“Een Black Lives Matter voor Iran”, column DS, 29 september 2022

“Op 16 september werd de jonge Iraanse Mahsa Amini door de Iraanse zedenpolitie gedood. Ze had geweigerd haar hoofddoek op de gevraagde manier te dragen. Haar dood leidde tot massale protesten tegen het regime van de Ayatollahs. Daarbij werden opnieuw mensen doodgeschoten, zoals de jonge Hadis Najafi. De protesten breiden zich nu uit naar andere landen. In Brussel kwamen (Iraanse) betogers bijeen aan de ambassade. 

Deze opstand gaat over méér dan de sluier; het is een opstand tegen een regime dat zich handhaaft door extreem politiek geweld. Eerder protesteerden Iraniërs tegen gemanipuleerde kiesresultaten (2009) en voor meer vrijheid. Al jaren verschijnen vrouwen op sociale media die hun sluier afdoen en hun haren in de wind later wapperen: vrouwen willen controle over hun leven, hun lichaam. In Iran dicteert de religieuze wet het publieke en private leven. Vrouwen hebben geen gelijke rechten en geen eigen keuzevrijheid. Zonder hoofddoek worden ze vervolgd, geslagen, gearresteerd. Want vrouwen zonder hoofddoek verdienen geen respect, klinkt het, ze provoceren mannen en besmeuren de familie-eer. Kortom, mannen worden als superieur en weerloos beschouwd; vrouwen als minderwaardig, maar verantwoordelijk voor het gedrag van anderen. Gelijkheid en vrijheid zijn hier ver zoek. 

In het westen lijkt de hoofddoek een ander verhaal. Sommige extreme prekers hangen dezelfde visie aan als de tirannen van de zuiverheid à la Khamenei. Ze willen vrouwen verplichten een hoofddoek te dragen. In het westen bestaat ook ‘hoofddoekdwang’: in conservatieve islamitische kringen worden meisjes soms verplicht de hoofddoek te dragen. Niet overal, niet altijd, maar het gebeurt. Die vrouwen mogen niet zelf hun partner kiezen, niet gaan werken en niet zelfstandig wonen. De druk op meisjes schijnt zelfs te groeien (De Volkskrant, 27/09). Af en toe verschijnen hierover schrijnende verhalen – het bekendste is Lale Güls ‘Ik wil leven’ (2021). 

De houding in het westen tegenover de hoofddoek is daarbij ambivalenter. Moslims vormen een minderheid. Een degelijke rechtsstaat moet de rechten van minderheden beschermen. Dit klopt natuurlijk. Alleen dreigt de omzichtige houding tot de islam de minderheid binnen de minderheid in de steek te laten: namelijk die vrouwen in conservatieve gemeenschappen die weg willen van de opgelegde religieuze regels. 

Soms kiezen vrouwen natuurlijk zelf voor een hoofddoek; het is voor hen een uitdrukking van hun spiritualiteit, hun identeit en soms ook, en dat lijkt me problematisch, van hun vrijheid. De redenering lijkt helder: indien een liberale samenleving vrouwen toelaat om vrij te kiezen, dan mogen die ook overal de hoofddoek willen dragen. Hieraan wordt soms een andere gedachte gekoppeld: de seculiere principes zijn helemaal niet neutraal; ze illustreren juist de superioriteitswaan van het westen en bevatten een soort islamofobie. De idealen van vrijheid en gelijkheid vereisen dan juist dat je de seculiere samenleving verwerpt. 

Dit klinkt misschien aannemelijk, maar de politieke principes zijn complexer: individuele vrijheden en mensenrechten zijn precies verbonden met een seculiere visie. Dat je tolerant moet zijn en dat niemand zich met jouw voorkeuren mag mengen, stamt zelf uit een traditie. Lockes pleidooi hangt bijvoorbeeld nauw samen met de protestantse praktijk. Daarin is elk individu – man of vrouw – gelijk, omdat het zich moet openstellen voor de goddelijke genade. De staat moet dus de gewetensvrijheid van elke, autonome persoon respecteren. Uiteindelijk wordt deze individuele vrijheid verruimd en hertaald in inherente, onvervreemdbare rechten, die elke burger heeft. Zo gezien kan je dus wel kritiek hebben op vrouwen die in de publieke ruimte hun onderdanigheid tegenover mannen manifesteren. Andere verlichtingsdenkers pleiten voor de scheiding van politiek en religie vanuit een andere invalshoek, maar de principes blijven dezelfde.  

