“Het lijkt alsof alles wat slecht en lelijk is in België alleen door Vlamingen werd voortgebracht”, column 19 aug 2019

Van 19 tot 24 augustus ben ik gastcolumniste voor De Morgen.

“In zijn startnota voor de vorming van een Vlaamse regering vermeldt Bart De Wever de idee van een Vlaamse canon. Nederland heeft er al jaren geleden één opgesteld voor het geschiedenisonderwijs. Het regende meteen negatieve reacties. Ironisch genoeg illustreerden die vooral dat zo’n canon best nuttig kan zijn.

Zo noteerde Bernard Dewulf geërgerd dat we geen schoonheid uit het verleden moeten bezingen, maar huilen over de tien procent armoede in Vlaanderen vandaag de dag. Dewulf speelt met de door De Wever geciteerde liedregel “’t Zijn weiden als wiegende zeeën”. De argeloze lezer zou in het zinnetje een argument voor een betonstop kunnen lezen, die helaas niet in de nota staat, maar dat is bijzaak. Zolang de armoede niet helemaal is weggewerkt, wil Dewulf niet meezingen. Hij heeft gelijk dat elke procent armoede er een te veel is. Maar hij vergeet dat de geschiedenis de gestage inkrimping van de armoede vertelt. De Vlaamse ellende in de 19e eeuw is vandaag de dag nauwelijks voorstelbaar. Met armoede werd in grote mate komaf gemaakt door politieke en sociale bewegingen; door priester Daens of door de Vlaamse Socialistische Partij rond de Gentse coöperatieve de Vooruit (ook in samenwerking met de Belgische Werkliedenpartij). Deze verhalen tonen wat mogelijk is wanneer mensen zich verenigen en solidariteit vooropstellen. Geschiedenis gaat ook over de kwetsbaarheid, de inspanning, de moed van vorige generaties. Jonge mensen zouden er de kracht kunnen uitputten om die laatste resten armoede weg te werken.

Een ander voorbeeld: commentator Mohammed Ouaamari vraagt zich terecht af of minder fraaie momenten uit de geschiedenis aan bod mogen komen. Natuurlijk gaat geschiedenis ook over schaduwkanten. Maar Ouaamari wil weten ‘of jongeren en nieuwkomers even goed de naam van Léon Degrelle uit het hoofd moeten leren’. Continue Reading ›

“Angst en woede zijn niet noodzakelijk ondemocratische gevoelens”, De Tijd, 2 aug. 2019

“Welk idee mag op de schop? Dat de bijzondere verkiezingsuitslag het gevolg is van woede en angst – en dat zo’n irrationele kiezers weinig consideratie verdienen. Twee ideeën lijken me hier ongegrond: dat wie voor radicale partijen stemt – op links PVDA, op rechts Vlaams Belang – hiervoor geen redelijke argumenten zou kunnen hebben. En dat wie toch nog voor traditionele partijen stemt, wel redelijk zou zijn. Een derde misvatting is dat politici zelf ook rationeler zouden zijn dan kiezers. Dat klopt niet, en wat erger is: sommige politici ontberen leiderschapskwaliteiten, zoals gebrek aan zelfinzicht. Daardoor kunnen ze hun eigen emoties niet goed inschatten.

Angst en woede worden veelal aangehaald om de radicale stem te verklaren. Mensen kunnen best bang of boos zijn, maar dat maakt hun stem nog niet illegitiem. Want die gevoelens kunnen een redelijke grond hebben: er is geen garantie dat verandering een verbetering is. Mensen zijn sociale wezens, en wanneer ze kiezen, denken ze niet alleen aan hun eigenbelang. Een studie van Marc Elchardus wees uit dat mensen wel positief over hun eigen leven denken, maar vrezen dat de samenleving naar de haaien is. De vraag is natuurlijk hoe lang iemand denkt een goed leven te kunnen leiden, in zo’n omstandigheden. Bekommernissen kunnen dus redelijk zijn. Tijdens de verkiezingscampagne werd aangekondigd dat mensen hun woning, energieverbruik of vervoer zullen moeten aanpassen, terwijl ze minder op algemene diensten zoals onderwijs kunnen rekenen. Wanneer een deel van het kiespubliek vervolgens een radicale stem uitbrengt, spreekt hier misschien ambitie uit: het moet beter!

