“Onze verhalen zijn van iedereen”, DS 20 sept. 2018

“Vorig weekend hield de rector van de VUB, Caroline Pauwels een bevlogen pleidooi voor de Verlichting, en ze heeft daarin groot gelijk (DS, 15/09). Ze bestempelt de Verlichting als een open houding, een pleidooi voor rede, humanisme en wetenschap. Ze toont hoe actueel en noodzakelijk deze begrippen zijn in een complexe, diverse wereld.

Tegelijk waarschuwt ze voor een al te historische interpretatie, die de Verlichting te exclusief zou maken: mensen die van elders komen, kunnen zich er dan niet meer in vinden. Een universele Verlichting, is dan ontdaan van haar ‘westerse’ karakter. Dit laatste klopt echter niet: juist door de context, de verhalen en de denkers te belichten, kan je de universele boodschap van de Verlichting helpen begrijpen.

Neem dat verhaal dat de Franse gelauwerde film ‘Ridicule’ vertelt (gebaseerd op de mémoires van Adèle D’Osmond, Comtesse de Boigne) over de jonge baron, Grégoire Ponceludon de Malavoy die zag hoe arme mensen bij bosjes stierven door moerasziektes. Als ingenieur wilde hij die moerassen droogleggen, en trok hij naar Versailles om de koning, Lodewijk XVI, te overtuigen. Maar hij ontdekte een wereld van intrige en bedrog, van valse gevatheid en spot, waar niemand zich om het lot van een ander bekommert. Pas na de Franse Revolutie werden dergelijke openbare werken die mensen het leven redden, mogelijk.

De les is duidelijk: als koningen zich afgezanten van God wanen, en zich opsluiten in hun weelderige hoven, blijven ze blind voor het lijden van de bevolking.

Zonder idee van gelijkheid, zonder politieke structuren om volksinspraak te hebben, leeft een kleine groep in luxe, en crepeert de rest. Waarom zouden mensen uit Afrika of Azië met dat historisch verhaal zich niet verbonden voelen, en meteen begrijpen wat de meerwaarde is van wetenschappelijk onderzoek, en van democratische structuren?

Of lees het verhaal ‘Zadig’ van Voltaire, dat zich in Babylon situeert. Voltaire vertelt de avonturen van een man die strijdt tegen onrecht en voor rechtvaardigheid. Gevat en meeslepend toont Voltaire hoe wetenschappelijke methodes de jongeman op weg helpen om de waarheid te achterhalen, zich van bedriegers en machtswellustelingen te bevrijden. Waarom zou zo’n korte roman niet inspirerend kunnen zijn? In Frankrijk wordt Voltaire nog veel gelezen, en terecht. Dat heeft niets met nationalisme, maar juist met de geest van humanisme en universalisme te maken.

Of neem het historische verhaal van Chevalier de la Barre, die in 1766 op twintigjarige leeftijd op de brandstapel eindigde; hij wilde niet knielen bij een processie, en werd beschuldigd van heiligschennis. Zijn overtuigingen werden hem fataal. Hij is een voorbeeld voor niet-gelovigen om met moed hun overtuiging te beleven. Vandaag de dag worden nog altijd mensen terecht gesteld omdat ze het officiële geloof niet willen aanhangen. Waarom zouden mensen uit andere landen dan niet begrijpen hoe aangrijpend dit verhaal is, en wat er allemaal gebeurde voordat een begrip als de vrijheid van mening en geloof werkelijkheid werd?

Pauwels heeft gelijk dat de Verlichting veel beter verdiend dan herleid te worden tot een strijdmiddel tégen anderen. En verhalen uit andere streken die menselijkheid, vrijheid en gelijkheid illustreren, zijn voor iedereen een verrijking. Maar je kan de Verlichting niet begrijpen – of uitleggen – zonder haar historische context, haar bijzondere denkers en aandoenlijke verhalen te raadplegen. Dat niet iedereen zich ‘goed voelt’ bij Westerse tradities, mag hierin geen rol spelen. Jongere generaties mogen niet onterfd worden van het rijke westerse verleden, omdat diversiteit het nieuwe ordewoord zou zijn. Veel keuze is er trouwens niet: zonder kennis van het verleden, kan de toekomst alleen eenzaamheid zijn.”

