‘Als het loont om tegen de ander te zijn’, column DS, 28 mei 2020

“Onderzoeken, zoals ‘De Stemming’ liegen er niet om: Vlamingen wantrouwen hun politici, vooral die van traditionele partijen. De extreme partijen – PVDA en Vlaams Belang – winnen fors. Zo worden de politieke tegenstellingen steeds groter. Eén van de redenen, is dat het loont voor politici om voluit tégen de ander te zijn. Zo winnen ze verkiezingen en peilingen, maar ze kunnen niet meer samenwerken.

Natuurlijk maakt conflict deel uit van het politieke spel. Maar nefaste vormen van conflict verlammen de samenwerking en voeden het wantrouwen. Drie elementen werken zo’n nefaste politieke conflictvorming in de hand: factievorming door sociale media, de opmerkelijke Belgische politieke structuren en de permanente verkiezingskoorts.

Politici winnen aan populariteit door onderscheiden te benadrukken. Dat is goed. Maar als ze zich uitsluitend tot hun eigen kiezers richten (hun factie), en anderen als niet legitiem of moreel valabel neerzetten, is dat slecht. Sociale media spelen hier een rol, ze veranderen het debat. Op sociale media reageren sommige politici pijlsnel op berichten of gebeurtenissen en laten hun emoties daarbij de vrije loop.  Het genereert aandacht en veel ophef. Maar het normale politieke debat verloopt traag (politici gaan in het parlement, dus bij bepaalde gelegenheden in de clinch); er zijn gesprekscodes die de emotionele lading beperken en over de inhoud houden politici zich normaliter aan partij-afspraken. Ook fysieke ontmoetingen, tussen politici onderling of tussen politici en burgers, beperken de emotionele geladenheid. Dat is nodig om een grondig debat te kunnen voeren.

Tégen de ander zijn, wordt in België ook beloond door de politieke structuur. Op federaal vlak bestaat de uitvoerende macht voor 50 % (pariteit) uit politici van partijen waar een burger niet voor kan stemmen (uitgezonderd in Brussel). Politici moeten zich tegenover de helft van de bevolking nooit verantwoorden. Daarnaast volgen media en onderzoekers ook deze breuklijnen. Zo peilt het geciteerde onderzoek – ‘De Stemming’ – naar stemgerechtigde kiezers in het Vlaams gewest (niet eens in Brussel).

Onlangs verscheen ‘Het DNA van Vlaanderen, wat willen Vlamingen echt’ (door Ivan De Vadder en Jan Callebaut). De boeiende studie is een staalkaart van de dromen, angsten, en visies van Vlamingen doorheen de jaren. Maar opnieuw belicht dit werk alleen wat in Vlaanderen gebeurt. Dit is geen verwijt, maar een vaststelling: de andere zijde lijkt amper te bestaan.

Vlamingen moeten hun Franstalige gesprekspartners beter leren kennen, of ze hen nu als mede-of als tegenstanders zien voor een toekomstig Belgisch project. Het loont electoraal op korte termijn wel om in de eigen bubbel overtuigd te zijn van het eigen grote gelijk. Maar op langere termijn draagt het weinig bij. Daarbij is de historische dimensie belangrijk. Sinds het ontstaan van België kennen Vlaanderen en Franstalig België een andere evolutie: Vlaanderen was arm en achtergesteld; Vlamingen werden gediscrimineerd. Nu staat Vlaanderen op vlak van onderwijs en economie sterker, terwijl de Franstalige economische (en culturele) dominantie is afgebrokkeld. En er zijn de verschillen tussen Brussel en Wallonië. Deze complexiteit heeft een effect op het politieke bewustzijn, in alle landsdelen. Als je weet wat burgers verlangen, hopen of vrezen, hoe ze naar hun partijen en naar hun eigen gemeenschap kijken, kan je een ander gesprek voeren. Dan zie je de ander als een mens, die niet past in een partijpolitiek of moreel eenduidig hokje, zoals de Franstalige linkse ‘gutmensch’ of de rechtse Vlaamse racist.