Dit neemt niet weg dat je de hoofddoek natuurlijk wel kan verdedigen. Je kan stellen dat je niets hebt met de westerse levensstijl, en dat je die afwijst. Dat je wil leven volgens de goddelijke wet of dat het jouw identiteit is, of aansluit bij jouw spiritualiteit. Alleen kan je dat in het westen alleen voor jezelf beslissen, zonder druk op anderen te leggen. En je kan het niet legitimeren als toppunt van individuele vrijheid. Want die vrijheid wordt precies geformuleerd binnen een filosofische traditie, die de autonomie van het individu, de scheiding van kerk en staat en de mensenrechten met elkaar verbindt.

Intussen rijst de vraag hoe openlijk solidair westerse burgers of organisaties met de strijd van Iraanse vrouwen zullen zijn. Rahbari (DS, 26/09) vergelijkt de dood van de jonge Amini met die van George Floyd: beiden stierven door politiegeweld in naam van onderdrukkende machtssystemen. Discriminatie op basis van kleur of op basis van gender; beiden zijn schendingen van mensenrechten. Na Floyds dood werden felle ‘Black Lives Matter’-betogingen gehouden, ook hier in juni 2020. Tijdens het EK van 2021 knielden voetballers in samenhorigheid tegen racistisch geweld. Misschien is het wat vroeg, maar een gelijkaardig signaal zou mooi zijn: eendrachtige steun voor vrouwen die gedood worden in hun vrijheidsstrijd.”

Deze column verscheen op 29 september in De Standaard.  

“Het Inzicht”, podcast van Joël de Ceulaer, DM.

In de nieuwe podcastreeks Het inzicht vraagt redacteur Joël De Ceulaer aan slimme mensen om een cruciaal inzicht met ons te delen. Filosofe Tinneke Beeckman vertelt wat Spinoza ons leert over het verschil tussen macht en kracht, en hoe we ons niet mogen laten leiden door sentimenten als angst en hebzucht. We moeten onszelf leren kennen, zodat we kunnen kiezen voor wat ons gelukkig maakt.

(foto: Thomas Sweertvaegher)

“Poetin en het spook van de nucleaire dreiging”, DS 15 sept. 2022

Deze column verscheen op donderdag 15 september 2022 in De Standaard.

“In februari viel Poetins leger Oekraïne binnen. Meteen dreigde Poetin met nucleaire vergelding, mochten Westerse landen tussenbeide komen. Sindsdien blijven Russische tv-hosts triomfantelijk beweren dat steden als Londen of Brussel in luttele minuten van de aardbodem kunnen verdwijnen. Naast deze intimidaties vormen bezette Oekraïense kerncentrales, zoals  Tsjernobyl of Zaporizja, een gevaar. 

In discussies ligt de nadruk veelal op het risico – hoe groot is de kans dat het tot een kernaanval of – ramp komt? De filosofische vraag is van een andere orde: dat deze dreiging bestaat, heeft al een enorme impact. Kernwapens veranderen niet alleen hoe conflicten of oorlogen verlopen. Ze ondermijnen de mogelijkheid om samen te handelen, om samen een toekomst uit te bouwen. Zelfs zonder dat ze ergens worden afgevuurd.  
Kernwapens lijken vandaag een vanzelfsprekend onderdeel van oorlogvoering te zijn. Maar denkers die een wereld zonder hebben gekend, benadrukken de omwenteling. Hannah Arendt, bijvoorbeeld (1906-1975), noemt dreigement van atoomwapens een vorm van ‘totale terreur’. Terreur omdat het angstbeeld permanent, onvoorspelbaar en gruwelijk is. 
Totaal omdat het doelwit niet alleen strijdende partijen zijn, maar hele bevolkingen. Een deel van de wereld wordt onleefbaar. Zo’n scenario is niet meer ondenkbaar. Dat maakt een reflectie over de toekomst onzeker; niet alleen wélke toekomst er zou zijn, maar of er nog één is. 

