‘Nietzsche wordt vaak ten onrechte geciteerd bij toxische positiviteit’, Radio 1, 18 januari 2023

In ‘De wereld van Sofie’ wijdt Sofie Lemaire een hele aflevering aan ‘toxische positiviteit’, de idee dat je altijd positief moet blijven, wat je ook overkomt. Ook Nietzsches denken kwam aan bod:

“What doesn’t kill you makes you stronger” is een uitspraak die wordt toegeschreven aan Friedrich Nietzsche. Maar klopt dat ook? En bedoelde Nietzsche daarmee wat wij ermee bedoelen? “Hij wordt vaak geciteerd bij toxische positiviteit, maar daarmee doe je geen recht aan wat Nietzsche met die zin bedoelde”, zegt Filosofe Tinneke Beeckman. “Hij verbindt de zin aan een eigen ontwikkeling, namelijk dat hij de zoon was van een dominee, en dat hij erg ziek was geweest.” Voor Nietzsche betekende de zin dat je door een moeilijk moment, anders kijkt naar de waarde die je hebt. “Dat was voor hem een erg belangrijk moment.” Nietzsche onderscheid daarmee de verschillende levenshoudingen die je kan aannemen. 

“De vraag is niet alleen welke waarden we hebben en of die goed en slecht zijn, maar ook waar deze waarden vandaan komen”, zegt Beeckman. “Dan maakt hij het onderscheid tussen een levensbevestigende houding (waarbij je het leven omarmt met alles wat erbij hoort) en een levensontkennede houding (hierbij minacht je het leven).” Het Christendom ging Nietzsche verbinden met het levensontkennende, en hij wilde zich hiervan distantiëren. Beluister het fragment.

In ‘De Afspraak op Vrijdag’ op 13 januari 2023

Samen met Fouad Gandoul (columnist) en Nadia Naji (voorzitster Groen) was ik te gast bij Ivan De Vadder, op canvas, op vrijdag 13 januari.

We hadden het over de deal die de federale regering sloot met Engie (oa over nucleair afval), over asielzoekers in Brussel, en over ‘Het verhaal van Vlaanderen’.

Wat de canon juist betekent, leg ik hier uit.

“Zijn we veranderd door de coronapandemie?” Filosofisch Elftal, Trouw, 23 december 2022

Door Maurice Van Turnhout, verschenen in Trouw op 23 dec. 2022.

“In het Filosofisch elftal legt Trouw een actuele vraag voor aan twee filosofen uit een poule van elf. Vandaag: dit weekend vieren we Kerstmis zonder coronalockdown, betekent dat ook een terugkeer naar het Oude Normaal?

“Hoewel ik hoopte dat we er beter van zouden worden, heeft het ons eigenlijk slechter gemaakt”, constateerde James Kennedy in zijn column in deze krant. Hij had het over drie jaar coronapandemie.

In de zomer van 2020 was de angst voor het virus vermengd met hooggespannen verwachtingen. Met Covid-19 zouden er tal van sociaal-maatschappelijke veranderingen mogelijk worden, herinnerde Kennedy zich: de lucht zou schoner worden door minder (vlieg)verkeer; het vertrouwen in de overheid zou toenemen; er zou zelfs een nieuw gevoel van solidariteit worden opgewekt.

Nu vieren we de eerste Kerstmis sinds 2019 zonder beperkende maatregelen. Zijn we veranderd door de pandemie, en zo ja, in welk opzicht?

“Inderdaad zou je tijdens de pandemie een toename van solidariteit hebben verwacht”, zegt Tinneke Beeckman, filosoof en columnist. “Tijdens grote rampen zijn mensen eerder solidair met elkaar, ze hebben dan hun prioriteiten beter op een rijtje en komen makkelijker tot samenwerking. Schrijver Rebecca Solnit concludeerde dat in haar boek A Paradise Built In Hell.”

Vast in hun bubbel

“Maar ze sprak daarin vooral over aardbevingen, branden en orkanen, en zulke rampen verschillen wezenlijk van pandemieën. Tijdens een pandemie wantrouw je de ander, want die kan het virus bij zich dragen. Door de aard van de pandemie raakten mensen vereenzaamd, ze kwamen vast te zitten in hun bubbel, ze brachten meer tijd op sociale media door dan goed voor hen was.”

“De grootste verandering van de coronapandemie is dus dat niet de solidariteit, maar de polarisatie is toegenomen – en dan vooral de polarisatie tussen burgers en overheid. Die polarisatie heeft de overheid ook aan zichzelf te danken. Het taalgebruik van politici jegens vaccinweigeraars was vaak bikkelhard, de Belgische premier De Croo zette die mensen a priori weg als egoïstisch en asociaal.”

