“Kan je lijden vergelijken?” Interview voor ‘Filosofisch Elftal’, Trouw, 15 okt. 2020

Alexandra van Ditmars vroeg aan Thijs Lijster en mezelf of je de nadelen van de coronapandemie kan vergelijken. Dit artikel verscheen in Trouw.

“Mag je een geannuleerde herfstvakantie vergelijken met hongersnood?

Twee problemen van totaal verschillende orde: de armoede neemt toe, en het wordt moeilijk om in deze tijden op zonvakantie te gaan. Mag je groot leed en klein leed met elkaar vergelijken?Alexandra van Ditmars, 15 oktober 2020, 14:18

De coronacrisis doet armoede groeien. Door de pandemie neemt het aantal mensen dat in extreme armoede leeft voor het eerst in twintig jaar toe, maakte de Wereldbank bekend. Naar verwachting stijgt het aantal mensen onder de extreme armoedegrens dit jaar met minstens 88 miljoen, wat in 2021 op kan lopen tot 150 miljoen.

En in eigen land opende het Rode Kruis deze week gironummer 7244 om voedselhulp aan duizenden mensen in Nederland te bekostigen. Het gaat om mensen die geen fatsoenlijke maaltijd meer op tafel kunnen zetten, omdat ze vanwege Covid-19 niet langer een inkomen hebben.

Naast dit grote leed is er ook sprake van veel kleiner leed. Mensen maken zich zorgen of ze nog wel op zonvakantie kunnen, en of geplande feesten door kunnen gaan. Hoe begrijpelijk die zorgen wellicht ook zijn, het contrast is in de coronacrisis soms wel erg schril. Hoe vind je balans tussen je eigen leed en dat van anderen, die het veel erger hebben?

Thijs Lijster, universitair docent kunst- en cultuurfilosofie aan de Rijksuniversiteit Groningen: “Als mensen balen omdat ze onverwachts de herfstvakantie in eigen land doorbrengen, is mijn eerste reactie: dit is een eerstewereldprobleem. Oftewel, een probleem dat in het niet valt als je het vergelijkt met de ernstige problemen die mensen hebben in armere delen van de wereld. En ook in ons land zijn er mensen die voor hetere vuren staan, zoals een ouder die geen geld heeft om boodschappen te doen. In vergelijking daarmee kun je treuren om een verloren vakantie afdoen als geprivilegieerd gezeur. Maar de nieuwe essaybundel ‘Intimations’ van Zadie Smith laat zien dat dit niet helemaal terecht is. Smith stelt dat leed zich moeilijk laat vergelijken. ‘Lijden heeft een absolute relatie tot het lijdende individu’, schrijft ze. Er zit een bepaalde particulariteit in elk lijden: het is alsof het op maat gemaakt is voor een specifiek persoon. Daardoor is het onjuist om het lijden van een ander zomaar weg te wuiven. Denk aan de depressieve popster. Het feit dat iemand rijk en succesvol is, maakt zijn leed nog niet minder ernstig. Het kan iemand net zo goed verwoesten. Je kunt leed in perspectief plaatsen – een geannuleerde herfstvakantie is aanzienlijk minder erg dan hongerlijden – maar niet werkelijk vergelijken.”

“Toch is er wel een ondergrens”, reageert filosoof en columnist Tinneke Beeckman. “Je lijdt sowieso als je niet kunt voorzien in een minimale materiële behoefte. Geen honger hebben is noodzakelijk om niet te lijden, al is het inderdaad ook geen voorwaarde voor een gelukkig leven zonder leed. Natuurlijk mogen mensen het jammer vinden dat ze niet op vakantie kunnen. Tegelijkertijd moeten ze beseffen dat als ze nu alleen maar dit soort bevoorrechte problemen hebben, dat niet hun eigen verdienste is, maar ook deels toeval. Ze hadden net zo goed iemand kunnen zijn met een veel fundamenteler soort leed, zoals honger.”

Lijster: “Leed heeft altijd een objectieve en een subjectieve dimensie. Dat onderscheid is belangrijk om te maken als je balans zoekt tussen je eigen leed en dat van anderen. Objectief gezien lijden mensen zonder dak boven hun hoofd meer dan ik, want ik heb wel een huis. Dit leed valt tot op zekere hoogte te kwantificeren door te stellen: deze mensen verdienen het om geholpen te worden, dit is een politiek probleem dat aandacht verdient. Daarnaast is er de subjectieve dimensie, zoals het lijden van iemand in een villa met zeven auto’s voor de deur. Dat leed is waarschijnlijk niet zozeer een politiek probleem en valt in die zin buiten de balans. Maar het is onheus om te zeggen dat dit leed er daarom niet toe doet.”

Beeckman: “Waarschijnlijk zijn er nu ook mensen in armoede beland die dat nooit hadden verwacht. Toch gaat het idee dat jij morgen bij de groep kan horen die nu veel armer is dan jij, er bij ons moeilijk in. Filosoof Michael Sandel bespreekt dat in zijn laatste boek ‘De tirannie van verdienste’. Wij geloven in de maakbaarheid van het individu, in het idee dat je succes volledig je eigen verdienste is. Als rationele individuen creëren we ons succes zelf; en als dat je niet lukt, is dat je eigen schuld. Deze mentaliteit laat geen ruimte voor de onvoorspelbaarheid van het lot. De pandemie laat zien dat dit een illusie is, dat alles plots kan kantelen en jij je succes niet volledig in de hand hebt. Ik hoop dat dit besef voor een houding van meer solidariteit zorgt. Het is wel degelijk jouw zaak om je in te zetten voor anderen in de gemeenschap, want jij verschilt niet zoveel van de ander.”

Lijster: “Het is dan wel de vraag op welke manier deze betrokkenheid vorm krijgt. Als dat liefdadigheid is, lossen we de werkelijke problemen niet op. Er is een verschil tussen liefdadigheid en rechtvaardigheid. Bij liefdadigheid creëer je een machtsrelatie waarin de ander afhankelijk is van jouw barmhartigheid, terwijl in een rechtvaardige samenleving niemand überhaupt in zo’n afhankelijke positie terecht zou moeten komen. Jezelf kunnen voeden behoort dan simpelweg tot de rechten die je als mens hebt.”

Beeckman: “Ik denk dat we daarvoor opnieuw een politieke gemeenschapszin moeten ontdekken. Naast de coronacrisis zitten we nog in een andere crisis, namelijk die van het hyperindividualisme. Die miskent de rol van het politieke spel, dat cruciaal is voor wederkerigheid en rechtvaardigheid. Je beseft dan niet dat je naast een individueel wezen ook een burger bent, een sociaal wezen, dat altijd met anderen verbonden is. Als je dat wel beseft, worden andermans worstelingen vanzelf meer jouw zaak.”