“Wat zijn de motieven achter groepsdruk?” column DS 4 okt. 2018

Patrick Loobuyck legt de liberale principes mooi uit: sociale druk mag iemands deelname aan een toneelstuk niet verhinderen (DS, 3/10). Maar liberale principes schieten te kort om het fenomeen dat hij aanklaagt – groepsdruk – te doorgronden. Een voorbeeld dat hij geeft is dat Fatima Ezzarhouni afhaakt: zij wil niet meer participeren aan het theaterstuk ‘Lams Gods’ van Milo Rau. De redenen voor haar beslissing blijven echter onduidelijk, en haar situatie is complex. Los van haar geval, gebeurt het wel dat vrouwelijke performers tijdens of na een artistieke performance onder druk worden gezet. Zo moest de Marokkaanse actrice Loubna Abidar in 2015 Marokko ontvluchten nadat ze in ‘Much Loved’ een prostituee speelde. Nu wil Abidar in Frankrijk taboes over seksualiteit doorbreken. Ze botst op heel wat weerstand.

Iemand geen rol op de scène gunnen, gaat niet alleen over een beperking van iemands rechten. De vraag blijft: wat zijn de motieven van de groep die druk uitoefent? Hier speelt hoe mensen met hun eigen lichamelijkheid kunnen omgaan. Wat als al het lichamelijke slechts zondig is? Wat als sensualiteit vooral gecontroleerd moet worden, ook door iemands verschijning te controleren? Wat als vrouwelijkheid alleen verlokking betekent? Dan is deelnemen aan kunst met haar soms letterlijke naaktheid en kwetsbaarheid, verboden.

Wie contacten heeft in het onderwijs, weet dat de kunstzinnige activiteiten van sommige kinderen al heel vroeg in het gedrang komen. Er zijn allochtone ouders – neen, niet allemaal, maar het gebeurt – die kinderen wel mee laten oefenen voor het schoolse toneelstukje, maar op de dag van de opvoering hun kinderen thuishouden en zelf niet opdagen. Zo missen die kinderen het plezier om op te treden; ze missen een gedeelde ervaring met andere kinderen en een stimulerende artistieke prestatie. Dit alles heeft effecten op latere keuzes. Hoeveel mensen met een carrière op de televisie of in het theater, stonden juist op school voor het eerst op scène? Hetzelfde geldt voor andere kunstzinnige activiteiten: dansen, zingen, tekenen, schilderen. Oog voor schoonheid, die niet tot geile prikkels of provocaties kan worden herleid, ontwikkelt men dankzij een opvoeding.

Lichamelijke activiteiten omvatten ook sport. Niet toevallig duiken hier mogelijk conflicten met allochtone ouders op: jongens en meisjes die niet samen mogen sporten; meisjes die niet mee mogen zwemmen. De ouders zelf wijzen op de vrijheid van godsdienst in de multiculturele samenleving: zij mogen beslissen in naam van hun geloof. Dat kan best, maar hun keuzes hebben gevolgen voor de toekomstkansen van hun kinderen. Opvoeding en initiatie in de kunsten beïnvloeden of volwassenen aan cultuur deelnemen, alsook of ze aanvaarden dat anderen dat doen.

Hiermee raakt dit thema aan de diversiteit. Diversiteit wil zeggen dat burgers uiteenlopende etnische achtergronden, religieuze opvattingen en seksuele voorkeuren hebben. Idealiter zijn ze in al hun verschillen even goed aanwezig in de politiek, op school, in de bedrijfswereld, en in de kunsten. Deze diversiteit op alle domeinen is een belangrijk politiek streefdoel. Dan blijken heel wat domeinen ‘te blank’ te zijn.

Bijvoorbeeld de kunsten: men probeert een idee te krijgen van de reële diversiteit op en voor het podium. In de zaal en op de planken zijn er veel te veel blanken. Volgens de liberale logica wijst dit op racisme en discriminatie: als individuen ergens niet geraken, worden ze verhinderd. Alle obstakels moeten dus verdwijnen: gelijke kansen betekent dat iedereen zijn recht op een oorspronkelijke vrijheid herwint. Die gedachte klinkt heel fair. Ongetwijfeld spelen racisme en discriminatie wel degelijk een rol, en dat moet worden aangepakt. Alleen is die verklaring ontoereikend: ook hoe mensen met lichamelijkheid en sensualiteit omgaan, moet deel uitmaken van het debat over vrijheid en diversiteit.

