“De bondgenoot van de bedrieger”, column DS, 29 april 2021

“De saga rond Sihame El Kaou­akibi blijft duren. Hoe de kaarten juist liggen, moeten rechtbanken uitzoeken. Maar het staat vast dat El Kaouakibi veel vertrouwen en welwillendheid wist op te wekken bij politici, bedrijfsleiders en journalisten. Hoe was dat mogelijk? De Amerikaans-Russische Maria Konni­kova, doctor in de psychologie, schreef met The confidence game. The psychology of the con and why we fall for it every time (2016) een werk dat kan helpen om het fenomeen te begrijpen.

Waarom laat je je soms verleiden en oplichten? Omdat mensen erin slagen jouw vertrouwen te winnen. En ze geven­ je het gevoel dat ze je iets aan­bieden. In werkelijkheid verlies je. Wanneer je beseft wat er is gebeurd, is het te laat. En op dat moment ben je allicht niet geneigd om het bedrog aan de grote klok te hangen. Want als gedupeerde verlies je prestige: je bent blijkbaar niet zo alert en scherp als je wilt lijken. De stilte van de benadeelden verklaart deels waarom bedrog langere tijd kan doorgaan. Het is opmerkelijk, maar niet verrassend, dat interne klokkenluiders en leden van de raad van bestuur van Let’s Go Urban het geknoei naar buiten brachten, en niet de gedupeerde bedrijfsleiders, politici of journalisten, die gewillig meestapten in haar verhaal.

Dit is een ander aspect: oplichters vertellen overtuigende, emotionele ­persoonlijke verhalen. Die beïnvloeden ­iemands oordeel sterker dan formele, rationele feiten. Als een feit aannemelijk klinkt, wil je het nog bewezen zien. Als een verhaal aannemelijk klinkt, geloof je dat het waar is, aldus Konnikova. In dat mooie verhaal van de oplichter mag je meedoen, ook jij kunt er deel van worden. Die uitnodiging verhoogt de indruk dat je vrijwillig en zonder druk hebt toegehapt.

De tijdgeest bepaalt gedeeltelijk welke­ verhaalformules goed werken. Je bent geneigd je met iemand te associëren omdat die weerspiegelt hoe je bent, hoe je wilt zijn of hoe je wilt lijken. Wat dat precies inhoudt, kan verschillen. Een slachtoffer van Bernie Madoffs ­piramidespel vertelde dat diens afkomst, connecties en reputatie vertrouwen wekten, omdat hij zo graag tot ­Madoffs leefwereld wilde behoren. El Kaouakibi’s projecten hadden een ­andere aantrekkingskracht. Als je met haar samenwerkte, participeerde je aan een ideaal van ‘empowerment’ en verantwoordelijkheid, aan de strijd tegen racisme en discriminatie. Haar magische kracht van selfmade ondernemer straalde ook op jou af.

Dat alles heeft nog meer effect wanneer je jezelf overschat. Bijvoorbeeld wanneer je vindt dat je wel recht hebt op een gelukje. Konnikova illustreert die neiging tot zelfoverschatting met de bizarre zwaktes die mensen van zichzelf kunnen toegeven (en die ook in gewone interviews opduiken): mensen noemen zichzelf te perfectionistisch, te open, te vertrouwend. Wat betekent dat ze bij zichzelf vooral kwaliteiten zien.

Waarom zou je dan niet het geluk hebben dat iemand je de buitengewone gelegenheid biedt, waar je al zo lang op wacht? Daar ga je het best snel in mee, want er zijn nog geïnteresseerden. Zo val je voor de pitch van de oplich­ter. 

Zodra je intekent, word je selectiever in de informatie die je wil erkennen. Hoe hoger de inzet, hoe minder je geneigd­ bent tot strenge controle. Je wordt, bizar genoeg, de bondgenoot van de bedrieger: ook jij wil dat het mooie verhaal verdergaat.

Overmoed en zelfoverschatting zijn de instrumenten waarmee de con-artist tewerkgaat. Diezelfde kenmerken worden de bedrieger vroeg of laat fataal. Maar veel schuldinzicht hebben de ­daders in Konnikova’s verhalen doorgaans niet. Ze betreuren vooral dat ze betrapt werden.

Konnikova behandelt geen politieke affaires. Dit is een apart aspect van El Kaouakibi’s zaak. Maar duidelijk is dat het politieke bestel structuren heeft om oplichting moeilijker te maken. Op voorwaarde dat politici daar gebruik van maken. Commissies, administraties en audits dienen precies om de kracht van één verhaal te ontmijnen en de realiteit te laten spreken. Vriendjespolitiek is alleen al daarom een slecht idee: oplichters opereren makkelijker wanneer persoonlijke contacten volstaan om middelen te krijgen.

Je kunt als politicus pech inroepen omdat je de foute mensen hebt ontmoet. Maar het is geen pech meer wanneer je de controlemechanismes hebt helpen te omzeilen. ‘Je moet niet het slachtoffer uithangen, maar je verantwoordelijkheid nemen.’ Wat klonk die boodschap goed toen El Kaouakibi ze verkondigde.”

Deze column verscheen in De Standaard op 29 april 2021.

“In crisistijd ligt ontsporing van de macht op de loer”, interview voor Brainwash – Human, 8 april 2021

Kimberly Van den Hengel interviewde me over mijn boek, Machiavelli’s Lef, en de relevantie ervan vandaag. Dit interview verscheen op de website van Brainwash-Human.

De journaliste vroeg me ook welk boek we vandaag moeten lezen, en ik gaf ‘Het rechtvaardigheidsgevoel’ van Jonathan Haidt op, en ik leg uit waarom. Van dat boek valt ook een exemplaar te winnen (zie beneden).

“We bevinden ons in een wereld in crisis, te midden van overheden die hun macht op uitzonderlijke wijze uitbreiden. Dan is het van belang om te weten hoe macht werkt en hoe haar te begrenzen. We spreken filosoof Tinneke Beeckman over macht en tegenmacht, vrijheid en burgerlijke ongehoorzaamheid, en verdeeldheid in de samenleving.

