‘Broeinesten van ondernemers’, column DS, 21 sept 2017

“Nu het nieuwe academiejaar begint, staat ondernemerschap op de agenda van onderwijsinstellingen. Ignaas Devisch kaartte het al aan. Studenten worden aangezet om ondernemer te worden, onderwijsinstellingen moeten renderen, produceren en investeren (DS 19 september). Daarmee gaat niet alleen de kritische reflectie over ondernemen op zich verloren, zoals Devisch betoogt. Deze insteek wijzigt het klassieke onderwijsmodel op een radicale manier: van overdracht gebaseerd op autoriteit en een gemeenschapsvisie naar een klantgericht bedrijfsmodel.

Dat studenten worden gestimuleerd om ondernemer te worden, past perfect bij een model dat al lang opgang maakt: studenten lijken steeds meer op klanten. Ze kiezen voor een studie alsof ze een object kopen, met bijbehorende klantenwerking. Heb je te veel examens in één week? Dan passen we jouw schema aan. Ben je niet tevreden over je punten, zelfs al liggen die hoog? Kom er gerust over praten, de professor maakt zeker tijd om zijn evaluatie te rechtvaardigen. Krijg je niet alle vakken in één jaar afgelegd? Neem ze toch mee naar het volgende. Deze dienstbaarheid heeft meer te maken met een rendementslogica dan met bekommernis om studenten: diploma’s afleveren, produceren, investeren.

Ondernemerschap aangeleerd krijgen wordt dan de keerzijde: als jonge student moet je beseffen dat je niet eeuwig klant kunt blijven. Je moet zelf leren om je bijdrage te leveren. Dat doe je door – vrij letterlijk – munt te kunnen slaan uit wat je leert.

Volgens een aantal brochures en websites van onderwijsinstellingen zou ondernemerschap ook een karaktervormende functie hebben. Je leert in je kwaliteiten te geloven, zelf initiatief te nemen, verantwoordelijkheid te dragen voor de risico’s die je neemt, te volharden in tijden van tegenslag, en je niet te laten intimideren door anderen (competitief gedrag). Die karaktervorming staat juist haaks op de retoriek die de rechten van de klant benadrukt. Ook dat is dus opmerkelijk: het pleidooi voor ondernemerschap lijkt de meest aanvaardbare manier geworden om studenten tot onafhankelijkheid aan te sporen. De vraag is natuurlijk of de ondernemingsgeest hiertoe binnen het onderwijs wel de beste weg is.

In het klassieke onderwijsmodel wordt onafhankelijk denken op een heel andere manier benaderd. Daar draait het om autoriteit en overdracht tussen generaties. ‘Autoriteit’ klinkt niet goed. En toch is ze een noodzakelijke component van het onderwijs. Voor Hannah Arendt is autoriteit niet zozeer een kwestie van machtsuitoefening. Autoriteit is wel de mogelijkheidsvoorwaarde om iemands vrijheid te vermeerderen. Auctoritas komt van augere (vermeerderen). De leraar oefent autoriteit uit om de kennis en de vrijheid van de student te vergroten. Precies die vrijheid is het onvervangbare geschenk van een gedegen opleiding: de vrijheid om te denken, te onderzoeken, te creëren. Niet het nuttige, meetbare, renderende, maar het universeel menselijke begrijpen is het doel van een opleiding. Die inzichten laten toe vrij en origineel te denken.

Autoriteit vereist duidelijkheid over de culturele erfenis. En die blijkt in postmoderne tijden vooral te wankelen. Zo worden de eigen onmacht en vertwijfeling al te vaak tot het toppunt van intellectuele denkkracht verheven. Een kritische reflectie over de eigen samenleving, over de wortels van het denken is natuurlijk wel noodzakelijk. Maar zonder referentiepunten voor een positieve overdracht tussen verleden, heden en toekomst, zijn er geen criteria om over het waardevolle te oordelen. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de logica van de ondernemer meer ruimte krijgt. Dan geeft de boekhouding aan of iemand succesvol is. Geen twijfel meer mogelijk. De cijfertjes bepalen het oordeel, wanneer niemand zijn oordeel nog vertrouwt. Continue Reading ›