‘In het spoor van Ivan’, column DS, 5 dec. 2019

“Hebben we nieuwe euthanasiewetten voor dementerenden ­nodig? De vraag ligt op tafel, onder meer door het partijpolitieke getouwtrek rond een nieuwe federale regering.

Maar het probleem rond de omgang met de dood is fundamenteler dan deze ene kwestie. Hoe rond je het leven af, wanneer je steeds meer mogelijkheden hebt om het te verlengen? Hoe verhoud je je tot de dood, in een cultuur die leven gelijkstelt aan het ideaal om zo lang mogelijk door te gaan?

‘Elke mens heeft een onvervreemdbaar recht op leven, vrijheid en het nastreven van geluk.’ Dat schreef Thomas Jefferson in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring in 1776. Een soortgelijke gedachte inspireert de Franse ‘Verklaring voor de rechten van de mens en de burger’ in 1789. Vanaf de verlichting staan de menselijke waardigheid, gelijkheid en vrijheid centraal in het maatschappelijke streven. Het wetenschappelijke onderzoek dient de collectieve wil om het lot van de mens te verbeteren. Die omwenteling heeft tot spectaculaire resultaten geleid: minder kindersterfte, hogere levenskwaliteit, langere levensduur.

Ondertussen hebben technische ontwikkelingen een ander tijdperk ingeluid: Silicon Valley-miljardairs, zoals Bill Maris van Google, dromen van onsterfelijkheid. Vroeger werden wetenschap en technologie ingezet om een menswaardig leven te garanderen en om armoede en onwetendheid te bestrijden. Nu worden ze ingezet om de strijd tegen de dood zelf te winnen. Elk letsel of ziekte wordt een technisch mankement.

Daarmee wordt de dood naar de achtergrond verwezen. Elke ochtend ontwaakt de westerse mens met de onuitgesproken verwachting dat hij de dag ­levend doorkomt. Vorige generaties hadden dit niet, en miljoenen mensen over de hele wereld hebben het evenmin. Voor hen is het leven broos, de dood altijd nabij. De frêle constitutie van een pasgeborene, het risicovolle moment van de bevalling, een infectie die niet gauw wordt verzorgd, conflicten en geweld: voor veel niet-westerse mensen is het leven elke dag een half wonder.

In het Westen is de afwezigheid van de dood niet alleen een realiteit, ze is een wens. In heel wat interviews antwoorden bekende Vlamingen dat ze een ‘snelle’ dood willen, op late leeftijd. Snel, zodat ze niet beseffen stervende te zijn. Maar je kunt niet oud worden zonder de dood te zien naderen. Het overlijden van je naasten herinnert je aan je eigen sterfelijkheid.

Juist daartegen bestaat een handig verweer: je kunt de dood altijd als een probleem van de ander beschouwen. Heel wat mensen lijken zo op Ivan Iljitsj, uit Tolstojs roman De dood van Ivan ­Iljitsj. De stervende Ivan voert een gesprek met zichzelf, over wat hij in ‘de logica van Kiesewetter had geleerd: Caius is een mens, mensen zijn sterfelijk, dus Caius is sterfelijk. Dit had hem zijn hele leven alleen juist geleken met betrekking tot Caius, maar absoluut niet tot hemzelf. Het ging daar om de mens ­Caius, om de mens in het algemeen, en dan was het volstrekt juist; maar hij was Caius niet en hij was niet zomaar een mens, hij was altijd volkomen, maar dan ook volkomen anders geweest dan alle andere schepsels.’ Ivan Iljitsj denkt dus dat ‘men’ wel sterft, maar hij hoeft het niet te doen. Tot hij zelf ziek wordt. Hij leert dat elke mens zijn eigen leven moet leiden en zijn eigen dood moet sterven.