“Er werd geen rekening gehouden met de verscheidenheid aan motieven die mensen konden hebben om zich niet te laten vaccineren. Velen ervoeren de coronamaatregelen als onrechtvaardig, en toen ze er ook nog eens van werden beschuldigd dat ze het slecht voorhadden met de samenleving, werd hun verzet tegen de overheid deel van hun identiteit. Mensen die tijdens de pandemie in verzet kwamen tegen de maatregelen wantrouwen nu ook de overheid als het gaat om klimaatwetten of steun aan Oekraïne.”

Filosoof en schrijver Désanne van Brederode denkt dat hiermee iets aan het licht kwam dat al jaren aan de hand was. “Deze mensen voelden zich al niet gehoord door instanties, ze waren al langer apolitiek. Ik wil ze niet allemaal over één kam scheren, maar veel Nederlanders die zichzelf ‘spiritueel’ noemen leidden jarenlang een prima leventje zonder zich met politiek bezig te houden en zonder dat de politiek zich al te veel met hén bemoeide. Die mensen hebben de coronamaatregelen als een enorme inbreuk op hun vrijheden ervaren, ze schrokken zich een hoedje dat hun harmonieuze bubbel werd doorgeprikt en ze ineens op verantwoordelijkheden als burger werden aangesproken.”

Marionetten van een alternatieve macht

“Rattenvangers als Thierry Baudet zagen in die groep een enorm kiezerspotentieel, mensen die je verder kon volstoppen met wantrouwen over klimaat, Oekraïne, de Europese Unie. Deze boze burgers wijzen trots de gevestigde macht af, maar ondertussen zijn ze marionetten geworden van een alternatieve macht die zich warm loopt. Ze zijn ook niet meer terug te halen, vrees ik. Politiek is voor hen intrinsiek het kwaad geworden.”

“Ik wil het leed niet bagatelliseren van bijvoorbeeld kleine ondernemers die tijdens de lockdowns hun bedrijf op de fles zagen gaan, en er zijn absoluut fouten gemaakt door politici bij het implementeren van de coronamaatregelen, maar als mensen die maatregelen vergeleken met een dictatuur of oorlogssituatie dacht ik vaak: stap eens een azc binnen en vraag dáár eens wat mensen hebben meegemaakt.”

Schrijnende toestanden

“Dan begrijp je dat het allemaal reuze meevalt. Ik hoorde van een vriendin uit Iran dat de leiders daar deden alsof er helemaal geen virus bestond, en welke schrijnende toestanden dát opleverde. Bij Syrische vluchtelingen proefde ik vooral dankbaarheid dat het virus in Nederland zo grondig werd aangepakt.”

Beeckman: “De manier waarop politici ervoor kozen om schuld en schaamte op te wekken bij de bevolking was in zekere zin effectief, daardoor lieten veel mensen zich vaccineren. Maar zo’n houding wekt onvermijdelijk ressentiment. Rebecca Solnit signaleerde al dat solidariteit bij rampen afneemt wanneer politieke elites in paniek raken, te paternalistisch optreden en te weinig vertrouwen hebben in de kracht van burgers. Dat wantrouwen wordt dan teruggekaatst naar de overheid.”

Helende retoriek

“Vertrouwen kan je terugwinnen door mensen inspraak te geven in burgerraden, vaak ook op lokaal niveau. Vertrouwen heeft een sterke fysieke dimensie: mensen moeten elkaar kunnen ontmoeten. Tijdens de pandemie kon dat logischerwijs niet, alles was immers op afstand geplaatst. Daarom is het broodnodig dat de overheid haar fouten in die periode toegeeft en tot een helende retoriek komt, waardoor mensen zich weer betrokken voelen bij de samenleving.”

“Ik maak me vooral zorgen om de politiek afwijzende houding bij jongeren. Tijdens de pandemie hadden zij grosso modo meer last van de maatregelen dan van het virus: scholen waren dicht, ze konden niet samenkomen, ze konden niet weg van hun ouders om te wereld te ontdekken, ze konden enkel een schijnleven leiden op sociale media. Klachten over mentale gezondheid zijn toegenomen, de wonden van die periode zijn nog altijd niet geheeld.”

Van Brederode: “Als jonge mensen mentale klachten krijgen van vertraging, dan is dat probleem veroorzaakt door eerdere generaties. Die hebben namelijk een cultuur gecreëerd met allerlei onuitgesproken aannames: een feestje is pas een feestje met meer dan vijftig gasten, vakantie moet per se aan de andere kant van de wereld worden gevierd, alles moet snel en overdadig en spectaculair.”

“Het leven onder de coronamaatregelen was absoluut zwaar en zorgelijk, maar ik mis wél die vertraging. Contacten waren zo gerantsoeneerd dat je bij gesprekken meer de diepte in ging, je had de tijd om ontmoetingen te laten bezinken. En nu kan dat niet meer, omdat het jachtige leven weer is begonnen.”

