“Onze toekomst herdenken”, project bij ‘Het Zoekend Hert’

Filosofiehuis ‘Het Zoekend Hert’ lanceerde het project ‘Onze Toekomst Herdenken’: een reeks waarin jonge essayisten hun visie op de toekomst geven. Op 27 september 2020 lazen Barbara Claes en Bart Loos hun kort essay voor, waarin ze de uitdaging voor de toekomst beschreven. En ik verzorgde de inleiding.

De film is beschikbaar op vimeo.

FILM #1 – ONZE TOEKOMST HERDENKEN – WAT EEN GESCHIEDENIS from Hetzoekendhert on Vimeo.

“De gedachtenlezer, in Espresso”, Klara, 15 september

‘Welke gedachten kunnen jou inspireren, troosten, verlichten of verstrooien? Espresso vraagt het elke dag aan een kunstenaar die zijn of haar gedachte met ons deelt.’

Ik las mijn gedachte op Klara, op dinsdag 15 september in Espresso.

In As you like it – romantische komedie, ‘naar het u bevalt’ – prijst Shakespeare de kansen die tegenslag biedt; een oudere hertog zegt:

‘Zoet zijn de vruchten van de tegenspoed, die, zoals de pad, afzichtelijk en vol gif, toch in het hoofd een kostbaar juweel draagt.’

Of in het Engels

“Sweet are the uses of adversity,
Which, like the toad, ugly and venomous,
Wears yet a precious jewel in his head

 

De idee is dat een ogenschijnlijke tegenslag een dieper geluk verbergt. Maar je moet wel met die tegenslag weten om te gaan: het personage is een oudere hertog, die onrechtvaardig behandeld is. Hij wordt verbannen door zijn broer, en moet tijdelijk in een bos leven. Hij gelooft dat zijn tegenslag hem ook mooie dingen zal opleveren, al zijn die eerst onzichtbaar. Zijn houding getuigt niet van naïef optimisme, maar van kracht: hij is vastbesloten de mensen die hem onrecht hebben aangedaan niet te imiteren, en ook niet in zelfbeklag of wanhoop te vervallen.

Hij gedraagt zich vanuit een eigen integriteit, gaat niet mee in de immorele regels van de omgeving. Blijft genereus, draagt zijn tegenslag met waardigheid, hij blijft geloven in een goede uitkomst. En dan gebeurt het ook. Niet als toeval dat hem overvalt, maar als het gevolg van zijn eigen gedrag.

Je kan toevallige gebeurtenissen niet controleren, maar je kan wel bepalen hoe jij er mee omgaat. En je leert jezelf – je eigen talenten, je eigen mogelijkheden – beter kennen door tegenslag.

“Kritiek op radicaal geloof is nodig”, column DS, 3 september 2020

“Het satirische tijdschrift Charlie Hebdo heeft opnieuw de Mohammed-cartoons gepubliceerd die op 7 januari 2015 het motief waren voor vreselijke terreuraanslagen (zie De Standaard, 2 sept.). Twee radicale islamisten, de broers Kouachi, vermoordden toen bijna de hele redactie. Later schoot hun handlanger Amédy Coulibaly vijf slachtoffers dood in een Joodse supermarkt. Nu staan hun medeplichtigen terecht – de daders stierven door politie­kogels, zoals­ ze gepland hadden.

Deze week verschenen de oorspronkelijke cartoons dus nog eens, volgens de hoofdredacteur Riss als historische duiding voor jongere generaties: ‘Tout ça pour ça’ – ‘hierover ging het dus: teke­ningen’.

Bij die nieuwe publicatie voel ik me ongemakkelijk. Niet omdat ik meega met het schijnargument dat het tijdschrift zelf het geweld over zich heeft afgeroepen. Dat is zoals beweren dat het meisje met de minirok om verkrachting vroeg. Elke­ mens blijft verantwoordelijk voor zijn daden, en wie de vrijheid van anderen niet verdraagt, heeft een probleem. Niet wie zijn of haar vrijheid benut, zonder anderen schade te berokkenen. Ik voel me ook niet ongemakkelijk omdat ik de makers van het tijdschrift als de onderdrukkers van onderdrukte groepen beschouw. Maar omdat ik hen iets zie doen wat ik niet zou durven. Omdat ik mijn leven niet aan de strijd tegen obscurantisme wil opofferen. Geweld maakt me bang. En als je te veel je mond opendoet tegen islamitisch extre­misme, riskeer je permanente bedreigingen. Heel wat criti­ci maakten het al mee, onder wie schrijver Salman­ Rushdie en politica Ayaan Hirsi Ali.