Kortom, als je alleen vanuit de liberale logica denkt, dan mis je een belangrijke factor: de bredere cultuur en het geheel van overtuigingen die mensen kunnen motiveren om de rechten van anderen al dan niet te erkennen.”

Deze column verscheen in De Standaard op 4 oktober 2018.

“Onze verhalen zijn van iedereen”, DS 20 sept. 2018

“Vorig weekend hield de rector van de VUB, Caroline Pauwels een bevlogen pleidooi voor de Verlichting, en ze heeft daarin groot gelijk (DS, 15/09). Ze bestempelt de Verlichting als een open houding, een pleidooi voor rede, humanisme en wetenschap. Ze toont hoe actueel en noodzakelijk deze begrippen zijn in een complexe, diverse wereld.

Tegelijk waarschuwt ze voor een al te historische interpretatie, die de Verlichting te exclusief zou maken: mensen die van elders komen, kunnen zich er dan niet meer in vinden. Een universele Verlichting, is dan ontdaan van haar ‘westerse’ karakter. Dit laatste klopt echter niet: juist door de context, de verhalen en de denkers te belichten, kan je de universele boodschap van de Verlichting helpen begrijpen.

Neem dat verhaal dat de Franse gelauwerde film ‘Ridicule’ vertelt (gebaseerd op de mémoires van Adèle D’Osmond, Comtesse de Boigne) over de jonge baron, Grégoire Ponceludon de Malavoy die zag hoe arme mensen bij bosjes stierven door moerasziektes. Als ingenieur wilde hij die moerassen droogleggen, en trok hij naar Versailles om de koning, Lodewijk XVI, te overtuigen. Maar hij ontdekte een wereld van intrige en bedrog, van valse gevatheid en spot, waar niemand zich om het lot van een ander bekommert. Pas na de Franse Revolutie werden dergelijke openbare werken die mensen het leven redden, mogelijk.

De les is duidelijk: als koningen zich afgezanten van God wanen, en zich opsluiten in hun weelderige hoven, blijven ze blind voor het lijden van de bevolking.

Zonder idee van gelijkheid, zonder politieke structuren om volksinspraak te hebben, leeft een kleine groep in luxe, en crepeert de rest. Waarom zouden mensen uit Afrika of Azië met dat historisch verhaal zich niet verbonden voelen, en meteen begrijpen wat de meerwaarde is van wetenschappelijk onderzoek, en van democratische structuren?

Of lees het verhaal ‘Zadig’ van Voltaire, dat zich in Babylon situeert. Voltaire vertelt de avonturen van een man die strijdt tegen onrecht en voor rechtvaardigheid. Gevat en meeslepend toont Voltaire hoe wetenschappelijke methodes de jongeman op weg helpen om de waarheid te achterhalen, zich van bedriegers en machtswellustelingen te bevrijden. Waarom zou zo’n korte roman niet inspirerend kunnen zijn? In Frankrijk wordt Voltaire nog veel gelezen, en terecht. Dat heeft niets met nationalisme, maar juist met de geest van humanisme en universalisme te maken.

Of neem het historische verhaal van Chevalier de la Barre, die in 1766 op twintigjarige leeftijd op de brandstapel eindigde; hij wilde niet knielen bij een processie, en werd beschuldigd van heiligschennis. Zijn overtuigingen werden hem fataal. Hij is een voorbeeld voor niet-gelovigen om met moed hun overtuiging te beleven. Vandaag de dag worden nog altijd mensen terecht gesteld omdat ze het officiële geloof niet willen aanhangen. Waarom zouden mensen uit andere landen dan niet begrijpen hoe aangrijpend dit verhaal is, en wat er allemaal gebeurde voordat een begrip als de vrijheid van mening en geloof werkelijkheid werd?