Verandering, versobering, vertraging

“Denkers als Hartmut Rosa pleiten al jaren voor vertraging: het gaat mis in onze maatschappij als we wél eisen dat mensen bewuste keuzes maken maar ze niet de tijd krijgen die daar voor nodig is. In de zomer van 2020 hing er iets in de lucht van verandering, versobering, gezonde vertraging. Waarom helpen we elkaar niet om die vertraging vast te houden, waarom zien we die verandering niet meer terug in de maatschappij? We hebben het er liever niet meer over, we zijn overgegaan tot de orde van de dag.”

“Waar zijn de verbindende verhalen over zwangerschap en moederschap?” column DS, 22 december 2022.

“Als je zwanger wordt, krijg je drie verhalen over moederschap te horen, die je doorheen de ervaring moeten loodsen. Er is het romantische verhaal: je kan een roze wolk verwachten. Op de fysieke uitputting of de radicale mentale aanpassing word je minder voorbereid. Wat je wel kan doen, is gaan shoppen: van de juiste doekjes en de gepaste meubelen tot de beste yoga-lessen. Een goede moeder koopt de juiste spullen! En dan zijn er psychologische diagnoses voor vrouwen die het te lastig hebben. Geen van deze drie opties vatten echter wat zwanger-of moederschap betekent. Ze herleiden de beleving tot een individuele uitdaging, wat het slechts ten dele is. Zo loopt het in een cultuur die amper gedeelde verhalen heeft over kernmomenten in het leven. Zo’n verhalen ontbreken; ze verbinden vrouwen doorheen generaties en zelfs culturen. Door zo’n vertellingen besef je dat je er niet helemaal alleen voorstaat; kinderen op de wereld zetten is letterlijk zo oud als de mensheid. Goede verhalen drukken ook de ambivalenties van zwanger-en moederschap uit; ze geven de mooie, maar ook hartverscheurende momenten weer. 

Ik denk bijvoorbeeld aan het klassieke verhaal van Demeter, godin van de landbouw en inspirator van de Eleusische mysteriën – de meest heilige en geheime religieuze rituelen in het Oude Griekenland. Demeter is ook de moeder van Persephone. Toen Persephone bloemen aan het plukken was, splitste de aarde open en verscheen Hades, de god van de onderwereld. Hij ontvoerde haar en maakte haar tot zijn vrouw. Demeter was radeloos. Maar niemand hielp haar om haar dochter te vinden. Woedend en verdrietig trok ze zich in een tempel terug. Haar rouw deed alle bomen en planten sterven. Hongersnood brak uit, en de goden ontvingen geen offers meer. Zeus gaf eindelijk toe, en verenigde moeder en dochter. Eén seizoen per jaar moest Persephone echter bij haar man doorbrengen; dat is de winter. In het verhaal komen heel wat gevoelens samen: verlatenheid, liefde, overgave, woede, verdriet. Demeter is geen passieve toeschouwer. 

Dergelijke verhalen zijn schaars. In de christelijke wereld is er Maria, die haar zoon vol toewijding opvoedt, en, in een later stadium, volgt. Die reis was uitputtend en pijnlijk – ze mocht haar zoontje in de tempel gaan ophalen, dat weten we – maar de goddelijke kracht maakt elke inspanning schijnbaar moeiteloos. Heiligheid creëert een afstand die onoverbrugbaar wordt. De gelovige kan Christus wel proberen na te volgen (‘imitatio Christi’), maar zal hem nooit evenaren. Het beeld van de zuivere, naar het woord van Thomas van Aquino, gelukzalige en waardige moeder helpt vrouwen niet écht. Integendeel, dat toonbeeld moeder vereenzaamt: wie tekortschiet, heeft het aan zichzelf te wijten. 

Feministes hebben de idee van de natuurlijke moeder – die meteen alleen liefde voelt en altijd weet wat te doen – al doorprikt.  Elisabeth Badinter, bijvoorbeeld, wees jaren geleden al op de maatschappelijke context van moederschap. De idee van de natuurlijke moeder heeft mannen jarenlang van hun betrokkenheid bij de opvoeding ontheven. Dat is aan het veranderen. En Elena Ferrante of Rachel Cusk tonen hoe beroerd het moederschap kan zijn. 

Maar daarmee zijn er nog geen verbindende verhalen. In deze onttoverde wereld hoor je als zwangere vrouw vooral de taal van de wetenschap, van tests en scans. De wetenschap heeft natuurlijk fantastische sprongen gemaakt, die de levenskwaliteit hebben verbeterd. Alleen zijn er geen woorden voor de beleving zelf. Die hoor je als zwangere vrouw ook niet bij  professionele medische begeleiders. Het lijkt zelfs een blinde vlek; alleen het fysieke lichaam telt.