We bevinden ons inmiddels al meer dan een jaar in een wereldwijde crisis. En de uitvoerende macht wordt sterk uitgebreid, volgens filosoof Tinneke Beeckman. Maar met weinig controle door het parlement. “Dat is in Nederland het geval, en in België en andere landen ook,” zegt Beeckman. “Ten tijde van een crisis wordt het bijna als deloyaal gezien om beslissingen ter discussie te stellen.

“Je zag dat goed na 9/11, waarbij de noodtoestand leidde tot beperking van burgerlijke vrijheden en meer controle van de overheid op het leven van burgers. Als je daar een vraag over stelt, ben jij geen patriot. Dat hoor je vandaag ook. Bij iedere kritische vraag wordt gezegd dat die de gezondheid en de samenleving ondermijnt.

“Het delicate is dat het inderdaad zo is dat mensen in tijden van nood moeten samenwerken. Maar politici mogen daar geen misbruik van maken. Je moet altijd alert en kritisch genoeg blijven op de ontsporing van de macht, zonder dat je daarmee de burgerzin aantast.”

Waarin schuilt precies het gevaar van de macht?

“Het is gevaarlijk als elites lang aan de macht blijven. Elites zijn mensen die de macht hebben om hun eigen positie te blijven versterken: mensen die financieel veel slagkracht hebben, die militaire of juridische macht hebben, en alle traditionele instellingen. Als zij ongecontesteerd hun ding kunnen doen, sluipen er vormen van corruptie en wanbeleid in. Dat is eigen aan de menselijke natuur. Daarom is tegenmacht belangrijk. Die moet je voldoende ruimte geven om de corrigerende werking door te voeren.”

U schreef het boek Machiavelli’s lef, waarin u de Italiaanse denker Machiavelli omschrijft als ‘denker bij uitstek in crisis’. Wat ziet u als u door zijn lens naar deze crisis kijkt?

“Toen ik jong was in de jaren negentig, was het idee dat de liberale democratie de wereld zou veroveren en dat democratische waarden zich vanzelfsprekend zouden kunnen verspreiden. Als je alle voorwaarden voor welvaart en vrede installeert, zal daar als vanzelf het goede uit voortkomen. Maar na die periode volgden twee decennia waarin zich crises voordeden die we nooit hadden voorspeld.

De enorme bankencrisis, de vluchtelingencrisis en de eurocrisis lijken haaks te staan op het idee dat er een rustige continuïteit in de geschiedenis is. Machiavelli leefde zelf in een tijd van crisis in de Renaissance, met enorm wisselende en onvoorspelbare evenementen. Zijn les is dat fortuna, het lot, de wereld regeert, en dat die wereld dus verandert. De wet van de politiek is verandering, veel meer dan wij beseffen. Dat betekent dat niets verworven is. Onze vrijheid en welvaart zijn niet vanzelfsprekend.

Machiavelli spreekt ook over noodzaak, wat volgens hem het beste in de mens naar boven brengt. Noodzaak is dat je gedwongen wordt om te handelen, dat je niet de vrijheid van veel opties hebt, noch de tijd om daar rustig over na te denken. Nee, je moét iets doen. Machiavelli zegt: noodzaak is eigenlijk een gelegenheid. Om wetten die je wilde veranderen te hervormen, instellingen opnieuw te ontdekken, en alle problemen die zijn ontstaan door het verloop van de tijd te corrigeren. De coronacrisis biedt daar mogelijkheid toe.”

Kan het argument van noodzaak ook misbruikt worden om belangen door te drukken?

“De noodzaak is een gelegenheid om te handelen, maar ook een retorisch politiek argument. Machiavelli analyseert dat, en dat komt hem vaak op het verwijt van machtshonger en manipulatie te staan. Maar in feite laat hij zien hoe macht werkt.

De manier waarop politici noodzaak inroepen kan soms terecht zijn, want je moet iets doen in tijden van crisis. Het probleem is dat politici geneigd zijn om de pluraliteit van de beschikbare opties te negeren, en één beslissing op te leggen. Ze roepen een uitzonderingstoestand uit, waarbij ze doen alsof hun optie de enig mogelijke optie is. Er wordt gedaan alsof er maar één weg voorwaarts is. Dat klopt nooit helemaal, en dat moeten burgers beseffen.”

Zijn de maatregelen bedoeld om ons te beschermen of ook om politici voor kritiek te behoeden?

“De maatregelen zijn bedoeld om burgers en de gezondheidszorg te beschermen. Dat beleid wordt gesteund door doktoren en virologen, dus het is niet zo dat de macht deze situatie volledig manipuleert. Maar je moet wel waakzaam zijn bij de maatregelen, en je afvragen wat de intentie is, en of de verleiding er niet insluipt om er ook andere problemen waar de macht zich voor gesteld ziet mee op te lossen.

In Vlaanderen zei een burgemeester dat de avondklok handig was, omdat we dan ’s avonds geen last meer hebben van criminaliteit en hangjongeren. Dat is duidelijk een ontsporing. Je moet goed nagaan of de middelen doeltreffend zijn, en of ze niet een excuus zijn om onder het mom van de gezondheid een ander probleem aan te pakken.”

Treedt de macht in Nederland buiten de perken?

“Wat opvalt is wat er nu gebeurt met een demissionair premier en een team van verkenners. Daar wordt gesproken over Pieter Omtzigt, die de uitvoerende macht sterk gecontesteerd heeft, zoals bij de toeslagenaffaire. Hij is alert op wanneer mensen die macht hebben blind worden voor de negatieve effecten van macht. Dat is precies wat je nodig hebt: dat iemand de macht erop wijst waar hij moet bijsturen om te voorkomen dat het misgaat.

Volgens Machiavelli hebben machthebbers de neiging hun positie te bestendigen en beperkingen te negeren. En er is altijd het gevaar van slapende corruptie, wat heel klein kan beginnen. Hier en daar handel je niet helemaal correct, of sta je toe dat er vriendendiensten zijn. Dat lijkt niet schadelijk, maar Machiavelli is heel duidelijk: vanaf het begin dat iemand de wet overtreedt en er mogelijk misbruik van personen of vertrouwen plaatsvindt, moet je meteen optreden. Dat mag je niet laten woekeren, want dat kan snel ontsporen.