Kernwapens werden voor het eerst in 1945 gebruikt, toen het Amerikaanse leger bommen dropte op de Japanse steden, Hiroshima en Nagasaki. De Koude oorlog die daarop volgde, bleef precies ‘koud’ omdat de grootmachten beseften dat een oorlog niet meer de voorzetting van de politiek met andere middelen kon zijn. Ofwel heerste er relatieve vrede, ofwel ontstond de kans op totale ontsporing. Nucleaire wapens werkten dus afschrikwekkend: partijen die elkaar konden vernietigen, wilden oorlog  vermijden. Dat bleef niet duren. Tijdens de Cubacrisis in 1962 werd de nucleaire afgrond ternauwernood vermeden, daarna volgden vele oorlogen. De voorbije decennia werden nucleaire wapens verder verspreid, en die verspreiding leidde tot nieuwe spanningen (denk maar aan Iran). Daarbij komt dat autoritaire leiders religieus-fundamentalistische, ultranationalistische of andere ideologische denkbeelden propageren. Daarin wordt de ander gedemoniseerd – Poetin wil naar eigen zeggen Oekraïne van een nazistisch bewind bevrijden. Wanneer de tegenpartij wordt voorgesteld als de incarnatie van het kwade – de ongelovige, de duivel, de nazi – valt elk moreel voorbehoud weg: dan wordt alles mogelijk. De voorbije decennia doken dan ook meerdere spookbeelden van totale terreur en totale oorlog op. 

Er is nog een opmerkelijke, schrikwekkende verandering: kernwapens zijn een vorm van geweld die de macht van de ander definitief breekt. Waar de wereld onleefbaar is geworden, kunnen mensen niet meer samen handelen. 

Om deze impact te begrijpen, is Arendts onderscheid tussen macht en geweld nodig. Veelal denken mensen dat macht berust op de (gewelddadige) middelen die leiders of overheden willen inzetten. Poetin zelf, bijvoorbeeld, is deze mening toegedaan: met zijn excessieve geweld hoopt hij macht over Oekraïne te verkrijgen. Voor Arendt liggen macht en geweld echter niet in elkaars verlengde, ze zijn elkaars tegengestelde. Juist wie geen macht heeft, gebruikt geweld. Met macht bedoelt ze Arendts dus geen instrumentele kracht, en ook geen individuele zelfontplooing. Macht ontstaat wel waar burgers in pluraliteit samen handelen. Wie geweld gebruikt, kan bestaande macht tenietdoen, maar er zelf geen creëren. In de extreme vorm van macht staan allen tegenover één. Geweld is het omgekeerde: in extreme vorm staat één tegenover allen.

Er zijn talrijke voorbeelden van snelle, gewelddadige invallen, waarbij legers op korte tijd gebieden veroverden (bijvoorbeeld de Blitzkrieg in WOII of de Amerikaanse oorlog in Irak 2003). De macht van de lokale bevolking leek gebroken. Maar dat was tijdelijk – de burgers hadden (soms veel) tijd nodig om zich te hergroeperen, om samen een verzet te organiseren. Maar uiteindelijk werd de bezetter verdreven. Macht – in Arendtiaanse zin – heeft die aanvaller dus nooit gehad. 

De partij met de beste wapens en het felste geweld kan dus wel een oorlog winnen. Die triomf verduistert het diepere inzicht: dat de partij die geweld gebruikt, precies niet de macht had om het conflict op een andere, duurzame manier te beslechten. Macht, aldus Arendt, is het sterkst wanneer ze geen geweld gebruikt. Politieke verbintenissen, onderhandelingen, beloftes en regels houden macht in stand. Dat is in Oekraïne niet anders. 

Intussen kan het geweld verder escaleren. Rusland bezit daarbij moderne, ‘tactische’ kernwapens, die lokaler kunnen worden ingezet. Of dat zal gebeuren, weet voorlopig niemand. Maar dit is vandaag al wel zeker:  het nucleaire spook heeft de politiek op blijvende manier veranderd.”

In ‘De Afspraak’ op Canvas, 29 juni 2022

Samen met Miranda Ulens (ABVV), Joachim Coens (Oud-partijvoorzitter CD&V), Jonathan Holslag (VUB) was ik uitgegooid in De Afspraak op Canvas met Phara de Aguirre.

Thema’s waren: de toetreding van Zweden en Finland tot de NAVO, de vakbondspetitie voor koopkracht en de toekomst van CD&V.

Over de nieuwe voorzitter, Sammy Mahdi, en de toekomst van zijn partij verscheen een dag later mijn column in De Standaard.