Moederschap wordt nog meer een individuele ervaring, omdat het in een soort economische logica wordt opgenomen. Krijg je voldoende terug van je investering? Past het in jouw levensplan? Hoe moet je erin uitblinken? Een mens moet al presteren op het werk, en nog de perfecte ouder worden. Straks moet iedereen zijn leven laten evalueren door een of andere hoofdaccountant. Dat geldt evengoed voor vrouwen zonder kinderen, die zich lijken te moeten rechtvaardigen voor keuzes of lotgevallen die niemand wat aangaan.   Als je wel kinderen hebt, dan lijkt ouderschap me bij uitstek een moment tussen generaties, dat je leert met je eindigheid om te gaan. Je vervult die rol naar best vermogen, al het andere neem je erbij. En dan is het, noch Demeter noch Maria zullen me tegenspreken denk ik, een uitzonderlijke en een wonderlijke ervaring. “

‘Maak je een fout? geef het toe en laat het los. Zonder verwijten, zonder berouw’ – kleine levensles, voor Klara

Radio Klara verzamelt ‘kleine levenslessen‘; korte stukjes waarin mensen een kleine, werkbare levenswijsheid meegeven.

De mijne gaat over zelfverwijten en berouw na een fout. Eerlijk aan jezelf toegeven dat je even de mist inging, is veel beter dan excuses zoeken of anderen verwijten. Maar ook beter dan jezelf slecht te blijven voelen. Soms ben je gewoon niet wie je dacht dat je was. Geef het toe, en laat het los.

Dat is niet altijd even makkelijk… het lijkt mild excuses te bedenken. maar dat is het niet.

De korte levensles bevat geen verwijzing naar filosofen. Maar voor de liefhebbers: ik pas de principes van Spinoza’s Ethica toe.

“Wat me niet ombrengt, laat me beter leven”, column DS, 8 december 2022

Deze column verscheen in De Standaard op 8 december 2022.

Positief denken voelt vandaag de dag als een verplichting. Zelfs bij zware tegenslag moet je denken dat je er sterker uitkomt. In veel gevallen lukt dat echter niet, legt Lisanne van Sadelhoff uit in haar artikel, dat de dwang tot positiviteit terecht aankaart. Er is geen ruimte voor gevoelens die met verlies gepaard gaan, zoals verdriet, angst of woede. 

Het positiviteit-discours komt vaak met Nietzsches aforisme, dat in het begin van ‘Afgodenschemering’ staat: ‘wat me niet ombrengt, maakt me sterker’. Wie verder leest, merkt echter dat Nietzsche helemaal geen dwangmatige positiviteit nastreefde, integendeel. Sterker nog, zijn kritische filosofie geeft een helder inzicht in wat een levensbevestigend ethos echt betekent.

Nietzsche introduceert de genealogie als methode: de vraag is hoe waarden tot stand komen. De vraag is dus niet alleen welke waarden juist of goed zijn, maar hoe je bepaalt welke waarden je nastreeft. Onuitgesproken bepalen twee krachten de dominante waardeschalen, aldus Nietzsche: je kan een levensbevestigende houding aannemen – dan omarm je het leven zoals het is, en al wat daarbij hoort (zelfs het manifest onaangename). Of je hebt een levensontkennende houding – dan minacht je het leven zelf. Nietzsche verbindt ressentiment met die laatste houding, dat hij bij uitstek in het christendom ontwaart. De idee dat seksualiteit iets onreins is, bijvoorbeeld, volgt uit die afkeer voor het aardse; alsook dat de mens zelf de oorzaak is van zijn lijden (door de erfzonde). Bij het leven horen onzekerheid, lichamelijkheid en eindigheid … het christendom plaatst hier stellige zekerheden, ascetisme en een hemel als beloning voor het aardse lijden tegenover. Zo wordt dat geloof ‘de verbeteringsmachine van de zondige mens’. Die verdorven mens krijgt voortdurend voorgespiegeld hoe hij zou moeten zijn. Dat ideaalbeeld verschilt zo van hoe hij is, dat hij zich schuldig, beschaamd, nederig en klein voelt.

Nietzsche, zoon van een dominee, herkende de christelijke waarden en het ressentiment diep in zichzelf. Hierover gaat de overwinning op tegenslag waar je beter zou uitkomen: in een lange periode van ziekte (zware migraine, enz.) leerde de filosoof in zichzelf de levensontkennende strevingen te onderscheiden. In die beweging, schrijft hij, ‘buit een geslaagd mens vervelende voorvallen tot zijn eigen voordeel uit; wat hem niet ombrengt, maakt hem sterker.’ En ‘dat ik vrij ben van ressentiment, wie weet hoe zeer ik ook in dat opzicht dank verschuldigd ben aan mijn lange ziekte!’ (uit ‘Ecce Homo’). 

