkelijker. Ze gaan vaak voor één heldere boodschap die inspeelt op de vragen en breuklijnen van vandaag. De nieuwe partijen zeulen natuurlijk ook geen hele geschiedenis mee, en kampen minder met onderlinge meningsverschillen. Neem bij ons bijvoorbeeld N-VA of Groen!

Maar ook de ‘populisten’ halen in veel landen stemmen weg bij de klassieke partijen?

Voor populisten geldt het bovenstaande natuurlijk helemaal. Ze  brengen een heldere boodschap. En daar zit voor mij meteen ook een gevaar. Dictaturen zijn al wel vaker op democratische manier tot stand gekomen. Maar eens ze aan de macht zijn kunnen ze de structuren van binnenuit veranderen en aanpassen aan hun autoritaire beleid.  Dat zie je bijvoorbeeld in Oost-Europa, de rechtsstaat is in sommige van die landen wel heel broos. Neem Hongarije als type-voorbeeld.

In het Oosten van Europa hebben ze lang onder een dicatuur geleefd, je zou verwachten dat net zij beseffen hoe belangrijk democratische instellingen zijn, dat zij goed beseffen hoe belangrijk democratische instellingen zijn? Scheiding van de machten, onafhankelijke rechters, persvrijheid?

Machiavelli heeft daar een niet zo’n fraaie beeldspraak voor, maar ze klopt wel denk ik. Hij vergelijkt onvrije volkeren met een dier dat lang in een kooi heeft gezeten. Wanneer het vrijkomt, valt het makkelijk ten prooi aan de eerste de beste die het wil vangen. Misschien heb je een langere traditie van vrijheid nodig om burgers te hebben die daar ook voor willen vechten.

Bovendien hebben we lang gedacht dat er maar één soort vrijheid is, dat economische, sociale en politieke vrijheid altijd samengaan. Intussen weten we dat dat niet zo is. In China bijvoorbeeld gaat economische vrijheid gepaard met politieke dictatuur.  Michael Ignatieff schreef zelfs dat de vrijheid hier in het Westen de onvrijheid in sommige andere landen helpt in stand te houden. Want wie het niet eens is of geen werk vindt kan “vluchten” naar het vrije Westen. Het protest ter plekke, in die autoritaire regimes, zal er alleen maar minder door worden.

Zijn we in West-Europa stilaan een reservaat van democratie aan het worden? En moeten wij dan ook schrik krijgen voor de toekomst van onze democratie?

We moeten in elk geval goed opletten. Enerzijds is er nogal wat inmenging van die dictaturen, ook economisch. Denk aan de verlokkingen van het geld van Rusland of China. Maar niet vergeten dat we ook een intern probleem hebben, namelijk het geloof in de democratie – of het gebrek daaraan – van onze eigen burgers. Uit onderzoek blijkt dat de steun bij de jeugd voor de democratie afkalft. Een deel van de jongeren ziet een autoritaire leider blijkbaar wel zitten. Die jongeren hebben natuurlijk niet ondervonden hoe noodzakelijk die rechtsstaat wel is. Er is al zolang vrede dat we niet meer beseffen hoeveel we te danken hebben aan een vrije pers bijvoorbeeld.  Misschien worden we wat slordig, nonchalant met onze verworvenheden.

De jongeren zijn dus geen garantie voor de toekomstige democratie?  Klimaat of Brexit, allerlei engagement, er komt toch veel van de jongeren?

Ja, er is wel degelijk een kloof tussen de generaties, en daar kunnen we soms blij om zijn.  Maar het is niet omdat je voor het klimaat betoogt dat je ook voor democratie bent, die twee impliceren elkaar niet noodzakelijk. Net zoals het helemaal niet klopt dat de afkeer van democratie alleen bij rechts zou zitten. Ook aan de linkerzijde leeft de verlokking van ‘de verlichte despoot’.

Maar in China zouden ze een moeilijke kwestie als de Brexit waarschijnlijk wel sneller en slimmer oplossen dan de Britten nu doen…

Klopt dat een parlementair regime niet altijd perfect werkt natuurlijk. Maar neem nu die Brexit.  Waarom gaat het daar zo moeizaam? Omdat Engeland een tweepartijensysteem heeft. Een polariserend systeem, twee blokken die tegenover elkaar staan zonder enig overleg.  Dat is toch heel iets anders dan in Duitsland bijvoorbeeld, of in ons eigen politiek systeem.  Wij hebben meer proportionele vertegenwoordiging in het parlement, er is dus vanzelf meer overleg nodig. Leiders als Angela Merkel zijn gedwongen om constant te overleggen met het middenveld, met andere partijen. Compromissen sluiten zit daar ingebakken. Dat de Britten dat zo moeilijk kunnen is een gevolg van hun politiek systeem, niet van de democratie op zich.