“Kan één man CD&V redden?”, column DS, 30 juni 2022

Sammy Mahdi is de nieuwe voorzitter van CD&V. Sommigen hopen dat hij het tij kan keren. Misschien wel. Maar is het realistisch om van één politicus de redding te verwachten? De impact van de grote boegbeelden – Tindemans, Martens, Dehaene – paste in een tijdperk. Christendemocraten ­waren succesvol toen het machtsspel vooral op Belgisch nationaal niveau plaatsvond, met de Europese Unie als verre horizon. Leiders hebben toen de bakens voor staatshervormingen en voor Europese integratie verzet. Het was een politiek van zachtjes bij­sturen op weg naar het einddoel. Zo verliep de methode van Jean Monnet in Europa, en ook die van CD&V, aldus Dehaene in zijn memoires. Intussen heeft dat nationale regerings­niveau aan belang ingeboet, terwijl de regio’s en het Europese niveau ­belangrijker zijn geworden.

In zijn memoires legt Dehaene uit hoe CD&V als grootste partij in België de meerderheid in toom moest houden en met de minderheid compromissen moest sluiten. De partij kreeg het vertrouwen van kiezers door ­problemen op te lossen, door vol te houden en met een aura van bestuurlijke efficiëntie naar de kiezer te trekken. Hoe onelegant, obscuur, onbegrijpelijk de compromissen ook waren. Dehaene onderstreept hoe hij er vanaf de ­jaren 70-80 alles aan deed om te vermijden dat verkiezingen rond communautaire thema’s draaiden, want die kon CD&V niet winnen. In 2007 brachten ze Leterme wel naar een verkiezingsoverwinning. Dat brak CD&V zuur op: voormalig kartelpartner N-VA werd de grootste partij.

Als premier onderhandelde ­Dehaene over de beslissende stap naar een federale staat in 1993. In zijn boek wijst hij op het Belgische misverstand dat sluimerend vorm kreeg: tussen de compromissen door verloor men uit het oog hoezeer ­Nederlands­taligen en Franstaligen niet alleen verschillende, maar tegengestelde modellen gebruiken: territorialiteit staat tegenover personenrecht; consumentenfederalisme versus fiscale verantwoordelijkheid; België met twee gemeenschappen ­tegenover drie of vier gewesten (met Brussel als twistpunt). Elk com­promis geeft aan de ­tegengestelde partijen de indruk dat ze hun doel benaderen. Uiteindelijk lukt dat niet meer. 

Rond 2007 stelt Dehaene vast dat zijn jongere CD&V-collega’s confederaal denken, niet federaal. Ze kijken naar België vanuit Vlaanderen, niet naar Vlaanderen vanuit België. Die houding leeft ook bij veel kiezers, ­behalve in Brussel wellicht. De twee populairste partijen, zowel bij verkiezingen als in de peilingen, zijn nu Vlaams-nationalistische partijen. De zuilen zijn afgebrokkeld en in Franstalig België liggen de kaarten anders. In die situatie wordt het voor de christendemocraten moeilijk om de voormalige rol van de verzoenende ­bestuurspartij op zich te nemen. 

En wat met de andere pijler van de naoorlogse christendemocratie: de Europese constructie? Christendemocratische boegbeelden, zoals Dehaene en Van Rompuy, speelden er een cruciale rol. Aan die positie ontleende de CVP veel moreel gezag: na de gruwel van de Tweede Wereldoorlog bracht de Europese samenwerking vrede en welvaart. Jarenlang beleden christendemocraten hun Europese liefde, die hun nationale macht niet beperkte. Ministers in de regering bemiddelden succesvol tussen werkgevers en werknemers, ­tussen burgers en de politiek. 

Dehaene loodst in de jaren 90 België de muntunie in, na zware besparingen. Maar zo geeft hij essentiële politieke instrumenten uit handen. In tijden van crisis gaat het EU-beleid ook meer over sociale kwesties, ­migratie, veiligheid, milieu, ­klimaat, en landbouw. Zo belet het Europese niveau nationale politici om compromissen te maken waarmee ze vroeger uitpakten. Na het debacle rond Arco wil CD&V wel wat doen voor de gedupeerden (op kosten van de belastingbetaler), maar de EU verhindert dat. Zo’n maatregel wordt als onterechte staatssteun beschouwd, en dus als concurrentievervalsing. Of neem het landbouwbeleid. De EU legt regels op om de milieu- en klimaatschade van stikstof te beperken. Geen CD&V-minister kan de impact ervan wijzigen, al is die landbouw­minister een minister voor de land­bouwers. Hoe verwerf je dan een ­aura van betrouwbare beleidspartij? 