Juist dat geweld toont nochtans dat kritiek op radicaal geloof nodig is. Zo’n geloofsopvatting laat alle macht aan haatpredikers, die onvrijheid en ongelijkheid in stand houden. De reactie na de publicatie van Mohammed-cartoons door het Deense Jyllands-Posten in 2005 in een land als Pakistan was veelzeggend: een woedende massa van tienduizenden mensen bedreigde westerse ambassades. Enkele imams loofden finan­ciële beloningen uit voor wie de ongelovige daders zou vermoorden. Fana­tisme is een handig middel voor wie macht heeft. De arme, gefrustreerde, vaak ongeletterde bevolking die nooit het tijdschrift in kwestie zou kunnen lezen (verschenen in een ander schrift, een andere taal, aan de andere kant van de wereld), krijgt een uitlaatklep voor haar diepe gevoelens van frustratie en vernedering: de ongelovigen in het Westen zijn de oorzaak van haar ellende. Intussen blijft een kleine, rijke, corrupte elite het land domineren.

Die dynamiek is niet nieuw. Ze werkte vroeger in Frankrijk op een gelijkaardige manier. Voltaire klaagt die bijvoorbeeld aan in L’affaire Calas, een rechtszaak over een protestantse vader die onterecht van moord wordt beschuldigd op zijn bekeerde, katholieke zoon. Een heel juridisch apparaat trad in werking om de onschuldige man te veroordelen. Ook daarbij werd het volk opgeruid, want hun geloof, ‘la vraie religion’, werd aangevallen. Dankzij die strategie kon de elite haar positie verstevigen.

Daarom aanvaard ik het argument niet dat ik al zo vaak tegen spotprenten heb gehoord: dat mensen die mondiger, sociaal en cultureel rijk zijn die zouden maken om de zwakke gelovige te kwetsen. Ten eerste was dat vroeger dus ook al het geval: filosofen en denkers hebben altijd niet-leuke boodschappen geuit. Dat hoort nu eenmaal bij de pluraliteit. En daarbij kun je gewoon niet om godsdienstkritiek heen als je het lot van mensen wilt verbeteren. Dit is het idee van de verlichting: je klimt uit het tranen­dal van sectair geweld, armoede en uitbuiting door alle vormen van machtsmisbruik te leren doorzien. En daarna moet je politieke oplossingen voor onvrijheid en ongelijkheid aandragen, want de fanatieke religieuze ideeën helpen niemand vooruit.

Religieus fundamentalisme in het Westen wordt deels gefinancierd door buitenlandse organisaties. Je kunt hierover Nos très chers émirs van onderzoeksjournalisten Christian Chesnot en Georges Malbrunot lezen. Zij belichten de verregaande finan­ciële invloed van de Golfstaten op het Franse bestel. Invloedrijke fundamentalisten en haatpredikers moeten zonder reserve worden ontmaskerd als wat ze zijn: praatjesmakers die op de frustraties van mensen inspelen om zelf meer macht te verwerven. En die ontmaskering lukt alleen als je vrij kunt onderzoeken, en ook vrij godsdienst kunt bekritiseren.

Het argument dat godsdienstkritiek beter wordt ingeslikt, omdat ze de zwakkere treft, overtuigt me niet om een tweede reden: oordelen wie welke macht heeft, ligt complexer dan groepen indelen volgens hun sociaal-economische positie. Sinds de aanslagen en bedreigingen wordt ‘godslastering’ wellicht­ ook uit angst vermeden. Zoals gezegd begrijp ik die angst. Alleen moet wie daarom zwijgt zich niet voor de gek houden, en denken dat hij of zij nog alle machtsverhoudingen bepaalt. Want macht is niet in handen van wie te bang is om te spreken. Ze is in handen van wie de anderen voldoende kan intimideren dat ze zichzelf censureren. Charlie­ Hebdo houdt stand. Kudos.”

Deze column verscheen in De Standaard op 2 september 2020.

De aanslag is het vertrekpunt voor mijn boek ‘Macht en Onmacht. Een verkenning van de hedendaagse aanslag op de Verlichting.’

“Wat zoeken we eigenlijk op vakantie?” Interview voor ‘Filosofisch Elftal’, Trouw, 9 juli 2020

“Waarom gaan we eigenlijk op vakantie? Wat zoeken we? Op vakantie vieren we onze existentie, zegt Tinneke Beeckman. Nee hoor, zegt Bas Haring, vakantie laat vaak juist zien dat we niet weten wat we met ons leven moeten.

Continue Reading ›

‘Waarvoor ben ik dankbaar?’, column Knack, 24 juni 2020

Dit is de laatste column uit de reeks ‘De vraag van Tinneke Beeckman’, die in Knack liep van september 2019 tot juni 2020.

“Waarvoor ben ik dankbaar?

Toen ik mijn boek over Spinoza had afgewerkt, overviel me een overweldigende ervaring van dankbaarheid. Ik wandelde op de Kalmthoutse heide en wist dat ik de academische wereld zou verlaten. Het was een warme julidag. Het licht, de lucht, de bomen: alles zinderde. Ik keek op; ik wist me diep verbonden met de natuur die me eindeloos oversteeg en voelde een diepe dankbaarheid voor die buitengewone schoonheid, voor het leven. Nadien bleef de herinnering aan dat gevoel me vertrouwen geven, hoewel ik niet wist waar ik terecht zou komen.