Hiermee wil ik angst en woede als gevoelens in het politieke klimaat niet toejuichen: ze zijn nooit voldoende om tot oplossingen te komen. Continue Reading ›

“De beste leidersfiguren halen vaak de top niet”, column DS, 27 juni 2019

“Heel wat incompetente mannen worden leiders, schrijft professor bedrijfspsychologie Tomas Chamorro-Premuzic in een nieuw boek (25/05 DS). Deze stelling klinkt vrij aannemelijk voor wie regelmatig de televisie aandraait en naar het nieuws kijkt. We volgen te graag mensen die zelfvertrouwen en charisma uitstralen, aldus de professor. Maar vaak overschatten uitgerekend deze mensen hun competenties. We kiezen dus voor narcistische types, die schade berokkenen aan bedrijven en landen.

Vrouwen kunnen ook zo’n overmoedig type zijn, bedacht ik nadat ik het interview had gelezen. Een spectaculair voorbeeld is Elizabeth Holmes, de CEO van het failliete ‘Theranos’. Op 19-jarige leeftijd stopte deze briljante studente met haar studie geneeskunde aan Stanford University, nabij Silicon Valley. Ze richtte een bedrijf op waarmee ze een revolutionaire technologie wilde ontwikkelen: een draagbaar toestel zou uit één druppel bloed honderden ziektes kunnen detecteren. Zo zouden patiënten zelf hun bloedtests kunnen uitvoeren. De gezondheidszorg zou miljarden dollars besparen.

Voor haar sprookje kreeg ze de steun van haar professor, en een hele resem machtige, rijke mannen, waaronder venture kapitalist Tim Draper, oud-ministers Henry Kissinger en George Shultz, en mediamagnaat Ruport Murdoch. Zij investeerden miljoenen dollars in haar project. Holmes’ succesverhaal bracht haar in contact met de Clintons en met de Obama’s.

Haar bedrijf was op zijn hoogtepunt tien miljard dollar waard. Tot de journalist John Carreyrou van de Wall Street Journal enorme fraude begon te ontmaskeren: Theranos had een bloedtest op de markt gebracht die niet werkte, wat mensenlevens in gevaar bracht. Ondertussen belaagden en bedreigden de advocaten van Theranos werknemers die in afschuw het bedrijf hadden verlaten. Daarom kon Holmes jarenlang staalhard blijven liegen.

Opmerkelijk is dat die investeerders miljoenen dollars ophoestten, zonder voorafgaand wetenschappelijk of financieel onderzoek. Zij volgden hun buikgevoel. Holmes leek de perfecte wetenschapper en entrepreneur. Ze beantwoordde aan het plaatje van de goede leider: ze nam risico’s, werkte met passie en lef. Ze straalde van vertrouwen: ‘je moet zelf geloven dat je iets groots kan bereiken’, zegt ze in een interview. Dat bepaalt of je anderen kan overhalen.

Dit lijken leiderschapskwaliteiten, maar ze zijn het niet. Echte leiders houden rekening met anderen, baseren zich op degelijke kennis en staan open voor kritiek. Maar zij halen de top vaak niet. Daarbij speelt een ander verschijnsel: sommige bekwame mensen onderschatten zichzelf. Zij lijden aan het ‘impostor syndrome’, het fraude-syndroom: ze denken dat ze frauderen, dat ze hun positie aan toeval of geluk danken, en dat anderen hen overschatten. Ze worden geplaagd door twijfels, al werken ze integer en toegewijd. Vaak hebben ze weinig zelfvertrouwen, omdat hun werkethos op een zelfkritische houding is gebaseerd. Ze hebben ook zo veel kennis dat ze goed weten dat ze veel dingen niet weten.

Zeer bekwame mensen kunnen dus voeling hebben met hun eigen onkunde. Daarvan hebben incompetent én overmoedige mensen geen last. Zij voelen zich altijd de juiste persoon op de juiste plaats, al volstaat een korte kritische blik om hieraan te twijfelen.

Hoe kan je zo’n incompetente, narcistische types herkennen? Uit Carreyrou’s spannende boek ‘Bad blood. Secrets and lies in a Silicon Valley Startup’ vallen drie tips te distilleren. Continue Reading ›

“Hoe links verkiezingen kan winnen”, column DS, 13 juni 2019

“Wie naar de verkiezingsuitslag kijkt, moet besluiten dat linkse partijen een toekomst hebben: partijen die sociale zekerheid, zorg en welzijn voorop plaatsten, wonnen sterk (PVDA en Vlaams Belang). Toch hebben de socialistische partijen in Europa het, door de bank genomen, moeilijk. Hoe komt dat?