Veiligheid (drugs, terrorisme, ­militaire strategie) is in grote mate een transnationale kwestie, die ­lokaal gevolgen heeft. Dat geldt ook voor energie, economie, klimaat, ­migratie. Of voor de invloed van machtige ­socialemediabedrijven op de leef­wereld van jongeren, of op ­politieke debatten. Het wordt erg moeilijk om een kwaliteitsvol leven op lokaal vlak te beloven, als je geen bredere impact hebt. Dat is een kwestie waar elke ­regerende partij mee worstelt. Mahdi kan door anderen beproefde recepten overnemen – een spectaculaire, maar onhaalbare aankondigings­politiek, polariserende aanvallen op tegenstanders of profilering op triviale ­thema’s. In de competitie met andere politici kan dat lonen. Maar het leidt niet tot een machtige beleidspartij.”

Deze column verscheen in De Standaard op donderdag 30 juni 2022.

“Haal je identiteit niet uit je job”, column DS, 16 juni 2022

“Burn-out neemt pande­mische vormen aan. Er zijn wellicht veel verklaringen en interpretaties. Eén model legt de nadruk op de rol van identificatie: mensen zien zichzelf als hun werk, ervaren moeilijkheden op hun werk als een persoonlijk ­falen en komen zo in een negatieve spiraal terecht, zoals de artikelenreeks van Nathalie Carpentierin ­deze krant al liet zien. 

Bij elke identificatie zijn er drie beelden die elkaar beïnvloeden, volgens de Franse sociologe Nathalie Heinich: hoe je naar jezelf kijkt (zelfperceptie), hoe je je voorstelt aan de buitenwereld (presentatie) en hoe die buitenwereld naar jou kijkt ­(designatie). Die drie veranderen voortdurend: hoe je bekeken wordt, verandert je zelfbeeld en je houding tegenover anderen, bijvoorbeeld. Heinich gebruikt haar concept om de levensloop van (vrouwelijke) kunstenaars te analyseren. Het is ook interessant om de betekenis van werk te ­begrijpen.

Op de vraag wie je bent, volgt vrij snel de vraag naar de job die je uitoefent. Je bent in hoge mate wat je doet. Met de moderniteit werd de baan een ­belangrijker element van de identiteit. Ze vervangt de sociale status die vroeger uit familiebanden of ­gemeenschapsfuncties werd afgeleid. Zo illustreert de job bij uitstek de sociale mobiliteit. Voor vrouwen geldt dat nog meer. Ze zijn méér dan dochter, echtgenote, moeder. 

‘Je bent je job’ heeft ook een keerzijde. Wie ben je nog als je werkloos bent, of als je niet kunt werken? Een job is meer dan een job: het is een bron van levensvervulling. Precies dat ideaal draagt bij tot burn-out, ­aldus Jonathan Maselic, in The end of burn-out. Why work drains us and how to build better lives. Volgens Maselic treft burn-out niet alleen mensen die perfectionistisch handelen. Maar vooral wie verwacht dat werk een dieper verlangen naar betekenis inlost. Je geeft je hart en je ziel; dus hoop je dat je ziel vervuld wordt. Alleen is het twijfelachtig of betaald werk die rol kan waarmaken. 

Maselic herstelde zelf van een zware burn-out. Hij vermoedt dat de diagnose zo vaak valt, omdat dat verdict relatief minder lastig is voor een hardwerkende mens. Liever een burn-out dan een depressie. Of liever een werkprobleem dan een confrontatie met de meer existentiële ontreddering. Of liever overwerkt dan overbodig, voor wie, naar het woord van David Graeber, een ‘bullshit-job’ heeft (een repetitieve, slechtbetaalde, onbevredigende baan). 