Deze column verscheen op 20 september 2018 in De Standaard.

“Wees bereid om beledigd te worden” Column DS 3 mei 2018

“Tegendraads denken, eigenzinnig redeneren, het zijn houdingen die schijnbaar hoog gewaardeerd worden. Toch is de openheid voor aparte, kritische ideeën vaak beperkt.

Een actueel voorbeeld: de naam Jordan Peterson valt zelden zonder de vermelding alt-right erbij, alsof de man een vertegenwoordiger is van een zeer kwalijk soort rechts denken dat de democratie in gevaar brengt. De lezer is gewaarschuwd. En wel op basis van een ‘guilt by association’: alt-right is verwerpelijk, dan moet die hele Jordan Peterson dat ook zijn. Peterson zelf beweert onder tussen dat hij niets met alt-right te maken heeft. Zijn ideeën mogen dan zeker vatbaar zijn voor kritiek, maar ze vormen geen bedreiging voor de democratie.

Peterson is een Canadese klinisch psycholoog, die bekendstaat als tegenstander van het politiek correcte denken aan Amerikaanse universiteiten. Hij hekelt de blindheid bij westerse intellectuelen voor het massale geweld van het communisme. Hij spreekt ongegeneerd over mannelijkheid en vrouwelijkheid, en verwijst naar biologische componenten. Hij meent dat de blanke patriarchale orde niet verantwoordelijk is voor de problemen in deze tijd. Zijn boek 12 rules for life, an antidote to chaos voert sinds januari internationaal de bestsellerslijsten aan. Het werk schippert tussen metafysische ideeën over orde en chaos, eerder conservatieve leefregels, wetenschappelijke gegevens, persoonlijke anekdotes en haast priesterlijke aanmaningen om nefaste neigingen te beteugelen. Ariane Bazan gaf al een kritische lectuur van zijn boek (DS 31 maart).

Maar moet de lezer oppassen wanneer hij met zulke ideeën in contact komt? Niet echt. Peterson verdedigt zelfs stellingen die de democratie dienen. Bijvoorbeeld dat de vrijheid van mening belangrijker is dan de mogelijkheid dat iemand zich door een mening gekwetst voelt. In een interview met journaliste Cathy Newman van Channel 4, dat al meer dan tien miljoen keer bekeken werd op Youtube, verdedigt Peterson zijn standpunt met verve. Van in het begin probeert Newman om Peterson in de hoek van onverdraagzaam rechts te duwen. Dan vraagt ze dit aan Peterson: waarom zou jouw recht op vrijheid van mening belangrijker zijn dan het recht van minder­heden om zich niet beledigd te voelen? Omdat je altijd het risico neemt beledigend te zijn als je echt wilt denken, antwoordt Peterson. Dat geldt ook in dit gesprek, waarbij de journalist het risico neemt om de gesprekspartner te beledigen. Zo hoort het ook. Dat is wat gebeurt wanneer iemand de waarheid zoekt. Dan heb je het recht op vrijheid van expressie nodig, aldus Peterson. Newman had er niet van terug. Ze werd geconfronteerd met haar eigen vooroordelen: dat je in naam van niet-discriminatie bepaalde groepen op kousenvoeten moet benaderen, terwijl anderen het best een tackle krijgen.

Peterson raakte ook bekend wegens zijn verzet tegen een Canadese wet over uitingen in de strijd tegen discriminatie. Zo zouden transgenders het recht krijgen hun eigen aanspreking te kiezen. Ze mogen dan niet meer met de voornaamwoorden ‘hij’ of ‘zij’ worden aangesproken, maar met nieuwe woorden als Per, Ey of Zhe. Volgens Peterson is het onwerkbaar en principieel onaanvaardbaar. Dan bepaalt de wet hoe je je moet uitdrukken. Het argument dat je een transgender uit vriendelijkheid (‘kindness’) moet tegemoetkomen, vindt hij ook onzin. Die vriendelijkheid heeft geen voorrang op vrije expressie. En achter zo’n eis tot vriendelijkheid gaat dwang schuil. Peterson wijst er geduldig op dat dergelijke eisen om minderheden niet te discrimineren niets opleveren, maar net zelf machtsmiddelen dreigen te worden. Verdedigt Peterson daarmee een extreem standpunt? Continue Reading ›

“Niets mag nog (of zo voelt het toch)”, Interview Knack 12 maart 2018

Knack-journalist Jeroen de Preter interviewde politierechter Peter D’Hondt, filosoof Johan Braeckman en mezelf over de vrijheid.