Dan krijg je een verval van de zeden, waarbij iedereen zegt: ‘Het doet er toch niet zoveel toe of ik mijn belastingformulier volledig correct invul, of ik een beetje publieke middelen gebruik − iedereen doet het.’ Als je eenmaal in die mentaliteit terechtkomt, is dat is heel moeilijk recht te trekken. Dus je moet heel kort op de bal spelen, bij alles wat misloopt.

Mij lijkt Omtzigt iemand die dat doet. Wat zien we? De uitvoerende macht, en degene die dat ambiëren voor de volgende regering, proberen dat zoveel mogelijk uit te schakelen. Dan is het belangrijk dat er voldoende krachten zijn die zich daartegen verzetten, zowel in de Tweede Kamer en in de media, als burgers die daartegen protesteren. Dat het niet toegelaten is om te manipuleren, iemand uit te schakelen en daarover te liegen. Dat is gevaarlijk.”

“Dit is volgens mij een belangrijk moment: de vraag of je iemand erop aanspreekt dat hij staat te liegen, met het excuus dat hij het zich niet herinnert. Dat is een klassieke verdediging, maar daarna moet je ook de volgende vraag stellen: als je werkelijk zo’n slecht geheugen hebt, ben je dan wel geschikt voor de post van minister-president?

Als mensen te lang aan de macht zijn – en dat is eigen aan de macht – nemen slechte gewoontes zoals nonchalance en verleiding voor corruptie toe. Daarom is het ongezond als mensen te lang aan de macht zijn. Machtswissels zijn noodzakelijk om mensen met andere inzichten, talenten en ervaringen aan bod te laten.”

Een steeds luider klinkend verwijt aan het adres van de macht, is dat de vrijheid van burgers te sterk wordt ingeperkt. Is dat terecht?

“Enerzijds heb je als burger ook een plicht ten aanzien van de samenleving, dat is Machiavelli’s republikeinse idee. Het gaat niet alleen om het individu dat zich alles mag permitteren wat het wil, en dat de staat geen autoriteit zou hebben om daar paal en perk aan te stellen als het nodig is. Soms kan het kan zijn dat een samenleving als gemeenschap dingen aan jou als individu vraagt waar je geen zin in hebt. Ik heb als individu zin om naar het café te gaan, maar als burger kan ik dat niet maken, omdat ik in een pandemie een gevaar kan vormen voor andere burgers.

Voor Machiavelli is het geen beperking van je vrijheid als je voor je medeburgers of gemeenschap iets moet doen. Dat is eigen aan de republikeinse vrijheid, die sterk verschilt van de individualistische vrijheid. Ik denk dat we in deze zeer individualistische tijd niet helemaal de juiste houding hebben om zoiets als een pandemie door te maken.

Vrijheid betekent voor ons: ik heb als individu bepaalde verlangens, en zolang ik daar niemand mee schaad, moet ik kunnen doen wat ik wil. Niemand mag mij in de weg staan. Bedrijven zien dat ook zo. Individuele rechten zijn inderdaad belangrijk en hebben de levens van velen geëmancipeerd. Alleen moet je in een crisis, als er noodzaak is, wel van perspectief kunnen veranderen. Niet elke maatregel is dan een ongeoorloofde aantasting van je individuele rechten.”

Kijktip Het Filosofisch Kwintet: VrijheidOp straat en in de politiek wordt het begrip vrijheid te pas en te onpas gebruikt. Maar wat is vrijheid precies? Hoe is het begrip in de loop der jaren veranderd, en kunnen we eigenlijk wel met vrijheid omgaan?

Ontbreekt het bij het inperken van vrijheden aan democratische besluitvorming?

“Het uitroepen van de noodtoestand beperkt het normale functioneren van een democratie. In België zie je de uitwassen daarvan op dit moment meer dan in Nederland: er is na een jaar nog altijd geen pandemiewet. Dus de regering houdt de uitzonderingstoestand vast van een acute crisis, al een heel jaar lang. Ministers voeren besluiten uit als de avondklok en negeren het parlement totaal. Dat is onaanvaardbaar. Daar heb je geen directe controle meer van de gekozenen van het volk op wat er met de macht gebeurt.

Dit schept gevaarlijk precedent. Dat is wat dictators als Pinochet en Erdogan voortdurend doen. Zij roepen een noodtoestand uit en zeggen dat hun beleid noodzakelijk is voor de veiligheid en stabiliteit, of dat het om chaos te verhinderen niet meer is toegestaan om je te verenigen op straat. Dat komt ze goed uit; dan hebben ze ook geen last meer van betogingen tegen hun macht.

Dus het is heel belangrijk dat zelfs in een periode van crisis de instellingen nog kunnen functioneren. In België kan ik met zekerheid zeggen dat dit niet meer het geval is, en dat vind ik een zeer verontrustende ontwikkeling. En als politici daarop worden aangesproken, dan zeggen zij: ‘Ga eens praten over basisrechten of vrijheid met iemand die in het ziekenhuis ligt.’ Dat is populistisch, want daar gaat het niet om.”

Zijn beperkende maatregelen nog terug te draaien als ze er eenmaal zijn?

“Er zijn geen draaiboeken voor. Dat die er niet waren toen het in maart 2020 begon, dat is nog tot daaraantoe, maar we zijn inmiddels een jaar verder. Je ziet dat politici geen langetermijnvisie hebben, maar van week tot week kijken, zonder dat ze zich bewust lijken hoe dat politieke principes aantast. Dat is een lastig probleem. Want je weet nooit wie er in de toekomst verkozen zal worden, en wat diegene met de uitbreiding van de macht zal doen.”

Maakt dat burgerlijke ongehoorzaamheid nodig?

“Burgers zouden veel directer hun eigen politici kunnen aanspreken om hen te motiveren toch iets te doen. Door de pandemie mag je niet samenkomen in sociale groepen. Maar voor politieke actie is het juist belangrijk dat je met medeburgers praat en overlegt. Vandaar dat elke totalitaire macht als eerste burgers isoleert. Als je daarin slaagt, is het organiseren van verzet heel moeilijk.

