“Over hoop”, tekst in Sampol, juli 2019

Deze zomer schrijf ik een gastbijdrage voor het blad Sampol (Samenleving & Politiek). Het thema is hoop:

“We kijken niet langer met onvoorwaardelijk vertrouwen naar de toekomst, eerder met wanhoop, wrok en nostalgie. Het zijn sterke politieke motivatoren. Wat geeft U hoop dat het morgen beter gaat?”

Mijn tekstje staat op de website van Sampol: “Robespierre achterna. De kracht van universele rechten is precies dat ze niet afhankelijk zijn van een historische, sociale of economische context.”

“Het gevaar van zelfcensuur”, column DS 24 april 2019

Hoe zwaar moet een linkse intellectueel eraan tillen dat zijn analyses soms door rechtse partijen worden gesmaakt? De socioloog Mark Elchardus krijgt daarover geregeld verwijten, zei hij in Knack. Patrick Loobuyck kaartte het probleem ook aan in Sampol. Vooral over hete hangijzers zoals migratie en diversiteit stroken de analyses van linkse denkers niet altijd met wat linkse activisten of sympathisanten aanvaardbaar vinden. Zeker in verkiezingstijden (wanneer zijn die er niet?) lijkt strategie belangrijker dan inhoud. In extremis kan de denker zelf gewoon als rechts worden weggezet. Daarmee vervalt diens legitimiteit om heikele onderwerpen te bespreken. Einde discussie.

Hoe moet een denker daarop reageren? Wel, je kunt niet iedereen behagen, en wie vrij wil denken, mag zich niets aantrekken van de hokjes waarin hij dreigt te verzanden. Sociale druk is vervelend, maar je kunt de dynamiek makkelijk doorzien.

Zoals de (linkse) historicus Tony Judt noteerde: ‘Je kan mensen niet verhinderen om gelijk te hebben voor de verkeerde redenen. De angst om in slecht gezelschap te belanden, is geen uitdrukking van politieke zuiverheid, maar van een gebrek aan zelfvertrouwen.’ Judt citeerde de Brits-Hongaarse schrijver Arthur Koestler, die ervaring had met pogingen om mensen voor hun denken te vervolgen. Koestler schreef ‘Darkness at noon’, over een communistische activist, die onder Stalins dictatuur voor volksverraad wordt vervolgd, hoewel hij trouw aan de revolutie had meegewerkt. Maar in een totalitair regime kan iedereen willekeurig als verrader worden bestempeld. Niemand is zuiver genoeg. Al in 1940 waarschuwde Koestler voor het linkse totalitarisme, lang voordat linkse intellectuelen in het Westen dit gevaar wilden onderkennen. Daarom meende Judt dat Koestler waardevolle lessen over intellectuele integriteit kan geven. Ook George Orwell prikte de ontsporing van Stalins communisme vanaf het begin door. En ook hij ontleedde het gevaar van zelfcensuur, die optreedt wanneer je bang bent om tot de verkeerde groep te worden gerekend.

Zelfcensuur, aldus Orwell, heeft twee nefaste gevolgen. Ze heeft een kwantitatief effect: zodra voldoende mensen zichzelf censureren, beland je de facto in een samenleving waar politieke censuur regeert. Daar heb je zelfs geen bestraffende overheid meer voor nodig. Mensen staan vanzelf op de rem, omdat ze sociale uitsluiting (of erger) vrezen. Zelfcensuur heeft evengoed een kwalitatief effect: wanneer je je ideeën voor anderen moet verzwijgen, begin je uiteindelijk tegen jezelf te liegen. Dat is wat zijn romanfiguren overkomt: ze zijn het contact met het eigen denken kwijt. Daarom is vrijheid van spreken zo belangrijk: ze bevat de vrijheid om te denken.

Die dynamiek van sociale druk, conformisme en het gebrek aan authenticiteit werkt vooral bij de intellectuele bovenlaag, aldus Orwell. Want zij verliest zich in een strijd om filosofische rechtlijnigheid. De arbeiders, de ‘proles’ (van het proletariaat), leven in een andere wereld. George Orwell beschreef die in The road to Wigan Pier. Voor de mijnwerkers in Noord-Engeland betekent socialisme gewoon betere lonen, meer zorg voor hun familie en meer vrijheid tegenover hun baas. Zij willen geen foutdenkenden opjagen. Zij leven volgens hun morele code, die Orwell common decency noemde. Dat is een soort elementair fatsoen, waardoor je sommige kwalijke handelingen nooit stelt, zonder dat je daarvoor een verheven theorie nodig hebt. Je volgt je eigen geweten, je eigen emoties, je eigen regels, los van wat anderen denken of willen. Daarop zou links haar hoop moeten richten.

Met het socialisme zelf was volgens Orwell niets mis. Hij was zo scherp voor de linkse intelligentsia, die mensen in hokjes stak en ideologische zuiverheid nastreefde, omdat hij linkse bewegingen wilde vooruithelpen. Opnieuw sluit dit aan bij wat Mark Elchardus in zijn interview suggereert: dat linkse politici en organisaties vaak te neerbuigend doen over de ideeën, waarden en opvattingen van gewone mensen. Hij had naar eigen zeggen gehoopt dat links zou stoppen met gewone mensen weg te zetten als ‘achterlijk’, maar dat is niet gebeurd. Dat kan hard klinken. Maar soms draag je bij door ongegeneerd te zeggen wat je denkt. Zelfs al horen sommigen het niet graag, en zouden ze het al te graag als verdacht wegzetten.”

Deze column verscheen in De Standaard op donderdag 24 april 2019.