Bedrijven moedigen de verwarring tussen wie je bent en wat je doet aan, om de productiviteit op te drijven: jij hebt een missie! En dus vervagen de grenzen: dit is toch geen ­labeur, maar passie! Op de werkvloer richt men ontspanningsruimtes in: pingpongtafels, meditatiehoekjes en koffieruimtes. De boodschap is duidelijk: hier vind je alles om optimaal te zijn, en dus te functioneren. ­Natuurlijk is een fijne werkomgeving ­belangrijk. Alleen heb je het recht om wat je gelukkig maakt niet op het werk te zoeken. In zijn boek noemt Maselic deze sluipende ­bedrijfscultuur een kolonisering van het innerlijke leven. Een deel van het antwoord op de burn-out kan zijn dat je beseft méér te zijn dan het werk dat je doet. 

Identiteit is ook hoe je je voorstelt aan de buitenwereld. Gedreven werknemers erkennen niet graag dat ze het moeilijk hebben. Hun onbehagen maakt hen wel onaan­genamer in de omgang. Maselic vermeldt drie elementen van burn-out: uitputting die niet door rust opgelost raakt, ­cynisme (minder ­betrokkenheid, negatieve houding tegenover anderen), en ­gevoelens van nutteloosheid en inefficiëntie. Die drie symptomen bouwen geleidelijk op, tot de spreekwoordelijke druppel. 

Maselic beschrijft ook zijn gedrag in de aanloop naar de burn-out: ­ ­superioriteitsgevoel tegenover minder presterende collega’s, woede en frustratie, cynisme, botheid. De schijnbaar perfecte performer moest zijn kwellingen verbijten, en werd een lastige collega. Burn-out is geen kwestie van één individu, maar van een dynamiek tussen mensen. Hoe voel je je bekeken op de werkvloer? Als een kracht en als een risico. 

In het hedendaagse winstmodel wordt een werknemer als een risicovolle investering beschouwd, als een persoon die veel geld kost en het liefst zo veel mogelijk oplevert. De ­financiële risico’s wentelen bedrijfsleiders het liefst op de werknemer af. Die moet voortdurend verantwoorden wat hij doet. Mede daarom ­nemen de administratieve lasten toe. In de ogen van het personeel zijn dat overbodig, nodeloos controlerende taken. 

Structureel vermindert de werk­gever zijn kosten door tijdelijke contracten. Personeel dat tekortschiet, kan goedkoper afvloeien. Voor de flexibele werker wordt het leven zo risicovoller. De freelance-economie zingt de lof van de vrijheid: je kunt werken waar en wanneer je wilt. Maar met die autonomie komt ­precariteit. Hoe vrij ben je als je elk baantje moet aanvaarden om rond ­te komen? 

Kortom, het ideaal dat werk ­belooft – een identiteit, levens­vervulling – botst met de harde ­realiteit, met de berekenende, ­afstandelijke logica die tal van ­domeinen in de samenleving regelt.”

Deze column verscheen in De Standaard, op donderdag 16 juni 2022.

“Fangio’s horen op het circuit”, DS, 2 juni 2022

“In Nederland werd de maximumsnelheid op de autoweg terug­gebracht tot 100 kilometer per uur (tussen zes uur ’s ochtends en zeven uur ’s avonds). In Vlaanderen suggereerde Groen een gelijkaardige maatregel, maar de discussie werd meteen stopgezet na een veto van minister van Mobiliteit Lydia Peeters (Open VLD). Dat is jammer, want voor dat voorstel valt veel te zeggen. Het enige nadeel is dat bestuurders zich wat moeten inhouden. Ja, dat is lastig. Dat vind ik ook – mensen die regelmatig met mij meerijden, noemen me Fangia (naar Fangio, de legendarische Argentijnse ­autoracer). Maar een mens leeft niet alleen en de harde realiteit bestaat. In de realiteit zijn de positieve gevolgen van een snelheidsbeperking overweldigend, zeker gezien de huidige crises.

Als je trager rijdt, verstook je minder brandstof. Dat is goed voor je bankrekening, nu de brandstof­prijzen zo hoog zijn. Elektrische ­auto’s verbruiken evengoed minder als ze trager rijden. ­Lager verbruik is ­bovendien beter voor de directe omgeving (minder CO2-uitstoot, minder ­geluidsoverlast) en het is beter voor het klimaat. Het is ook nog eens veiliger; als iedereen langzamer rijdt, gebeuren er minder zware ongevallen. Ander paradoxaal voordeel: files worden veelal korter, omdat de capaciteit van de weg toeneemt (de afstand tussen wagens vermindert). Het mogelijke tijdverlies door ­trager te rijden blijft beperkt; deels omdat de rijafstanden in België kort zijn. En ten slotte, sinds de oorlog in Oekraïne speelt een geopolitieke winst; minder energieconsumptie vergroot de onafhankelijkheid van autoritaire, oorlogszuchtige regimes.