Sindsdien sta ik elke dag even stil bij de mooie dingen, vooral in moeilijke tijden. Dankbaarheid is een vreugde, een liefde. Ik zie haar niet als een plicht. Immanuel Kant deed dat wel. Maar niemand vraagt ten slotte om geboren te worden, denk ik. Elk leven lijkt me een gunst, en wie een gunst geniet is geen schuldenaar. Dankbaarheid eert de generositeit, terwijl een verschuldiging een ongemakkelijk gevoel opwekt. Alsof je een schuldeiser moet vrezen die zijn vereffening ophaalt.

Bij dankbaarheid draait het om de vreugde die ik voel. Hoe anderen hun erkentelijkheid beleven, daar bemoei ik me niet mee. En als ‘dank’ iets is dat je vooral verwacht te ontvangen, reageer je zelf als een schuldeiser en mis je de essentie.

Dankbaarheid is cruciaal, maar wordt vaak veronachtzaamd. Bij prijsuitreikingen zoals de Oscars worden winnaars aangemaand om hun bedankingen bondig te houden. Anders zappen kijkers weg. En, waarom zou je benadrukken dat je niet alles in je eentje hebt bereikt?

Maar dat is juist het punt: wie veel bereikt, dankt dat aan zijn eigen inspanningen, maar ook aan de lasten die anderen droegen. Naast geslaagde bedrijfsleiders staan bekwame adviseurs, naarstige bedienden en meestal liefdevolle partners. Zonder de toewijding van ouders en grootouders waren de toppers allicht niet zo succesvol geweest. Wie eerlijk is, beseft het: zonder die ene lerares, zonder het werk van die politieke partij of beweging, zonder de inspiratie van die denker … was het anders gelopen. Dankbaarheid komt met inzicht en zelfkennis. Het is zelfs onontbeerlijk als je voor jezelf zorg wil dragen.

Marcus Aurelius begint zijn ‘Persoonlijke notities’ dan ook met een uitvoerige opsomming: hij benoemt al wie vanaf zijn jeugd tot zijn ontwikkeling heeft bijgedragen. Hij eindigt met de hulp van de goden en het gelukkige toeval. Met die erkentelijkheid opent hij het gesprek met zichzelf dat hij doorheen het boek voert en dat naar een innerlijke vrijheid leidt.

Deze stoïcijnse dankbaarheid is een levenskunst. Marcus Aurelius zoekt voortdurend het beste in zichzelf, en wil daarbij het juiste perspectief vinden. Ik probeer te doen zoals hij, en noteer elke dag schijnbaar gewone, maar opmerkelijke dingen. Ik kijk naar genereuze mensen als ik een rolmodel zoek, en ik blijf zelden hangen in spijt.

Niet iedereen bejubelt de dankbaarheid, want ze zou een schijnvoorstelling kunnen zijn. Wie ‘dank u’ zegt, denkt eigenlijk ‘nog’!, suggereert La Rochefoucauld (1613-1680). Ik geef toe, dat kan het geval zijn. Bij mij als er drankjes en lekkere hapjes worden opgediend.

Zelf ben ik oprecht dankbaar voor wie me kansen heeft gegeven, vaak zonder zekerheid dat ik het waard was. Elke dag opnieuw pluk ik daarvan de vruchten. Helaas zijn sommige groothartige beschermers er niet meer. Hen écht danken kan ik niet, maar ik probeer hun bezieling te behouden door er te zijn voor wie er nu is.

En als ik in een goede bui ben, voel ik dankbaarheid tegenover mensen die me hebben tegengewerkt. Hun gedrag heeft me aangespoord om me te ontwikkelen, om me te tonen. Dat zij andere bedoelingen hadden, maakt niets uit. Wat ertoe doet, is het verhaal dat je zelf maakt. En de mogelijkheden die je benut om je levenservaringen een betekenis te geven.”

Interview Knack – ‘filosofe in tijden van ‘White Privilege’, 24 juni 2020

“De kunst van de politiek is om de tegenstander niet als moreel slecht te veroordelen. Het lijkt steeds minder mensen te lukken, en daar maakt filosofe Tinneke Beeckman zich grote zorgen over. ‘Het streven naar zuiverheid is inherent gewelddadig’.

Interview Peter Casteels, foto’s Diego Franssens

” ‘Ik heb mij helemaal niet verveeld in de lockdown’, vertelt Tinneke Beeckman, als we haar ernaar vragen. ‘Ik heb een dochtertje van twee jaar en half waarmee ik elke dag naar het park ging. Het was fijn om te zien dat zij helemaal opgaat in het moment, wat een goede afwisseling was van alle bezorgdheden. En ik heb ook veel geschreven, en gelezen, zoals Circe van Madeline Miller. Dat is echt een fantastisch boek, waarin het verhaal van die vrouwelijke heldin in de Griekse mythologie wordt verteld. Zelfs als ik ’s nachts even wakker werd, begon ik er verder in te lezen.’

foto: Diego Franssens

Tinneke Beeckman schreef voor Knack het voorbije seizoen een wekelijkse column, waarin ze telkens een vraag die u zich vaak ook al wel eens op een onbewaakt moment had gesteld van filosofische duiding voorzag. Voor die reden zochten we haar op in haar appartement aan het Antwerpse Harmoniepark. De ene vraag ging over verveling, de andere over schaamte of vergankelijkheid, maar vaak over politieke kwesties. Beeckman is ook een politieke filosofe, en een commentator. Momenteel werkt ze aan een boek over de Italiaanse denker Niccolò Machiavelli, waardoor ze zich ook al liet inspireren voor een vraag die met de dag aan urgentie lijkt te winnen: hoe kan ik naar de politiek tegenstander blijven luisteren?

