“Angst is een slechte raadgever”, column DS, 17 maart 2022

“Al maanden leeft er angst in de samenleving. Voor een virus, een storm en nu een nucleaire aanval. Angst is een gevoel van pijn en onlust dat volgt uit de voorstelling van een naderend onheil dat intens leed veroorzaakt, aldus Aristoteles in de Retorica. Aan onheilspellende berichten was er de laatste jaren geen gebrek. Ik herinner me, bijvoorbeeld, dat januari een Siberisch koude wintermaand zou worden. En na de kerstvakantie werd een zeer ontwrichtende besmettingsgolf voorspeld; zelfs het leger stond klaar om de ziekenhuizen overeind te houden. 

Permanent in angst leven heeft ernstige gevolgen. Om te beginnen is het erg vermoeiend. Je leeft in een toestand van hyperwaakzaamheid. Door die ­brede alertheid kun je je juist minder op dagelijkse taken richten. Je slaapt slechter of licht, als de muizen in het hooi, omdat je lichaam het signaal krijgt dat het opmerkzaam moet blijven. En als je bang bent, maak je je ­lichamelijk kleiner. Je bent onzekerder en wantrouwender. Langdurig met angsten omgaan is voor elk individu een opdracht. Maar het is ook een maatschappelijke en cultureel probleem. 

Nu kun je zeggen dat de bedreigingen reëel zijn en dat angst daarbij hoort. Pandemieën zijn levensgevaarlijk, stormen ook, en wraakzuchtige dictators evenzeer. Maar de vraag blijft of de ervaren angst evenredig is met dreiging. Wat de covidpandemie en de oorlog in Oekraïne betreffen, kan tijd wijsheid brengen. De noodsituatie door de storm Eunice valt intussen wel in te schatten. En de maatschappelijke reactie was opmerkelijk.

Op 18 februari gaf het KMI code oranje in vier provincies (vooral aan de kust), en code geel elders. Na de middag werden felle rukwinden verwacht. Vanaf de middag sloten sommige scholen en universiteiten dan ook preventief. Andere scholen maanden ouders aan om hun kinderen tijdig af te halen. Veiligheid voorop! Dat lijkt de beste keuze – wie is nu tégen veiligheid?

Toch is deze gang van zaken twijfelachtig. De vraag was niet alleen meer hoe groot de kans op schade was; dus hoe waarschijnlijk een negatieve afloop was. In de verbeelding begon het meest rampzalige scenario te leven, en dat werd richtinggevend. Dan lijk je de plicht te hebben om elk risico te vermijden. Anders stimuleer je roekeloos ­gedrag. Je moet je verantwoordelijk ­gedragen: je zorgt er het best voor dat je niet aansprakelijk kunt worden gesteld voor leed of schade als iets fout loopt. Alsof je de logica van een verzekeringsmakelaar moet hanteren om te weten wat je moet doen. Na het doemscenario volgt de opluchting: de ergste voorspellingen zijn niet uitgekomen. Neen, ­natuurlijk niet, omdat de risicoberekening rammelde: de ergst mogelijke situatie werd voor de meest waarschijnlijke gehouden. 

Een samenleving die elk risico wil vermijden, ondermijnt de ontwikkeling van mensen. Toevallig gebruikt Aristoteles in zijn Retorica het voorbeeld van een storm om de relatie tussen angst en zelfvertrouwen te duiden. Zelfvertrouwen is het tegendeel van angst, beweert hij, ze bouwt op het geloof dat je onheil kunt overwinnen. 

Twee omstandigheden maken dat mensen een storm onbewogen kunnen doormaken, aldus Aristoteles: als je hem nog nooit hebt meegemaakt en de dreiging niet herkent, en als je weet dat je de beproeving kunt doorstaan, hoe onaangenaam ze ook is. Kortom, kinderen en ervaren volwassenen hebben alle reden om koelbloedig te blijven. En kinderen hebben in februari deze test glansrijk doorstaan. Veel volwassenen iets minder. Zij meenden dat thuisblijven in elk geval beter was dan buiten­komen. Hoe kan iemand in zo’n context het zelfvertrouwen opbouwen dat nodig is om volgende stormen te trot­seren? 

Als je niet door angst wilt overheerst worden, dan is dat precies waar je aan moet werken: de vele manieren waarop het zelfvertrouwen kan toenemen. Aristoteles geeft een hele resem mogelijkheden. Daarbij hoort de ontwikkeling van deugden, zoals moed. Moedig zijn betekent niet dat je nooit angst voelt. Moed is het vermogen om ondanks je angst toch te handelen. 