In Nederland past de snelheids­beperking tot 100 kilometer per uur in een breder stikstofbeleid: door de lagere uitstoot van het vervoer krijgen de landbouw en de bouwsector wat meer ruimte om zich te ontwikkelen. Ook in Vlaanderen zijn er felle discussies over het beleid om stikstofemissies door de landbouw te ­beperken. 

Waarom ligt een nieuwe snelheidsbeperking zo moeilijk? Politici huiveren voor onpopulaire maatregelen. Een verworven recht inperken – met 120 over de snelweg scheuren – is daarom heikel. Alleen moeten wetten ter wille van technologische ontwikkelingen regelmatig bij­gestuurd worden. Toen auto’s op de markt kwamen, zag iedereen de ­mogelijkheden. De gevaren – ­geluidshinder, milieuschade of veiligheid – waren geen prioriteit. Pas na verloop van tijd werd duidelijk dat er regels nodig waren. Dus werd ­bijvoorbeeld de gordelplicht – eerst vooraan, later ook op de achterbank – ingevoerd. Dat leidde tot fel protest in naam van de vrijheid. De associatie tussen vrijheid en auto’s lijkt vanzelfsprekend: ‘mijn auto, mijn vrijheid’ is een slogan die de auto-industrie op allerlei manieren gebruikt om haar producten te promoten. Alleen corrigeren regels wat fout loopt. Ze nemen geen oorspronkelijk recht op vrijheid weg. Ze zijn niet anti-auto, maar pro-mens, pro-samenleving of pro-natuur. 

Maar goed, auto’s zijn een erg ­gevoelig onderwerp. Autorijden maakt mensen emotioneler, volgens psycholoog Jean-Marc Bailet, auteur van Le volant rend-il fou. Psychologie de l’automobiliste: zodra ze in een wagen plaatsnemen, hebben mensen hun emoties minder onder controle en worden ze gevoeliger voor stress. De meeste automobilisten overschatten hun rijkwaliteiten en onderschatten de risico’s die ze nemen. Dat geldt volgens Bailet vooral voor mannelijke bestuurders. Hij verklaart het deels door de opvoeding; van kindsbeen af leren jongens dat auto’s speelgoed zijn, waarmee ze zich mogen amuseren. 

Auto’s verzinnebeelden daarbij de 20ste-eeuwse economische en sociale vooruitgang, aldus Bailet: sneller, luxueuzer, en de laatste tijd groter en dikker. Een auto is dus veel meer dan een gebruiksvoorwerp. Veel mensen ­beleven hun voertuig als een verlengstuk van zichzelf. Assertieve automobilisten ­beschouwen de weg niet als een plek die ze delen met anderen, maar als een plek waar ze zich kunnen laten gelden.

In België wordt die associatie met een sociale en economische promotie versterkt door de prominente plaats van de bedrijfsauto. Die werd populair als een fiscaal voordelige constructie – bedrijven hoeven op die extra verloning geen sociale en andere lasten te betalen. Het is veelzeggend voor de Belgische besluitvorming dat de maatregel ingevoerd werd door regering-Dehaene om de loonstop die ze zelf had ingevoerd, te omzeilen in de periode 1993-1996. Intussen is een auto voor veel werknemers een vast onderdeel van het loonpakket geworden. De auto symboliseert dus bij uitstek het prestige van een geslaagde carrière. Hij is ­opnieuw een verworven recht en ­politici willen daar liever niet aan tornen. 

Andere tijden vragen echter aangepaste visies en daadkracht. Politici die aarzelen om beleid te herzien, moeten voorbij het moment kijken: schijnbaar onhaalbare maatregelen raken na verloop van tijd gewoon ­ingeburgerd. En wie er nog van droomt om even Fangio te zijn, hoort op het racecircuit thuis.”

Dit artikel verscheen in De Standaard op donderdag 2 juni 2022.

“Zoet zijn de vruchten van de tegenspoed”, in Trouw, 23 mei 2022.