Tinneke Beeckman: Door die tegenstander in ieder geval niet als moreel slecht te zien, en zijn legitimiteit in twijfel te trekken. Het heeft geen enkele zin mensen op basis van hun politieke stellingnames op te delen in goed en slecht. Hoe meer iemand dat inziet, hoe meer hij ook van politiek begrijpt. En hoe meer hij of zij ook kan bereiken in de politiek.

Kan er in discussie over identiteitspolitiek wel op zo’n redelijk manier worden gesproken? Het gaat vaak over zulke persoonlijke kwesties dat het moeilijk is om er niet in morele begrippen over te denken.

We leven inderdaad in een tijd waarin het verschil tussen het private en het publieke vermindert. Terwijl mensen vroeger in die twee ruimtes andere personages waren, maken zij vandaag politieke kwesties privé. Iemand waarmee ik het politiek oneens ben, kwetst mij ook, dat is het gevoel. Alles is intiem geworden. Het is de kunst om politiek niet zo op te vatten.

Maar kan iedereen het zich wel permitteren om op zo’n afstandelijke manier aan politiek te doen?

Waarom zouden anderen dat niet kunnen? Dat is paternalisme.

Omdat er voor hen misschien wel meer op het spel staat dan voor ons? Voor mensen die al het slachtoffer zijn geweest van discriminatie, gaat de discussie over praktijktests over henzelf. Voor mensen met voorouders die onder het kolonialisme leefden, betekent de discussie over de standbeelden van Leopold II allicht ook iets anders dan voor ons.

Ik heb begrip voor hun boosheid. Ze hebben het recht om te strijden voor hun idealen, met alle toegelaten politieke middelen. Voer de discussies dus in alle hevigheid, maar werp daar geen argumenten tussen waardoor je niet meer kan worden tegengesproken. Je legt geen mensen het zwijgen op. Iedereen die het oneens is met jou wegzetten omdat hun witte privileges er zogezegd voor zorgen dat zij niets van racisme begrijpen, is een stap te ver. Iemand daarom ook verwijten dat hij meeloopt met de onderdrukkers of de onderdrukten miskent, is niet eerlijk en zal politiek ook niets opleveren. We zien dat zulke harde posities tegenkrachten oproepen die electoraal zeer succesvol zijn. Politieke spelers moeten kunnen samenwerken, en niet altijd hun morele gelijk willen halen.

Hoe komt het dat het private en het publieke vandaag meer door elkaar lopen? Heeft het ermee te maken dat die minderheidsgroepen de voorbije jaren hun stem vonden in het debat?

Er is een kloof tussen generaties ontstaan over het idee van vrijheid. Ik merk een verschil tussen de mensen die opgroeiden toen de Berlijnse muur nog overeind stond, en jongeren die enkel daarna hebben geleefd. Toen Europa nog verdeeld was, betekende vrijheid ongecensureerd kunnen zeggen wat je dacht: alles was bespreekbaar, en met alles kon gelachen worden. Een Monthy-Python film als Life of Brian, een parodie op het Christus-verhaal, wekte wel veel discussie op, maar uiteindelijk triomfeerde de vrije mening. We vierden de vrijheid die we hadden in vergelijking met de onvrije regimes in Oost-Europa en de Sovjet-Unie. Het model – zowel politiek als ook economisch – dat in die landen werd opgelegd, was een realiteit waar tegen mensen zich toen afzetten. Niemand had in de jaren tachtig door dat de Sovjet-Unie op instorten stond, dus wij hebben dat model nog lange tijd ernstig genomen. Sinds 1990 heeft het vrije kapitalisme gewonnen, en nu definiëren jongeren de vrijheid anders. Het gaat er nu om jezelf te ontwikkelen, en te zijn wie je denkt te willen zijn. Jouw vrijheid bestaat erin dat anderen je daarin tegemoet treden, en dat niemand je mag kwetsen. Veel ouderen begrijpen echt niets van die identity politics. Ze vinden dat gewoon raar.

U hebt voor de val van de muur geleefd. Vindt u dat ook raar?