Natuurlijk hangen de beperkingen om zich te verenigen nu samen met de pandemie: de overheid hanteert geen bewuste strategie. Ik denk dat we de politieke gevolgen en de reactie van mensen zullen merken als de pandemie voorbij is. Nu zit iedereen thuis, je mag niet veel contact hebben. Ik hou mijn hart vast, ik denk dat veel burgers het zat zijn, en een afkeer van de politiek hebben gekregen.”

Burgers keren zich omtrent de coronamaatregelen niet alleen tegen de overheid, maar komen ook tegenover elkaar te staan. Hoe moeten we omgaan met conflict met mensen waar we het niet mee eens zijn?

“Politiek bestaat niet zonder conflict. Mensen zullen altijd verschillende visies op de samenleving hebben. Het conflict tussen volk en elite waar Machiavelli het over heeft, is tussen de mensen die de middelen hebben om hun macht te bestendigen, en degene die dat niet hebben. De elite zorgt voor stabiliteit in het land: dat zijn de rechts-conservatieve krachten in het land. En het volk contesteert dat. Je hebt beide nodig, en instellingen moeten aan beide een plaats geven.

Het is belangrijk dat je een vorm van tegenspraak aanvaart. Maar vandaag zien we contestatie in de vorm van samenzweringen en complottheorieën, en die zijn ondermijnend voor het politieke conflict. Als je andere verlangens en een andere visie op bijvoorbeeld vrijheid of herverdeling hebt, kan je nog steeds onderdeel zijn van dezelfde samenleving. Maar het complot vertrekt vanuit een fundamenteel wantrouwen.

Het probleem lijkt dan niet meer dat de elite haar rol speelt, maar dat zij eropuit is om de rest te ondermijnen door geheime en illegale praktijken zoals geweld en kinderverkrachtingen. Dat zijn van de pot gerukte theorieën, maar die zijn helaas verder verspreid dan je zou denken. Dat heeft ook te maken met het probleem van de technologie om de massa te bespelen. Op het internet krijgen mensen binnen een paar clicks beelden en verhalen voorgeschoteld die de mythe van zo’n saboterende houding kracht bijzetten. Manipulatieve, volksopruiende ideeën leiden volgens Machiavelli tot een slecht conflict, waardoor het geweld en de spanningen in de samenleving alleen maar toenemen.”

Welk boek zouden we in deze tijd moeten lezen volgens u?

“In deze tijd moeten we ons bewust blijven van de pluraliteit van idealen: dat de politieke voorkeuren van mensen voortkomen uit hun verschillende morele intuïties. De Amerikaanse sociaal psycholoog Jonathan Haidt laat dat zien in zijn boek Het Rechtvaardigheidsgevoel: waarom wij niet allemaal hetzelfde denken over Politiek en Moraal. Het is belangrijk dat je ondanks verschillen, de legitimiteit van een ander blijft erkennen.”

Welk inzicht heeft het u gebracht?

Het Rechtvaardigheidsgevoel van Jonathan Haidt – volgens Beeckman een boek dat we nu wel kunnen gebruiken. 

“Het helpt je begrijpen waarom mensen overtuigd zijn van hun eigen gelijk. Haidt waarschuwt voor het overmoraliseren van je eigen standpunt, waarbij je anderen makkelijk als hypocriet beschouwt, gewoon omdat je hun waardenkader niet begrijpt. ‘Zij doen alsof ze voor veiligheid zijn, maar eigenlijk willen ze iets anders.’ Hij zegt dat je moet begrijpen waar pluralisme vandaan komt, oftewel: waarom mensen verschillend over politiek denken.

Als je progressief bent, ben je vatbaar voor waarden als zorg, zoals de bescherming van slachtoffers van onderdrukking, en rechtvaardigheid, dat is gelijkheid en herverdeling. Als je conservatief bent, geef je voorkeur aan andere morele waarden. Dan vind je zorg ook belangrijk, maar dan in de zin van bescherming van slachtoffers tegen misdadigers, in plaats van tegen onderdrukking. Dat zie je bij alle rechtse partijen. Rechtvaardigheid betekent dan proportionaliteit: verdeling naar beloning voor hard werken, en pech voor wie zijn kansen niet grijpt.

Rechtse mensen zijn vatbaar voor politieke boodschappen die te maken hebben met het leger, de vlag en autoriteit. En voor alles wat te maken heeft met hiërarchie, familie en heiligheid, zoals de wetten van God. Als iemand die aanvalt, wordt dat ervaren als een grove morele inbreuk. Je hoeft het daar niet mee eens te zijn, maar je moet niet zeggen dat mensen die waarde hechten aan de vlag automatisch xenofoob zijn. Dan geef je geen legitimiteit meer aan mensen met andere morele idealen.

Je kan beter meer empathie en begrip opbrengen om elkaars standpunten in het publieke debat te erkennen. Dan kan je elkaars argumenten nog altijd politiek bestrijden. Je kan zeggen dat er niet meer geld naar het leger moet, maar dat we dat beter kunnen besteden aan de zorg of het onderwijs. Daar kan je je nog altijd voor inzetten, maar zonder de ander te negeren in de eigen morele overtuiging.”

Als onze morele intuïties zo’n grote rol spelen, zijn we dan wel te overtuigen met argumenten?

“Nee, zegt Haidt, en dat vindt Machiavelli ook. Het gaat over verlangens; mensen hebben tegenstrijdige ‘umori’, stemmingen. Je politieke beelden en idealen voed je vanuit de verlangens en de umori, waarvan je dan nadien wel een rationele uitleg geeft. Maar mensen zijn passioneel over de politiek. Natuurlijk kan het wel zijn, dat mensen zich anders voordoen, en liegen en bedriegen.

Dat moet je blijven aankaarten met feitelijkheid en waarachtigheid. Het is ook niet zo dat je nooit iemand kan overtuigen, maar niet zo makkelijk vanuit je eigen logica. Je kan ook proberen vanuit empathie met de idealen van de ander inconsistenties aan te tonen. Bijvoorbeeld door te laten zien dat een nationalistische politicus het land helemaal niet vooruithelpt. Op die manier kan je argumenten geven waar anderen wel vatbaar voor zijn.”