“Het advies om bij min tien de houtkachels niet te laten branden, was er voor veel mensen te veel aan. Mag dan niets meer? Gwendolyn Rutten en Rik Torfs vinden het tijd om onze vrijheid te heroveren. De vraag is dan: wat is de ware vrijheid?

Door Jeroen de Preter

Belgen en wettelijke verboden of verplichtingen, het is nooit een makkelijk huwelijk geweest. Uit de al wat oudere doos komt het voorbeeld ‘gordelplicht’, van kracht sinds 1975. De inperking op de vrijheid die deze wet met zich meebracht was bijna onbestaande, de enorme impact op de verkeersveiligheid evident. ‘En toch was er aanvankelijk veel verzet’, vertelt politierechter Peter D’Hondt. ‘Onder meer de liberalen lagen toen dwars. Die wet is er maar gekomen dankzij pleitbezorgers als mijn moeder (Paula D’Hondt, nvdr).’

De gordelplicht miste haar effect niet. ‘Het aantal verkeersdoden bij auto-ongevallen was dankzij die wet al snel gehalveerd. Nog zeer regelmatig word ik met het grote belang van de autogordelplicht geconfronteerd. Onlangs nog: een auto met vijf inzittenden was zwaar gecrasht. Een van de passagiers had het ongeval niet overleefd. Hij was de enige die zijn gordel niet had vastgemaakt.’

Redenen om de gordel niet te dragen zijn er eigenlijk niet, betoogt D’Hondt. En toch volhardt nog altijd ruim een derde van de passagiers en ongeveer 1 op 10 van de bestuurders in de boosheid. ‘In vergelijking met dertig jaar geleden is dat al een grote verbetering. Maar we zijn er nog altijd niet. Je moet blijven inzetten op voorlichting, vervolging en harde repressie. Net als bij snelheidslimieten. Zet mensen in een auto en het worden primaire wezens die van geen beperking willen weten en alle rationaliteit verliezen. Je loopt vandaag onnoemelijk veel meer risico om te sterven in het verkeer dan als gevolg van terreur. En toch houden nog veel te veel mensen zich niet aan de gordelplicht of –  nog essentiëler – de snelheidslimiet.’

De vergelijking met terreur is ook om politieke redenen interessant. Het is geen groot geheim dat vooral de rechterzijde weinig moeite heeft met het inperken van vrijheden als het gaat over bestrijding van terreur. D’Hondt wijst op een VUB-studie die aantoonde dat het in het geval van de bestrijding van verkeersonveiligheid net omgekeerd is. ‘Chauffeurs met rechtse politieke voorkeuren hebben meer moeite om zich aan de regels te houden’, zegt D’Hondt. ‘Verkeersveiligheid blijkt dus ook een politieke kwestie.’

De wrevel van Rik Torfs

Weinig gevallen maken zo goed duidelijk dat mensen niet altijd rationele wezens zijn als de gordelplicht. Ondanks een stoet krachtige en onweerlegbare argumenten, blijft een flink deel van de bevolking zich in de feiten tegen die plicht verzetten. En voor dat verzet valt eigenlijk maar één reden te bedenken. Een gordel wordt- allicht ook fysiek – als een inperking van de vrijheid ervaren. Vrijheid die ons blijkbaar bijzonder dierbaar is, en daarom soms botst met het verstand.

