Interview Knack – ‘filosofe in tijden van ‘White Privilege’, 24 juni 2020

“De kunst van de politiek is om de tegenstander niet als moreel slecht te veroordelen. Het lijkt steeds minder mensen te lukken, en daar maakt filosofe Tinneke Beeckman zich grote zorgen over. ‘Het streven naar zuiverheid is inherent gewelddadig’.

Interview Peter Casteels, foto’s Diego Franssens

” ‘Ik heb mij helemaal niet verveeld in de lockdown’, vertelt Tinneke Beeckman, als we haar ernaar vragen. ‘Ik heb een dochtertje van twee jaar en half waarmee ik elke dag naar het park ging. Het was fijn om te zien dat zij helemaal opgaat in het moment, wat een goede afwisseling was van alle bezorgdheden. En ik heb ook veel geschreven, en gelezen, zoals Circe van Madeline Miller. Dat is echt een fantastisch boek, waarin het verhaal van die vrouwelijke heldin in de Griekse mythologie wordt verteld. Zelfs als ik ’s nachts even wakker werd, begon ik er verder in te lezen.’

foto: Diego Franssens

Tinneke Beeckman schreef voor Knack het voorbije seizoen een wekelijkse column, waarin ze telkens een vraag die u zich vaak ook al wel eens op een onbewaakt moment had gesteld van filosofische duiding voorzag. Voor die reden zochten we haar op in haar appartement aan het Antwerpse Harmoniepark. De ene vraag ging over verveling, de andere over schaamte of vergankelijkheid, maar vaak over politieke kwesties. Beeckman is ook een politieke filosofe, en een commentator. Momenteel werkt ze aan een boek over de Italiaanse denker Niccolò Machiavelli, waardoor ze zich ook al liet inspireren voor een vraag die met de dag aan urgentie lijkt te winnen: hoe kan ik naar de politiek tegenstander blijven luisteren?

Tinneke Beeckman: Door die tegenstander in ieder geval niet als moreel slecht te zien, en zijn legitimiteit in twijfel te trekken. Het heeft geen enkele zin mensen op basis van hun politieke stellingnames op te delen in goed en slecht. Hoe meer iemand dat inziet, hoe meer hij ook van politiek begrijpt. En hoe meer hij of zij ook kan bereiken in de politiek.

Kan er in discussie over identiteitspolitiek wel op zo’n redelijk manier worden gesproken? Het gaat vaak over zulke persoonlijke kwesties dat het moeilijk is om er niet in morele begrippen over te denken.

We leven inderdaad in een tijd waarin het verschil tussen het private en het publieke vermindert. Terwijl mensen vroeger in die twee ruimtes andere personages waren, maken zij vandaag politieke kwesties privé. Iemand waarmee ik het politiek oneens ben, kwetst mij ook, dat is het gevoel. Alles is intiem geworden. Het is de kunst om politiek niet zo op te vatten.

Maar kan iedereen het zich wel permitteren om op zo’n afstandelijke manier aan politiek te doen?

Waarom zouden anderen dat niet kunnen? Dat is paternalisme.

Omdat er voor hen misschien wel meer op het spel staat dan voor ons? Voor mensen die al het slachtoffer zijn geweest van discriminatie, gaat de discussie over praktijktests over henzelf. Voor mensen met voorouders die onder het kolonialisme leefden, betekent de discussie over de standbeelden van Leopold II allicht ook iets anders dan voor ons.

Ik heb begrip voor hun boosheid. Ze hebben het recht om te strijden voor hun idealen, met alle toegelaten politieke middelen. Voer de discussies dus in alle hevigheid, maar werp daar geen argumenten tussen waardoor je niet meer kan worden tegengesproken. Je legt geen mensen het zwijgen op. Iedereen die het oneens is met jou wegzetten omdat hun witte privileges er zogezegd voor zorgen dat zij niets van racisme begrijpen, is een stap te ver. Iemand daarom ook verwijten dat hij meeloopt met de onderdrukkers of de onderdrukten miskent, is niet eerlijk en zal politiek ook niets opleveren. We zien dat zulke harde posities tegenkrachten oproepen die electoraal zeer succesvol zijn. Politieke spelers moeten kunnen samenwerken, en niet altijd hun morele gelijk willen halen.

Hoe komt het dat het private en het publieke vandaag meer door elkaar lopen? Heeft het ermee te maken dat die minderheidsgroepen de voorbije jaren hun stem vonden in het debat?

Er is een kloof tussen generaties ontstaan over het idee van vrijheid. Ik merk een verschil tussen de mensen die opgroeiden toen de Berlijnse muur nog overeind stond, en jongeren die enkel daarna hebben geleefd. Toen Europa nog verdeeld was, betekende vrijheid ongecensureerd kunnen zeggen wat je dacht: alles was bespreekbaar, en met alles kon gelachen worden. Een Monthy-Python film als Life of Brian, een parodie op het Christus-verhaal, wekte wel veel discussie op, maar uiteindelijk triomfeerde de vrije mening. We vierden de vrijheid die we hadden in vergelijking met de onvrije regimes in Oost-Europa en de Sovjet-Unie. Het model – zowel politiek als ook economisch – dat in die landen werd opgelegd, was een realiteit waar tegen mensen zich toen afzetten. Niemand had in de jaren tachtig door dat de Sovjet-Unie op instorten stond, dus wij hebben dat model nog lange tijd ernstig genomen. Sinds 1990 heeft het vrije kapitalisme gewonnen, en nu definiëren jongeren de vrijheid anders. Het gaat er nu om jezelf te ontwikkelen, en te zijn wie je denkt te willen zijn. Jouw vrijheid bestaat erin dat anderen je daarin tegemoet treden, en dat niemand je mag kwetsen. Veel ouderen begrijpen echt niets van die identity politics. Ze vinden dat gewoon raar.

U hebt voor de val van de muur geleefd. Vindt u dat ook raar?