Win een exemplaar van Het Rechtvaardigheidsgevoel

Onder vrienden van HUMAN verloten we vijf exemplaren van Het Rechtvaardigheidsgevoel van Jonathan Haidt. Check de winactie hier. Reageer vóór 6 mei 2021 om kans te maken.

Lezing ‘Spinoza en Machiavelli’, voor Vereniging het Spinozahuis

Op 27 maart gaf ik een zoom-lezing over ‘Spinoza en Machiavelli’ voor de Vereniging het Spinozahuis.

Spinoza is karig met complimenten, maar hij noemt Machiavelli in het Politiek Tractaat de ‘zeer wijze, zeer sluwe Florentijn’. Spinoza was ook voorstander van democratie, en schreef een bruikbare Ethica’. Voor hem was Machiavelli dan ook denker van de vrije republiek, geen cynisch machtsdenker.

In deze lezing geef ik de context van Spinoza’s citaten, en analyseer ik welke lessen Machiavelli te bieden had.

Er waren ongeveer 160 inschrijvingen – na mijn lezing stelden enkele aanwezigen boeiende vragen, die ook opgenomen werden.

Over Spinoza schreef ik ‘Door Spinoza’s Lens’ (2012, Pelckmans – 6e druk, nog beschikbaar) en in november verscheen ‘Machiavelli’s Lef‘ (4e druk).

Podcast ‘Kant, en klaar!’, Klara, 6 april 2021

In april is het de Maand van de Filosofie. Voor Klara nodigde Greet Van Thienen me uit voor een gesprek over één vraag van Immanuel Kant: Wat kan ik weten? Hoe moet ik handelen? Wat kan ik hopen? En wat is de mens?

En ik koos voor de ethische vraag: hoe moet ik handelen? De podcast van het gesprek is beschikbaar.

“Filosoof Tinneke Beeckman spreekt zich als public intellectual uit over de knelpunten van deze tijd. Zowel in haar columns als in haar boeken denkt ze na over wat vrijheid is, of hoe we als mens en burger onze verantwoordelijkheid kunnen opnemen.

Beeckman wordt geïnspireerd door filosofen Spinoza en Machiavelli. Ze bouwt verschillende bruggen tussen het denken van beide heren naar het leven van nu. Naar een tijd die al even onzeker is als de hunne. 

In deze aflevering denkt ze na over de Kant-vraag: Wat moet ik doen? Wat is goed handelen? Voor haar werkt de ethische praktijk van elke dag beter dan een of ander groot moreel principe waarop we ons kunnen richten. Haar antwoord is genuanceerd en helder, zoals we dat van haar kennen. Centraal staat het idee van verbondenheid met de anderen en met de natuur. 

Te Lezen: ‘Machiavelli’s lef, levensfilosofie voor de vrije mens’ van Tinneke Beeckman – uitgeverij Boom 2020.”

Greet Van Thienen publiceerde heel recent een filosofisch werk: ‘De stuntelende mens. Een klein onderzoek naar wat we zijn’ (Pelckmans, 2021), waarin een aantal vroegere ‘Kant’-interviews aan bod komen.

“Het spel van de tegenstander”, column DS 1 april 2021

‘Je speelt in de kaart van extreemrechts.’ Dat verwijt kreeg de 23-jarige Turks-Nederlandse Lale Gül in honderdvoud in haar mailbox, na de publicatie van haar autobiografische debuut­roman (DS 17 maart). In Ik ga leven beschrijft­ ze haar jeugd in een conservatief islamitisch gezin in Amsterdam-West. De protagonist Büsra mag nooit uitgaan, geen vriendschapsrelaties met mannen sluiten, niet zelfstandig gaan wonen. Een geheime relatie met een autoch­tone jongen moet ze verbreken. Na de publicatie is de auteur door haar familie verstoten, omdat ze de eer van de familie heeft geschonden. Als ‘afvallige’ moslima wordt ze al wekenlang met de dood bedreigd.

Wie zich een voorstander van vrijheid en gelijkheid noemt, zou zich solidair met Lale Gül moeten opstellen: ze wil de vrijheden die andere westerse vrouwen ook hebben. Of toch niet? Want Gül en wie het voor haar opneemt, zouden ‘in de kaart spelen van’ politici zoals Geert Wilders en Thierry Baudet.

‘Je speelt in de kaart van’ is een intimiderend argument dat al jaren meegaat, noteert Jean Birnbaum in zijn recent­ verschenen Le courage de la nuan­ce. Bij elk cruciaal politiek conflict duikt dat verwijt op. Zo ook rond 1936, tijdens de burgeroorlog die Spanje verdeelde in links (de republikeinen) en rechts (de aanhangers van Franco). Slechts enkele moedige, integere, vooruitziende denkers hebben aan die eis tot zwijgen kunnen weerstaan, aldus Birnbaum.

De journalist George Orwell engageerde zich aan de zijde van de communisten. De katholieke, conservatieve monarchist Georges Bernanos koos aanvankelijk partij voor de Spaanse nati­onalisten. In het begin waren ze onvoor­waardelijk verdediger van ‘hun’ kamp, dat streed tegen wat zij als het kwade beschouwen: barbarij en onderdrukking volgens de communisten, het einde van de christelijke beschaving volgens de aanhangers van Franco. Maar beide schrijvers ontdekten in volle strijd dat de werkelijkheid niet zwart-wit is. In Saluut aan Catalonië stelt Orwell­ ontgoocheld vast dat de linkse media even leugenachtig kunnen zijn als de officiële Spaanse pers. Hij houdt aan die constatatie een levenslange afkeer van stalinisme en links totalitarisme over. Animal farm en 1984 vloeiden uit die ervaring voort. In Les grands cimé­tières sous la lune beschrijft Bernanos de wreedheid en het geweld van de nationalisten: het trio Franco-Mussolini-Hitler heeft veeleer een pact met de duivel gesloten dan dat het zich door christelijke idealen laat inspireren.