‘Wat is dat toch met de drang van sommigen om te regelen, betuttelen en verbieden? Ik gruwel daarvan.’  Open Vld-voorzitster Gwendolyn Rutten stak haar ergernis niet onder stoelen of banken na een van de eerste pogingen om vanuit de politiek het gebruik van houtkachels en open haarden aan banden te leggen.  Rationeel gezien is het verzet van Rutten ongeveer even legitiem als het verzet van de vroegere PVV tegen de gordelplicht. Houtkachels en open haarden zijn grotere vervuilers dan het wegverkeer en dienen in de meeste gevallen geen ander doel dan de gezelligheid. Maar een inperking en zeker een verbod druist in tegen onze vrijheid, en die staat, aldus Rutten in haar boek Nieuwe vrijheid,  meer dan ooit onder druk. Als grote boosdoeners noemt ze, onder anderen, ‘ecologische doemdenkers’ en ‘de gelijkheidsdictatuur’.

Maar pleidooien voor de ‘herovering van de vrijheid’  komen vandaag niet alleen uit de hoek waaruit je die mag verwachten.  Opvallend genoeg hanteert de katholieke professor kerkelijk recht Rik Torfs tegenwoordig een  discours dat nauwelijks van dat van Rutten te onderscheiden is. In een recent gesprek met Knack poneerde Torfs dat onze samenleving vandaag gekenmerkt wordt door een ‘repressieve’ sfeer. ‘Wat vijftien jaar geleden nog kon, dat kan nu dus niet meer. We gunnen onszelf minder vrijheid dan vroeger.’  Torfs noemde in het interview onder meer het #MeToo-debat, en de genadeloosheid waarmee er in dat debat over goed en kwaad werd geoordeeld. Een gelijkaardige ‘nultolerantie’ hanteren we volgens Torfs tegenover alcohol in het verkeer. ‘Roken mag niet, drinken mag niet, noem maar op. Mensen gunnen elkaar niets meer.’

Nog los van de vraag of Torfs wrevel terecht is,  lijkt de stelling dat onze vrijheid onder druk staat toch minstens op het eerste gezicht pertinent.  Je kon de afgelopen maanden en weken geen krant openslaan zonder te stuiten op  voorstellen, maatregelen of pleidooien die,  hoe rationeel ze soms ook zijn, onze vrijheid inperken. Denk aan het verbod op dieselwagens in Duitse steden of, dichter bij huis, het verbod op plastic zakjes. In de week waarin de sp.a voorstelde om online gokken te verbieden, kondigde de Brusselse regering aan dat er zowel een verbod op kermispony’s als een verbod op het thuis slachten van dieren in de maak is. Als het aan Vlaamse bouwmeester Leo Van Broeck ligt,  wordt het tijd om ook onze legendarische bouwwoede drastisch te beteugelen. ‘Vrijstaand bouwen is crimineel’, zei de bouwmeester onlangs in Knack.

Staat onze vrijheid onder druk?

Staat onze vrijheid onder druk? Ook filosofe Tinneke Beeckman is geneigd om dat te denken. Volgens Beeckman gaat het dan niet alleen over nieuwe wetten, maar ook over een toename van de morele druk die ons opgelegd wordt door onszelf of door onze omgeving. ‘De toename van die druk houdt allicht mee verband met de toename van onze wetenschappelijke kennis’, zegt Beeckman. ‘We weten veel beter dan vroeger wat al dan niet schadelijk is voor ons en onze omgeving. Daaruit is een meer technologisch mensbeeld gegroeid. Het besef “dat we er iets kunnen aan doen”, heeft ons ook opgezadeld met de morele plicht om er iets aan te doen. Je kan je de vraag stellen of dat alleen maar vooruitgang is. De idee dat alles maakbaar is, zorgt voor morele vragen op terreinen waar vroeger geen morele vragen werden gesteld.’ Continue Reading ›

“Seksistische intimidatie”, column DS, 8 maart 2018

“Op internationale vrouwendag is er – ondanks #metoo en alle ophef de voorbije maanden –weinig reden tot euforie. Als je de krant openslaat, vallen twee gebeurtenissen op: een rechter heeft voor het eerst een man veroordeeld op basis van de seksismewet (vooral bedoeld tegen seksistische straatintimidatie). En de Belgische voetbalbond blijft de misogyne rapper Damso steunen. De bond wierf Damso aan om het WK-lied te schrijven, zoals Mia Doornaert vorige week aankaartte.