Ik probeer het nieuwe te begrijpen, want je kan zoiets niet afwimpelen als onzin. Dat doet onrecht aan de energie en de intensiteit waarmee jongeren daarover spreken. Ik stel wel vast dat er geen enkele tegenmacht meer is op economisch vlak. Economische alternatieven zijn sinds de val van de Muur verstomd. Dat verklaart ook waarom veel kwesties sociaal worden geduid. Er zijn maar weinig politiek goed uitgewerkte, concrete alternatieven voor het kapitalisme, en in zekere zin past die identiteitspolitiek zelfs binnen dat kapitalisme. Iedereen moet kunnen worden wie die wil zijn, en de markt biedt graag producten aan die daarbij helpen.

Ook feministische thema’s kwamen terecht in het veld van de identiteitspolitiek. Hebt u daar dan moeite mee?

Ik zal mij in ieder geval niet snel gekwetst voelen. Over die aflevering van Fawlty Towers die werd verwijderd, zei men ook dat er misogyne passages in zaten.  Daar voel ik mij absoluut niet door aangesproken. Ik begrijp hoe satire en ironie werken, en ik kan ook zien dat het in de literatuur net interessant kan zijn om ‘foute’ personages op te voeren. Dat helpt ons om menselijke verhoudingen beter te begrijpen. Natuurlijk: ik lees liever Madeline Miller dan Henry Miller. Maar ik zeg niet dat mijn dochter hem later niet mag lezen, of dat zijn boeken verboden moeten worden. Alleen heb ik niets met  Henry Miller. En ik heb ook niets met mannen die hem graag lezen. Mocht een man zich tegen mij gedragen zoals in het universum van Miller, zal het zijn beste dag niet zijn.

Is het relletje rond de aflevering van Fawlty Towers een stommiteit, of vindt u het net typerend voor de tijdsgeest?

Ik hoop dat nuance mogelijk blijft: John Cleese is Leopold II niet. (lacht) In Engeland en de Verenigde Staten is het al gebeurd dat academische medewerkers die een verkeerd woord gebruikten, tot ontslag werden gedwongen, bijvoorbeeld. Ondanks herhaalde excuses en pogingen tot opheldering over de onderliggende bedoelingen. Het zijn vaak derden die het hardst reageren: ik ben niet beledigd, maar ik neem het op voor de onderdrukten die zich beledigd voelen, en ik richt daarom al mijn haat op u. Dat streven naar zuiverheid is inherent gewelddadig. Dat is wat er gebeurt als de tegenstander moreel wordt gedelegitimeerd, en in die zin hoop ik dat mensen die hun idealen op zo’n manier verabsoluteren het nooit voor het zeggen krijgen.

Eén van uw columns vroeg zich af wanneer vrouwen genoeg geëmancipeerd zijn. Vindt u uzelf voldoende geëmancipeerd?

Soms wel, soms niet. Er zijn momenten waarop ik minder geëmancipeerd ben dan ik zou willen zijn.

Welke momenten zijn dat dan?

Dat is privé, en ik kan de scheiding met het publieke gelukkig nog wel maken. (lacht) In die column gaat het over Burkes ideaal van vrouwelijke schoonheid. Voor mij mogen vrouwen best verleidelijk zijn. Dat is aangenaam, en zelfs belangrijk. Maar een vrouw kan alleen vrij zijn als ze op andere momenten durft beslissen om niet te behagen, of te proberen in de smaak te vallen. Ik zie vrouwen in mijn omgeving die van zichzelf vinden dat ze enorm geëmancipeerd zijn, terwijl ik merk dat ze het cruciaal blijven vinden wat mannen van hen denken.

Nu maak u zich er makkelijk vanaf met een voorbeeld van andere vrouwen.

Ik noem hun namen wel niet. (lacht) In mijn columns vertrek ik van persoonlijke vragen. Ik geef mij waarschijnlijk bloot op een manier die ik zelf niet door heb, aangezien lezers dingen opmerken die je zelf niet ziet. Maar het strikt persoonlijke van mijn leven is voor andere mensen banaal. Daar hebben ze geen boodschap aan.

U schreef zelf ook dat iemand die ‘genadeloos openhartig’ is als hij over zichzelf vertelt door niemand nog sympathiek zou worden bevonden. Is het dat ook een beetje?

De schrijver George Orwell zei dat hij nooit een autobiografie zou schrijven, omdat het leven uit vele kleine vernederingen bestaat, die een mens nooit durft toe te geven. Het is ontzettend moeilijk om absoluut eerlijk over je eigen leven te vertellen en een glorieus verhaal over te houden. Daarvoor moet je ongelooflijk veel fantasie hebben. (lacht)

U noemde Orwell ook als één van de schrijvers die u de inspiratie geven om echt vrij te denken. Hoe werkt dat?

Orwell is in zijn werk zodanig moedig en eerlijk geweest, dat geeft mij energie. Het zou al schoon zijn als ik een duizendste van zijn moed zou hebben. Hij schreef namelijk weldegelijk autobiografische romans, zoals Burmese days over zijn leven in Birma in de jaren twintig onder het Britse rijk. Hij had de mogelijkheid om daar te leven als een rijke en machtige koloniaal, maar zag zelf de gruwel en de horror van dat leven in. Daar zijn maar heel weinigen toe in staat. Orwell kon een vrouw kopen om ermee te doen wat hij maar wilde – dat mocht toen allemaal -, maar hij voelde zich daardoor vooral eenzaam. Dat schreef hij ook op.