Bernanos en Orwell weigerden de ogen te sluiten voor wat zich afspeelde, al stonden ze onder intense druk om ‘niet het spel van de tegenstander te spelen’. In zo’n conflict klinkt elke nuance, elke kanttekening als een verraad aan de eigen groep. Maar het echte verraad, betogen Orwell en Bernanos – elk op hun manier – is precies om de complexe werkelijkheid niet meer te willen zien. Dan wil je alleen je gelijk halen en ben je ontrouw aan jezelf. Zodra je ervaringen botsen met een strakke politieke of ideologische overtuiging, dan moet de overtuiging wijken. Nooit de waarheid.

Orwell en Bernanos begrepen dat de ontsporingen in de eigen politieke groep ondergeschikt kunnen lijken aan de grotere, ideologische strijd tussen de kampen. Maar dat is schijn: als je die ontsporingen verzwijgt, en de machtslogica erachter niet onthult, groeien ze uit tot een onontwijkbaar probleem.

Vandaag staan andere kampen tegen­over elkaar: de progressieve racismebestrijders aan de ene kant. En de extreemrechtse antimigratiepartijen aan de andere kant. In deze context doet iemand als Lale Gül haar verhaal. Ze beweert niet het verhaal van elke moslimvrouw te schrijven. Maar haar verhaal verbrijzelt de illusie dat er binnen minderheden geen verpletterende machtsdynamieken kunnen spelen: de ouders van de protagoniste verdedigen een maatschappijmodel dat ongelijke normen voor meisjes en jongens voorstaat en waarin seksualiteit taboe is. Dat model schrijft een erecode voor die vrouwen verantwoordelijk houdt voor de reputatie van de hele familie, terwijl mannen vrij zijn om te doen wat ze willen.

Als je een betere wereld wilt, moet je elke ongelijke machtsstrijd ernstig nemen. Want als je je alleen op de perceptie en de partijpolitieke effecten richt, raak je hopeloos verstrikt in je eigen hypo­crisie: je lijkt je te engageren tegen onrecht, maar je tolereert het ondraaglijke.”

Deze column verscheen in De Standaard op 1 april 2021.

“Als vrouwen klauwen”, column DS, 18 maart 2021

“Elke dag hoor je over geweld ­tegen vrouwen: op straat, in ­familiale kring, in het publieke domein. Die aandacht is ­terecht. Vrouwen worden nog vaak ­getroffen door allerlei soorten wan­gedrag. De grote meerderheid van ­(fysieke) gewelddaden plegen mannen. Hoe zwaarder het geweld, hoe vaker de plegers mannen zijn, wijst onderzoek uit. Maar deze drama’s mogen niet verhullen dat ook vrouwen gewelddadig kunnen zijn, en mannen soms moeten incasseren.

Eén op de vijf vrouwen is slachtoffer van partnergeweld en één op de zeven mannen. Dat onthutsende cijfer komt naar voren in de Canvas-docureeks Als je eens wist. Het vooroordeel dat leden van de ene groep, de mannen, per definitie de agressors zijn en de anderen, de vrouwen, altijd alleen de gedupeerden, klopt dus niet. In de eerste aflevering kwam een mannelijk slachtoffer van partnergeweld aan het woord. Jarenlang schaamde hij zich te erg om hulp te zoeken. En hij vreesde dat zijn partner zich als slachtoffer zou opstellen, mocht hij zich fysiek verdedigen.

Zuivere gevallen van slachtoffer versus dader bestaan, maar het gaat om een minderheid. Vaak is de situatie erg complex en zitten mensen in een destructieve dynamiek gevangen. Deze complexiteit gaat verloren omdat mensen duidelijk willen oordelen. Ze zoeken naar een zuiver goede en een zuiver slechte partij. Dat fenomeen valt op bij conflicten tussen bekende figuren, waarbij het publiek fel verdeeld reageert. Het is dus moeilijk om in te zien dat dezelfde persoon op het ene moment slachtoffer kan zijn, maar op een ander moment assertieve of kwetsende daden kan stellen. Het is alsof deze genuanceerde vaststelling ­iemands slachtofferschap zou miskennen, en dat is taboe. Maar het helpt alle betrokkenen verder om het hele verloop te begrijpen.

Vrouwen als slachtoffers neerzetten, betekent dat ze geen agency, geen handelingsruimte zouden hebben. En als vrouwen zich uitsluitend als slachtoffer beschouwen, blijven ze blind voor het kwetsende gedrag dat ze op bepaalde momenten zelf kunnen vertonen. Ze nemen er geen verantwoordelijkheid voor en beseffen niet hoe ze aan een ­negatieve spiraal bijdragen.

Deze nuances hebben niets te maken met victim blaming, de kwalijke om­kering waarbij het slachtoffer als schuldige wordt neergezet. Dat gebeurt bijvoorbeeld als je gaat beweren dat een verkrachte vrouw het onheil over zichzelf zou hebben uitgeroepen omdat ze in het donker alleen naar huis ging. Zo’n omkering is onaanvaardbaar, omdat daders hun verantwoordelijkheid dan op de ander mogen afschuiven en ze hun eigen misdrijven minimaliseren. Dat is onaanvaardbaar. Elke mens, man of vrouw, is volledig verantwoordelijk voor wat hij of zij doet.

De makkelijke tweedeling tussen de goede vrouwen en de slechte mannen helpt niemand om de ingewikkelde realiteit te begrijpen. Het is een illusie te denken dat geweld zou verdwijnen, als alle mannen – per definitie de slechte groep – hun gedrag zouden veranderen. Niet alle mannen zijn daders, en sommige mannen hebben recht op begrip, steun, hulp. Dergelijke, eenvoudige schema’s bevestigen het probleem dat ze willen bestrijden, want ze bevatten nieuwe vormen van uitsluiting en ­geweld.

Vrouwelijke agressiviteit wordt niet alleen privé miskend. Heldere voorbeelden kan je evengoed in politieke ideologieën vinden. Het nazisme gaf vrouwen alleen een plaats aan de haard. Maar de NSDAP had vanaf het begin vurige aanhangsters. Zij waren fanatieke propagandisten van de nazi-ideologie en faciliteerden de oorlogsinspanning. 