Tegenover het ressentiment stelt Nietzsche ‘amor fati’, liefde voor het lot: wat je ook doet, je bent je voortdurend bewust van het kwetsbare, breekbare, vergankelijke, dat eigen is aan het leven. En je aanvaardt het, omdat het leven op die manier de moeite waard wordt. Zo wordt liefhebben genoeg van iemand houden om een gebroken hart te willen hebben als het afloopt. Eindigen doet het onvermijdelijk, vrijwillig of onvrijwillig. Liefde is dus geen zoektocht naar een ‘goed gevoel’, en verdriet is geen springplank naar persoonlijke winst. Dit is ware moed: de realiteit in het aangezicht kijken, en er van houden.  Nietzsche filosofische motto is dan ook niet ‘de eeuwige vooruitgang’ of ‘de eeuwige groei’, maar ‘de eeuwige terugkeer van het gelijke’: dat je wat bestaat, zo omhelst, dat je niet wil dat de dingen anders zijn dan ze zijn. De voordelen van tegenslag kunnen dus betekenen dat je onvermoede kwaliteiten in jezelf ontdekt en je waardeschaal herbekijkt. Maar die herijking neemt het lastige, het onaangename niet weg, en ze belooft er ook geen compensatie voor. 

Je kan met Nietzsche zelfs naar de positiviteitsdwang kijken als een nieuw verhaal van ressentiment. Dat wie niet mee kan, een kwaad geweten mag worden aangepraat, zodat die persoon schuld en schaamte voelt over het eigen onvermogen. Dat de ideale mens de neiging tot verdriet, verlies of woede in zichzelf kan en moet ontkennen. Dat het individu zijn lot beheerst, als het zich maar voldoende disciplineert. Moed wordt dan altijd maar verder doen, tegen elke nuchtere realiteitszin in. Wie zo’n positiviteit aanprijst, spiegelt zijn eigen verlangen om verdriet en eindigheid te kunnen controleren. Of om ze te kunnen compenseren, alsof er een wereld mogelijk is waarin elk lijden betekenisvol en zelfs nuttig wordt. Dat is de ontkenning van het leven zelf.

Dat elke tegenslag tot persoonlijke groei lijkt, klopt dus niet. Bij blijvende trauma’s, onherstelbaar verlies of een nakend levenseinde is het zelfs een absurde veronderstelling. Nietzsche reageerde tegen geïdealiseerde verhalen, die een beloning voor pijn en lijden voorstellen. Ironisch genoeg is zijn eigen aforisme een deel van de fabel geworden; van het verhaal dat een individu zijn leven helemaal in de hand heeft, als hij maar hard genoeg probeert. 

“Ook stabiele democratieën kunnen ontsporen. Geleidelijk, en dan ineens snel”, column DS 24 nov. 2022

Soms nemen politici beslissingen die manifest schadelijk zijn voor hun land. Iedereen ziet het, iedereen weet het. Neen, ik heb het niet over ideologische keuzes, die vanuit een ander perspectief (links of rechts) aanvechtbaar zijn. Zulke maatregelen zijn in principe omkeerbaar, of minstens veranderlijk. Ik denk aan een lange reeks rampzalige besluiten, die een land naar de afgrond duwen. Zo’n onheilspellend spektakel doet me twijfelen aan een geruststellende overtuiging: dat elke regering of overheid voldoende instellingen en procedures heeft om irrationele, destructieve beslissingen tijdig te corrigeren. 

Het moderne politieke denken is op deze gedachte gebaseerd: mensen zijn niet volstrekt rationeel, maar wel redelijk genoeg om hun eigenbelang doorheen de tijd juist in te schatten. Dat meende Thomas Hobbes, bijvoorbeeld, de vader van de liberale contracttheorie. Stel je voor dat mensen zonder politieke structuren leefden, schreef Hobbes. Ze zijn irrationeel; angstig, ijdel, lui, hebzuchtig. Daarom zijn ze in een oorlog van allen tegen allen verwikkeld. Maar zodra ze hun overlevingskansen op termijn inschatten, denken ze ‘prudentieel’: ze beseffen redelijkerwijze dat ze beter samenwerken, hun soevereiniteit aan een politieke leider overdragen en aan wetten moeten gehoorzamen. Een diep verlangen naar zelfbehoud behoedt mensen dus voor funeste scenario’s. Of toch niet?

In A March of Folly. From Troy to Vietnam (1984) onderzoekt historica Barbara Tuchman de verborgen dynamiek van de zelfvernietiging waartoe politieke oordelen kunnen leiden: de Trojanen die het houten paard van de Grieken in hun stad binnenlaten, de Britten die hun Amerikaanse kolonie verliezen in 1776 en de Amerikanen die een oorlog in Vietnam voeren.  