Het is allemaal een kwestie van evenwichten, van het juiste midden: moed ligt even ver van roekeloosheid als van verlammende angst. Het goede leven is een evenwicht tussen veiligheid, geborgenheid en, aan de andere kant, openheid en risico. Je hebt er trouwens alle belang bij om angst niet onnodig aan te wakkeren, waarschuwt Aristoteles: ze genereert boosheid en vijandigheid ­tegenover wie de dreiging dichterbij zou kunnen brengen. In het geval van een storm is dat een abstract gegeven: de natuur. Maar bij pandemieën en oorlogen kunnen sommige mensen wel aangeduid worden als de nieuwe vijanden. De eigen verbeelding, en de vele angstaanjagende voorstellingen benevelen de gedachten. Het hoofd koel houden, dus, en naar buiten, nu. Neem desnoods een jasje en een paraplu mee – in maart en april kan het nog flink ­regenen.”

Deze column verscheen in De Standaard op donderdag 17 maart 2022.

“Als negatieve vrijheid de norm is”, column DS, 3 februari 2022

Vorige week zondag manifesteerden duizenden mensen ­tegen het coronabeleid in Brussel. Los van de betoging neemt het verzet tegen de coronamaat­regelen toe, en ook de polarisering. In extreme gevallen weerklinkt de kritiek dat de overheid een totalitair beleid voert. In Nederland verkondigt zelfs FVD-leider Thierry Baudet die mening. Hij is veroordeeld voor ongepaste vergelijkingen tussen ongevaccineerden nu en de Jodenvervolging die tot de Holocaust leidde. 

De vergelijking met de jaren 30 klopt natuurlijk niet. Vooreerst is het perfect legitiem dat een overheid tijdens een pandemie maatregelen neemt om burgers te beschermen. Er is nog een misvatting, die de Franse denker Marcel Gauchet helder uitlegt in Le malheur français(2016): tijdens de jaren 30 was de samenleving extreem gepolitiseerd: totalitaire partijen brachten massa’s op de been om met sociale, economische en juridische maatregelen iedereen, de hele samenleving, aan één politiek ­model te onderwerpen. Nu is de samenleving gedepolitiseerd. Massa’s verenigen zich niet als leden van strak georkestreerde, antidemocratische partijen; ze vinden elkaar als individuen die ­samen iets organiseren. Veelal engageren ze zich precies niet voor politieke partijen. Gauchet maakte zijn analyse voor de coronapandemie uitbrak. Maar ze werpt een licht op een malaise in de democratie, die een rol speelt bij de huidige polarisering.

In een goed functionerende democratie besturen burgers zichzelf. Ze kunnen samen beslissen hoe de samenleving moet evolueren. Ze verenigen zich in politieke partijen, nemen deel aan verkiezingen, discussiëren met ­elkaar en wegen beleidsopties af. Meerderheden beslissen, maar houden rekening met minderheden. Partijen met uiteenlopende strekkingen verdedigen hun visie op de relatie tussen het individu en de collectiviteit. Ze verschillen in hun visies op vrijheid. Maar ze zijn het erover eens dat het primaat van de politiek heerst: wie de macht heeft, bepaalt ook het economische beleid. 

Dit democratische debat verliep vrij goed tijdens de trente glorieuses, van 1945 tot 1975. Maar vanaf de jaren 80 en 90 evolueerde de liberale democratie naar een neoliberaal model. Het politieke proces werd ondergeschikt aan economische doelen, die geen geografische begrenzing meer kenden. De vrijheid wordt sindsdien negatief ingevuld: wie kan, mag vrij handelen, zonder door anderen beperkt te worden. Kapitaalkrachtige bedrijven beschouwen nationale wetten en regels als hindernissen. Ze proberen de politieke invloed van natie­staten te ontwijken, vaak met succes. Dat verandert het politieke spel. Burgers zijn individuen geworden, die rechten opeisen en hun belangen nastreven. De negatieve vrijheid geldt ook voor hen: als individu heb je rechten, en niemand heeft de legitimiteit om die te ­beperken. Dat beïnvloedt de opdracht van de overheid: politici bemiddelen tussen de uiteenlopende rechten en ­belangen van kiezers. Zo leggen linkse partijen de nadruk op individuele rechten. Ze steunen instellingen die zwakkeren helpen om die rechten te laten gelden. Denk aan het Instituut voor de Gelijkheid van Mannen en Vrouwen of Unia. Rechtse partijen ijveren voor de belangen van vrije ondernemers. Ze ­beloven regelgevingen en belastingen zo veel mogelijk te beteugelen. Voor een gezamenlijk, democratisch overleg over de richting die de samenleving als geheel moet uitgaan, is minder ruimte.