Leven en dood hangen met elkaar samen: het ene kan niet zonder het andere. Want leef je wel met meer liefde voor het leven als je erin slaagt om de dood te verbannen? Of spelen verdoving, medicatie, antidepressiva (zelfs lang voor het ­levenseinde) een steeds grotere rol? Enkele maanden voor zijn dood noteert ­Tolstoj in zijn dagboek hoe gunstig hij het ervaart om te weten dat de dood op elk moment kan toeslaan. Je leeft intenser als je de natuurlijke band tussen ­leven en dood niet verbreekt. In heel wat discussies over gezondheid, levenseinde en zelfbeschikking verdwijnt de meer fundamentele verhouding tot de dood en het leven op de achtergrond. Ten ­onrechte.”

Deze column verscheen in De Standaard op 5 december 2019.

“Wanneer ben ik echt vrij om te denken?”, Knack, 12 nov. 2019

Elke week publiceer ik in Knack een tekst in de rubriek ‘de vraag van Tinneke Beeckman’. Ik beantwoord er een moeilijke kwestie.

Eén vraag was – “Wanneer ben ik echt vrij om te denken?

“Vrij denken is moeilijker dan het lijkt. Natuurlijk hoor je om de haverklap over kritische, rebelse, eigenzinnige burgers. Het klinkt goed. Maar vrijdenkers zijn een zeldzame soort. Als je echt vrij wil denken, moet je onderzoeken wat jouw vrijheid in de weg kan staan. Dan bots je op vragen over je levenshouding, de beperkingen van je geest of je relaties tot anderen.

Volgens Immanuel Kant (1724-1804) staan lafheid en luiheid vrijheid en mondigheid in de weg. Het is zoveel makkelijker om denken aan anderen over te laten en gewoon te gehoorzamen! Maar die tijd is voorbij, meent Kant. Hij leefde nog niet in een verlicht tijdperk, maar wel in een tijdperk van de Verlichting. De ambitie om zelf te denken, behoort juist tot de kern van haar project: ‘Verlichting is het uittreden van de mens uit zijn zelf verschuldigde onmondigheid. Onmondigheid is het onvermogen zich van het eigen verstand te bedienen zonder de leiding van een ander verstand te volgen.’ Elke mens beschikt over de rede. Domheid mag geen excuus zijn voor een gebrek aan moed. Sapere aude!, schrijft Kant, ‘durf te denken of te weten’. Hij ontleent de uitspraak aan de Romeinse dichter Horatius: ‘Dimidium facti, qui coepit, habet; sapere aude, incipe.’; wie begonnen is, heeft de helft gedaan. Durf te weten, begin.’ Daarmee geeft Horatius een belangrijke inzicht: je moet beginnen en durven onderweg te zijn; je mag je niet laten ontmoedigen omdat je niet geheel vrij zou zijn.

Filosofen hebben heel wat hindernissen beschreven die inherent zijn aan de menselijke geest. Elke mens heeft vooroordelen en blinde vlekken. Zo kan je doorgaans beter de motieven van anderen inschatten dan dat je je eigen verlangens kent (Spinoza). Je overschat makkelijk de waarde van je eigen kennis (Montaigne). Of je kan je te sterk met je eigen ideeën identificeren; dan vraagt elke aanpassing een hele inspanning. Daarom zijn gesprekken met andersgezinden nodig; als ze slim zijn, zoals Socrates, sturen je ergste denkfouten bij. Stoïcijnen, cynici en sceptici raden aan om tegen jezelf te denken. Zo vermijd je de neiging om de verschillen met anderen nodeloos uit te vergroten, om het beangstigende van de buitenwereld te overschatten of om de wereld op te delen in goede en kwade mensen (waarbij je jezelf natuurlijk als het referentiepunt voor het goede neemt).

Andere obstakels hebben met externe factoren te maken, zoals financiële afhankelijkheid. Je bent overduidelijk niet vrij als je een broodheer moet dienen – vrijdenkers houden zich best ver van partijpolitiek of bedrijven. De baas hoeft zelfs geen expliciete beperkingen op te leggen. Zodra je weet dat je positie afhangt van zijn goedkeuring, dreig je jezelf bij te sturen. Zelfcensuur is zelfs een belangrijke vorm van vrijheidsbeperking. Ze werkt sluipend: als iemand macht over je uitoefent, beïnvloedt dat je oordeel. Je zal sommige vragen of conclusies liever omzeilen. Maar een vrijdenker moet élke vraag, elke conclusie kunnen overwegen, ook de schijnbaar ondenkbare.