Wordt u van zulke boeken ook een beter mens?

Natuurlijk niet. Wat is dat nu voor een vraag? (lacht)

De vraag naar de kracht van de literatuur: kan ze mensen veranderen?

Ik denk niet dat mensen die veel literatuur lezen per se betere mensen zijn. Je moet altijd de oefening maken naar je eigen leven, en dat is confronterend. In The catcher in the rye schrijft J. D. Salinger bijvoorbeeld over zijn afkeer van phonies, dikdoeners. In het beste geval staan de lezers van dat boek even stil bij de momenten in hun leven dat zij zich zo hebben gedragen. Maar veranderen? Dat lukt alleen als je dat zelf wil.

Ziet u veel echte vrijdenkers in Vlaanderen?

Continue Reading ›

“Moet J.K. Rowling op haar woorden letten?”, DS column, 25 juni 2020

“Wie een foute tweet stuurt, kan in een nachtmerrie terechtkomen. Harry Potter-auteur J.K. Rowling tweette dat je wezens die menstrueren, gerust vrouwen mag noemen.  Daarop ontstond een storm van kritiek (omdat ze transgenders zou miskennen). Jonge acteurs uit de Harry Potter-verfilmingen keerden zich openlijk tegen Rowling. De schrijfster verdedigde zich met een lang essay over haar eigen ervaringen met seksueel misbruik en huiselijk geweld. Maar de campagne ging door. Andere auteurs en medewerkers van Rowlings uitgeverij vertrokken of namen ontslag; ze wilden dat het bedrijf afstand nam van Rowlings uitspraken. Voor hen is de vrijheid van meningsuiting ondergeschikt aan de strijd voor onderdrukte, ondervertegenwoordigde groepen (zoals transgenders).

Niet Rowlings uitspraken interesseren me hier, maar de dynamiek die erop volgde. Want die illustreert hoe identiteitspolitiek de vrijheid van mening en de vrije publieke ruimte in het gedrang brengt. Dat komt – onder meer – omdat identiteitspolitiek onvoldoende onderscheid maakt tussen het private en het publieke, tussen het zelf en de wereld.

Voor sommige (jongere) mensen vandaag lijkt het misschien vanzelfsprekend om politiek engagement in het verlengde te zien van een fluïde, kwetsbaar zelf: als iemand dat zelf miskent, ontbrandt de strijd. Maar voor politieke denkers valt het politieke hiertoe juist niet te herleiden.

Hannah Arendt bijvoorbeeld onderscheidt het private van het publieke domein. Het private is wat je kan verborgen houden, wat je aan de zichtbaarheid van het publieke (of het politieke) kan onttrekken. Het private is de plaats voor het intieme en het gevoelige, voor het welzijn van jezelf en je geliefden. Arendts schrikbeeld is de totalitaire samenleving, waarin het politieke ook het private domineert; en waarin de publiek beoefende pluraliteit verdwijnt. In een vrije samenleving loopt dit anders: ‘de realiteit van het publieke domein berust op ontelbare perspectieven en aspecten die tegelijkertijd aanwezig zijn, en waarin de gemeenschappelijke wereld verschijnt’, noteert Arendt in ‘The Human Condition’. Arendt vergelijkt die gemeenschappelijk wereld met een tafel: ze verbindt mensen, maar ‘verhindert dat we over elkaar vallen’. Op straten, pleinen of theaters, ontmoeten burgers elkaar. Ze kunnen vrij discussiëren en bepalen wat er in ‘de wereld’ (zoals Arendt het noemt) op het spel staat. Zo kunnen ze samen politiek handelen.

Het private moet publieke inkijk dus kunnen weren. Omgekeerd moet het private zich deels terugtreden in de publieke ruimte. Je moet publiek kunnen spreken met individuen waar je privé niets mee deelt. Wat verbindt, is burgerschap. Maar dit idee van burgerschap, van een groter politiek geheel, is vandaag op de achtergrond geraakt. Mensen praten soms precies vanuit hun subjectieve ervaring; ze zeggen ‘ik als vrouw’ of ‘ik als moeder’, enz. Alsof je persoonlijke situatie je publieke legitimiteit bepaalt.

Dat gold ook voor Rowling. Ze sprak niets eens over vrije mening, maar ging mee in de identiteitslogica: ze pareerde de kritiek op haar vermeende ongevoeligheid voor slachtoffers door haar eigen slachtofferschap te benadrukken. Niet alleen stopte dit de hetze niet. Maar in een vrije samenleving zou je je nooit gedwongen mogen voelen om intieme, private verhalen prijs te geven. Je vrijheid van mening mag niet afhangen van de puntjes die je hebt verzameld door je lange lijdensweg. Dat is on-politiek in Arendtiaanse zin. En het is eigenlijk vernederend. De krant ‘The Sun’ interviewde prompt Rowlings ex-man. Die gaf toe haar geslagen te hebben, maar had er geen spijt van, kopte de krant. Het publieke debat werd een private afrekening.