Pauwels heeft gelijk dat de Verlichting veel beter verdiend dan herleid te worden tot een strijdmiddel tégen anderen. En verhalen uit andere streken die menselijkheid, vrijheid en gelijkheid illustreren, zijn voor iedereen een verrijking. Maar je kan de Verlichting niet begrijpen – of uitleggen – zonder haar historische context, haar bijzondere denkers en aandoenlijke verhalen te raadplegen. Dat niet iedereen zich ‘goed voelt’ bij Westerse tradities, mag hierin geen rol spelen. Jongere generaties mogen niet onterfd worden van het rijke westerse verleden, omdat diversiteit het nieuwe ordewoord zou zijn. Veel keuze is er trouwens niet: zonder kennis van het verleden, kan de toekomst alleen eenzaamheid zijn.”

Deze column verscheen op 20 september 2018 in De Standaard.

“Handen schudden of niet, dat is niet de vraag”, column DS, 19 april 2018

Deze column verscheen in De Standaard op 19 april 2018.

“Een hand schudden of niet, verdoofd slachten of niet, openlijk seksualiteit bespreken of niet … Vallen die kwesties niet gewoon onder pragmatische politiek? En zijn ze niet gewoon de uitdrukking van de diversiteit die we zo moeten koesteren? Nu CD&V de chassidische Jood Aron Berg op de lijst voor de gemeenteraadsverkiezingen in Antwerpen wilde plaatsen, laait de discussie weer op. De man heeft zich ondertussen teruggetrokken. Toch waren enkele commentatoren voor een pragmatische aanpak gewonnen. Want ja, deze kwesties kunnen triviaal lijken. En er zijn nu eenmaal meerdere culturele gebruiken en ze duiden allemaal op vormen van respect.

Helaas gaat deze kwestie politiek dieper. Ze is ook interessanter dan handen schudden of niet.

Kort gezegd is de vraag of rechten, dan wel wetten primeren om het politieke te organiseren. Die vraag voert naar de politieke denkers van de vroege moderniteit, die het model van de liberale democratie hebben voorbereid.

Stel je voor dat er geen instellingen, geen overheden, zelfs geen landen zijn. Dat je de voorwaarden voor een politieke samenleving vanaf nul wil herdenken. Dat je je niet op een goddelijke openbaring wil beroepen. Hoe zou je dan de gemaakte afspraken in een samenleving funderen? Dat was de vraag van de Engelse denker Thomas Hobbes, en hij bedacht een theoretische oefening: de natuurtoestand. Zonder maatschappelijke structuur, stelt Hobbes, leven individuen alleen, volstrekt vrij maar enorm onveilig. In de natuur strijden mensen met elkaar, omdat ze hebzuchtig, ijdel en ambitieus zijn. Er zijn geen wetten waaraan ze moeten gehoorzamen, en er zijn geen instellingen om zo’n gehoorzaamheid af te dwingen. Toch behouden ze een principieel recht: het recht om te proberen in leven te blijven. Voor Hobbes – en dit is de cruciale wending – primeert dat recht op de wet; eerst heeft elk individu rechten, en daaruit worden de wetten afgeleid. De eerste wet laat dan toe dat mensen deze gevaarlijke natuurtoestand verlaten en onderling een contract afsluiten. Ze doen dit omdat de rede hen ertoe aanzet om een veiliger model te verkiezen boven het onzekere bestaan. Ze dragen dan hun politieke macht over op een sterk centraal gezag. Dat gezag, van een monarch, maakt een einde aan hun vrijheid. De burgers moeten zich voortaan aan het maatschappelijke verdrag – en de bijhorende wetten – houden.

Andere denkers, zoals Locke en Rousseau, hebben variaties op deze natuurtoestand bedacht. Zij hebben ook grote invloed gehad op de liberale democratie zoals we die nu kennen. Maar in elke hypothese wordt de wet uit het onvervreemdbaar en inherente recht van het individu afgeleid.

Dit is dan ook het verschil: voor de strikt gelovige – moslim, jood of christen – primeert de wet op het individuele recht. Welk recht iemand meent te hebben, kan alleen binnen de perken van de goddelijke wet, van het gebod of verbod, worden gedacht. En die wet volgt uit de Openbaring. De mens kan hieraan zelfs niet tornen, omdat die wet van oorsprong goddelijk is. Zo wordt duidelijk dat de actuele vraag over iemands hand schudden, in een heel andere politieke logica kadert.