In het verleden zijn linkse partijen te veel meegegaan in het individualistische verhaal, terwijl ze de democratie, het soevereine volk, te veel hebben opgegeven. Opkomen voor ieders individuele rechten lijkt een getrouwe interpretatie van de mensenrechten, maar er moet een kanttekening bij. Dit is heel bondig de analyse die Marcel Gauchet ontwikkelt in zijn recent boek over Robespierre. Deze Franse revolutionair redde volgens sommigen de Revolutie na 1789, anderen beschouwen hem als het symbool voor een niemand ontziende Terreur.

Sinds de Franse Revolutie zijn mensenrechten niet meer weg te denken uit het politieke discours. De ‘Déclaration du droit de l’homme et du citoyen’, de ‘Verklaring voor de Rechten van de Mens en de Burger’, zijn het fundament om recht en politieke legitimiteit te begrijpen. De Verklaring onderscheidt de rechten van de mens, en die van de burger. Beide rechten moeten elkaar in evenwicht houden, en dat is een lastige oefening.

Wie alleen de rechten van individuen aanvaardt, ondermijnt de democratische werking; wie alleen de deugden van het burgerschap oplegt, geeft aan niemand individuele vrijheid. Robespierre verdedigde tijdens zijn leven eerst de rechten van het individu; de persvrijheid, de afschaffing van de doodstraf en van de slavernij. Toen streed hij tegen de despotische monarchie. Maar na 1791 verdedigde hij principieel de macht van het volk, de Revolutie, de Staat, tegen de individuele vrijheid. Dit eindigde in de Terreur, en werd zijn ondergang.

In haar terechte afkeer voor totalitarisme, heeft links er dan ook voor gekozen om individuele rechten te verdedigen, eerder dan de idealen van het burgerschap. Op economisch vlak betekende dit de omslag naar een neoliberaal model: individuele initiatieven hebben onbeperkte mogelijkheden in een vrije markt. Maar in zo’n model heerst al snel het recht van de sterkste, en is sociale rechtvaardigheid zoek. In naam van wie of wat kan je tenslotte nog beperkingen opleggen? Om grenzen te stellen heb je een politiek gemeenschapsverhaal nodig. Alleen hebben begrippen als natie, gemeenschap of volk geen politieke betekenis meer. ‘Volk’ slaat hoogstens op wie sociaal wordt benadeeld. En die benadeelden zijn slechts individuen, geen leden van éénzelfde politieke gemeenschap. Individuen willen hun verlangens realiseren, los van een gemeenschap, en eventueel ten koste van die gemeenschap.

Daarom vermeldt de Verklaring ook ‘de rechten van de burger’. Door burgerschap besef je dat je deel uitmaakt van een groep en verkrijg je politieke macht. Wat het politieke zo moeilijk maakt, is dat er altijd een spanning bestaat tussen de individuele rechten en de rol als burger. De politieke gemeenschap geeft democratische rechten, maar kan ook iets eisen: dat je als burger afwijst, wat je als individu verlangt. Dat is wat deugd, ‘vertu civique’, in de klassieke, republikeinse zin wil zeggen. Continue Reading ›

“De fout van Mitterrand”, column DS, 23 mei 2019

“Volgende zondag zijn er Vlaamse, federale en Europese verkiezingen. Aan debatten en reportages geen gebrek. Maar er staan twee olifanten in het kieshokje; ik vraag me af of de kiezer er nog bij kan. De ene olifant weet dat traditionele partijen kiezers kunnen verliezen, maar toch hun positie kunnen versterken. De andere beseft dat stemmen in België altijd een communautair kantje heeft, of je dat wil of niet.

De peilingen voorspellen een ‘zwarte zondag’: het Vlaams Belang zou sterk stijgen. De klassieke partijen – Cd&V, Open VLD en Sp-a –, zouden opnieuw terrein verliezen, terwijl vooral de progressieve partij Groen kiezers wint. Toch is er een paradox: deze klassieke partijen kunnen stemmen verliezen, maar toch versterkt naar de onderhandelingen voor coalities gaan. Dat is een perverse dynamiek. Steeds meer ontevreden kiezers vallen buiten het politieke debat, zeker als je de groeiende groep thuisblijvers en blanco stemmers meerekent. Niets aan de hand, lijkt het. Maar het is de vraag of deze dynamiek op langere termijn geen fiasco creëert. Dat is in Frankrijk bijvoorbeeld al gebeurd.