Zelfs zonder financiële afhankelijkheid speelt sociale druk een rol. Vrij denken impliceert bovenal de moed om alleen te staan. Dan pas kan je keuzes maken die commentatoren, collega’s, vrienden of buren zouden mishagen. Eigenlijk kan je niemand verwijten conformistisch te zijn, want eenzaamheid is angstaanjagend. Die eenzaamheid werk je als vrij mens onbedoeld in de hand: je confronteert anderen met de grote of kleine compromissen die ze elke dag sluiten. Verwacht geen dankbaarheid.

Vrij denken lijkt me eerder een moment van genade dan een permanente toestand. Je kan het proberen, af en toe lukt het (even). Buitengewone voorbeelden helpen. Enkele passages uit het werk van Mary Wollstonecraft, George Eliot of George Orwell geven me tonnen energie.”

Uitzonderlijk publiceer ik deze tekst uit de hele Knack-reeks – begin november organiseerde het Geuzenhuis ‘De Nacht van de Vrijdenker‘ in de Vooruit in Gent. Tientallen filosofen, wetenschappers en opiniemakers gaven lezingen, deden mee aan debatten, gesprekken of workshops.

“Toen de conservatieven nog gentlemen waren”, column DS, 26 sept. 2019

“De Britse premier Boris Johnson lijdt een zware nederlaag: het Hooggerechtshof heeft zijn poging om zonder parlement te regeren, onwettig verklaard. Het werd al eerder opgemerkt door Ruud Goossens in ‘Boeiende Tijden’: Johnson is geen conservatief in de traditie van Edmund Burke. Hij heeft eerder revolutionaire trekjes. Het bewijsmateriaal voor die stelling werd met dit vonnis nog aangevuld. Johnson wilde het parlement – de House of Commons – lamleggen. Die daad staat haaks op het respect voor de parlementaire traditie. Dat respect weerklinkt in het werk van de conservatief Edmund Burke (1729-1797).

Burke had een afkeer van revoluties. Meteen na de bestorming van de Bastille in 1789 pende hij een vlammend pamflet tegen de Franse Revolutie. De enige revolutie die Burke volmondig goedkeurde, was de zogenaamde ‘Glorious Revolution’ in 1688. En die bestond er precies in dat het parlement de bevoegdheden van de uitvoerende macht (de Kroon) beperkte. Dit versterkte de ‘Bill of Rights’: een burger kan niet berecht of veroordeeld worden zonder onafhankelijke rechtsgang.

Het was geen revolutie zoals we die vandaag de dag begrijpen: er kwam geen gewelddadige volksopstand aan te pas. Het was eerder een machtsstrijd tussen de elite. Maar wel een strijd waarbij het parlement er in slaagde de ambities van een tirannieke heerser te beteugelen. Precies het omgekeerde dus van wat Johnson vandaag de dag beoogt.

Johnsons niet-conservatieve houding valt eigenlijk al langer detecteren: hij gedraagt zich regelmatig ronduit onbeschoft tegenover anderen. En dat hoort niet bij de conservatieve geest, volgens Burke. Hufterigheid hoort natuurlijk bij geen enkele ideologie. Maar Burke geeft aan goede manieren wel een bijzondere plaats in zijn denken: ze zijn een essentieel teken van beschaving. Burke noemde de samenleving van zijn tijd een hoogtepunt van beschaving, omdat ze berust op twee principes: de geest van de gentleman (de aristocratie) en de geest van de religie (de kerk). Vooral Burkes visie op de gentleman is relevant: die moet zich aan strakke sociale tradities en codes houden. Deze codes zijn niet toevallig tot stand gekomen. Ze zijn het resultaat van eeuwenlange ontwikkelingen; ze zijn de verfijnde sociale uitdrukkingen van aangeboren morele instincten.