Verdedigers van de seksismewet zien in het vonnis van de rechter een overwinning: een man die een vrouwelijke politie-inspecteur uitmaakte voor ‘hoer’, en zei dat ze beter bankbediende zou worden, krijgt drieduizend euro boete. Deze uitspraak is een Pyrrhus-overwinning. De juridische discussie tempert de feeststemming: blijkbaar neemt het gerecht seksistische straatintimidatie pas ernstig sinds er een extra strafwet is, al is die specifieke wet vaag, breed en strikt gezien overbodig (er bestond al een veelheid aan strafbepalingen voor zo’n misdrijf). Ook de bewijslast bij zo’n wet blijft heel moeilijk. Niet toevallig betrof het hier een agente die zelf een pv kon opstellen.

Maar het politieke probleem is dramatischer. De spanningen in de multiculturele samenleving los je niet op door (nieuwe) wetten. Nochtans zwaaien politici daar graag mee, vooral bij fenomenen waarmee ze zich geen raad weten. Seksistische straatintimidatie is zo’n voorbeeld, In bepaalde wijken is het schering en inslag. De documentaire van Sofie Peeters ‘Femme de la Rue’ toonde eerder al die realiteit. Dat seksistisch pestgedrag komt met culturele en religieuze verschillen, die nauwelijks openlijk worden besproken. Nog altijd blijft een kritische analyse van de ideeën die minderheden er op nahouden, taboe. Meer nog, wie al te kritisch denkt, mag de stempel islamofoob of racist vrezen. Liever dan overbodige wetten, is een maatschappelijk debat nodig waarbij die vrouwonvriendelijke visies worden aangekaart, uitgelegd, uitgediept. Welk mensbeeld hangen zo’n daders aan? Welk ideeën krijgen ze mee over lichamelijkheid, mannelijkheid of vrouwelijkheid? Welk idee van gelijkheid en vrijheid vinden ze wel vanzelfsprekend? Liever meer taboeloze documentaires, meer publieke campagnes en meer positieve rolmodellen voor jongeren.

Dat brengt me bij de populaire rapper, Damso, die in zijn liedjes vrouwen beschrijft als sletten waar een man mee mag doen wat hij wilt. De subtiele teksten van mijnheer Damso vallen niet onder de seksismewet. Dat is enerzijds goed nieuws, want dit betekent dat er nog artistieke vrijheid bestaat. Anderzijds toont het dat strafwetten slechts beperkt culturele of politieke effecten hebben. Dit is dus de paradox: terwijl de wetgever steeds meer moraliseert door brede en vage wetten op te stellen, wordt vrouwenhaat banaler; op straat, in de culturele wereld en nu in de sportwereld. Wie had zich pakweg tien jaar geleden kunnen indenken dat de voetbalbond voor de maker van zo’n expliciete, wansmakelijke teksten zou kiezen? Of dat voetbalsterren gewillig met zo’n artiest zouden poseren, zoals Eden Hazard deed, alsof die rapper een navolgbaar voorbeeld is? Continue Reading ›

Column “Flirten met de grens”, DS 11 jan. 2018

“Honderd Franse vrouwen, waaronder Catherine Deneuve, eisen het recht op om lastig gevallen te worden door mannen, in hun open brief in ‘Le Monde’. Ze menen dat #Metoo een heksenjacht op mannen heeft ontketend, en dat de beweging moraalridders, reactionairen en religieuze fanatici in de kaart speelt. Vrouwen mogen zich niet tot slachtoffers laten herleiden, schrijven ze. Alvast op dat punt hebben ze gelijk: een vrouw hoeft zich niet te vereenzelvigen met wat iemand over haar zegt, en zelfs niet met wat iemand haar aandoet.

De ondertekenaars verwijzen ook naar de galanterie, een typisch Franse visie op verleiding die in de Angelsaksische wereld onbekend is. Een goed begrepen galanterie lost inderdaad enkele problemen op die door #metoo worden aangeklaagd. Vanaf de zeventiende eeuw impliceert de galanterie dat mannen leren om te verleiden met woorden, zonder zich fysiek op te dringen. De verleiding wordt gevoed door bewondering, niet door minachting. Daarbij moeten mannen proberen om bij een vrouw in de smaak te vallen, anders zijn ze kansloos. Ze hebben dus geen natuurlijke recht om iemands leven binnen te dringen. Mannen moeten discretie respecteren; de reputatie van de vrouw mag geen schade ondervinden. Deze discretie dient dus niet om opdat de man zijn onaanvaardbare gedrag verborgen kan houden. Vrouwen wordt ook geen schuld of schaamte aangepraat, dé middelen bij uitstek om iemand te manipuleren.