Hetzelfde geldt voor de westerse vrouwen die zich bij Islamitische Staat aan­sloten. In de media worden ze weleens als naïeve, willoze volgers neergezet, misleid door mannen. Ongetwijfeld zijn er vrouwen die in de klauwen ­terechtkwamen van een netwerk waaruit ze niet meer konden ontsnappen. Net zo goed zijn sommige IS-vrouwen echte gangsters. Ze hebben zich doel­bewust en vastberaden als strijdster ­opgeworpen. Ze hebben haatpropaganda verspreid, terrorisme gesteund of zelfs fysiek geweld gepleegd tegenover ‘niet-gelovigen’, ze hebben seksslaven vastgehouden en gevangenen gemarteld.

Het is paternalistisch om te denken dat vrouwen niet tot gruwelijke daden in staat zijn. En het is ook paternalistisch om hen hiervoor niet even verantwoordelijk te houden als de mannelijke plegers van geweld.”

In ‘De Afspraak op Vrijdag’ op 12 maart 2021

Op vrijdag 12 maart was ik in “De Afspraak op Vrijdag” op Canvas met Ivan De Vadder. Andere gasten waren voormalig minister van Justitie Koen Geens en politicoloog Dave Sinardet.

De thema’s waren het drugsbeleid, de strijd tegen homohaat en de staatshervorming. Koen Geens bracht enkele voorstellen om de federale regeringsvorming te vergemakkelijken. Ook het voorstel van minister Verlinden om burgerpanels te organiseren kwam aan bod.

“Verdiensten maken mensen gelijk”, column DS 4 maart 2021

Hoe kun je tegemoetkomen aan de eisen van minder­heden zonder in identiteitspolitiek te belanden?Achter de discussie wie Amanda Gorman moet vertalen, gaan twee schrikbeelden schuil. Voor minderheden illustreert het voorval hoe ze zelden aan de bak komen. En blanke mensen ontwaren in het voorval een nieuw soort racisme: je wordt ‘wit’ genoemd (‘oude, witte man’ is het allerergste) en dus moet je zwijgen.

In deze complexe discussie helpt het om privilege, verdienste en voordeel van elkaar te onderscheiden. Westerse rechtsstaten hebben privileges zo goed als afgeschaft. Sinds de verlichting klinkt het dat alle mensen gelijk zijn voor de wet. De inherente hiërarchie ­ zoals ze tijdens het ancien régime ­bestond, werd neergehaald.

Maar tussen principe en realiteit gaapt soms een kloof. Sommige burgers behouden privileges omdat ze dankzij familiebanden, financiële middelen of hogere sociale status exclusieve rechten genieten. Zo ontsnappen ze aan geldende regels en soms aan de rechtsgang. Welke verdiensten deze mensen hebben, speelt nauwelijks een rol voor de positie die ze hebben ­bereikt. Denk maar aan de matig intelligente zoon van de president die ook president kan worden dankzij de financiële en politieke connecties van de ­vader. Of aan de frauderende fils à papa die faillissementen opstapelt, maar toch een imago van briljante zakenman kan neerzetten in een realityshow. En op zijn beurt ­president wordt. Deze voorbeelden zijn pijnlijk actueel. Naarmate dergelijke praktijken couranter zijn, is een samenleving ongelijker.

Privileges bestaan, maar niet alleen blanke mensen hebben ze. In geglobaliseerde, diverse grootsteden wonen ­geprivilegieerde inwoners van uiteen­lopende afkomst.

Je hebt ook heel wat mensen die geen privileges genieten, in de zin dat ze zich niet boven de wet kunnen stellen, en dat ze de regels in de samen­leving niet naar hun hand kunnen zetten. Die mensen hebben soms wel voordelen: ze hebben juist dat stapje voor op een groep echt achtergestelden. Ze krijgen dus meer kansen, bijvoorbeeld omdat hun ouders hoger opgeleid zijn. Een vrije samenleving doet er goed aan ook deze voordelige posities te proberen corrigeren: meer mensen moeten alle kansen krijgen, ongeacht afkomst of inkomsten. Niet alle blanke mensen ­genieten deze voordelige positie. Heel wat kinderen uit de arbeidersklasse worstelen met ongelijke behandelingen in het onderwijs, bijvoorbeeld. Hardnekkige vooroor­delen spelen daarbij een rol.

Het belangrijkste criterium voor een positie moet idealiter verdienste zijn: wat je doet of kunt, wat je geleerd hebt of waarin je ervaring hebt. Verdienste is niet gebonden aan kleur, gender, religie of andere kenmerken. De beste vertaler krijgt de opdracht, bijvoorbeeld. In een wereld waar de geprivilegieerden de plak zwaaien, weegt merite amper door. Maar aanhangers van identiteitspolitiek dreigen verdienste ook als secundair te beschouwen. Niet ­zozeer ­iemands argument telt, wel wie spreekt. Niet wat ­iemand doet, maar wie handelt, bepaalt iemands geloofwaardigheid. Identitaire hardliners spiegelen de logica van het privilege dat ze proberen te bestrijden.

Het lijkt me duidelijk dat de keuze voor Marieke Lucas Rijneveld als vertaler gewoon fout was. De selectie gebeurde niet op basis van verdienste. De eerste Nederlandse winnaar van de International Booker Prize zei in een vroeger interview ‘steenkolen-Engels’ te spreken. De aanstelling was bovendien een vorm van identiteitspolitiek: als non­binair persoon streeft de vertaler, zoals de auteur, naar een inclusieve samen­leving. Dat is gewoon een fout criterium. Ironisch genoeg deed het Rijneveld de das om, omdat ze niet in de juiste hokjes paste.

Een uitgeverij kan ook proberen om de voordelen tussen kandidaten te corrigeren. Ze kan op zoek gaan naar getalenteerde jongeren en hen desnoods mee opleiden, vooral als ze de ervaring ontberen die mensen met meer kansen nu eenmaal makkelijker hebben. Deze corrigerende houding vereist geen ideologische stellingname over groepen, maar wel een kritische kijk naar de eigen commerciële motieven. De uitgeverij wilde op korte termijn een hit scoren door de bekende naam van de vertaler te koppelen aan de bekende naam van de auteur. Dat een uitgever boeken wil verkopen, kan niemand kwalijk vinden. Dat de bekommernissen om literaire kwaliteit niet primeerden, is pijnlijk. En de gemakzucht is ontgoochelend: als het besef speelt dat meer mensen kansen moeten krijgen, zijn langetermijnvisies nodig.