‘Manners’ zijn daarbij politieke wapens. In een bekende passage van ‘Reflections on the Revolution in France’ beschrijft Burke hoe de ridderlijke code een esthetische ervaring bevat, die allerlei aangename illusies mogelijk maakt: ze doet macht zacht lijken en gehoorzaamheid vrijwillig. Goede manieren zetten de wrede machtsverhoudingen om in ongelijkheden die aanvaardbaar lijken (volgens Burke). Zonder die sociale codes zouden de maatschappelijke hiërarchieën (die dus ook een natuurlijke fundering hebben) niet standhouden.

Vandaar dat individuen niet zomaar het recht hebben om tradities omver te werpen. Dan vernietigen ze de instrumenten die nodig zijn om de sociale orde te bewaren. Vervolgens dreigt de barbarij. Continue Reading ›

“Weglopen van je verantwoordelijkheid – zo wordt de Engelse elite opgevoed”, column DM 20 aug. 2019

Deze column verscheen in De Morgen op dinsdag 20 augustus 2019.

“Weglopen van je verantwoordelijkheid, niet als eenmalige daad, maar als levensstijl, bijna als missie: zo wordt de Engelse elite op privéscholen opgevoed. Een handjevol rijke jongeren slaagt er dankzij die opleiding, met bijhorende netwerken, om de machtigste posities van het land te bezetten. Dat verklaart deels de uitzichtloze ellende van de Brexit: Boris Johnson zelf bezocht het befaamde ‘Eton’, en heel wat kabinetsleden liepen op gelijkaardige instellingen school. Johnson blijft achter een ‘no deal’-brexit staan. Nochtans voorspelt een recent rapport van de Britse overheid maandenlange chaos, stijgende zorgkosten, een harde grens met Ierland en allerlei tekorten. Daarbij wil de Britse regering het vrij verkeer voor EU-burgers afschaffen vanaf 1 november. Kortom, de regering Johnson handelt volstrekt onverantwoord.

Als je de mateloze, haast zelfdestructieve arrogantie van deze lieden wil begrijpen, dan kan je Elizabeth Day’s recente bestseller ‘The Party’ lezen, vertaald als ‘Het Feest’. Het verhaal leest als een thriller – wat is er gebeurd op het chique, extravagante verjaardagsfeestje van Ben Fitzmaurice, een superrijke aristocraat, die de hoogste politieke kringen ambieert? Naast die plot vertelt het boek een veel complexer verhaal, over de onoverbrugbare kloof tussen sociale klassen, privilege en macht. De levensregel voor die elite is eenvoudig: doe wat je wilt, maar verkoop altijd een charmant verhaal, en zorg er voor dat je nooit wordt betrapt. Gebeurt dat toch, wentel dan de nare gevolgen af op anderen.

In Day’s verhaal is vooral Martin aan het woord. Hij groeit op in armoede, met een alleenstaande, kille moeder. Maar hij is bijzonder intelligent, en krijgt een studiebeurs voor zo’n eliteschool. Daar is hij het buitenbeentje. Maar hij slaagt er bevriend te worden met de charismatische Ben. Langzaamaan leert Martin wat dat betekent: de rotzooi van Bens wangedrag voor de buitenwereld toedekken. Ook vrouwen zijn hierbij instrumenteel. Uiteindelijk blijven ze altijd buitenstaanders. Continue Reading ›

“Het lijkt alsof alles wat slecht en lelijk is in België alleen door Vlamingen werd voortgebracht”, column 19 aug 2019

Van 19 tot 24 augustus ben ik gastcolumniste voor De Morgen.

“In zijn startnota voor de vorming van een Vlaamse regering vermeldt Bart De Wever de idee van een Vlaamse canon. Nederland heeft er al jaren geleden één opgesteld voor het geschiedenisonderwijs. Het regende meteen negatieve reacties. Ironisch genoeg illustreerden die vooral dat zo’n canon best nuttig kan zijn.