Tuchman ontdekt drie voorwaarden voor politieke destructie: overdreven machtsconcentratie aan de top; een morrend volk dat wordt genegeerd, en incompetente, decadente leiders die kunnen blijven regeren. Tuchman bespeurt deze combinatie ook bij het bewind van zes oppermachtige Renaissance-pausen, die aan het hoofd stonden van de Pauselijke Staten in Midden-Italië: Sixtus VI tot Clemens VII. In enkele decennia – van 1470 tot 1530 – leidt hun beleid tot de protestantse afscheuring. Deze extravagante pausen zijn oorlogszuchtig; ze spenderen fortuinen aan luxe. De geldkas vullen ze door religieuze titels en privileges te verkopen. Verder verwaarlozen ze hun religieuze missie. Daarom blijven diepgelovige christenen ontmoedigd en verweesd achter. Maar de hogere prelaten blijven doof voor het ongenoegen bij de bevolking. Kortom, ze jagen eigen wereldlijke ambities na, zonder intern of extern te worden tegengesproken. Aan hun corrupte hof gedijen buigzame geesten, terwijl integere dienaars verdwijnen. 

Hun ergste fout is hoogmoed: ze wanen zich onaantastbaar. Dat hun machtige instituut zou wankelen, lijkt hen ondenkbaar. Juist omdat ze hun organisatie ‘too big to fail’ achten, wordt de scheuring onafwendbaar. Ze geloven dat de macht-cenakels hen wel zullen blijven beschermen, waardoor ze ettelijke gelegenheden missen om orde op zaken te stellen. 

Democratieën hebben natuurlijk bij uitstek dammen tegen machtsmisbruik opgeworpen. De bevolking heeft inspraak en leiders hebben beperkte macht. Verkiezingen faciliteren machtswissels. In een rechtsstaat is iedereen – elke instelling, elke politicus, elke burger – aan de wet onderworpen. 

Toch ontsporen ook democratieën. Dat kan gebeuren wanneer instellingen de machtshonger van een kleine groep niet meer afremmen. Wetten en instellingen moeten voortdurend worden vernieuwd, bijgeschaafd, en herdacht of ze verzwakken. Daarvoor zijn alerte burgers nodig: zij moeten politieke deugdzaamheid, ‘civic virtue’, bezitten. Die deugdzaamheid impliceert een blik op het algemeen belang. Maar zodra burgers onverschillig worden of sympathie voelen voor wie ongehinderd alleen aan zichzelf denkt en de boel belazert, staan de vrijheid en de res publica op het spel. ‘Civic virtue’ is dan ook een cruciaal thema in de politieke filosofie: Cicero, de ‘Founding Fathers’ van de Amerikaanse republiek, denkers als Alexis de Tocqueville; allen wilden burgers die het woord namen op de agora en actief aan de res publica deelnamen.   

Wie de systematische afbraak van een politiek bestel aanziet, heeft niet veel opties. Vaak richten mensen hun hoop dan op één man, suggereert de Romeinse geschiedschrijver Livius. Zo’n sterke leider moet de scheefgetrokken verhoudingen corrigeren. Maar zo’n leider verschijnt zelden. De realiteit is dat Cincinnatus’ verhaal zo gekend is, omdat hij uitzonderlijk was. De realiteit, leert een andere Romeinse historicus, Tacitus, is dat wie de macht het felst begeert, het minst geschikt is om haar in handen te krijgen. Zo kan het schijnbaar ondenkbare dus gebeuren: dat een redelijk, goedgefundeerd en stabiel politiek bestel ten einde komt. Bankroet komt in twee fases, stelt Ernest Hemingway in zijn roman ‘The Sun Also Rises’: ‘Gradually and then suddenly’. 

Deze column verscheen in De Standaard op donderdag 24 november 2022.

“Laat de heren maar brullen op sociale media”, column DS, 10 nov. 2022

“Het gaat er al een tijdje hard aan toe in het publieke debat. Ik weet het, (vooral) heren: ‘het is altijd zo geweest; vroeger was het nog scherper; en, ja zeker, mijnheer, ‘if you can’t stand the heat, stay out of the kitchen’.  Blijft de vraag: waarom zou je in die logica willen meegaan? Waarom zou je toch aan het debat willen deelnemen, als je kan worden weggezet met stropop-redeneringen, als je reputatie kan worden besmeurd met halve waarheden en wat echte sneren? Ook wie over polarisatie klaagt, doet er vaak aan mee, overtuigd van het eigen grote gelijk en de eigen heilige zaak. Dan lijkt een stevige uithaal legitiem, zodat de opponenten zwijgen. Begrijpelijk dus, dat veel mensen zich terugtrekken uit het debat. Vrouwen doen dit vaker dan mannen – redacties van duidingsprogramma’s, bijvoorbeeld, erkennen dat ze moeilijk vrouwelijke experts vinden. Die experts aanschouwen de leeuwenkuil en denken met Leonard Cohen: ‘duck!’ 

En toch. De publieke wereld is de gemeenschappelijke, gedeelde wereld. Daaraan moet je in vrijheid kunnen bijdragen. Hoe kan je tewerk gaan?  