Deze column verscheen in De Standaard op 4 maart 2021.

Over verdiensten en privilege schrijf ik uitgebreid in mijn laatste boek ‘Machiavelli’s Lef. Levensfilosofie voor de vrije mens‘.

“Hoop neemt een loopje met je denken”, column DS, 18 febr. 2021

“In donkere tijden lijkt hoop een ­belangrijk middel om de duisternis door te komen. Alsof uit hoop alleen het goede kan volgen. Die ­visie deel ik niet. Ik probeer hoop-vrij te zijn: gericht op wat nu wél mogelijk is. En dat betekent helemaal niet hopeloos, fatalistisch of defaitistisch door het leven gaan.

Hoop is natuurlijk verkieslijk ­boven wanhoop; in dat laatste geval geloof je niet dat iets goeds nog kan gebeuren. En natuurlijk is hoop soms onafwendbaar, als de nood hoog genoeg is. Het voorbije jaar heb ik eenmaal heel intens iets gehoopt. Alleen merkte ik vooral hoe verloren ik eigenlijk was. Het hoopvolle gevoel projecteerde me naar een toekomst die alleen in mijn verbeelding bestond. Hopen is verlangen, terwijl de vervulling van je hoop niet van jezelf afhangt. Wat biedt de hoop dan eigenlijk? Zeker geen vrijheid. De stoïcijnen, de epicuristen, filosofen als Spinoza of ­Camus keken met argwaan naar discours waarvan hoop de hoeksteen uitmaakte. Er bestaat geen hoop zonder angst en geen angst zonder hoop, aldus Spinoza in de Ethica. Aan ­beide ligt ­dezelfde onzekerheid ten grondslag. Terwijl je hoopt, vrees je dat het slecht afloopt, en als je bang bent, hoop je ­tegelijk dat je angst geen werkelijkheid wordt. Als je hoopt, ben je dus niet echt vrij. De stoïcijnen denken er net zo over: de wijze vreest niets en hoopt niets. Hij verlangt alleen wat is, en ­geconfronteerd met dingen die tegenvallen, doet hij wat hij kan om de situatie te veranderen.

Hoop kan samenhangen met een theologisch perspectief. Het is een christelijke deugd, naast ‘caritas’ (naastenliefde) en ‘fides’ (trouw); ­hopend verwachten de gelovigen Gods werking, vol vertrouwen op een eeuwig leven na de dood. Niet toe­vallig geloven de critici van de hoop niet dat er een welmenende, beschermende God is, tot wie je je gebeden kunt richten. Volgens Camus worden hoop en geloof al te vaak ingeroepen om onaanvaardbaar lijden goed te praten. Zijn afkeer van de hoop heeft precies met een woede over onrecht te maken. Hopen lijkt dan een vorm van berusting, en dat gaat tegen het leven zelf in. Wie door de omstandigheden wanhopig wordt, is laf, maar wie in de menselijke conditie hoop kan vinden, is goed gek, aldus Camus.

De theologische grondslag van de hoop is ook in de politieke verbeelding te vinden. Begin 17de eeuw leidde de puriteinse advocaat John Winthrop groepen kolonisten naar het beloofde land Amerika als ‘a city upon a hill’, een hoopvol toevluchtsoord voor christelijke gelovigen. De uitdrukking refereert aan ­Jezus’ Bergrede. Intussen ­behoort ze tot het politieke zelfbeeld: Amerika is een uitzonderlijk land (American exceptionalism), een baken van hoop voor de rest van de wereld. Heel wat presidenten – van John F. Kennedy over Ronald Reagan tot Barack Obama – verwijzen ernaar. Hope is een belangrijk retorisch middel om die bijzondere missie te onderstrepen. En praten over hoop geeft hoop. Alsof je al een stap hebt gezet in de richting van een betere wereld. Hoe kan je bijvoorbeeld niet meegesleept worden door het gedicht van Emily Dickinson, waarin ze hoop het ding met veren noemt, een ­vogeltje, dat in je ziel neerstrijkt, nooit stopt en nooit om iets terugvraagt?

Hoe krachtig dit ook lijkt, het verwijzen naar hoop komt met politieke nadelen. Vanaf het begin waren Amerikanen blind voor het leed dat ze de inheemse bevolking aandeden, voor de gevolgen van de slavernij, en later nog, voor de gevolgen van het Amerikaanse beleid ­elders ter wereld.

Heel wat politieke activisten prijzen de hoop wel als stimulerend. Katrin Swartenbroux citeert Rutger Bregmans motivatie in De Morgenom een hoopvol mensbeeld te schetsen. Hij is de zoon van een protestantse dominee, maar ­gelooft zelf niet meer. De hoop heeft hij behouden, omdat mensen de maatschappij zelf moeten verbeteren. Ze kunnen niet op een goddelijke kracht rekenen.

Dat laatste standpunt deel ik. Maar het is niet de hoop die daadkracht geeft, het geloof in daadkracht – mensen hebben een vrije wil, ze kunnen de samenleving deels vormgeven – geeft hoop. Dat is de volgorde. Hoop is mogelijk, want ik kan handelen. Maar hoop is geen voorwaarde om na te denken of te handelen. Dat lukt ook vanuit een scherpe gerichtheid op het hier en nu.

De vraag is niet alleen wat jij met hoop kunt, maar ook wat de hoop met jou doet. Hoop kan je ook iets ont­nemen: de gelegenheid om echt na te ­denken over de situatie waarin je je ­bevindt. Welke normale toestand moet bijvoorbeeld terugkeren na de pandemie: hetzelfde hectische leven, dezelfde consumptiepatronen, dezelfde intru­sieve houding tegenover de natuur?”

Deze column verscheen op donderdag 18 februari 2021 in De Standaard.