Wat nefaste conflicten ook voedt, ten slotte, is het tijdsperspectief: elke partij – ook wie deelneemt aan de macht – blijft permanent campagne voeren, omdat verkiezingen de enige horizon zijn. Door de coronacrisis was een federale minderheidsregering even mogelijk. Nu moet er terug een beleid op langere termijn worden uitgetekend, en dreigt de impasse. Maar op deze manier verder gaan, heeft weinig zin. Sommige politici en commentatoren stellen dat het ‘nu niet het moment is’ om fundamentele gesprekken over de toekomst van België te voeren. Maar voor de coronacrisis uitbrak, was het evenmin een goed moment; het begrotingstekort liep al dramatisch op. En denkt iemand dat het beter wordt zodra de gevolgen van de klimaatopwarming duidelijker worden? Er komen geen makkelijke momenten meer. Het moet nu gebeuren.”

Deze column verscheen in De Standaard op 28 mei 2020.

“Over Justitie, en de verkiezingscampagne”, in De Afspraak op Vrijdag, 10 mei 2019

Op vrijdag 10 mei was ik  te gast in ‘De Afspraak op Vrijdag’ met Ivan De Vadder, op Canvas.

De andere gasten waren Wouter Beke, voorzitter van CD&V en Karel Verhoeven, hoofdredacteur van De Standaard. We spraken over de tragische moord op Julie Van Espen, en de verantwoordelijkheid van justitie en de politiek. En over de campagne – Hilde Crevits is het boegbeeld van CD&V. Klopt de stelling dat de ‘glazen afgrond’ een rol speelt, zoals Bart Sturtewagen suggereerde in zijn artikel ‘Haalt CD&V 2024 nog wel?‘? En wat betekent het politieke midden, wanneer de politieke uitersten goed scoren?

Over de ‘Glazen Afgrond’ schreef ik het artikel ‘Vrouwen mogen puinruimen‘,  toen Theresa May premier van het Verenigd Koninkrijk werd. En over de terechte woede na de moord op Julie Van Espen, schreef ik een column.

 

 

 

 

 

 

‘Brief aan Tom Lenaerts over politiek’, De Morgen, 7 dec. 2018

“Beste Tom Lenaerts,

Je bent een uitstekende televisiemaker, en een intelligent man. Wat een pakkende interventie bij ‘Van Gils en Gasten’. Je vraagt geëngageerde politici die compromissen kunnen sluiten. Jouw vraag leek helemaal terecht. Vooral toen je je dochter vermeldde. Zij heeft examens, mét actualiteitsvragen, en die vallen door die vervelende politici niet meer te beantwoorden.

Maar politici kunnen jouw verzoek niet inwilligen. Compromissen zoeken is niet de essentie van het politieke spel. Misschien leek dat in België ooit zo. In de tijd van het pacificatiemodel sloot een zogezegd zorgzame elite akkoorden, en verdedigde die bij haar achterban. Liefst deed ze dat achter gesloten deuren, zonder heisa. Conflicten over lonen brachten toen politici, vakbonden en bedrijfsleiders samen. Bij politieke conflicten vergaderden politici onderling over staatshervormingen en Europese samenwerkingen. De buitenwereld vernam achteraf pas wat zij hadden beslist.

Die tijd is toch wat voorbij. Ten eerste loopt de nieuwe breuklijn niet meer tussen groepen in één land, maar tussen wie naar het buitenland kan verhuizen, en wie in één land blijft. Grote bedrijven zoeken geen compromissen meer, bijvoorbeeld. Neen, ze dreigen met vertrekken, en eisen aanpassingen. Wat burgers daarvan denken, kan hen gestolen worden. Dat verandert het politieke spel. Politici moeten hun burgers tevreden houden, terwijl ze minder instrumenten hebben. Dat is niet makkelijk, want die ontevreden burgers zetten druk. Nu durven regeringsleiders elkaar op internationale tops tegenspreken. Dat geldt ook voor het migratiepact. Eigenlijk had de EU daarover gezamenlijk een standpunt moeten innemen. Maar Europese landen zijn te verdeeld. Zelfs intern hebben regeringen minder gezag dan je zou denken. Kijk maar naar Frankrijk; de opstand dreigt. Daarom ontbreekt Europees leiderschap. In zo’n context zijn compromissen moeilijk.