Ik probeer het nieuwe te begrijpen, want je kan zoiets niet afwimpelen als onzin. Dat doet onrecht aan de energie en de intensiteit waarmee jongeren daarover spreken. Ik stel wel vast dat er geen enkele tegenmacht meer is op economisch vlak. Economische alternatieven zijn sinds de val van de Muur verstomd. Dat verklaart ook waarom veel kwesties sociaal worden geduid. Er zijn maar weinig politiek goed uitgewerkte, concrete alternatieven voor het kapitalisme, en in zekere zin past die identiteitspolitiek zelfs binnen dat kapitalisme. Iedereen moet kunnen worden wie die wil zijn, en de markt biedt graag producten aan die daarbij helpen.

Ook feministische thema’s kwamen terecht in het veld van de identiteitspolitiek. Hebt u daar dan moeite mee?

Ik zal mij in ieder geval niet snel gekwetst voelen. Over die aflevering van Fawlty Towers die werd verwijderd, zei men ook dat er misogyne passages in zaten.  Daar voel ik mij absoluut niet door aangesproken. Ik begrijp hoe satire en ironie werken, en ik kan ook zien dat het in de literatuur net interessant kan zijn om ‘foute’ personages op te voeren. Dat helpt ons om menselijke verhoudingen beter te begrijpen. Natuurlijk: ik lees liever Madeline Miller dan Henry Miller. Maar ik zeg niet dat mijn dochter hem later niet mag lezen, of dat zijn boeken verboden moeten worden. Alleen heb ik niets met  Henry Miller. En ik heb ook niets met mannen die hem graag lezen. Mocht een man zich tegen mij gedragen zoals in het universum van Miller, zal het zijn beste dag niet zijn.

Is het relletje rond de aflevering van Fawlty Towers een stommiteit, of vindt u het net typerend voor de tijdsgeest?

Ik hoop dat nuance mogelijk blijft: John Cleese is Leopold II niet. (lacht) In Engeland en de Verenigde Staten is het al gebeurd dat academische medewerkers die een verkeerd woord gebruikten, tot ontslag werden gedwongen, bijvoorbeeld. Ondanks herhaalde excuses en pogingen tot opheldering over de onderliggende bedoelingen. Het zijn vaak derden die het hardst reageren: ik ben niet beledigd, maar ik neem het op voor de onderdrukten die zich beledigd voelen, en ik richt daarom al mijn haat op u. Dat streven naar zuiverheid is inherent gewelddadig. Dat is wat er gebeurt als de tegenstander moreel wordt gedelegitimeerd, en in die zin hoop ik dat mensen die hun idealen op zo’n manier verabsoluteren het nooit voor het zeggen krijgen.

Eén van uw columns vroeg zich af wanneer vrouwen genoeg geëmancipeerd zijn. Vindt u uzelf voldoende geëmancipeerd?

Soms wel, soms niet. Er zijn momenten waarop ik minder geëmancipeerd ben dan ik zou willen zijn.

Welke momenten zijn dat dan?

Dat is privé, en ik kan de scheiding met het publieke gelukkig nog wel maken. (lacht) In die column gaat het over Burkes ideaal van vrouwelijke schoonheid. Voor mij mogen vrouwen best verleidelijk zijn. Dat is aangenaam, en zelfs belangrijk. Maar een vrouw kan alleen vrij zijn als ze op andere momenten durft beslissen om niet te behagen, of te proberen in de smaak te vallen. Ik zie vrouwen in mijn omgeving die van zichzelf vinden dat ze enorm geëmancipeerd zijn, terwijl ik merk dat ze het cruciaal blijven vinden wat mannen van hen denken.

Nu maak u zich er makkelijk vanaf met een voorbeeld van andere vrouwen.

Ik noem hun namen wel niet. (lacht) In mijn columns vertrek ik van persoonlijke vragen. Ik geef mij waarschijnlijk bloot op een manier die ik zelf niet door heb, aangezien lezers dingen opmerken die je zelf niet ziet. Maar het strikt persoonlijke van mijn leven is voor andere mensen banaal. Daar hebben ze geen boodschap aan.

U schreef zelf ook dat iemand die ‘genadeloos openhartig’ is als hij over zichzelf vertelt door niemand nog sympathiek zou worden bevonden. Is het dat ook een beetje?

De schrijver George Orwell zei dat hij nooit een autobiografie zou schrijven, omdat het leven uit vele kleine vernederingen bestaat, die een mens nooit durft toe te geven. Het is ontzettend moeilijk om absoluut eerlijk over je eigen leven te vertellen en een glorieus verhaal over te houden. Daarvoor moet je ongelooflijk veel fantasie hebben. (lacht)

U noemde Orwell ook als één van de schrijvers die u de inspiratie geven om echt vrij te denken. Hoe werkt dat?

Orwell is in zijn werk zodanig moedig en eerlijk geweest, dat geeft mij energie. Het zou al schoon zijn als ik een duizendste van zijn moed zou hebben. Hij schreef namelijk weldegelijk autobiografische romans, zoals Burmese days over zijn leven in Birma in de jaren twintig onder het Britse rijk. Hij had de mogelijkheid om daar te leven als een rijke en machtige koloniaal, maar zag zelf de gruwel en de horror van dat leven in. Daar zijn maar heel weinigen toe in staat. Orwell kon een vrouw kopen om ermee te doen wat hij maar wilde – dat mocht toen allemaal -, maar hij voelde zich daardoor vooral eenzaam. Dat schreef hij ook op.

Wordt u van zulke boeken ook een beter mens?

Natuurlijk niet. Wat is dat nu voor een vraag? (lacht)

De vraag naar de kracht van de literatuur: kan ze mensen veranderen?

Ik denk niet dat mensen die veel literatuur lezen per se betere mensen zijn. Je moet altijd de oefening maken naar je eigen leven, en dat is confronterend. In The catcher in the rye schrijft J. D. Salinger bijvoorbeeld over zijn afkeer van phonies, dikdoeners. In het beste geval staan de lezers van dat boek even stil bij de momenten in hun leven dat zij zich zo hebben gedragen. Maar veranderen? Dat lukt alleen als je dat zelf wil.

Ziet u veel echte vrijdenkers in Vlaanderen?

Continue Reading ›

“Wanneer ben ik echt vrij om te denken?”, Knack, 12 nov. 2019

Elke week publiceer ik in Knack een tekst in de rubriek ‘de vraag van Tinneke Beeckman’. Ik beantwoord er een moeilijke kwestie.

Eén vraag was – “Wanneer ben ik echt vrij om te denken?