Het gaat zelfs niet alleen over een begrip als waarden, hoewel de discussie zich hierop toespitst. Ook enkele kritische CD&V-ers verwezen naar waarden, zoals Hendrik Bogaert en jongerenvoorzitter Sammy Mahdi. De politieke inzet is echter specifieker.

Wat moeten mensen die de (goddelijke) wet laten primeren dan doen? Continue Reading ›

‘De omgekeerde wereld’, in ‘De Mening’, DS 12 maart 2018

Deze week schrijf ik ’s avonds ‘De Mening’, in de digitale Avondbijlage van De Standaard.

Dit is de bijdrage van maandag 12 maart 2018:

“Door #metoo vallen mannen wereldwijd nog altijd van hun voetstuk, al zijn de reacties en de impact niet overal dezelfde. Dit weekend zag ik een Frans tv-programma over de Zwitsers-Egyptische islamgeleerde Tariq Ramadan. Sinds oktober 2017 werd hij reeds viermaal officieel beschuldigd van verkrachting, in Frankrijk, Zwitserland en Amerika. Alsof dat niet volstaat, kwam vorige week aan het licht dat hij zijn academische kwalificaties jarenlang heeft gefingeerd. Zijn mediagenieke, intellectuele reputatie berustte op een reeks academische aanstellingen, waaronder in Rotterdam en later in Oxford. Die posities volgden nadat Ramadan zichzelf als professor aan de Zwitserse Université de Fribourg had voorgedaan. Maar die aanstelling blijkt verzonnen.

Ramadan heeft een groep trouwe moslimvolgelingen. Ook in de media werd hij veelal warm onthaald als vrome moslim, multicultureel boegbeeld en briljante theoloog. In januari 2013 verscheen hij bijvoorbeeld als superster in ‘Reyers Laat’, in gesprek met een enthousiaste Meyrem Almaci (Groen). Ramadan was echter altijd controversieel: zijn grootvader stichtte het Moslimbroederschap en zijn broer pleitte openlijk voor de sharia. Tariq gold als gematigd, al wezen critici op zijn dubbele tong: afhankelijk van het publiek, verkondigde hij fundamentalistische, dan wel berustende boodschappen.

Momenteel zit hij opgesloten in een Franse cel, terwijl het onderzoek voor verkrachting loopt. De rechter vreest dat de beschuldigde de benen neemt naar het buitenland. Ramadan echter beweert het slachtoffer te zijn van een zionistische complot, wat zijn aanhangers gewillig geloven. Tegen die opsluiting hebben zij dan ook een petitie opgestart. Deze werd wereldwijd maar liefst meer dan 120.000 keer getekend! In de hele #metoo-context is deze zaak opmerkelijk: de aanklacht leidt tot een massale steun … voor de vermoedelijke dader.

Even opmerkelijk is dat Ramadans slachtoffers nu ook geweld vrezen en ondergedoken leven. Enkele aanklachten gebeurden anoniem, maar Henda Ayari diende openlijk klacht in. Sindsdien wordt ze op sociale media met zwaar verbaal geweld aangepakt, ervan beschuldigd een zionistische pion te zijn (ik herhaal de rabauwentaal liever niet) en krijgt ze politiebescherming. De beschrijvingen van de aanklachten jegens Ramadan doen de lezer ervan in elk geval huiveren: de vrouwen gewagen van verkrachtingen met uitzonderlijk geweld, langdurige vernederende behandelingen en pogingen tot wurging. De zaak moet nog ten gronde worden uitgeklaard. Duidelijk is wel dat slachtoffers, ook vermeende, respect en ondersteuning verdienen. Niet extra geweld en bedreiging. Wordt ongetwijfeld vervolgd.”

Voor De Standaard schreef ik vroeger al eens ‘De Mening’, van 9 tot 14 december 2013.

 

 

“Seksistische intimidatie”, column DS, 8 maart 2018

“Op internationale vrouwendag is er – ondanks #metoo en alle ophef de voorbije maanden –weinig reden tot euforie. Als je de krant openslaat, vallen twee gebeurtenissen op: een rechter heeft voor het eerst een man veroordeeld op basis van de seksismewet (vooral bedoeld tegen seksistische straatintimidatie). En de Belgische voetbalbond blijft de misogyne rapper Damso steunen. De bond wierf Damso aan om het WK-lied te schrijven, zoals Mia Doornaert vorige week aankaartte.