Een eerste vraag is wat je wilt bereiken door te spreken. Wat is je motief? Het ongelijk van de andere aantonen? Of wil je een idee aandragen? Voor mij geldt dat laatste: heb ik een (filosofisch) idee waarvan ik denk dat het in een debat nuttig kan zijn? Dan probeer ik dat uit te werken. Nadenken over je motieven blijft cruciaal. Voor je het weet, gaat je eigen betweterigheid of ijdelheid met jou aan de haal. Dat is menschliches, allzumenschliches,… Tegelijk is zwijgen altijd een optie.  Ik voel me niet verplicht om over alles een mening te hebben. 

Wanneer scherpe, harde oordelen in het rond vliegen, lijkt het toegelaten om in hetzelfde register te vervallen. Maar doe jezelf een plezier, en laat morele oordelen, persoonlijke aanvallen of intentieprocessen achterwege. Uiteindelijk keren ze zich tegen jou. Die reactie vraagt soms enige koelbloedigheid: met een vileine respons kan je wellicht meer ophef creëren dan met een rustig antwoord. Ophef genereert aandacht, en dat lijkt (helaas) het hoogst waardevolle goed in het publieke domein. Toch geloof ik dat de zoektocht naar ophef op termijn met een hoge prijs komt. Nogal wat mensen hebben het gehad met zo’n polemieken. Ze keren zich af van de (sociale) media. Ook dat begrijp ik. Juist daarom moet je je uitdrukken op een manier die de pluraliteit ten goede komt. 

Ten derde kan je het effect van je interventies nooit helemaal inschatten. Dat geldt niet alleen voor je boodschap, maar ook voor je imago. Als je in het publieke spreekt, ontsnap je altijd een beetje aan jezelf. Je weet niet hoe anderen jou percipiëren. In ‘de menselijke conditie’ gebruikt Arendt het beeld van de daimon in de Griekse godenleer. Die begeleidt elke mens als een schaduw; hij kijkt van achter, over de schouder en is slechts zichtbaar voor wie hij ontmoet.  Arendt maakt een onderscheid tussen wie iemand is (de persoon zoals die zich toont in zijn handelen en spreken), en wat iemand is (zijn naam, identiteit, eigenschappen). Wie je bent, verandert voortdurend, naarmate je je toont. En wie anderen dan zien, kan jij niet plannen of controleren. Die zelfonthulling houdt een risico in. Arendt beschouwt publiek optreden dan ook als een moedige daad. Ze sprak deels uit ervaring. Nu is ze een gerenommeerde filosofe, maar tijdens haar leven heeft ze felle stormen moeten doorstaan. 

Tot slot valt je publieke rol niet samen met je private zelf. Je spreekt over een thema als filosoof, econoom, landbouwer, leraar etc. Dat onderscheid tussen het publieke en het private (het intieme) helpt om te blijven spreken. Één van de redenen waarom kritiek op sociale media zo hard aankomt, is dat mensen er ook hun private leven onthullen – ze vertellen grappige, aandoenlijke verhalen over hun kinderen, relaties, hobby’s, etc. Wanneer ze op dat forum kritiek krijgen, ervaren ze dat makkelijk als een persoonlijke aanval. Het lastige is dat mensen op allerlei manieren worden aangespoord om hun private zelf (en hun ego) in de markt te zetten: ‘vertel jouw verhaal’. Maar je moet aan die verleiding weerstaan. In de afstand vrijwaar je je vrijheid. Dus voor wie aarzelt om zich te laten horen: Laat de heren over het warm fornuis brullen en doe rustig verder met je eigen werk. Het ligt niet in je macht te beslissen wat anderen denken of doen. Maar je kan wel voor jezelf uitmaken welke rol je wil spelen. Verder kan je alleen hopen op het beste, maar je op het ergste voorbereiden. “

Deze column verscheen in De Standaard op 10 november 2022.

‘De rol van technologie op politieke polarisering’, column DS, 27 okt. 2022

Deze column verscheen in De Standaard op 27 oktober 2022

“Zaterdag werd Giorgia Meloni de nieuwe premier van Italië. Ze heeft harde standpunten over migratie, gender, identiteit. Er vloeide al veel inkt over de vraag of ze een (post)fasciste is en welke morele houding Meloni’s verkiezing moet oproepen. Opvallend is ook dat ze technologische rationaliteit als een probleem benadert. Een mens is niet herleidbaar tot een nummer, niet inzetbaar voor speculatie van financiële markten, onderstreepte Meloni in een van haar beruchte speeches; elke mens heeft een unieke, heilige waarde. Meloni breidt die analyse – die al bij een christelijk denker als Bernanos terug te vinden is – uit naar de natie: elke natie, de hele Europese samenleving wordt door deze uniformiserende tendens bedreigd.  

Los van haar precieze analyse of haar beleidskeuzes bespreekt Meloni iets wat in veel ideologische profileringen onderbelicht blijft: hoe technologische ontwikkelingen het partijpolitieke landschap doorkruisen. 