Vanaf de jaren ’80 benut de socialistische president Mitterrand het tactische voordeel dat een sterkere extreem-rechtse partij oplevert. Hij pleit er voor om Jean-Marie Le Pen vaker op de televisie te laten verschijnen, en hij hervormt het kiessysteem. Dan wint het ‘Front National’, zonder dat het echt kan wegen. Le Pen steelt wel wat stemmen van de centrum-rechtse partijen. Dit is dus strategische winst voor links. Maar dan begint het FN aan een gestage opgang. De machtspartijen houden amper rekening met de grieven van dat electoraat, of met de toenemende groep afwezige kiezers. Dat loopt goed, tot het helemaal fout loopt. Na 2012 dringt het besef door dat het FN – later ‘Rassemblement National’ van Marine Le Pen – de grootste partij dreigt te worden. De enige vraag is nog welke andere partij goed kan scoren, want die wint de presidentsverkiezingen.

Sindsdien domineert het Front National het beleid. Wanneer journalisten in 2015 aan de socialistische president Hollande vragen waarom zijn migratiepolitiek zo weinig genereus is, antwoordt hij niet met principes of ideeën. Neen, in het boek ‘Un président ne devrait pas dire ça’, onthult hij zijn bekommernis: de verdenking vermijden dat hij het Front National nog groter wil maken. Het voormalige strategische spel is geen machtsinstrument meer, maar een obstakel geworden. Ondertussen krimpt het politieke midden: in 2017 slorpt Macrons ‘La République en marche’ de andere centrumpartijen op. Mitterrands gok – succesvolle extremen versterken het midden – is op termijn nefast gebleken. Als de peilingen voor zondag uitkomen, dan mag dit een waarschuwing zijn voor de onderhandelaars van maandag.

Een tweede thema is slechts indirect aanwezig in het debat: de bizarre Belgische constructie. Met de veto’s en wederzijdse dreigementen lijkt de federale regering straks niet gedragen te worden door een meerderheid van de Vlaamse volksvertegenwoordigers. Vorige keer had de regering geen meerderheid aan Franstalige kant. Beide zijn wettelijk toegelaten, maar voelen ondemocratisch.

Kunnen Vlamingen deze keer protesteren? Uiteraard wel. Zeker wanneer de staatsstructuur opnieuw op de agenda staat. Continue Reading ›

“Over Justitie, en de verkiezingscampagne”, in De Afspraak op Vrijdag, 10 mei 2019

Op vrijdag 10 mei was ik  te gast in ‘De Afspraak op Vrijdag’ met Ivan De Vadder, op Canvas.

De andere gasten waren Wouter Beke, voorzitter van CD&V en Karel Verhoeven, hoofdredacteur van De Standaard. We spraken over de tragische moord op Julie Van Espen, en de verantwoordelijkheid van justitie en de politiek. En over de campagne – Hilde Crevits is het boegbeeld van CD&V. Klopt de stelling dat de ‘glazen afgrond’ een rol speelt, zoals Bart Sturtewagen suggereerde in zijn artikel ‘Haalt CD&V 2024 nog wel?‘? En wat betekent het politieke midden, wanneer de politieke uitersten goed scoren?

Over de ‘Glazen Afgrond’ schreef ik het artikel ‘Vrouwen mogen puinruimen‘,  toen Theresa May premier van het Verenigd Koninkrijk werd. En over de terechte woede na de moord op Julie Van Espen, schreef ik een column.

 

 

 

 

 

 

‘Het is perfect redelijk om woedend te zijn’, column DS 9 mei 2019

“‘Julie was op de verkeerde plaats op het verkeerde moment.’ Inderdaad, ze was in België in 2019, waar daders van verkrachting en seksueel geweld doorgaans straffeloos weggeraken. De cijfers spreken boekdelen. In slechts 10% van de verkrachtingen doet het slachtoffer aangifte en daarvan leidt slechts 13,5% tot een veroordeling (let wel: dit betekent niet noodzakelijk een verblijf in de gevangenis). Het is perfect redelijk om hierover woedend te zijn. Het is perfect legitiem om dit onaanvaardbaar te vinden. Het is perfect normaal om magistraten hierop aan te spreken en politici hierop af te rekenen. Want zij dragen een zware verantwoordelijkheid. In een rechtstaat heeft de overheid het monopolie op het geweld. Dit is noodzakelijk om het geweld tussen burgers te vermijden en om een veilige samenleving te creëren. Maar dan moeten de overheidsdiensten wel hun werk doen.