Een andere reden is dat migratie sterke ideologische verschillen oproept. Groen denkt dat de samenleving baat heeft bij meer open grenzen, de N-Va wil de grenzen meer sluiten. Juist in de confrontatie spelen ze hun rol: het parlement is het strijdtoneel van botsende visies op het algemene belang. Verkiezingen beslissen welke partijen een meerderheid kunnen vormen. Tussen sommige partijen lukt dat gewoon niet, en dat is geen probleem.

Toch heb je ook gelijk: het circus was soms beschamend. Hier zijn de twee politici aan tafel niet helemaal eerlijk geweest. Ja, ze zijn geëngageerd. Maar ze maken wel erg veel drama over een pact waaraan ze in werkelijkheid niet veel te zeggen hadden, en waarover ze veel te laat debatteren. Kristof Calvo kan het pact ideologisch claimen, maar zijn partij heeft er weinig verdienste aan. Peter De Roover probeert te maskeren dat zelfs regeringsdeelname niet tot zeggenschap leidt. De druk ratelende politici proberen hun machteloosheid te verbergen. Dat is een reëel probleem.

De beslissingen waarover de grootste ideologische verschillen bestaan – migratie, klimaat, economie – zijn het meest urgent. En die moeten op een hoger niveau dan het nationale worden beslecht. Toch blijven lokale politici tegen elkaar roepen alsof hun stemverheffingen belangrijk zijn. Dat doen ze omdat de verkiezingen nog altijd nationaal of regionaal worden georganiseerd. Peter De Roover en Kristof Calvo moeten zoveel mogelijk zitjes bemachtigen in hetzelfde parlement, door stemmen te halen bij de Vlaamse bevolking (en een beetje in Brussel). Ze willen zich profileren; ze proberen de televisiekijkers tussen hen beiden te doen kiezen. Want ze winnen allebei wanneer alle andere politieke partijen irrelevant lijken.

Voor jouw dochter wordt het niet makkelijk, en ik heb het niet over examens. Het theater van de nationale politiek is te weinig op die grote uitdagingen afgestemd. Dat zal nog enige tijd spanningen, en heel wat circus opleveren. In alle verwarring is wel een ding duidelijk: op veel compromissen hoef je niet meer rekenen.”

“Het Laatste Woord”, in ‘De Zevende Dag’, VRT, 10 juni 2018

Op zondag 10 juni bracht ik ‘Het Laatste Woord’, als afsluiter van het programma ‘De Zevende Dag’, kreeg ik één minuut om een thema te bespreken.

Ik sprak over de dood, waarover ik in dezelfde week een column schreef: ‘We willen langer leven, maar we krijgen langer sterven.’

Dit is de tekst van ‘Het Laatste Woord’.

“Mijn laatste woord gaat over de laatste woorden, over het levenseinde.

Vandaag spreken we amper over de dood. We discussiëren over ziekenhuisbedden en sociale zekerheid. Liefst doen we alsof de dood niet komt, en als ze zich aandient, lijkt het alsof ze een nederlaag is.

Natuurlijk, de medische wetenschap en technologie hebben de levenskwaliteit enorm bevorderd. Dat is fantastisch. Maar de nieuwe technische ingrepen creëren een ongekend fenomeen bij het levenseinde: we rekken het levenseinde, niet het leven zelf. Dat is vaak een verschrikkelijk pijnlijk, afmattend proces.

Al die behandelingen volgen uit een natuurlijk, heel menselijk verlangen naar ‘meer tijd’. Maar vaak betekent die ‘meer tijd’ vooral ‘langere tijd stervende zijn.’ En eigenlijk wil niemand dat. Het is belangrijk om te praten over de nieuwe behandelingen én de sociale zekerheid. Maar de kern is hoe we denken over dood, verlies, vergankelijkheid. Over laatste woorden, dus. En over hoe het einde deel uitmaakt van het leven. “

“Naastenliefde is nog geen zelfverloochening”, column DS, 19 okt. 2017

Deze column verscheen in De Standaard, op 19 oktober 2017.