Verdedigers van de seksismewet zien in het vonnis van de rechter een overwinning: een man die een vrouwelijke politie-inspecteur uitmaakte voor ‘hoer’, en zei dat ze beter bankbediende zou worden, krijgt drieduizend euro boete. Deze uitspraak is een Pyrrhus-overwinning. De juridische discussie tempert de feeststemming: blijkbaar neemt het gerecht seksistische straatintimidatie pas ernstig sinds er een extra strafwet is, al is die specifieke wet vaag, breed en strikt gezien overbodig (er bestond al een veelheid aan strafbepalingen voor zo’n misdrijf). Ook de bewijslast bij zo’n wet blijft heel moeilijk. Niet toevallig betrof het hier een agente die zelf een pv kon opstellen.

Maar het politieke probleem is dramatischer. De spanningen in de multiculturele samenleving los je niet op door (nieuwe) wetten. Nochtans zwaaien politici daar graag mee, vooral bij fenomenen waarmee ze zich geen raad weten. Seksistische straatintimidatie is zo’n voorbeeld, In bepaalde wijken is het schering en inslag. De documentaire van Sofie Peeters ‘Femme de la Rue’ toonde eerder al die realiteit. Dat seksistisch pestgedrag komt met culturele en religieuze verschillen, die nauwelijks openlijk worden besproken. Nog altijd blijft een kritische analyse van de ideeën die minderheden er op nahouden, taboe. Meer nog, wie al te kritisch denkt, mag de stempel islamofoob of racist vrezen. Liever dan overbodige wetten, is een maatschappelijk debat nodig waarbij die vrouwonvriendelijke visies worden aangekaart, uitgelegd, uitgediept. Welk mensbeeld hangen zo’n daders aan? Welk ideeën krijgen ze mee over lichamelijkheid, mannelijkheid of vrouwelijkheid? Welk idee van gelijkheid en vrijheid vinden ze wel vanzelfsprekend? Liever meer taboeloze documentaires, meer publieke campagnes en meer positieve rolmodellen voor jongeren.

Dat brengt me bij de populaire rapper, Damso, die in zijn liedjes vrouwen beschrijft als sletten waar een man mee mag doen wat hij wilt. De subtiele teksten van mijnheer Damso vallen niet onder de seksismewet. Dat is enerzijds goed nieuws, want dit betekent dat er nog artistieke vrijheid bestaat. Anderzijds toont het dat strafwetten slechts beperkt culturele of politieke effecten hebben. Dit is dus de paradox: terwijl de wetgever steeds meer moraliseert door brede en vage wetten op te stellen, wordt vrouwenhaat banaler; op straat, in de culturele wereld en nu in de sportwereld. Wie had zich pakweg tien jaar geleden kunnen indenken dat de voetbalbond voor de maker van zo’n expliciete, wansmakelijke teksten zou kiezen? Of dat voetbalsterren gewillig met zo’n artiest zouden poseren, zoals Eden Hazard deed, alsof die rapper een navolgbaar voorbeeld is? Continue Reading ›

“Naastenliefde is nog geen zelfverloochening”, column DS, 19 okt. 2017

Deze column verscheen in De Standaard, op 19 oktober 2017.

“Bijna 70% van de Belgen meent dat ‘religie meer kwaad doet dan goed’. Een opmerkelijke vaststelling, waarvoor Mieke Van Hecke in ‘De Afspraak’ (op Canvas) deze verklaring gaf: religie wordt te neerbuigend behandeld, en te fel uit de publieke ruimte geweerd. Mensen durven hun christelijke inspiratie niet meer openlijk te vermelden, zelfs wanneer ze zich voor anderen inzetten. Zo verdwijnt de positieve rol van religie op de achtergrond.

Enkele vanzelfsprekende oorzaken voor de negatieve associatie met religie werden helaas niet geopperd: het schrijnend gebrek aan leiderschap na schandalen binnen de katholieke kerk; de vraag of christelijke waarden in crisistijd wel politiek inspirerend zijn, en het verband tussen islam en geweld in tijden van terreur.