Zo noteerde Bernard Dewulf geërgerd dat we geen schoonheid uit het verleden moeten bezingen, maar huilen over de tien procent armoede in Vlaanderen vandaag de dag. Dewulf speelt met de door De Wever geciteerde liedregel “’t Zijn weiden als wiegende zeeën”. De argeloze lezer zou in het zinnetje een argument voor een betonstop kunnen lezen, die helaas niet in de nota staat, maar dat is bijzaak. Zolang de armoede niet helemaal is weggewerkt, wil Dewulf niet meezingen. Hij heeft gelijk dat elke procent armoede er een te veel is. Maar hij vergeet dat de geschiedenis de gestage inkrimping van de armoede vertelt. De Vlaamse ellende in de 19e eeuw is vandaag de dag nauwelijks voorstelbaar. Met armoede werd in grote mate komaf gemaakt door politieke en sociale bewegingen; door priester Daens of door de Vlaamse Socialistische Partij rond de Gentse coöperatieve de Vooruit (ook in samenwerking met de Belgische Werkliedenpartij). Deze verhalen tonen wat mogelijk is wanneer mensen zich verenigen en solidariteit vooropstellen. Geschiedenis gaat ook over de kwetsbaarheid, de inspanning, de moed van vorige generaties. Jonge mensen zouden er de kracht kunnen uitputten om die laatste resten armoede weg te werken.

Een ander voorbeeld: commentator Mohammed Ouaamari vraagt zich terecht af of minder fraaie momenten uit de geschiedenis aan bod mogen komen. Natuurlijk gaat geschiedenis ook over schaduwkanten. Maar Ouaamari wil weten ‘of jongeren en nieuwkomers even goed de naam van Léon Degrelle uit het hoofd moeten leren’. Continue Reading ›

“Angst en woede zijn niet noodzakelijk ondemocratische gevoelens”, De Tijd, 2 aug. 2019

“Welk idee mag op de schop? Dat de bijzondere verkiezingsuitslag het gevolg is van woede en angst – en dat zo’n irrationele kiezers weinig consideratie verdienen. Twee ideeën lijken me hier ongegrond: dat wie voor radicale partijen stemt – op links PVDA, op rechts Vlaams Belang – hiervoor geen redelijke argumenten zou kunnen hebben. En dat wie toch nog voor traditionele partijen stemt, wel redelijk zou zijn. Een derde misvatting is dat politici zelf ook rationeler zouden zijn dan kiezers. Dat klopt niet, en wat erger is: sommige politici ontberen leiderschapskwaliteiten, zoals gebrek aan zelfinzicht. Daardoor kunnen ze hun eigen emoties niet goed inschatten.

Angst en woede worden veelal aangehaald om de radicale stem te verklaren. Mensen kunnen best bang of boos zijn, maar dat maakt hun stem nog niet illegitiem. Want die gevoelens kunnen een redelijke grond hebben: er is geen garantie dat verandering een verbetering is. Mensen zijn sociale wezens, en wanneer ze kiezen, denken ze niet alleen aan hun eigenbelang. Een studie van Marc Elchardus wees uit dat mensen wel positief over hun eigen leven denken, maar vrezen dat de samenleving naar de haaien is. De vraag is natuurlijk hoe lang iemand denkt een goed leven te kunnen leiden, in zo’n omstandigheden. Bekommernissen kunnen dus redelijk zijn. Tijdens de verkiezingscampagne werd aangekondigd dat mensen hun woning, energieverbruik of vervoer zullen moeten aanpassen, terwijl ze minder op algemene diensten zoals onderwijs kunnen rekenen. Wanneer een deel van het kiespubliek vervolgens een radicale stem uitbrengt, spreekt hier misschien ambitie uit: het moet beter!