“Vrij denken is moeilijker dan het lijkt. Natuurlijk hoor je om de haverklap over kritische, rebelse, eigenzinnige burgers. Het klinkt goed. Maar vrijdenkers zijn een zeldzame soort. Als je echt vrij wil denken, moet je onderzoeken wat jouw vrijheid in de weg kan staan. Dan bots je op vragen over je levenshouding, de beperkingen van je geest of je relaties tot anderen.

Volgens Immanuel Kant (1724-1804) staan lafheid en luiheid vrijheid en mondigheid in de weg. Het is zoveel makkelijker om denken aan anderen over te laten en gewoon te gehoorzamen! Maar die tijd is voorbij, meent Kant. Hij leefde nog niet in een verlicht tijdperk, maar wel in een tijdperk van de Verlichting. De ambitie om zelf te denken, behoort juist tot de kern van haar project: ‘Verlichting is het uittreden van de mens uit zijn zelf verschuldigde onmondigheid. Onmondigheid is het onvermogen zich van het eigen verstand te bedienen zonder de leiding van een ander verstand te volgen.’ Elke mens beschikt over de rede. Domheid mag geen excuus zijn voor een gebrek aan moed. Sapere aude!, schrijft Kant, ‘durf te denken of te weten’. Hij ontleent de uitspraak aan de Romeinse dichter Horatius: ‘Dimidium facti, qui coepit, habet; sapere aude, incipe.’; wie begonnen is, heeft de helft gedaan. Durf te weten, begin.’ Daarmee geeft Horatius een belangrijke inzicht: je moet beginnen en durven onderweg te zijn; je mag je niet laten ontmoedigen omdat je niet geheel vrij zou zijn.

Filosofen hebben heel wat hindernissen beschreven die inherent zijn aan de menselijke geest. Elke mens heeft vooroordelen en blinde vlekken. Zo kan je doorgaans beter de motieven van anderen inschatten dan dat je je eigen verlangens kent (Spinoza). Je overschat makkelijk de waarde van je eigen kennis (Montaigne). Of je kan je te sterk met je eigen ideeën identificeren; dan vraagt elke aanpassing een hele inspanning. Daarom zijn gesprekken met andersgezinden nodig; als ze slim zijn, zoals Socrates, sturen je ergste denkfouten bij. Stoïcijnen, cynici en sceptici raden aan om tegen jezelf te denken. Zo vermijd je de neiging om de verschillen met anderen nodeloos uit te vergroten, om het beangstigende van de buitenwereld te overschatten of om de wereld op te delen in goede en kwade mensen (waarbij je jezelf natuurlijk als het referentiepunt voor het goede neemt).

Andere obstakels hebben met externe factoren te maken, zoals financiële afhankelijkheid. Je bent overduidelijk niet vrij als je een broodheer moet dienen – vrijdenkers houden zich best ver van partijpolitiek of bedrijven. De baas hoeft zelfs geen expliciete beperkingen op te leggen. Zodra je weet dat je positie afhangt van zijn goedkeuring, dreig je jezelf bij te sturen. Zelfcensuur is zelfs een belangrijke vorm van vrijheidsbeperking. Ze werkt sluipend: als iemand macht over je uitoefent, beïnvloedt dat je oordeel. Je zal sommige vragen of conclusies liever omzeilen. Maar een vrijdenker moet élke vraag, elke conclusie kunnen overwegen, ook de schijnbaar ondenkbare.

Zelfs zonder financiële afhankelijkheid speelt sociale druk een rol. Vrij denken impliceert bovenal de moed om alleen te staan. Dan pas kan je keuzes maken die commentatoren, collega’s, vrienden of buren zouden mishagen. Eigenlijk kan je niemand verwijten conformistisch te zijn, want eenzaamheid is angstaanjagend. Die eenzaamheid werk je als vrij mens onbedoeld in de hand: je confronteert anderen met de grote of kleine compromissen die ze elke dag sluiten. Verwacht geen dankbaarheid.

Vrij denken lijkt me eerder een moment van genade dan een permanente toestand. Je kan het proberen, af en toe lukt het (even). Buitengewone voorbeelden helpen. Enkele passages uit het werk van Mary Wollstonecraft, George Eliot of George Orwell geven me tonnen energie.”

Uitzonderlijk publiceer ik deze tekst uit de hele Knack-reeks – begin november organiseerde het Geuzenhuis ‘De Nacht van de Vrijdenker‘ in de Vooruit in Gent. Tientallen filosofen, wetenschappers en opiniemakers gaven lezingen, deden mee aan debatten, gesprekken of workshops.

“Over Vrijheid – bij ‘Het Filosofisch Kwintet'”, Human, NPO1, 23 juni 2019

Op NPO1 begon een nieuwe reeks van het ‘Filosofisch Kwintet’: gesprekken met filosofen onder leidingen Clairy Polak.

In de eerste aflevering over ‘Vrijheid‘ was ik te gast, samen met Philipp Blom (de standaard gast dit seizoen), journalist Casper Thomas, en docent Jelle van Baardewijk. Deze aflevering kan je op je de site van Human opnieuw bekijken.

“Woorden stellen ons in staat de wereld te begrijpen, woorden kunnen ons ook in verwarring brengen. In het negende seizoen van Het filosofisch kwintet gaat het over woorden waarmee we worstelen. Woorden waarmee marketeers, politici en bestuurders aan de haal zijn gegaan. Begrippen die werden beroofd van hun oorspronkelijke betekenis en zo vaak zijn gebruikt dat ze hun waarde of inhoud verloren.

In vijf afleveringen vraagt presentator Clairy Polak haar vier gasten om vijf termen opnieuw inhoud te geven: ‘vrijheid’, ‘verbinding’, ‘elite’, ‘authenticiteit’ en ‘diversiteit’.”