In die politieke context dook onverwacht een virus op dat een pandemie veroorzaakt. De overheid legde snel drastische maatregelen op om de bevolking te beschermen. Terecht, natuurlijk. Crisisbeleid vereist burgerschap: mensen moeten regels volgen die niet alleen henzelf, maar vooral de zwakkeren in de samenleving ten goede ­komen. Heel veel burgers geven gehoor aan dat appel. Maar een deel wil er niet op ingaan en ervaart de aanpak als een ­onrechtmatige inperking van de (negatieve) vrijheid. De overheid dicteert daarbij de persoonlijke beweegruimte: hoe je kerst mag vieren, of je op restaurant mag, waar je moet werken … Dat leidt tot frustratie. Want de individualistische logica bepaalt dat je je leven mag inrichten zoals je wenst. Tegelijk is dat ook het enige wat je nog kunt doen. Je hebt geen stem meer om het grotere verhaal vorm te geven. Het persoonlijke, private wordt dan enorm belangrijk. 

Daarbij hebben politici soms ook de voeling met het democratische proces verloren; ze nemen besluiten door ­belangen tussen groepen af te wegen, wat de bevolking als een koehandel ­ervaart. Ze aanvaarden aarzelend parlementaire inspraak en nemen moeilijk afstand van beslissingen die hun nut niet bewijzen. 

Intussen floreren sommige bedrijven tijdens de crisis. Technologische bedrijven maken forse winsten, farma-bedrijven ook. De burgers die genoeg hebben van het beleid en hun individuele vrijheid opeisen, zijn in zekere zin consistent: als de negatieve vrijheid in het neoliberale model de norm is, waarom zou dat voor hen niet gelden?

De pandemie heeft het debat over burgerschap en vrijheid urgenter ­gemaakt. Er is een nood aan heldere ­definities, die zich ver houden van ­dramatische overdrijvingen over de donkerste perioden van de geschiedenis. Die definities moeten een antwoord geven op de depolitisering van de voorbije decennia. Zodat vrijheid geen vaag, abstract of illusoir begrip is, maar burgers toelaat om hun politieke macht te herwinnen. “

Deze column verscheen in De Standaard op 3 februari 2022.

“Pleidooi voor proportionaliteit”, column DS, 20 januari 2022

Hoe moet het nu verder met de pandemie en het bijbehorende crisis­beleid? Dat is de vraag van het Wintermanifest, dat ik mee ondertekend heb, en waaraan ik, ­zoals Ignaas Devisch, niet zelf ­geschreven heb. Mijn collega-filosoof heeft zich intussen teruggetrokken, wat hij uitvoerig motiveert (DS 18 januari). Voor zijn zelfkritiek heb ik alle lof, en voor zijn houding alle begrip; als hoogleraar medische ethiek was hij deels betrokken bij het gevoerde beleid. Verder deel ik zijn aandacht voor de toon van het debat, en ik betreur eveneens de ­ontsporingen op sociale media. 

Voor mij vat het opiniestuk van initiatiefnemer Tijl De Bie in De Morgen het beste de geest van het manifest: de oorspronkelijke sprint is een marathon geworden. En dat vraagt een andere strategie. Zoals De Bie uitlegt, was het niet de ­bedoeling om ­experts persoonlijk te viseren. Iedereen weet immers dat zij zich de afgelopen maanden uit de naad hebben ­gewerkt. De vraag is wat er beter zou kunnen. Het manifest gaat ook niet alleen over de Gems, maar vraagt een reflectie over adviesraden bij pandemieën op de lange termijn. 

En ja, het manifest bevat enkele passages, onder meer over de media, die beter hadden gekund, en die verwarrend zijn geschreven. Dat is jammer. Intussen heeft het Wintermanifest wel een ­dynamiek op gang gebracht. Heel wat huidige experts tonen veel openheid om de wetenschappelijke en ­publieke debatten te verdiepen.