De pedofilieschandalen toonden hoe kerkelijke leiders herhaaldelijk hun verantwoordelijkheid ontliepen en verzuimden de meest kwetsbaren te beschermen. Nochtans is die zorg juist de kern van de christelijke boodschap. Daarbij beroept de kerkelijke leer zich op een hiërarchische superioriteit: de gelovige moet de hogere instanties die de christelijke boodschap uitdragen, vertrouwen. Dat lukt alleen wanneer die leiders het goede voorbeeld geven. Helaas ontbrak het leiders als Johannes Paulus II en Benedictus XVI aan daadkracht: ze lieten daders jarenlang ongemoeid. De Belgische hoge clerus reageerde niet veel alerter. Voor buitenstaanders is dat verbijsterend: het is legitiem om voor mildheid te pleiten, en te willen verhinderen dat beschuldigden gelyncht worden, maar waar bleven het medeleven en de erkenning voor het levenslange, verwoestende leed van slachtoffers? Waarin bestaat de positieve kracht van religie, wanneer ze nalaat om zwakkeren te verdedigen?

Een andere vraag betreft de positieve impact van enkele christelijke waarden zelf: nederigheid, barmhartigheid, naastenliefde. Niemand ontkent dat deze waarden kwaliteiten kunnen zijn. Maar de vraag is op welke manier ze politiek kunnen worden ingezet. Politiek is een buitengewoon complex spel van beleidsopties met vaak onbedoelde en onvoorspelbare gevolgen. Hoe zet je een coherente christelijke visie om in een politieke praktijk? Recent presenteerde Paus Franciscus een plan rond vluchtelingen en migratie. Hij meent dat de persoonlijke veiligheid en de waardigheid van migranten voorrang moeten krijgen op de nationale veiligheid. Het onderscheid tussen vluchtelingen en migranten moet verdwijnen. En wie wil migreren, verdient vanuit het land van herkomst reeds ondersteuning. De paus pleit dus voor een opengrenzenbeleid, waarbij de integratie van migranten van ondergeschikt belang is. Zijn voorgangers zagen het net zo: migratie is een voorbode van de goddelijke stad zonder grenzen, aldus Benedictus XVI, en migratie maakt deel uit van het goddelijke verlossingsplan, aldus Johannes Paulus II.

Maar de Europese bevolking wil geen open grenzen. Volgens onderzoek (Chatham House) meent 55% van de ondervraagden uit tien Europese landen zelfs dat ‘elke verdere migratie uit moslimlanden moet stoppen’. Je kan natuurlijk aanvoeren dat die weigeraars geen christen zijn, of onvolmaakte christenen. Dat neemt niet weg dat die mensen de christelijke deugden niet als de fundering of toetssteen van hun politieke keuzes zien. Zeker niet wanneer het christelijke gebod aan het absolute grenst, zonder aandacht voor het effect ervan. Wat theologisch klopt, kan politiek onhaalbaar zijn. Moet je een naastenliefde belijden die grenst aan de zelfverloochening? Impliceren waarden het lijdzaam ondergaan van geopolitieke dynamieken? Continue Reading ›

‘Cultuurmarxisme verlamt de kracht van links’, DM, 26 sept. 2017

Dit stuk verscheen in De Morgen op 26 september 2017. Het is een reactie op een stuk van Mark Elchardus: ‘Kritiek op neoliberalisme hetzelfde als kritiek op cultuurmarxisme? Komaan zeg’, in De Morgen op 23 september.

De aanleiding is de recente persaandacht voor de opinies van Thierry Baudet, Sid Lukassen en Paul Cliteur: enkele commentatoren meenden dat ‘cultuurmarxisme’ een algemene kritiek is vanwege rechtse critici zoals neoliberalisme de kritische term is voor linkse denkers. Maar die gelijkschakeling gaat niet op.

“Mark Elchardus heeft groot gelijk dat het zogenaamde cultuurmarxisme en neoliberalisme niet zomaar naast elkaar kunnen worden geplaatst. Maar hij onderschat wel de ondermijnende werking van die nieuwe zogenaamd linkse analyse, in eerste instantie voor linkse bewegingen zelf. In die zin is het fantoom van het cultuurmarxisme de twijfelachtige bondgenoot van het neoliberalisme.