 

 

“De steunpilaren van autoritaire regimes”, DS, 14 febr. 2019

“Autoritaire regimes – van Rusland en Hongarije over Turkije en Saoedi-Arabië tot China – gaan heel strategisch om met vrijheid. Zij hebben de vrijheid handig in tweeën gedeeld, aldus de Canadese denker Michael Ignatieff. Russische, Turkse of Chinese burgers hebben wel private vrijheden, zoals de vrijheid om te bezitten, om het land te verlaten, en om in stilte ontevreden te zijn. Maar ze hebben geen politieke vrijheid; ze mogen niet openlijk protest aantekenen, ze kunnen hun politici niet ter verantwoording roepen, ze mogen niet vrij verenigingen oprichten. Door die bijzondere combinatie kunnen zo’n regimes juist blijven bestaan zonder al te veel interne oppositie. Burgers mogen rondreizen, dus de ontevredenen, de studenten kunnen weggaan (en eventueel terugkeren). Rijken kunnen elders investeren en van een luxueus leven genieten in een vrije samenleving. De band met het westen versterkt zelfs het autoritaire regime: de westerse welvaart biedt de ontevreden ballingen betere kansen, terwijl de westerse rechtstaat investeringen en eigendommen beschermt. Autoritaire regimes geven dus een ‘exit’, zoals Hirschman het noemt, terwijl ze de ‘voice’, de politieke stem, van hun burgers beperken. De open, liberale samenlevingen worden zo vaak ongewild de steunpilaren van autoritaire leiders, onder meer in Rusland, Turkije of China.

Deze dynamiek smoort de hoop dat deze regimes op termijn als vanzelfsprekend meer politieke vrijheid zouden toelaten. Deze nieuwe dynamiek staat ook haaks op de oorspronkelijke verwachting. De hoop dat de idealen van de Westerse liberale democratie zich langzaamaan over de hele wereld, de niet-democratische landen incluis, zouden verspreiden, lijkt ijdel.

Maar er is meer. Die regimes beïnvloeden ook onze liberale democratieën. Het zijn de vrije, open samenlevingen die de negatieve effecten van autoritaire regimes ondergaan. Dat zijn direct of indirecte invloeden, zoals de affaire Benalla aantoont. De fratsen van Alexandra Benalla, de voormalige bodyguard van president Macron, leken eerst een schandaaltje voor de zomerse komkommertijd. Maar sinds de zomer, verschijnen haast elke dag verschijnen nieuwe onthullingen over dit contemporain spionageverhaal.

De zaak Benalla begon op 1 mei 2018. Toen filmden omstaanders de jongeman terwijl hij, ogenschijnlijk als politieagent, protesterende betogers in elkaar mepte. Officieel was hij destijds verantwoordelijk voor de veiligheid van president Emmanuel Macron. Die eerste mei maakte hij als observator deel uit van de officiële ordehandhavers. Wat een zaak leek van testosteron en vilein machtsmisbruik deinde spoedig uit. In juli 2018 werd Benalla weliswaar ontslagen, maar hij behield meerdere diplomatieke paspoorten, waarmee hij ongecontroleerd rondreisde naar Afrikaanse regeringsleiders. Hij hield ook na zijn ontslag een speciaal beveiligd telefoontoestel, dat alleen door de president, zijn directe omgeving en de hoogste militairen wordt gebruikt om ultrageheime informatie uit te wisselen.

Alsof dit nog niet opmerkelijk genoeg is, onthulde de onafhankelijke mediasite ‘Mediapart’ vorige week twijfelachtige financiële transacties: Benalla zou veiligheidscontracten hebben afgesloten met Russische oligarchen die nauwe banden hebben met Poetin, maar die in Monaco en Frankrijk verblijven. De Fransman zou hiervoor 2,2 miljoen euro hebben ontvangen. Het journalistieke onderzoek is nog volop aan de gang; de Franse justitie wil voorlopig vooral van de journalisten weten wie hun bronnen zijn.

De kwestie overstijgt de persoon Benalla. In welke mate kan een land zijn politieke vrijheid beschermen – de rechtsstaat, vrije pers, vrije verkiezingen, individuele rechten – tegen de inmenging vanuit en de invloed van het grote geld uit niet-democratische landen? De vraag rijst ook bij de fiscale paradijzen die bestaan bij de gratie van vrije samenlevingen, of bij dubieuze investeringen door die regimes in Europese bedrijven of in het Europees patrimonium. Continue Reading ›

“Onze verhalen zijn van iedereen”, DS 20 sept. 2018

“Vorig weekend hield de rector van de VUB, Caroline Pauwels een bevlogen pleidooi voor de Verlichting, en ze heeft daarin groot gelijk (DS, 15/09). Ze bestempelt de Verlichting als een open houding, een pleidooi voor rede, humanisme en wetenschap. Ze toont hoe actueel en noodzakelijk deze begrippen zijn in een complexe, diverse wereld.

Tegelijk waarschuwt ze voor een al te historische interpretatie, die de Verlichting te exclusief zou maken: mensen die van elders komen, kunnen zich er dan niet meer in vinden. Een universele Verlichting, is dan ontdaan van haar ‘westerse’ karakter. Dit laatste klopt echter niet: juist door de context, de verhalen en de denkers te belichten, kan je de universele boodschap van de Verlichting helpen begrijpen.

Neem dat verhaal dat de Franse gelauwerde film ‘Ridicule’ vertelt (gebaseerd op de mémoires van Adèle D’Osmond, Comtesse de Boigne) over de jonge baron, Grégoire Ponceludon de Malavoy die zag hoe arme mensen bij bosjes stierven door moerasziektes. Als ingenieur wilde hij die moerassen droogleggen, en trok hij naar Versailles om de koning, Lodewijk XVI, te overtuigen. Maar hij ontdekte een wereld van intrige en bedrog, van valse gevatheid en spot, waar niemand zich om het lot van een ander bekommert. Pas na de Franse Revolutie werden dergelijke openbare werken die mensen het leven redden, mogelijk.

De les is duidelijk: als koningen zich afgezanten van God wanen, en zich opsluiten in hun weelderige hoven, blijven ze blind voor het lijden van de bevolking.

Zonder idee van gelijkheid, zonder politieke structuren om volksinspraak te hebben, leeft een kleine groep in luxe, en crepeert de rest. Waarom zouden mensen uit Afrika of Azië met dat historisch verhaal zich niet verbonden voelen, en meteen begrijpen wat de meerwaarde is van wetenschappelijk onderzoek, en van democratische structuren?