Verleiding hoort bij de seksuele vrijheid; seksualiteit maakt nu eenmaal deel uit van het leven. Die kan voor mannen en vrouwen ongemakkelijk zijn. Toch blijft de grens erg delicaat; in de tekst geven de ondertekenaars mannen wel de ruimte om seksueel getinte berichten te sturen, zelfs al vindt de ontvanger de afzender niet aantrekkelijk, om een gestolen kus te proberen, of om het professionele met het intieme te verwarren. Dat blijven moeilijke gevallen, die makkelijk kunnen omslaan naar grensoverschrijdend gedrag. Zeker wanneer een vrouw psychisch of fysiek niet de mogelijkheid heeft om een onafhankelijke positie in te nemen. Over de galanterie mag trouwens geen misverstand bestaan; wat iemand als DSK deed – soms honderden sms-jes naar één vrouw sturen per dag of handtastelijk zijn in liften, vliegtuigen, hotelkamers – had weinig met een subtiel spel van verleiding te maken.

Schuld en schaamte aanpraten is precies wat gebeurt wanneer vrouwen uitgescholden worden voor ‘hoer’, en dus als moreel minderwaardig worden beschouwd. Continue Reading ›

“Het buikgevoel van Cato”, DS, 11 mei 2017

“In de discussie over onze ‘superieure’ samenlevingsvorm, dienen verwijzingen naar de Verlichting vooral om anderen terecht te wijzen. Daarmee gaat de echte rijkdom van een reflectie over de Verlichting verloren. Lees liever de denkers zelf, en gebruik hun gedachten als een toetssteen voor de samenleving. Wie dat doet, komt vast voor aardige verrassingen te staan, zeker politici die zich graag op de Verlichting beroepen.

Neem nu de Amerikaanse Verlichting. De Amerikaanse grondwet bevat precies die grondrechten die gewoonlijk met de Verlichting worden geassocieerd: gelijkheid, kritisch onderzoek, vrijheid van meningsuiting en van geloof, zelfbeschikking, en burgerlijke vrijheden.

Zowel Thomas Jefferson als Benjamin Franklin – beiden Founding Fathers van de Amerikaanse republiek – benadrukken het belang van ‘civic virtues’ : een vrije republiek is pas houdbaar en leefbaar wanneer elke burger ook burgerlijke, sociale deugden nastreeft. Dit principe is helemaal niet meer vanzelfsprekend, maar was wel een essentieel uitgangspunt voor deze Founding Fathers.

In zijn autobiografie beschrijft Benjamin Franklin hoe hij op jonge leeftijd het plan opvatte om morele perfectie te bereiken: om te leven ‘zonder op enig moment een fout te begaan; ik zou alles overwinnen waartoe natuurlijke neiging, gewoonte of gezelschap me zouden kunnen verleiden.’ Daartoe maakt hij een complex werkschema van dertien deugden die hij naarstig probeerde toe te passen. Tot die deugden behoren matigheid (niet eten tot je suf bent of drinken tot je beschonken bent), stilte, oprechtheid, rechtvaardigheid, billijkheid. Bij nederigheid noteerde hij: ‘imiteer Jezus en Socrates’. De puritein Franklin streefde ook spaarzaamheid en ijver na. Deugdzaam leven leidt tot geluk, meende Franklin, maar evengoed tot goed burgerschap. En hier wordt die praktijk politiek relevant.