“Mensen vertellen over hun persoonlijke leefregel of een inspirerende zin. Vandaag: filosofe Tinneke Beeckman. “, door Marije van Beek, in Trouw op 23 mei 2022.

“Een zin die ik al een tijdje bij me draag is een uitspraak van William Shakespeare. ‘Zoet zijn de vruchten van de tegenspoed, die, als de pad, afzichtelijk en vol gif, toch in het hoofd een kostbare edelsteen draagt.’ Hij heeft het dus over een pad als het dier dat op een kikker lijkt. In de late middeleeuwen ging het veel over paddenstenen, mythische stenen die op de hoofden van padden zouden zitten. Maar dit terzijde.

“Ik werd bij het schrijven van mijn boek over Machiavelli weer aan die zin herinnerd. Want ook hij komt op dit idee: dat een ogenschijnlijke tegenslag een dieper geluk verbergt.

Machiavelli heeft als gewone burger een positie kunnen verkrijgen in de aristocratische wereld in de Florentijnse republiek. Maar hij kwam daar niet vandaan, terwijl het in die kringen heel belangrijk was om de juiste connecties te hebben en daarmee het vertrouwen van de elite te krijgen. Hij heeft wel een goede opleiding genoten, waardoor hij toch rondreizend diplomaat kon worden.

“Zo ontmoette hij Cesare Borgia, en paus Julius II en anderen. Buitengewoon machtige mannen. Aan zijn observaties van die wereld heeft hij zijn inzichten ontleend. Maar het was soms levensgevaarlijk: hij moest al zijn intelligentie inzetten voor die baan. In zijn boek De prins beschrijft hij hoe die noodzaak, die moeilijke omstandigheden, hem gevormd hebben. Hij heeft iets wat niemand hem kan afnemen. Dat maakt hem veel meer waard dan iemand die wél tot een hoge familie behoort.

Een verborgen geschenk in tegenspoed

Hij maakt een enorme ontwikkeling door. Niet alleen omdat zijn eigen inzichten, talenten en karakter tot volle bloei komen. Maar ook omdat hij de mogelijkheid van geluk ontdekt op een plek waar je die het minst verwacht. Daar schrijft hij over, hoe de situaties waarin je als het ware met de rug tegen de muur staat, waarin je weinig opties hebt, allemaal gelegenheden zijn om te tonen wat je kunt. Om een bepaalde deugd te tonen: moed, geduld, volharding.

“Oftewel: er kan een soort verborgen geschenk in tegenspoed zijn. Het kan onaangenaam zijn, het leven kan heel moeilijk worden, maar als je het omarmt als gelegenheid daartoe, dan kan het ook een wending naar het goede zijn. Dan komt het beste in je naar boven.

Ik zie dat ook in mijn eigen leven zo, bijvoorbeeld bij deadlines. Mijn eerdere boek, over Spinoza, moest echt af zijn op moment dat ik wegging uit de academische wereld. Er hing enorm veel van af, dat was heel lastig, maar tegelijk is het ook fantastisch gebleken. Je moet jezelf echt bewijzen. Dat is heel intens. Ik merk weleens bij mensen die heel veel middelen hebben dat zij nooit in zo’n situatie zijn gekomen. Uiteindelijk bereik je dan minder, en haal je voor jezelf minder uit het leven.

Het lelijke beest kan iets goeds in zich dragen

Het is ook omgekeerd waar, denk ik. Succes is overroepen, dat kan juist neergang in zich dragen, omdat het je makkelijk zelfgenoegzaam maakt. Dat is heel contra-intuïtief, want we leven in een samenleving waarin iedereen alsmaar meer succes wil. Of we denken dat het ideale leven is op een paradijselijk eiland waar je niks hoeft te doen. Maar een gewoon leven is vele malen verrijkender.

“In sprookjes weet je vaak meteen of iets goed of slecht is. Maar in het echte leven kan het lelijke beest dat je ziet ook iets goeds in zich dragen. Je weet vaak niet of iets wat je overkomt nou goed is of slecht – dingen als een ontslag, een verhuizing, of een verbroken relatie. Als je je daardoorheen worstelt, worden er vaak hele mooie dingen mogelijk. Je vloekt, je denkt: o nee, wat moet ik nu doen, dit is onaangenaam. Maar eigenlijk is het een geschenk. Voilà.