Of lees het verhaal ‘Zadig’ van Voltaire, dat zich in Babylon situeert. Voltaire vertelt de avonturen van een man die strijdt tegen onrecht en voor rechtvaardigheid. Gevat en meeslepend toont Voltaire hoe wetenschappelijke methodes de jongeman op weg helpen om de waarheid te achterhalen, zich van bedriegers en machtswellustelingen te bevrijden. Waarom zou zo’n korte roman niet inspirerend kunnen zijn? In Frankrijk wordt Voltaire nog veel gelezen, en terecht. Dat heeft niets met nationalisme, maar juist met de geest van humanisme en universalisme te maken.

Of neem het historische verhaal van Chevalier de la Barre, die in 1766 op twintigjarige leeftijd op de brandstapel eindigde; hij wilde niet knielen bij een processie, en werd beschuldigd van heiligschennis. Zijn overtuigingen werden hem fataal. Hij is een voorbeeld voor niet-gelovigen om met moed hun overtuiging te beleven. Vandaag de dag worden nog altijd mensen terecht gesteld omdat ze het officiële geloof niet willen aanhangen. Waarom zouden mensen uit andere landen dan niet begrijpen hoe aangrijpend dit verhaal is, en wat er allemaal gebeurde voordat een begrip als de vrijheid van mening en geloof werkelijkheid werd?

Pauwels heeft gelijk dat de Verlichting veel beter verdiend dan herleid te worden tot een strijdmiddel tégen anderen. En verhalen uit andere streken die menselijkheid, vrijheid en gelijkheid illustreren, zijn voor iedereen een verrijking. Maar je kan de Verlichting niet begrijpen – of uitleggen – zonder haar historische context, haar bijzondere denkers en aandoenlijke verhalen te raadplegen. Dat niet iedereen zich ‘goed voelt’ bij Westerse tradities, mag hierin geen rol spelen. Jongere generaties mogen niet onterfd worden van het rijke westerse verleden, omdat diversiteit het nieuwe ordewoord zou zijn. Veel keuze is er trouwens niet: zonder kennis van het verleden, kan de toekomst alleen eenzaamheid zijn.”

Deze column verscheen op 20 september 2018 in De Standaard.

“Wees bereid om beledigd te worden” Column DS 3 mei 2018

“Tegendraads denken, eigenzinnig redeneren, het zijn houdingen die schijnbaar hoog gewaardeerd worden. Toch is de openheid voor aparte, kritische ideeën vaak beperkt.

Een actueel voorbeeld: de naam Jordan Peterson valt zelden zonder de vermelding alt-right erbij, alsof de man een vertegenwoordiger is van een zeer kwalijk soort rechts denken dat de democratie in gevaar brengt. De lezer is gewaarschuwd. En wel op basis van een ‘guilt by association’: alt-right is verwerpelijk, dan moet die hele Jordan Peterson dat ook zijn. Peterson zelf beweert onder tussen dat hij niets met alt-right te maken heeft. Zijn ideeën mogen dan zeker vatbaar zijn voor kritiek, maar ze vormen geen bedreiging voor de democratie.

Peterson is een Canadese klinisch psycholoog, die bekendstaat als tegenstander van het politiek correcte denken aan Amerikaanse universiteiten. Hij hekelt de blindheid bij westerse intellectuelen voor het massale geweld van het communisme. Hij spreekt ongegeneerd over mannelijkheid en vrouwelijkheid, en verwijst naar biologische componenten. Hij meent dat de blanke patriarchale orde niet verantwoordelijk is voor de problemen in deze tijd. Zijn boek 12 rules for life, an antidote to chaos voert sinds januari internationaal de bestsellerslijsten aan. Het werk schippert tussen metafysische ideeën over orde en chaos, eerder conservatieve leefregels, wetenschappelijke gegevens, persoonlijke anekdotes en haast priesterlijke aanmaningen om nefaste neigingen te beteugelen. Ariane Bazan gaf al een kritische lectuur van zijn boek (DS 31 maart).

Maar moet de lezer oppassen wanneer hij met zulke ideeën in contact komt? Niet echt. Peterson verdedigt zelfs stellingen die de democratie dienen. Bijvoorbeeld dat de vrijheid van mening belangrijker is dan de mogelijkheid dat iemand zich door een mening gekwetst voelt. In een interview met journaliste Cathy Newman van Channel 4, dat al meer dan tien miljoen keer bekeken werd op Youtube, verdedigt Peterson zijn standpunt met verve. Van in het begin probeert Newman om Peterson in de hoek van onverdraagzaam rechts te duwen. Dan vraagt ze dit aan Peterson: waarom zou jouw recht op vrijheid van mening belangrijker zijn dan het recht van minder­heden om zich niet beledigd te voelen? Omdat je altijd het risico neemt beledigend te zijn als je echt wilt denken, antwoordt Peterson. Dat geldt ook in dit gesprek, waarbij de journalist het risico neemt om de gesprekspartner te beledigen. Zo hoort het ook. Dat is wat gebeurt wanneer iemand de waarheid zoekt. Dan heb je het recht op vrijheid van expressie nodig, aldus Peterson. Newman had er niet van terug. Ze werd geconfronteerd met haar eigen vooroordelen: dat je in naam van niet-discriminatie bepaalde groepen op kousenvoeten moet benaderen, terwijl anderen het best een tackle krijgen.

Peterson raakte ook bekend wegens zijn verzet tegen een Canadese wet over uitingen in de strijd tegen discriminatie. Zo zouden transgenders het recht krijgen hun eigen aanspreking te kiezen. Ze mogen dan niet meer met de voornaamwoorden ‘hij’ of ‘zij’ worden aangesproken, maar met nieuwe woorden als Per, Ey of Zhe. Volgens Peterson is het onwerkbaar en principieel onaanvaardbaar. Dan bepaalt de wet hoe je je moet uitdrukken. Het argument dat je een transgender uit vriendelijkheid (‘kindness’) moet tegemoetkomen, vindt hij ook onzin. Die vriendelijkheid heeft geen voorrang op vrije expressie. En achter zo’n eis tot vriendelijkheid gaat dwang schuil. Peterson wijst er geduldig op dat dergelijke eisen om minderheden niet te discrimineren niets opleveren, maar net zelf machtsmiddelen dreigen te worden. Verdedigt Peterson daarmee een extreem standpunt? Continue Reading ›

“Niets mag nog (of zo voelt het toch)”, Interview Knack 12 maart 2018

Knack-journalist Jeroen de Preter interviewde politierechter Peter D’Hondt, filosoof Johan Braeckman en mezelf over de vrijheid.