Je hoort wel eens dat we complexe problemen best niet alleen aan politici overlaten, maar ook aan experten, technocraten? 

Experten zijn belangrijk en die moeten zeker gehoord worden, dat spreekt vanzelf. Maar waarom is er zoveel anti-Europees sentiment, zoveel onbegrip van de burgers? Precies omdat de Europese Unie zo technocratisch is! Dan wordt de EU een soort regelfabriek hé. Luuk van Middelaar, de voormalige woordvoerder van Europees president Van Rompuy heeft dat onderscheid tussen gebeurtenissenpolitiek en regelpolitiek mooi gesteld.  Regels werken prima voor stofzuigers. Maar als er echt iets onverwachts gebeurt, dan volstaan de regels niet. Neem de crisis van de Euro een paar jaar geleden, het klimaat of de vluchtelingencrisis. Voor zoiets heb je een maatschappelijk debat nodig, waar mensen zich betrokken bij voelen.  Bij de migranten heeft Europa geprobeerd dat te beslissen alsof het om visquota ging.

En dus is het makkelijk scoren voor populisten?

Precies, net omdat het beleid gedepolitiseerd is, ontstaat verzet tegen de Unie en de Europese Commissie zelf. Ook de volgende Europese verkiezingen gaan niet veel oplossen. We zouden moeten discussiëren over de besluitvorming, de Europese grondwet, de centrale bank enzovoorts.  Maar dat ligt allemaal vast. En precies daardoor is het helaas een discussie geworden van “voor of tegen de Europese Unie”.  Burgers voelen zich niet betrokken, en laat ons wel wezen, eigenlijk zijn ze dat ook niet.

Het politieke boek van het jaar ‘17 in Frankrijk was ‘Plus Rien à Foutre’ van Brice Teinturier – allemaal niks mee te maken. De afkeer van het politieke bedrijf is enorm, zeker in Frankrijk.  Peilers zeggen “we kunnen zelfs niet meer vragen wat de mensen ervan denken, ze doen zelfs de deur niet meer open als het over politiek gaat”.  Populisten lopen achter de bevolking aan, het is niet omgekeerd.  Veel mensen verwachten die redding in Frankrijk ook niet noodzakelijk van Marine Le Pen hoor.

Maar hoe kan je dan de bevolking beter betrekken? Door referenda of inspraakgroepen?  Is het model van verkiezingen versleten?

Tja ik denk lokale inspraak zeker een goede zaak is, dat geeft een nieuwe dynamiek. Kijk naar de Oosterweel in Antwerpen, dat is een geslaagd voorbeeld.  Maar op het grotere vlak? Politieke partijen en verkiezingen blijven uiteraard belangrijk. Dat ga je niet vervangen door burgerinspraak.  Bovendien : je hebt voor de rol als politicus echt wel bepaalde kwaliteiten nodig.  Ik heb net in De Standaard geschreven waarom filosofen geen goede politici zouden zijn (lacht). Politicus zijn is een kunst.  Dus verkiezingen, partijen, ja dat blijft een onmisbaar ijkpunt.

Er wordt veel over populisme en gezegd. Maar wat is dat een populist, hoe definieer je dat?

Bijna alle partijen doen in een zekere mate aan populisme. Beloften maken die je niet kan houden… Maar de echte populist, dat is iemand die zegt “ik spreek in de naam van het volk, en wie het niet met mij eens is is een tegenstander van het volk”.  Erdogan in Turkije is daar een goed voorbeeld van. Of de Hongaar Orban, ook een autoritaire leider die de rechtsstaat aanvalt.

Maar ik wil daar meteen een belangrijke kanttekening bij maken. Het etiket ‘populist’ mag niet worden gebruikt voor iedereen die een onvrede capteert en daar een punt van wil maken.  Natuurlijk moet Orban kunnen zeggen “ik vind dat er te veel migratie is en Europa moet op dat vlak een ander beleid gaan voeren”.  De contestatie van het beleid moet mogelijk blijven. Continue Reading ›