‘De tiener die Frankrijk op zijn kop zette’, column DS 1 juli 2021

In Parijs staan dertien mensen terecht­ voor doodsbedreigingen aan het adres van de tiener Mila (DS 23 juni). Zij kwam in 2020 onder­ vuur, nadat ze op Instagram uit­gevaren had tegen de islam. Ze postte een live­sessie, waarbij ze terloops een jongen negeerde die haar probeerde te versieren. Ze zei dat ze op meisjes valt. Daarop werd ze uitgescholden voor hoer, slet, vuile Française, islamofoob en racist. Als Mila haar account meteen had gesloten, zou bijna niemand over haar gehoord­ hebben. Maar ze antwoordde vrijpostig dat de God van de moslims voor haar de pot op kan. Sindsdien leeft ze ondergedoken.

Opmerkelijk genoeg zijn enkele van de beklaagden die terechtstaan geen moslim. Ze reageren alsof ze een onschend­baar taboe moeten wreken. Nochtans is blasfemie toegelaten, en zijn kerk en staat in Frankrijk gescheiden. Die regels hebben niets met de islam­ te maken. De laïc­ité staat al in de wet sinds 1905 en is het gevolg van een harde strijd tussen kerk en staat. De katho­lieke kerk heeft er zich langzaam naar geschikt. Maar de eerste aanzetten voor een neutrale staat gaan zelfs aan de Franse Revolutie in 1789 vooraf. Het begon bij de godsdienstoorlogen in de zestiende eeuw, tussen protestanten en katholieken.

In het edict van Nantes uit 1598 waarborgde koning Hendrik IV de rechten van protestanten. Daar ontstond de traditie dat de vorst – die doorgaans katho­liek is – als staatshoofd de godsdienstvrijheid garan­deert. Daar ontstond ook het verschil­ met Engeland: Hendrik VIII plaatste zich aan het hoofd van de angli­caanse kerk in 1533. Die kerk verenigt twee tradities in zich, twee componenten (high church en low church): de katho­lieke traditie (de rijke roomse ritus­) en de protestantse traditie (de beschei­den, op inkeer gerichte ritus).

Die Franse traditie werd even onderbroken wanneer Lodewijk XIV de godsdienstvrijheid voor de protestanten afschafte in het edict van Fontainebleau in 1685. Duizenden hugenoten verkozen verbanning boven verplichte bekering tot het katholicisme. Daarbij werden heel wat protestanten vervolgd.

Filo­sofen zoals Montesquieu, Bayle en Voltaire beschouwden die wending als een catastrofe. Voltaire klaagde aan in L’affaire Calas – een rechtszaak over een protestantse vader die ten onrechte beschul­digd werd van de moord op zijn zoon, en geen eerlijk proces kreeg – dat parlement en justitie oordeelden in functie van het ‘ware geloof’, niet in functie van de waarheid. De taferelen gelijken op wat zich vandaag afspeelt: ook Voltaire gruwde van een woedende meute die popelde om haar frustraties en haat op een onschuldig doelwit te botvieren. Hij zag dat politieke en religi­euze leiders misbruik maakten van het volkse­ ongenoegen, dat heel ande­re oorzaken had. Die gewelddadige conflicten moesten stoppen: denken en waarheidsbevinding moeten vrij kunnen gebeuren, los van iemands geloof of visie op goddelijke openbaring.

In Voltaires pleidooi voor verdraagzaamheid speelde Christus nog een rol. Een seculiere staat was geen atheïstisch project. Het betekende wel dat de overheid terugtrad om verschillende visies op geloof en ongeloof mogelijk te maken. De verlichtingsfilosofen wilden dus een sterke staat die de vrijheid van iedereen zou waarborgen. De Franse Revolutie betekende een keerpunt: de revolutionairen confisqueerden kerkelijke eigendommen en schaften de inspraak­ van de geestelijkheid af. Dat leidde tot veel ongenoegen. Napoleon Bonaparte probeerde orde te brengen door de erkenning van de kerkelijke overheden in het Concordaat vast te leggen (1801). In die periode werden ook het protestantisme en het joods geloof­ erkend (1808). Maar in 1905 werd dus een striktere, republikeinse scheiding tussen kerk en staat ingevoerd.

Oorspronkelijk diende de laïcité om een einde te maken aan de strijd rond geloof en vrijheid van denken. Is die voorbijgestreefd, nu er een nieuwe gevoeligheid rond het geloof van een minder­heid leeft? Of is er meer dan ooit nood aan vrijheid van meningen, omdat er een grote pluraliteit aan visies bestaat­? Een deel van het probleem lijkt onveranderd: er is geen vrijheid, als je zo makkelijk het doelwit kunt worden van een meute die je het leven onmogelijk maakt. De zaak-Mila wordt dus een belangrijke test voor de Franse staat.”

De column verscheen op 1 juli 2021 in De Standaard.