“Het advies om bij min tien de houtkachels niet te laten branden, was er voor veel mensen te veel aan. Mag dan niets meer? Gwendolyn Rutten en Rik Torfs vinden het tijd om onze vrijheid te heroveren. De vraag is dan: wat is de ware vrijheid?

Door Jeroen de Preter

Belgen en wettelijke verboden of verplichtingen, het is nooit een makkelijk huwelijk geweest. Uit de al wat oudere doos komt het voorbeeld ‘gordelplicht’, van kracht sinds 1975. De inperking op de vrijheid die deze wet met zich meebracht was bijna onbestaande, de enorme impact op de verkeersveiligheid evident. ‘En toch was er aanvankelijk veel verzet’, vertelt politierechter Peter D’Hondt. ‘Onder meer de liberalen lagen toen dwars. Die wet is er maar gekomen dankzij pleitbezorgers als mijn moeder (Paula D’Hondt, nvdr).’

De gordelplicht miste haar effect niet. ‘Het aantal verkeersdoden bij auto-ongevallen was dankzij die wet al snel gehalveerd. Nog zeer regelmatig word ik met het grote belang van de autogordelplicht geconfronteerd. Onlangs nog: een auto met vijf inzittenden was zwaar gecrasht. Een van de passagiers had het ongeval niet overleefd. Hij was de enige die zijn gordel niet had vastgemaakt.’

Redenen om de gordel niet te dragen zijn er eigenlijk niet, betoogt D’Hondt. En toch volhardt nog altijd ruim een derde van de passagiers en ongeveer 1 op 10 van de bestuurders in de boosheid. ‘In vergelijking met dertig jaar geleden is dat al een grote verbetering. Maar we zijn er nog altijd niet. Je moet blijven inzetten op voorlichting, vervolging en harde repressie. Net als bij snelheidslimieten. Zet mensen in een auto en het worden primaire wezens die van geen beperking willen weten en alle rationaliteit verliezen. Je loopt vandaag onnoemelijk veel meer risico om te sterven in het verkeer dan als gevolg van terreur. En toch houden nog veel te veel mensen zich niet aan de gordelplicht of –  nog essentiëler – de snelheidslimiet.’

De vergelijking met terreur is ook om politieke redenen interessant. Het is geen groot geheim dat vooral de rechterzijde weinig moeite heeft met het inperken van vrijheden als het gaat over bestrijding van terreur. D’Hondt wijst op een VUB-studie die aantoonde dat het in het geval van de bestrijding van verkeersonveiligheid net omgekeerd is. ‘Chauffeurs met rechtse politieke voorkeuren hebben meer moeite om zich aan de regels te houden’, zegt D’Hondt. ‘Verkeersveiligheid blijkt dus ook een politieke kwestie.’

De wrevel van Rik Torfs

Weinig gevallen maken zo goed duidelijk dat mensen niet altijd rationele wezens zijn als de gordelplicht. Ondanks een stoet krachtige en onweerlegbare argumenten, blijft een flink deel van de bevolking zich in de feiten tegen die plicht verzetten. En voor dat verzet valt eigenlijk maar één reden te bedenken. Een gordel wordt- allicht ook fysiek – als een inperking van de vrijheid ervaren. Vrijheid die ons blijkbaar bijzonder dierbaar is, en daarom soms botst met het verstand.

‘Wat is dat toch met de drang van sommigen om te regelen, betuttelen en verbieden? Ik gruwel daarvan.’  Open Vld-voorzitster Gwendolyn Rutten stak haar ergernis niet onder stoelen of banken na een van de eerste pogingen om vanuit de politiek het gebruik van houtkachels en open haarden aan banden te leggen.  Rationeel gezien is het verzet van Rutten ongeveer even legitiem als het verzet van de vroegere PVV tegen de gordelplicht. Houtkachels en open haarden zijn grotere vervuilers dan het wegverkeer en dienen in de meeste gevallen geen ander doel dan de gezelligheid. Maar een inperking en zeker een verbod druist in tegen onze vrijheid, en die staat, aldus Rutten in haar boek Nieuwe vrijheid,  meer dan ooit onder druk. Als grote boosdoeners noemt ze, onder anderen, ‘ecologische doemdenkers’ en ‘de gelijkheidsdictatuur’.

Maar pleidooien voor de ‘herovering van de vrijheid’  komen vandaag niet alleen uit de hoek waaruit je die mag verwachten.  Opvallend genoeg hanteert de katholieke professor kerkelijk recht Rik Torfs tegenwoordig een  discours dat nauwelijks van dat van Rutten te onderscheiden is. In een recent gesprek met Knack poneerde Torfs dat onze samenleving vandaag gekenmerkt wordt door een ‘repressieve’ sfeer. ‘Wat vijftien jaar geleden nog kon, dat kan nu dus niet meer. We gunnen onszelf minder vrijheid dan vroeger.’  Torfs noemde in het interview onder meer het #MeToo-debat, en de genadeloosheid waarmee er in dat debat over goed en kwaad werd geoordeeld. Een gelijkaardige ‘nultolerantie’ hanteren we volgens Torfs tegenover alcohol in het verkeer. ‘Roken mag niet, drinken mag niet, noem maar op. Mensen gunnen elkaar niets meer.’

Nog los van de vraag of Torfs wrevel terecht is,  lijkt de stelling dat onze vrijheid onder druk staat toch minstens op het eerste gezicht pertinent.  Je kon de afgelopen maanden en weken geen krant openslaan zonder te stuiten op  voorstellen, maatregelen of pleidooien die,  hoe rationeel ze soms ook zijn, onze vrijheid inperken. Denk aan het verbod op dieselwagens in Duitse steden of, dichter bij huis, het verbod op plastic zakjes. In de week waarin de sp.a voorstelde om online gokken te verbieden, kondigde de Brusselse regering aan dat er zowel een verbod op kermispony’s als een verbod op het thuis slachten van dieren in de maak is. Als het aan Vlaamse bouwmeester Leo Van Broeck ligt,  wordt het tijd om ook onze legendarische bouwwoede drastisch te beteugelen. ‘Vrijstaand bouwen is crimineel’, zei de bouwmeester onlangs in Knack.