Hiermee wil ik angst en woede als gevoelens in het politieke klimaat niet toejuichen: ze zijn nooit voldoende om tot oplossingen te komen. Continue Reading ›

“De beste leidersfiguren halen vaak de top niet”, column DS, 27 juni 2019

“Heel wat incompetente mannen worden leiders, schrijft professor bedrijfspsychologie Tomas Chamorro-Premuzic in een nieuw boek (25/05 DS). Deze stelling klinkt vrij aannemelijk voor wie regelmatig de televisie aandraait en naar het nieuws kijkt. We volgen te graag mensen die zelfvertrouwen en charisma uitstralen, aldus de professor. Maar vaak overschatten uitgerekend deze mensen hun competenties. We kiezen dus voor narcistische types, die schade berokkenen aan bedrijven en landen.

Vrouwen kunnen ook zo’n overmoedig type zijn, bedacht ik nadat ik het interview had gelezen. Een spectaculair voorbeeld is Elizabeth Holmes, de CEO van het failliete ‘Theranos’. Op 19-jarige leeftijd stopte deze briljante studente met haar studie geneeskunde aan Stanford University, nabij Silicon Valley. Ze richtte een bedrijf op waarmee ze een revolutionaire technologie wilde ontwikkelen: een draagbaar toestel zou uit één druppel bloed honderden ziektes kunnen detecteren. Zo zouden patiënten zelf hun bloedtests kunnen uitvoeren. De gezondheidszorg zou miljarden dollars besparen.

Voor haar sprookje kreeg ze de steun van haar professor, en een hele resem machtige, rijke mannen, waaronder venture kapitalist Tim Draper, oud-ministers Henry Kissinger en George Shultz, en mediamagnaat Ruport Murdoch. Zij investeerden miljoenen dollars in haar project. Holmes’ succesverhaal bracht haar in contact met de Clintons en met de Obama’s.

Haar bedrijf was op zijn hoogtepunt tien miljard dollar waard. Tot de journalist John Carreyrou van de Wall Street Journal enorme fraude begon te ontmaskeren: Theranos had een bloedtest op de markt gebracht die niet werkte, wat mensenlevens in gevaar bracht. Ondertussen belaagden en bedreigden de advocaten van Theranos werknemers die in afschuw het bedrijf hadden verlaten. Daarom kon Holmes jarenlang staalhard blijven liegen.

Opmerkelijk is dat die investeerders miljoenen dollars ophoestten, zonder voorafgaand wetenschappelijk of financieel onderzoek. Zij volgden hun buikgevoel. Holmes leek de perfecte wetenschapper en entrepreneur. Ze beantwoordde aan het plaatje van de goede leider: ze nam risico’s, werkte met passie en lef. Ze straalde van vertrouwen: ‘je moet zelf geloven dat je iets groots kan bereiken’, zegt ze in een interview. Dat bepaalt of je anderen kan overhalen.

Dit lijken leiderschapskwaliteiten, maar ze zijn het niet. Echte leiders houden rekening met anderen, baseren zich op degelijke kennis en staan open voor kritiek. Maar zij halen de top vaak niet. Daarbij speelt een ander verschijnsel: sommige bekwame mensen onderschatten zichzelf. Zij lijden aan het ‘impostor syndrome’, het fraude-syndroom: ze denken dat ze frauderen, dat ze hun positie aan toeval of geluk danken, en dat anderen hen overschatten. Ze worden geplaagd door twijfels, al werken ze integer en toegewijd. Vaak hebben ze weinig zelfvertrouwen, omdat hun werkethos op een zelfkritische houding is gebaseerd. Ze hebben ook zo veel kennis dat ze goed weten dat ze veel dingen niet weten.

Zeer bekwame mensen kunnen dus voeling hebben met hun eigen onkunde. Daarvan hebben incompetent én overmoedige mensen geen last. Zij voelen zich altijd de juiste persoon op de juiste plaats, al volstaat een korte kritische blik om hieraan te twijfelen.

Hoe kan je zo’n incompetente, narcistische types herkennen? Uit Carreyrou’s spannende boek ‘Bad blood. Secrets and lies in a Silicon Valley Startup’ vallen drie tips te distilleren. Continue Reading ›