Feministen kunnen tegenwerpen dat hun persoonlijke ervaringen wel de basis voor politiek engagement vormden, en dat Arendts onderscheid te streng is. Feministen van de tweede golf lanceerden ‘the personal is political’; vrouwen bundelden de krachten om structurele ongelijkheid tussen mannen en vrouwen te bestrijden. Zo zetten ze wetgeving tegen verkrachting binnen het huwelijk op de agenda, bijvoorbeeld. Maar ook in dit geval oversteeg de politieke actie het intieme; het was méér dan een strijd om de erkenning van een fragiele, zelfgekozen identiteit. Politieke acties gaan over objectiveerbare feiten. Ze proberen het taalgebruik niet te reguleren. En politiek vraagt openheid voor elkaars visie, zonder de ander het zwijgen op te leggen.

Wat blijft er nu over? Vooral een waarschuwing dat je best op je woorden let. Stephen Fry zei in een debat over politieke correctheid dat hij nooit in zijn leven zo veel angst had gezien bij zovele mensen om vrijuit te spreken. Als het publieke onveilig is, trekken mensen zich terug in het private; dan ‘vermijden mensen onenigheid en proberen ze zo veel mogelijk alleen om te gaan met mensen waarmee ze niet in conflict kunnen treden’, schrijft Hannah Arendt in ‘Politiek in donkere tijden’.”

Deze column verscheen in De Standaard op 25 juni 2020.

“Fortuna is niet de vijand”, column DS, 7 mei 2020

“In een openhartig interview vraagt de Amerikaanse psychotherapeut Gary Greenberg zich af hoe hij deze pandemie aan zijn patiënten kan uitleggen (DS weekblad, 2 mei). Hij heeft hen altijd verteld dat ze zichzelf beter niet als slachtoffers van duistere krachten zien, die het op hen persoonlijk gemunt hebben. Die gedachte is belangrijk, om met moeilijkheden om te gaan. Maar dit virus lijkt wel zo’n persoonlijke kracht te zijn, meent hij. Wat nu?

Greenbergs interpretatie van deze crisis is begrijpelijk, maar zijn conclusie is fout, denk ik. Want dit coronavirus viseert niemand in het bijzonder. Greenberg zou Machiavelli aan zijn patiënten moeten voorleggen. De beeldspraak van de Florentijnse filosoof is verhelderend: voor wispelturige, onvoorspelbare spelingen van het lot verwijst hij naar Fortuna, de Romeinse Godin. Ze is een blinde kracht, die geluk of ongeluk kan brengen.

Dit betekent niet dat je eigen gedrag geen rol speelt. Integendeel, want de fortuin bepaalt deels wat je overkomt, maar je hebt zelf een belangrijke rol te spelen. Hoe gepaster je op wisselende tijden reageert, hoe minder greep de fortuin op je heeft. Machiavelli vergelijkt haar met een onstuimige rivier, die als hij woest wordt vlaktes onder water zet, bomen ontwortelt en huizen vernielt, overal grond met zich meesleurt om die elders weer achter te laten: iedereen slaat op de vlucht, iedereen moet buigen voor zijn geweld en weerstand is onmogelijk. Maar in rustigere tijden kunnen mensen maatregelen nemen, door bijvoorbeeld dijken te bouwen. Een mens beheerst niet alles, maar een vooruitziend en wijs mens kan wel heel wat doen. Nooit op je lauweren rusten is Machiavelli’s eerste aanbeveling.

Als je Fortuna altijd aan je zijde wil hebben, moet je mee veranderen met de tijd. Dat is ontzettend moeilijk. Het is menselijk dat je vanuit gewoontes en je eigen karakter naar de wereld kijkt. Als je het goed hebt, wil je gewoon hetzelfde doen, alles behouden zoals het is. Maar hoe sneller je inziet dat tijden omslaan, dat je je constant moet aanpassen, hoe makkelijker je het voor jezelf maakt.

Daarbij komt dat tegenspoed je zelfvertrouwen ondermijnt, terwijl voorspoed je overmoed stimuleert. In beide gevallen schat je de werking van de eigen krachten en die van het lot verkeerd in. Als het slecht gaat, vertrouw je te weinig op je eigen mogelijkheden; alles is je te veel, te zwaar. En bij langdurige vrede en welvaart, denk je dat je een vanzelfsprekend recht op geluk hebt. Juist dan slaat Fortuna toe, waarschuwt Machiavelli.

Loop dus niet met je hoofd in de wolken als het goed gaat, en zit niet te diep in de put als het slecht gaat, adviseert Machiavelli in de ‘Discorsi’. ‘Opgeven mag men nooit: want de fortuin bewandelt kromme, onbekende paden, en waar die heen leiden weet men niet; en daarom dient men altijd te blijven hopen en de moed nooit op te geven, hoe hoog de nood ook is.’ Continue Reading ›

“De Vraag van Tinneke Beeckman” in Knack

Vorige week werd mijn wekelijkse column in Knack onderbroken voor uitgebreide berichtgeving over het coronavirus.