Franklin citeert het toneelstuk ‘Cato, a tragedy’ van Addison, dat heel populair was bij voorstanders van de vrije republiek. Ze zagen de Romein Cato de Jongere als toonbeeld van republicanisme, deugdzaamheid en vrijheid. Cato had een diepe afkeer van corruptie. Hij was een overtuigde stoïcijn: ondanks zijn rijkdom, leefde hij leefde sober, onberispelijk, gedisciplineerd. Hij was zeer welbespraakt: telkens als een hooggeplaatste burger zijn positie wilde misbruiken voor persoonlijk geldgewin, of om zijn macht te vergroten, stak Cato vurige toespraken af om zijn landgenoten te waarschuwen.

Cato was echter een tragische figuur, omdat hij de ondergang van de republiek niet kon tegenhouden. Decadentie, luxe, eerzucht en machtswellust hadden de zeden bedorven. Uiteindelijk pleegde hij zelfmoord om aan de dictatuur van Julius Caesar te ontsnappen. Hij verkoos dus de dood boven de onvrijheid, stak resoluut een mes in zijn buik en trok zijn ingewanden uit. ‘What a pity it is, that we can die but once to serve our country’, zegt Cato in het stuk van Addison. Voor de Amerikaanse Verlichting gold Cato als toonbeeld van anti-autoritarisme, van zelfopoffering en liefde voor de republiek.

Aan deze politieke les was een praktische filosofie gekoppeld: wie een voornaam burger wil zijn, moet zijn eigen verlangens en neigingen onder controle houden. De vijanden van de vrije republiek zijn winstbejag, eerzucht, overdaad, corruptie. Die kan je aanklagen bij anderen, maar moet je bij jezelf bestrijden.

Wat zou het heerlijk zijn, mochten die inzichten van Verlichtingsdenkers vandaag de dag ook wat aandacht krijgen. Kun je je voorstellen dat politici vandaag – bijvoorbeeld de leden van de Europese Commissie – samen naar toneel gaan, en dwepend met Cato buitenkomen? Niet echt, jammer genoeg. Het gaat er mij niet om dat klassieke ideeën letterlijk moeten worden overgenomen. Ze zijn een eerder richtlijn. ‘The ancients tell us what is best; but we must learn of the moderns what is fittest.’, noteerde Franklin. Elke tijd heeft een nieuwe formulering van idealen nodig. Maar het gaat wel hierom: denken over politieke rechten en vrijheden lukt niet zonder reflectie over de noodzakelijk voorwaarden om die vrije samenleving in stand te houden. Dan hou je niet alleen rechten en vrijheden over, maar moet je ook tegen jezelf durven denken.”

 

Deze column verscheen op 11 mei in De Standaard.

“Terreur vraagt inzet tegen verdeeldheid”, een jaar na 22/03, De Tijd, 18 maart 2017

Een jaar na de aanslagen herdenken Brussel en Zaventem de terreuraanslagen van 22 maart. Elke herdenking is een evenement, een rituele verbinding van alle burgers rond een gedeelde herinnering, in dit geval aan een gruwelijke gebeurtenis. Dat helpt om de wonden te helen, elkaar te steunen en de toekomst verenigd tegemoet te zien. Deze solidariteit wordt versterkt door moedige getuigenissen en inspirerende oproepen.

Zo bereikte het videobericht, ‘Jihad van liefde’ van Mohamed El Bachiri, al miljoenen mensen. Na de dood van zijn echtgenote Loubna bracht El Bachiri een ontroerend pleidooi voor medemenselijkheid. Hij liet zijn hoopvolle boodschap ook optekenen door David van Reybrouck in een pas verschenen boekje, opdat alle mensen, in het bijzonder jongeren, zijn boodschap zouden meepikken. Dit verhaal is enorm bemoedigend: wanneer verbondenheid, openheid en vastberadenheid de angst overwinnen, dan hebben terroristen hun strijd al deels verloren, ondanks de pijn, de wanhoop en het verdriet van de slachtoffers.

Schaamte 

Deze herdenking brengt echter ook een diep gevoel van schaamte over de jarenlange loochening van fundamentele samenlevingsproblemen. Enkele dagen na de aanslag beschreef Béatrice Delvaux deze schaamte in een aangrijpende brief aan haar kind. Daarin verontschuldigde ze zich voor haar jarenlange blindheid. Ze had geloofd in een wereld met onbeperkte mogelijkheden, waarin haat en geweld tot het verleden behoorden. Ze dacht dat de langzaam voortschrijdende strijd voor vrijheid en gelijkheid definitief voorbij was. Nooit meer oorlog en geweld: het leek jarenlang niet alleen een slogan of een ideaal, maar een feit.