Wat mij na aan het hart ligt, is dat maatregelen proportioneel moeten zijn: de voordelen op het ene vlak moeten afgewogen worden tegen de nadelen op andere vlakken. Meerdere disciplines moeten bij de discussies op een gelijkwaardigere manier worden betrokken. Zo wordt duidelijker wat haalbaar is op het terrein, en wat de gevolgen van concrete maatregelen zijn voor iedereen. Het welzijn van jongeren en kinderen is bijvoorbeeld cruciaal. Ook hier is een analyse van de verregaande impact nodig: de gevolgen van meer huiselijk geweld of leervertraging werken jaren door, zoals Inge Van Trimpont zondag nog overtuigend argumenteerde in De zevende dag. Kortom, structurele problemen die al bestonden, dreigen erger te worden. Precies daarom kunnen nieuwe inzichten en ervaringen best worden meegenomen. 

Over politiek beleid mag daarbij grondiger gedebatteerd worden: meer vanuit de principes, minder vanuit de partijpolitiek. Voor de kerstvakantie sloten de scholen. De cultuursector moest plotseling dicht. Met alle inspanningen van deze sectoren om toch veilig te werken, werd amper rekening gehouden. De Raad van State schorste uiteindelijk de sluiting van de cultuursector, omdat die disproportioneel en onvoldoende gemotiveerd was. Die gang van ­zaken is niet voor herhaling vatbaar. 

Om het actueel te maken: het opiniestuk van Conner Rousseau (DS 17 januari) illustreert hoe een noodsituatie politici soms een bijzondere ­logica opdringt. De redenering van Rousseau klinkt helder: mensen die gevaccineerd zijn, moeten beloond worden met vrijheid, de anderen moeten uit de publieke ruimte worden geweerd. Maar vrijheid is helemaal geen beloning. Dat je grondrechten hebt, betekent juist dat je niet van iemands willekeur afhangt voor de uitoefening ervan. Toegang tot de publieke ruimte is een fundament voor de ­democratie. Alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden kan daaraan getornd worden. En bovendien, hoe ga je mensen overtuigen die je overal wilt weren? Eigenlijk is het omgekeerde nodig: een breed en diep publiek debat, met gerichte inspanningen om de mensen die afhaken opnieuw bij de samenleving te betrekken. 

Dat wordt een moeilijke klus, en veel stemmen kunnen ertoe bij­dragen. Tot de groep ondertekenaars behoren mensen die in frontlinies hebben gestaan en waardevolle ­inzichten en contacten hebben, zoals huisartsen, onderwijsspecialisten, psychologen, en vele anderen. Diversiteit is er ongetwijfeld ook over de ideeën zelf, over het Corona Safe Ticket, verplichte vaccinatie of de vaccinatie voor kinderen. 

Het manifest pleit niet voor één gedeelde visie. Het gaat ook niet over een soepel of een streng beleid. Maar over een gedoseerd, proportioneel en onderbouwd beleid, met aandacht voor gevolgen op termijn, vooral voor de zwakkere groepen in de ­samenleving. En nu, allemaal samen ‘moedig en respectvol voorwaarts’, zoals (medeondertekenaar) Michael De Cock het treffend stelt.”

“Hoop neemt een loopje met je denken”, column DS, 18 febr. 2021

“In donkere tijden lijkt hoop een ­belangrijk middel om de duisternis door te komen. Alsof uit hoop alleen het goede kan volgen. Die ­visie deel ik niet. Ik probeer hoop-vrij te zijn: gericht op wat nu wél mogelijk is. En dat betekent helemaal niet hopeloos, fatalistisch of defaitistisch door het leven gaan.

Hoop is natuurlijk verkieslijk ­boven wanhoop; in dat laatste geval geloof je niet dat iets goeds nog kan gebeuren. En natuurlijk is hoop soms onafwendbaar, als de nood hoog genoeg is. Het voorbije jaar heb ik eenmaal heel intens iets gehoopt. Alleen merkte ik vooral hoe verloren ik eigenlijk was. Het hoopvolle gevoel projecteerde me naar een toekomst die alleen in mijn verbeelding bestond. Hopen is verlangen, terwijl de vervulling van je hoop niet van jezelf afhangt. Wat biedt de hoop dan eigenlijk? Zeker geen vrijheid. De stoïcijnen, de epicuristen, filosofen als Spinoza of ­Camus keken met argwaan naar discours waarvan hoop de hoeksteen uitmaakte. Er bestaat geen hoop zonder angst en geen angst zonder hoop, aldus Spinoza in de Ethica. Aan ­beide ligt ­dezelfde onzekerheid ten grondslag. Terwijl je hoopt, vrees je dat het slecht afloopt, en als je bang bent, hoop je ­tegelijk dat je angst geen werkelijkheid wordt. Als je hoopt, ben je dus niet echt vrij. De stoïcijnen denken er net zo over: de wijze vreest niets en hoopt niets. Hij verlangt alleen wat is, en ­geconfronteerd met dingen die tegenvallen, doet hij wat hij kan om de situatie te veranderen.