Helaas illustreert deze moordzaak hoe zij hun verantwoordelijkheid afschuiven. De minister wijst naar de onafhankelijke rechterlijke macht; de magistraten verwijzen naar de minister en zijn besparingen, waardoor de zaak aansleepte. Als burger zou ik liever hebben dat beide partijen efficiënter handelen voor de slachtoffers, die in 9 op de 10 gevallen vrouwen zijn. De decennialange achteloosheid rond seksueel geweld grenst aan de medeplichtigheid.

De minister heeft niets aan rechters te zeggen, maar hij heeft wel een beleid uit te stippelen. Hij moest besparen, wat blijkbaar een vlotte rechtsgang en een correcte strafuitvoering verhindert. Wat het wetgevend kader betreft, valt minister Geens enigszins te verdedigen. Hij plande een strafrechthervorming waarin de straf voor verkrachting fors werd verzwaard (van max.5 jaar tot max. 10 jaar). Hij schrapte ook de gunstmaatregel, zodat rechters bij bewezen verkrachting voortaan wel degelijk een straf moeten uitspreken. Ja, ongelooflijk maar waar: zelfs bij bewezen verkrachting gingen beschuldigden soms vrijuit. Een radiopresentator in Gent, bijvoorbeeld. Die verklaarde dat hij erg opgewonden was, waardoor hij een vrouw in zijn studio verkrachtte. De rechter had alle begrip, en dacht dat de man zijn lesje wel geleerd had (welk lesje is onduidelijk). Niet dus, de man sloeg nadien opnieuw toe. Goed, dat zou veranderen. Helaas wordt Geens’ strafhervorming niet doorgevoerd, omdat de regering in lopende zaken is.

Dat brengt me bij de houding van rechters. Magistraten beroepen zich graag op hun onafhankelijkheid, en reageren als door een wesp gestoken wanneer ze kritiek krijgen. Elke burger moet aanvaarden wat magistraten beslissen, klinkt het. Anders komt de rechtstaat in gevaar. Werkelijk? Rechters moeten inderdaad onafhankelijk en onpartijdig zijn. Onafhankelijk wil zeggen dat de rechter zonder politieke of andere druk een oordeel velt. Hij moet vrij van inmenging kunnen beslissen, en mag bijvoorbeeld door niemand geïntimideerd worden. Onpartijdig wil zeggen dat hij geen enkele juridische of andere band mag hebben met de betrokkenen van een rechtszaak. Beide principes zijn inderdaad cruciaal voor een rechtstaat. Maar een onafhankelijke magistratuur betekent helemaal niet dat burgers geen vragen of zelfs eisen mogen stellen aan hun rechters. Vrouwen mogen best eisen dat magistraten beseffen hoe zwaar de gevolgen van zo’n seksuele misdrijven zijn. Lees maar eens wat zo’n aanranding met iemand doet. Op de websites van vrouwenorganisaties, zoals de Vrouwenraad, staan heel wat pakkende verhalen. Rechters moeten de opvolging van zo’n zaken dus ernstig nemen. Verder mogen burgers verwachten dat hun magistraten regelmatig bijkomende opleidingen volgen, bijvoorbeeld om daderprofielen beter in te schatten. Dat is geen inmenging in hun onafhankelijkheid, maar professionalisering.

Met justitie vallen geen verkiezingen te winnen, zeggen commentatoren gewoonlijk. Vandaar dat het departement zo stiefmoederlijk wordt behandeld. Op de koop toe staan slachtoffers vaak alleen en lijden ze in stilte, verpletterd door pijn, verdriet en schaamte. Geen materiaal voor een wervend politiek verhaal, lijkt het. Het wordt hoog tijd dat dit verandert. Dat alle kiezers zich solidair verklaren met de slachtoffers en hun families. Dat ze de hervorming van justitie als thema op tafel houden. Want niemand, geen vrouw, kind of man mag het slachtoffer zijn van iemands brutaliteit.”

Deze column verscheen op donderdag 9 mei 2019 in De Standaard.