Technologie is politiek gezien niet neutraal – ze creëert winnaars en verliezers. Ze structureert productieprocessen en creëert controlemiddelen. Die impact leidt tot meerdere vragen. Op welke manieren werkt technologische evolutie positief of negatief voor burgers? Hoe kunnen politici de negatieve impact van technologie op de samenleving opvangen? En kan dat lukken? Of heeft de huidige crisis in de democratie ook met moderne technologie te maken? Wat als de macht van technologie uiteindelijk buiten de democratische controle valt? 

Die laatste vraag werd na de Eerste wereldoorlog door Ernst Jünger – en later Heidegger – gesteld. Zij keren zich tegen de Duitse Weimar-democratie, onder meer omdat die het probleem van de technologie in een massatijdperk niet zou beheersen. Voor Heidegger kent de moderniteit een berekenende rationaliteit die de oorspronkelijke relatie van de mens tot het zijn verduistert. Heidegger hoopte even dat Hitlers nationaalsocialisme deze evolutie van ‘zijnsvergetelheid’ zou keren. In recent gepubliceerde dagboeken noteerde hij ook antisemitische suggesties over het ‘wereldjodendom’ als een bron van de moderne ontworteling. Al gauw bleek Hilters regime echter de overtreffende vorm van technische rationaliteit en ontmenselijking. Na de oorlog trok Heidegger zich in het Zwarte Woud terug, om de moderniteit en technologie verder te analyseren. 

Conservatieve politici worstelen er ook mee: wat betekent een behoudsgezind beleid in een wereld die door technologische omwentelingen wordt bepaald? De klassieke peilers – familie, geloof, gemeenschap – zijn op talloze manieren door technologische mogelijkheden hertekend. Retorisch profileren conservatieve politici zich graag door ‘woke’ en de ‘fouten van links’ te hekelen. Alsof de huidige samenleving uitsluitend door linkse partijen tot stand zou zijn gekomen. Deze retoriek maskeert de hedendaagse conservatieve machteloosheid. 

Voor linkse partijen lijkt het probleem minder groot. Ze zijn ideologisch progressief, ze geloven doorgaans in wetenschappelijke en technologische maakbaarheid. Veel van de linkse verwezenlijkingen zijn daarmee inherent verbonden. Denk maar aan de uitbreiding van genderrechten, bio-ethische keuzes en sociale ontwikkelingen. Toch kan technologie een nieuwe bron van uitbuiting of vervreemding zijn. De globale winstlogica neemt elke sector over, ongeacht negatieve gevolgen voor werknemers of burgers. Veel jobs zullen door automatisering verdwijnen. Of ze worden door permanente administratieve toetsing en optimaliseringsdrang ondraaglijk. Kortom, links moet een evenwicht vinden tussen een optimistisch gebruik van technologie en een bescherming van de menselijke maat. Op ecologische vlak is er evengoed een spanning. Enerzijds begint exploitatie van de aarde met de moderniteit. Anderzijds leeft de hoop dat beter ontwikkelde technologieën, dus méér moderne rationaliteit, de negatieve effecten van die exploitatie kunnen oplossen.

Voor liberale kiezers, tenslotte, is technologie een ambivalent verhaal geworden. Ideologisch passen optimisme en maakbaarheid perfect bij het liberale denken. Liberalen verwijzen graag naar de lange lijst met wetenschappelijke verbeteringen. En ze benadrukken de autonomie – vanaf de 17e eeuw richten liberale denkers hun pijlen op machtige instellingen zoals de staat of de kerk die de vrijheid van het individu beperken. Maar vandaag de dag komt die individuele vrijheid op nieuwe manieren in het gedrang. Er is de machtsconcentratie van big-tech bedrijven, bijvoorbeeld. En wat met een overheid die meer dan ooit middelen heeft om burgers te controleren? Liberale politici verliezen hun geloofwaardigheid als ze vrijheid, vooruitgang en technologie in één zin vermelden, zonder de schaduwzijde te bespreken. Liberalen kunnen natuurlijke maatregelen uitvaardigen; ze kunnen camera’s plaatsen in stadscentra, data over burgers verzamelen, en zo meer. Maar dan moeten ze privacy kunnen beschermen, een scherp omlijnd schadeprincipe volgen en aangeven hoe burgers zich tegen intrusieve maatregelen kunnen verweren. Anders past hun filosofische vrijheidsretoriek niet bij dit tijdperk. Deze opsomming is geen pleidooi tegen technologie. Het is wel een pleidooi om de impact van technologie op het politieke leven als een reëel thema te erkennen. Want geen enkel antwoord formuleren – of de vraag niet eens stellen – stuurt bezorgde burgers naar politieke extremen, naar anti-wetenschappelijke of anti-technologische visies.”