Staat onze vrijheid onder druk?

Staat onze vrijheid onder druk? Ook filosofe Tinneke Beeckman is geneigd om dat te denken. Volgens Beeckman gaat het dan niet alleen over nieuwe wetten, maar ook over een toename van de morele druk die ons opgelegd wordt door onszelf of door onze omgeving. ‘De toename van die druk houdt allicht mee verband met de toename van onze wetenschappelijke kennis’, zegt Beeckman. ‘We weten veel beter dan vroeger wat al dan niet schadelijk is voor ons en onze omgeving. Daaruit is een meer technologisch mensbeeld gegroeid. Het besef “dat we er iets kunnen aan doen”, heeft ons ook opgezadeld met de morele plicht om er iets aan te doen. Je kan je de vraag stellen of dat alleen maar vooruitgang is. De idee dat alles maakbaar is, zorgt voor morele vragen op terreinen waar vroeger geen morele vragen werden gesteld.’ Continue Reading ›

“Seksistische intimidatie”, column DS, 8 maart 2018

“Op internationale vrouwendag is er – ondanks #metoo en alle ophef de voorbije maanden –weinig reden tot euforie. Als je de krant openslaat, vallen twee gebeurtenissen op: een rechter heeft voor het eerst een man veroordeeld op basis van de seksismewet (vooral bedoeld tegen seksistische straatintimidatie). En de Belgische voetbalbond blijft de misogyne rapper Damso steunen. De bond wierf Damso aan om het WK-lied te schrijven, zoals Mia Doornaert vorige week aankaartte.

Verdedigers van de seksismewet zien in het vonnis van de rechter een overwinning: een man die een vrouwelijke politie-inspecteur uitmaakte voor ‘hoer’, en zei dat ze beter bankbediende zou worden, krijgt drieduizend euro boete. Deze uitspraak is een Pyrrhus-overwinning. De juridische discussie tempert de feeststemming: blijkbaar neemt het gerecht seksistische straatintimidatie pas ernstig sinds er een extra strafwet is, al is die specifieke wet vaag, breed en strikt gezien overbodig (er bestond al een veelheid aan strafbepalingen voor zo’n misdrijf). Ook de bewijslast bij zo’n wet blijft heel moeilijk. Niet toevallig betrof het hier een agente die zelf een pv kon opstellen.

Maar het politieke probleem is dramatischer. De spanningen in de multiculturele samenleving los je niet op door (nieuwe) wetten. Nochtans zwaaien politici daar graag mee, vooral bij fenomenen waarmee ze zich geen raad weten. Seksistische straatintimidatie is zo’n voorbeeld, In bepaalde wijken is het schering en inslag. De documentaire van Sofie Peeters ‘Femme de la Rue’ toonde eerder al die realiteit. Dat seksistisch pestgedrag komt met culturele en religieuze verschillen, die nauwelijks openlijk worden besproken. Nog altijd blijft een kritische analyse van de ideeën die minderheden er op nahouden, taboe. Meer nog, wie al te kritisch denkt, mag de stempel islamofoob of racist vrezen. Liever dan overbodige wetten, is een maatschappelijk debat nodig waarbij die vrouwonvriendelijke visies worden aangekaart, uitgelegd, uitgediept. Welk mensbeeld hangen zo’n daders aan? Welk ideeën krijgen ze mee over lichamelijkheid, mannelijkheid of vrouwelijkheid? Welk idee van gelijkheid en vrijheid vinden ze wel vanzelfsprekend? Liever meer taboeloze documentaires, meer publieke campagnes en meer positieve rolmodellen voor jongeren.

Dat brengt me bij de populaire rapper, Damso, die in zijn liedjes vrouwen beschrijft als sletten waar een man mee mag doen wat hij wilt. De subtiele teksten van mijnheer Damso vallen niet onder de seksismewet. Dat is enerzijds goed nieuws, want dit betekent dat er nog artistieke vrijheid bestaat. Anderzijds toont het dat strafwetten slechts beperkt culturele of politieke effecten hebben. Dit is dus de paradox: terwijl de wetgever steeds meer moraliseert door brede en vage wetten op te stellen, wordt vrouwenhaat banaler; op straat, in de culturele wereld en nu in de sportwereld. Wie had zich pakweg tien jaar geleden kunnen indenken dat de voetbalbond voor de maker van zo’n expliciete, wansmakelijke teksten zou kiezen? Of dat voetbalsterren gewillig met zo’n artiest zouden poseren, zoals Eden Hazard deed, alsof die rapper een navolgbaar voorbeeld is? Continue Reading ›

Column “Flirten met de grens”, DS 11 jan. 2018

“Honderd Franse vrouwen, waaronder Catherine Deneuve, eisen het recht op om lastig gevallen te worden door mannen, in hun open brief in ‘Le Monde’. Ze menen dat #Metoo een heksenjacht op mannen heeft ontketend, en dat de beweging moraalridders, reactionairen en religieuze fanatici in de kaart speelt. Vrouwen mogen zich niet tot slachtoffers laten herleiden, schrijven ze. Alvast op dat punt hebben ze gelijk: een vrouw hoeft zich niet te vereenzelvigen met wat iemand over haar zegt, en zelfs niet met wat iemand haar aandoet.

De ondertekenaars verwijzen ook naar de galanterie, een typisch Franse visie op verleiding die in de Angelsaksische wereld onbekend is. Een goed begrepen galanterie lost inderdaad enkele problemen op die door #metoo worden aangeklaagd. Vanaf de zeventiende eeuw impliceert de galanterie dat mannen leren om te verleiden met woorden, zonder zich fysiek op te dringen. De verleiding wordt gevoed door bewondering, niet door minachting. Daarbij moeten mannen proberen om bij een vrouw in de smaak te vallen, anders zijn ze kansloos. Ze hebben dus geen natuurlijke recht om iemands leven binnen te dringen. Mannen moeten discretie respecteren; de reputatie van de vrouw mag geen schade ondervinden. Deze discretie dient dus niet om opdat de man zijn onaanvaardbare gedrag verborgen kan houden. Vrouwen wordt ook geen schuld of schaamte aangepraat, dé middelen bij uitstek om iemand te manipuleren.