De aanslag leek een ommekeer teweeg te brengen. Maar het open debat over de situatie in Brussel ligt moeilijker. De Molenbeekse schepen voor Groen, Annalisa Gadaleta, kwam eind november 2016 hevig onder vuur te liggen voor haar kritische boek, Entretien à Molenbeek, la dérive fondamentaliste du quartier le plus redouté d’Europe. Nochtans zouden alle partijen ondertussen de problemen moeten erkennen.

Breder bekeken, werd België die dag bikkelhard geconfronteerd met een negatieve zijde van globalisering: veiligheid is een internationale kwestie geworden. Het acute gevoel van dreiging is voorlopig wel verdwenen. Maar wat met de terugkerende Syriëstrijders, die wrede oorlogservaringen hebben opgedaan? Wat met de haters van het westen die niet meer vertrekken? Nu IS het militair moeilijk heeft, dreigt de strijd zich meer naar Europa te verplaatsen.

De aanslagen markeren dus een blijvende verandering: het is twijfelachtig of de wereld van voor 22 maart nog terugkeert. Dat vraagt een grondige reflectie over de gepaste levenshouding.

Terreur confronteert de samenleving met een ongemakkelijk gegeven: het onverwachte. Mensen controleren niet alles wat er gebeurt, en soms veroorzaken mensen zelf die onvoorziene omstandigheden. Dat lijkt niet meer van deze tijd: de moderne samenleving is er in geslaagd om risico’s zoveel mogelijk te beperken en om voorspelbaarheid te vergroten.

Daadkrachtig

Ten tweede vraagt terreur een grote inzet tegen verdeeldheid.  Maar verbinden betekent niet zwijgen, wegkijken of kritiekloos aanvaarden, integendeel. Samenhorigheid vereist heldere keuzes en daadkracht. Daadkracht betekent kordaat en eenduidig optreden wanneer het nodig is. Het is het omgekeerde van een conflict-vermijdende houding. Helaas was dit jarenlang de regel: het was ‘cool’ om zich op geen elke grote overtuiging te laten neerpinnen, om steevast ironisch en luchtig uit de hoek te komen, om zelfs van de meest groteske visie nog het lichtpunt te zien. Met die houding komt niemand vandaag nog verder. Teveel groepen, partijen en zelfs leiders sturen aan op conflicten. Luister bijvoorbeeld naar Erdogans recente veroordelingen aan het adres van Nederland. Terwijl hij in eigen land de democratie afschaft en Turkse genocide op Armeniërs in 1915 ontkent, beschuldigt Erdogan Nederland volslagen onterecht van massamoorden in Bosnië. Erdogans retoriek is niets minder dan een nieuwe manier van politieke oorlogsvoering, en de inzet is hoog: door zijn luide aanvallen op een Westerse democratie probeert Erdogan zijn eigen autoritaire regime te legitimeren.  

Vanuit Rusland doet Poetin regelmatig hetzelfde. Dan volstaan sussende woorden niet; daadkrachtig reageren wordt noodzakelijk. Dat brengt mensen ook samen, zoals bleek toen Nederlandse premier Rutte zich niet door Erdogans strategie liet intimideren. Zelfs Europa kwam sterker verenigd uit de controverse.

Ten derde is het belangrijk om angst om te zetten in alertheid. Angst op zich veroordelen, heeft geen zin. Mensen hebben het volste recht om angst te voelen in een wereld die zo snel verandert. Maar angst verlamt. Het is tegelijkertijd een machtig wapen, in handen van terroristen, maar ook in handen van de overheid. Angst op zich helpt dus niemand vooruit; alertheid daarentegen kan veel onheil voorkomen.

Herdenkingen proberen de herinneringen aan de traumatische gebeurtenissen een plaats te geven. Deze opdracht tot herinneren, verplicht ook tot reflectie over een verbindende, daadkrachtige en alerte houding in de toekomst.”

Deze tekst verscheen in De Tijd, op zaterdag 18 maart 2017.