“Bijna 70% van de Belgen meent dat ‘religie meer kwaad doet dan goed’. Een opmerkelijke vaststelling, waarvoor Mieke Van Hecke in ‘De Afspraak’ (op Canvas) deze verklaring gaf: religie wordt te neerbuigend behandeld, en te fel uit de publieke ruimte geweerd. Mensen durven hun christelijke inspiratie niet meer openlijk te vermelden, zelfs wanneer ze zich voor anderen inzetten. Zo verdwijnt de positieve rol van religie op de achtergrond.

Enkele vanzelfsprekende oorzaken voor de negatieve associatie met religie werden helaas niet geopperd: het schrijnend gebrek aan leiderschap na schandalen binnen de katholieke kerk; de vraag of christelijke waarden in crisistijd wel politiek inspirerend zijn, en het verband tussen islam en geweld in tijden van terreur.

De pedofilieschandalen toonden hoe kerkelijke leiders herhaaldelijk hun verantwoordelijkheid ontliepen en verzuimden de meest kwetsbaren te beschermen. Nochtans is die zorg juist de kern van de christelijke boodschap. Daarbij beroept de kerkelijke leer zich op een hiërarchische superioriteit: de gelovige moet de hogere instanties die de christelijke boodschap uitdragen, vertrouwen. Dat lukt alleen wanneer die leiders het goede voorbeeld geven. Helaas ontbrak het leiders als Johannes Paulus II en Benedictus XVI aan daadkracht: ze lieten daders jarenlang ongemoeid. De Belgische hoge clerus reageerde niet veel alerter. Voor buitenstaanders is dat verbijsterend: het is legitiem om voor mildheid te pleiten, en te willen verhinderen dat beschuldigden gelyncht worden, maar waar bleven het medeleven en de erkenning voor het levenslange, verwoestende leed van slachtoffers? Waarin bestaat de positieve kracht van religie, wanneer ze nalaat om zwakkeren te verdedigen?

Een andere vraag betreft de positieve impact van enkele christelijke waarden zelf: nederigheid, barmhartigheid, naastenliefde. Niemand ontkent dat deze waarden kwaliteiten kunnen zijn. Maar de vraag is op welke manier ze politiek kunnen worden ingezet. Politiek is een buitengewoon complex spel van beleidsopties met vaak onbedoelde en onvoorspelbare gevolgen. Hoe zet je een coherente christelijke visie om in een politieke praktijk? Recent presenteerde Paus Franciscus een plan rond vluchtelingen en migratie. Hij meent dat de persoonlijke veiligheid en de waardigheid van migranten voorrang moeten krijgen op de nationale veiligheid. Het onderscheid tussen vluchtelingen en migranten moet verdwijnen. En wie wil migreren, verdient vanuit het land van herkomst reeds ondersteuning. De paus pleit dus voor een opengrenzenbeleid, waarbij de integratie van migranten van ondergeschikt belang is. Zijn voorgangers zagen het net zo: migratie is een voorbode van de goddelijke stad zonder grenzen, aldus Benedictus XVI, en migratie maakt deel uit van het goddelijke verlossingsplan, aldus Johannes Paulus II.

Maar de Europese bevolking wil geen open grenzen. Volgens onderzoek (Chatham House) meent 55% van de ondervraagden uit tien Europese landen zelfs dat ‘elke verdere migratie uit moslimlanden moet stoppen’. Je kan natuurlijk aanvoeren dat die weigeraars geen christen zijn, of onvolmaakte christenen. Dat neemt niet weg dat die mensen de christelijke deugden niet als de fundering of toetssteen van hun politieke keuzes zien. Zeker niet wanneer het christelijke gebod aan het absolute grenst, zonder aandacht voor het effect ervan. Wat theologisch klopt, kan politiek onhaalbaar zijn. Moet je een naastenliefde belijden die grenst aan de zelfverloochening? Impliceren waarden het lijdzaam ondergaan van geopolitieke dynamieken? Continue Reading ›