Verleiding hoort bij de seksuele vrijheid; seksualiteit maakt nu eenmaal deel uit van het leven. Die kan voor mannen en vrouwen ongemakkelijk zijn. Toch blijft de grens erg delicaat; in de tekst geven de ondertekenaars mannen wel de ruimte om seksueel getinte berichten te sturen, zelfs al vindt de ontvanger de afzender niet aantrekkelijk, om een gestolen kus te proberen, of om het professionele met het intieme te verwarren. Dat blijven moeilijke gevallen, die makkelijk kunnen omslaan naar grensoverschrijdend gedrag. Zeker wanneer een vrouw psychisch of fysiek niet de mogelijkheid heeft om een onafhankelijke positie in te nemen. Over de galanterie mag trouwens geen misverstand bestaan; wat iemand als DSK deed – soms honderden sms-jes naar één vrouw sturen per dag of handtastelijk zijn in liften, vliegtuigen, hotelkamers – had weinig met een subtiel spel van verleiding te maken.

Schuld en schaamte aanpraten is precies wat gebeurt wanneer vrouwen uitgescholden worden voor ‘hoer’, en dus als moreel minderwaardig worden beschouwd. Continue Reading ›

“Het buikgevoel van Cato”, DS, 11 mei 2017

“In de discussie over onze ‘superieure’ samenlevingsvorm, dienen verwijzingen naar de Verlichting vooral om anderen terecht te wijzen. Daarmee gaat de echte rijkdom van een reflectie over de Verlichting verloren. Lees liever de denkers zelf, en gebruik hun gedachten als een toetssteen voor de samenleving. Wie dat doet, komt vast voor aardige verrassingen te staan, zeker politici die zich graag op de Verlichting beroepen.

Neem nu de Amerikaanse Verlichting. De Amerikaanse grondwet bevat precies die grondrechten die gewoonlijk met de Verlichting worden geassocieerd: gelijkheid, kritisch onderzoek, vrijheid van meningsuiting en van geloof, zelfbeschikking, en burgerlijke vrijheden.

Zowel Thomas Jefferson als Benjamin Franklin – beiden Founding Fathers van de Amerikaanse republiek – benadrukken het belang van ‘civic virtues’ : een vrije republiek is pas houdbaar en leefbaar wanneer elke burger ook burgerlijke, sociale deugden nastreeft. Dit principe is helemaal niet meer vanzelfsprekend, maar was wel een essentieel uitgangspunt voor deze Founding Fathers.

In zijn autobiografie beschrijft Benjamin Franklin hoe hij op jonge leeftijd het plan opvatte om morele perfectie te bereiken: om te leven ‘zonder op enig moment een fout te begaan; ik zou alles overwinnen waartoe natuurlijke neiging, gewoonte of gezelschap me zouden kunnen verleiden.’ Daartoe maakt hij een complex werkschema van dertien deugden die hij naarstig probeerde toe te passen. Tot die deugden behoren matigheid (niet eten tot je suf bent of drinken tot je beschonken bent), stilte, oprechtheid, rechtvaardigheid, billijkheid. Bij nederigheid noteerde hij: ‘imiteer Jezus en Socrates’. De puritein Franklin streefde ook spaarzaamheid en ijver na. Deugdzaam leven leidt tot geluk, meende Franklin, maar evengoed tot goed burgerschap. En hier wordt die praktijk politiek relevant.

Franklin citeert het toneelstuk ‘Cato, a tragedy’ van Addison, dat heel populair was bij voorstanders van de vrije republiek. Ze zagen de Romein Cato de Jongere als toonbeeld van republicanisme, deugdzaamheid en vrijheid. Cato had een diepe afkeer van corruptie. Hij was een overtuigde stoïcijn: ondanks zijn rijkdom, leefde hij leefde sober, onberispelijk, gedisciplineerd. Hij was zeer welbespraakt: telkens als een hooggeplaatste burger zijn positie wilde misbruiken voor persoonlijk geldgewin, of om zijn macht te vergroten, stak Cato vurige toespraken af om zijn landgenoten te waarschuwen.

Cato was echter een tragische figuur, omdat hij de ondergang van de republiek niet kon tegenhouden. Decadentie, luxe, eerzucht en machtswellust hadden de zeden bedorven. Uiteindelijk pleegde hij zelfmoord om aan de dictatuur van Julius Caesar te ontsnappen. Hij verkoos dus de dood boven de onvrijheid, stak resoluut een mes in zijn buik en trok zijn ingewanden uit. ‘What a pity it is, that we can die but once to serve our country’, zegt Cato in het stuk van Addison. Voor de Amerikaanse Verlichting gold Cato als toonbeeld van anti-autoritarisme, van zelfopoffering en liefde voor de republiek.

Aan deze politieke les was een praktische filosofie gekoppeld: wie een voornaam burger wil zijn, moet zijn eigen verlangens en neigingen onder controle houden. De vijanden van de vrije republiek zijn winstbejag, eerzucht, overdaad, corruptie. Die kan je aanklagen bij anderen, maar moet je bij jezelf bestrijden.

Wat zou het heerlijk zijn, mochten die inzichten van Verlichtingsdenkers vandaag de dag ook wat aandacht krijgen. Kun je je voorstellen dat politici vandaag – bijvoorbeeld de leden van de Europese Commissie – samen naar toneel gaan, en dwepend met Cato buitenkomen? Niet echt, jammer genoeg. Het gaat er mij niet om dat klassieke ideeën letterlijk moeten worden overgenomen. Ze zijn een eerder richtlijn. ‘The ancients tell us what is best; but we must learn of the moderns what is fittest.’, noteerde Franklin. Elke tijd heeft een nieuwe formulering van idealen nodig. Maar het gaat wel hierom: denken over politieke rechten en vrijheden lukt niet zonder reflectie over de noodzakelijk voorwaarden om die vrije samenleving in stand te houden. Dan hou je niet alleen rechten en vrijheden over, maar moet je ook tegen jezelf durven denken.”

 

Deze column verscheen op 11 mei in De Standaard.