Herbert Marcuse tussen de studenten, 1968.

Elchardus verwijst terecht naar Herbert Marcuse als een bron van de ‘cultuurmarxistische’ gedachte dat minderheden vanuit hun kwetsbare positie een moreel gelijk incarneren, waarmee ze elke politieke discussie kunnen bepalen. Marcuse schreef in ‘A critique of pure tolerance’ dat niemand ideeën hoeft te verdragen, die de kansen op een leven zonder angst of ellende beperken. Elke uitspraak waarbij een ‘kwetsbaar’ iemand uit een minderheid zich niet goed voelt, moet worden vermeden. Zo ontstaat de vrijgeleide voor censuur en manipulatie: niet de argumenten of de feiten bepalen het gesprek, maar of iemand zich door ideeën bedreigd voelt.

 

Elchardus heeft ook gelijk dat de aanhangers van deze ideologie een numerieke minderheid vormen, alsook dat ze nogal veel rumoer maken. Maar toch onderschat hij hun impact. Een numerieke minderheid kan wel een koers bepalen. Dat is des te meer het geval wanneer toonaangevende intellectuele en culturele instellingen die logica overnemen. Amerikaanse universiteiten worstelen steeds meer met deze identitaire retoriek (de zogeheten micro-agressies, bijvoorbeeld), die de kwaliteit van het onderwijs aantasten.

Maar zo ver hoef je niet te zoeken. In de media en op sociale media neemt de identitaire logica vol zelfvertrouwen toe: iemands gedachten worden schaamteloos tot zijn afkomst, positie of godsdienst herleid. Ben je ‘wit’ of ‘blank’, dan heb je alvast moreel en dus ook inhoudelijk ongelijk, want je spreekt vanuit de machtspositie. Ben je niet-wit, dan word je verondersteld trouw zijn aan op voorhand vastgelegde ideeën. En speel je de rol van kritische allochtoon, dan moet je een vrijgeleide krijgen, zelfs al formuleer je gedachten die een progressief streven naar universele waarden en positief samenleven ondergraven. Aangezien hier een moreel argument achter schuilgaat – het slachtoffer spreekt! – lijkt elke discussie al beslecht. In die zin is cultuurmarxisme wel degelijk een probleem, dat links best zelf ernstig neemt.

Meer nog, deze tendens verlamt de kracht van links om tegen het neoliberalisme te strijden.

De identitaire logica werkt namelijk splijtend: zelfs geëngageerde, linkse mensen kregen al het verwijt racistisch te zijn. Deze zomer overkwam het enkele medewerkers van Theater aan Zee, na de kritiek van Tunde Adefioye. Zo vertrekt links in verdeelde slagorde. Daarnaast ontstaat er onzekerheid over het aanvaardbare intellectuele gedachtengoed. Deze wending maakt een karikatuur van Marcuses opzet: hij wilde de waarde van de Westerse beschaving op zich nooit in vraag stellen. Maar die implicatie bestaat nu wel. Links heeft nochtans voldoende intellectuele wapens om tegen de neoliberale tendensen weerstand te bieden. Maar dan moet het ideeën uitsluitend beoordelen op basis van hun intrinsieke waarden en kwaliteiten, ongeacht wie ze heeft bedacht.

Een oude, dode Italiaan als Antonio Gramsci kan ook nog inspireren: hij analyseerde niet alleen de kracht van culturele ideeën, maar bleef onvermoeid de economische machtsrelaties fileren, en verdedigde moeiteloos de hoogtepunten van een cultuur – voor hem kregen kinderen van arbeiders in hun opleiding idealiter ook Latijn mee.

Helaas worden politieke vraagstukken vandaag herleid tot morele posities, en zelfs tot essentialistische reflexen. Dit is niet alleen een stap terug ten opzichte van de progressieve theorieën over de gelijkheid en de zelfontplooiing van alle mensen. Het verhindert een heldere kijk op de noodzakelijke strijd.

Het cultuurmarxisme is dus een godsgeschenk voor neoliberale adepten. Wie het goed meent met links, heeft alle redenen om die identitaire, censurerende en reductionistische tendensen te ontkrachten.”