Hoop kan samenhangen met een theologisch perspectief. Het is een christelijke deugd, naast ‘caritas’ (naastenliefde) en ‘fides’ (trouw); ­hopend verwachten de gelovigen Gods werking, vol vertrouwen op een eeuwig leven na de dood. Niet toe­vallig geloven de critici van de hoop niet dat er een welmenende, beschermende God is, tot wie je je gebeden kunt richten. Volgens Camus worden hoop en geloof al te vaak ingeroepen om onaanvaardbaar lijden goed te praten. Zijn afkeer van de hoop heeft precies met een woede over onrecht te maken. Hopen lijkt dan een vorm van berusting, en dat gaat tegen het leven zelf in. Wie door de omstandigheden wanhopig wordt, is laf, maar wie in de menselijke conditie hoop kan vinden, is goed gek, aldus Camus.

De theologische grondslag van de hoop is ook in de politieke verbeelding te vinden. Begin 17de eeuw leidde de puriteinse advocaat John Winthrop groepen kolonisten naar het beloofde land Amerika als ‘a city upon a hill’, een hoopvol toevluchtsoord voor christelijke gelovigen. De uitdrukking refereert aan ­Jezus’ Bergrede. Intussen ­behoort ze tot het politieke zelfbeeld: Amerika is een uitzonderlijk land (American exceptionalism), een baken van hoop voor de rest van de wereld. Heel wat presidenten – van John F. Kennedy over Ronald Reagan tot Barack Obama – verwijzen ernaar. Hope is een belangrijk retorisch middel om die bijzondere missie te onderstrepen. En praten over hoop geeft hoop. Alsof je al een stap hebt gezet in de richting van een betere wereld. Hoe kan je bijvoorbeeld niet meegesleept worden door het gedicht van Emily Dickinson, waarin ze hoop het ding met veren noemt, een ­vogeltje, dat in je ziel neerstrijkt, nooit stopt en nooit om iets terugvraagt?

Hoe krachtig dit ook lijkt, het verwijzen naar hoop komt met politieke nadelen. Vanaf het begin waren Amerikanen blind voor het leed dat ze de inheemse bevolking aandeden, voor de gevolgen van de slavernij, en later nog, voor de gevolgen van het Amerikaanse beleid ­elders ter wereld.

Heel wat politieke activisten prijzen de hoop wel als stimulerend. Katrin Swartenbroux citeert Rutger Bregmans motivatie in De Morgenom een hoopvol mensbeeld te schetsen. Hij is de zoon van een protestantse dominee, maar ­gelooft zelf niet meer. De hoop heeft hij behouden, omdat mensen de maatschappij zelf moeten verbeteren. Ze kunnen niet op een goddelijke kracht rekenen.

Dat laatste standpunt deel ik. Maar het is niet de hoop die daadkracht geeft, het geloof in daadkracht – mensen hebben een vrije wil, ze kunnen de samenleving deels vormgeven – geeft hoop. Dat is de volgorde. Hoop is mogelijk, want ik kan handelen. Maar hoop is geen voorwaarde om na te denken of te handelen. Dat lukt ook vanuit een scherpe gerichtheid op het hier en nu.

De vraag is niet alleen wat jij met hoop kunt, maar ook wat de hoop met jou doet. Hoop kan je ook iets ont­nemen: de gelegenheid om echt na te ­denken over de situatie waarin je je ­bevindt. Welke normale toestand moet bijvoorbeeld terugkeren na de pandemie: hetzelfde hectische leven, dezelfde consumptiepatronen, dezelfde intru­sieve houding tegenover de natuur?”

Deze column verscheen op donderdag 18 februari 2021 in De Standaard.

In ‘De Afspraak’ op Canvas, 18 nov. 2020

Op 18 november zat ik bij Phara de Aguirre in de studio van ‘De Afspraak‘ op Canvas, om over mijn boek ‘Machiavelli’s Lef‘ te praten.

Andere gasten waren Carl Devos over de politieke actualiteit en Jurgen De Landsheer, Korpschef Politiezone Brussel Zuid, over het geweld tegen de politie in Brussel.