Deze week verschijnt de column opnieuw. Elke tekst beantwoordt een persoonlijke, filosofische vraag, zoals ‘Waarom vergeef ik zo moeilijk?’, het thema van deze week. Ik zoek een antwoord met de hulp van Vladimir Jankélévitch, Martha Nussbaum en Seneca.

‘In het spoor van Ivan’, column DS, 5 dec. 2019

“Hebben we nieuwe euthanasiewetten voor dementerenden ­nodig? De vraag ligt op tafel, onder meer door het partijpolitieke getouwtrek rond een nieuwe federale regering.

Maar het probleem rond de omgang met de dood is fundamenteler dan deze ene kwestie. Hoe rond je het leven af, wanneer je steeds meer mogelijkheden hebt om het te verlengen? Hoe verhoud je je tot de dood, in een cultuur die leven gelijkstelt aan het ideaal om zo lang mogelijk door te gaan?

‘Elke mens heeft een onvervreemdbaar recht op leven, vrijheid en het nastreven van geluk.’ Dat schreef Thomas Jefferson in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring in 1776. Een soortgelijke gedachte inspireert de Franse ‘Verklaring voor de rechten van de mens en de burger’ in 1789. Vanaf de verlichting staan de menselijke waardigheid, gelijkheid en vrijheid centraal in het maatschappelijke streven. Het wetenschappelijke onderzoek dient de collectieve wil om het lot van de mens te verbeteren. Die omwenteling heeft tot spectaculaire resultaten geleid: minder kindersterfte, hogere levenskwaliteit, langere levensduur.

Ondertussen hebben technische ontwikkelingen een ander tijdperk ingeluid: Silicon Valley-miljardairs, zoals Bill Maris van Google, dromen van onsterfelijkheid. Vroeger werden wetenschap en technologie ingezet om een menswaardig leven te garanderen en om armoede en onwetendheid te bestrijden. Nu worden ze ingezet om de strijd tegen de dood zelf te winnen. Elk letsel of ziekte wordt een technisch mankement.

Daarmee wordt de dood naar de achtergrond verwezen. Elke ochtend ontwaakt de westerse mens met de onuitgesproken verwachting dat hij de dag ­levend doorkomt. Vorige generaties hadden dit niet, en miljoenen mensen over de hele wereld hebben het evenmin. Voor hen is het leven broos, de dood altijd nabij. De frêle constitutie van een pasgeborene, het risicovolle moment van de bevalling, een infectie die niet gauw wordt verzorgd, conflicten en geweld: voor veel niet-westerse mensen is het leven elke dag een half wonder.

In het Westen is de afwezigheid van de dood niet alleen een realiteit, ze is een wens. In heel wat interviews antwoorden bekende Vlamingen dat ze een ‘snelle’ dood willen, op late leeftijd. Snel, zodat ze niet beseffen stervende te zijn. Maar je kunt niet oud worden zonder de dood te zien naderen. Het overlijden van je naasten herinnert je aan je eigen sterfelijkheid.

Juist daartegen bestaat een handig verweer: je kunt de dood altijd als een probleem van de ander beschouwen. Heel wat mensen lijken zo op Ivan Iljitsj, uit Tolstojs roman De dood van Ivan ­Iljitsj. De stervende Ivan voert een gesprek met zichzelf, over wat hij in ‘de logica van Kiesewetter had geleerd: Caius is een mens, mensen zijn sterfelijk, dus Caius is sterfelijk. Dit had hem zijn hele leven alleen juist geleken met betrekking tot Caius, maar absoluut niet tot hemzelf. Het ging daar om de mens ­Caius, om de mens in het algemeen, en dan was het volstrekt juist; maar hij was Caius niet en hij was niet zomaar een mens, hij was altijd volkomen, maar dan ook volkomen anders geweest dan alle andere schepsels.’ Ivan Iljitsj denkt dus dat ‘men’ wel sterft, maar hij hoeft het niet te doen. Tot hij zelf ziek wordt. Hij leert dat elke mens zijn eigen leven moet leiden en zijn eigen dood moet sterven.

Leven en dood hangen met elkaar samen: het ene kan niet zonder het andere. Want leef je wel met meer liefde voor het leven als je erin slaagt om de dood te verbannen? Of spelen verdoving, medicatie, antidepressiva (zelfs lang voor het ­levenseinde) een steeds grotere rol? Enkele maanden voor zijn dood noteert ­Tolstoj in zijn dagboek hoe gunstig hij het ervaart om te weten dat de dood op elk moment kan toeslaan. Je leeft intenser als je de natuurlijke band tussen ­leven en dood niet verbreekt. In heel wat discussies over gezondheid, levenseinde en zelfbeschikking verdwijnt de meer fundamentele verhouding tot de dood en het leven op de achtergrond. Ten ­onrechte.”

Deze column verscheen in De Standaard op 5 december 2019.