“De Vraag van Tinneke Beeckman” in Knack

Vorige week werd mijn wekelijkse column in Knack onderbroken voor uitgebreide berichtgeving over het coronavirus.

Deze week verschijnt de column opnieuw. Elke tekst beantwoordt een persoonlijke, filosofische vraag, zoals ‘Waarom vergeef ik zo moeilijk?’, het thema van deze week. Ik zoek een antwoord met de hulp van Vladimir Jankélévitch, Martha Nussbaum en Seneca.

“Meghan en Harry moeten burger worden”, column DS, 16 januari 2020

“De saga rond Harry en Meghan toont (opnieuw) dat de monarchie een wreed, oubollig instituut is. De aristocratie vertrekt van een ongelijkheid die haaks staat op de democratie, schreef ik hier al eerder (DS). Maar daarnaast speelt de houding van de bevolking. Die staat eerder ambivalent dan welwillend tegenover haar royals. Want wie privileges heeft, wordt pas geliefd indien hij ook opofferingen brengt. Anders mort het volk. Royals die al te vrij, rijk en gelukkig willen zijn, worden makkelijk het doelwit voor negatieve commentaar.

Die ambivalentie is inherent aan de monarchie, maar door de massamedia klinkt ze feller. Ambivalentie betekent dat de monarch zowel met een bijzondere liefde als met een bijzondere strengheid wordt bejegend. De liefde was vroeger zelfs ‘deference’, een onderdanige bewondering. Monarchen kregen bijzondere krachten toegemeten, waardoor ze het land konden beschermen. Mensen geloofden dat de (Franse) koning hen bijvoorbeeld kon genezen door hen aan te raken (aldus Marc Bloch). Dit soort bijgeloof is verdwenen. Daarmee is ook de aanbidding verminderd. Toch is er nog een uitzonderlijk respect; protocollaire regels illustreren dat de monarch letterlijk en symbolisch op iedereen voorrang heeft.

Maar tegenover die liefde staat heel wat dwang. Bij voorrechten horen plichten. Een bijna wreedaardige beperking is dat koningin Elizabeth II nooit mag tonen wie ze is. Tijdens haar ontmoetingen mag ze alleen handjes schudden, glimlachen en neutrale opmerkingen maken. Elizabeth gedraagt zich dan ook afstandelijk. Ze lijkt behept met een Britse ‘stiff upper lip’. Maar haar terughoudendheid is fundamenteler; ze hoort bij de ‘twee lichamen’ van de soeverein; de koningin is een publieke persoon (dit is haar heilige functie) en een private persoon. Als soeverein incarneert ze de ‘body politic’, de staat, de gemeenschap. De koningin is dus een mens. Maar door een heilig ritueel tijdens de troonsbestijging wordt ze méér dan gewoon Elizabeth. Voortaan beleeft ze niet alleen haar persoonlijke leven, maar belichaamt ze een eeuwige functie. Hoe meer de koningin haar persoonlijke karakter – de echte Elizabeth – verbergt, hoe beter ze haar functie uitoefent, en hoe meer macht ze verwerft.

De huidige koningin Elizabeth wordt alom geprezen omdat ze dit al bijna 70 jaar uitstekend doet. In de buitenwereld weet niemand wie ze echt is; Alan Bennett suggereert in de geestige novelle ‘De ongewone lezer’ dat er weinig te kennen valt. Maar dat doet er niet toe. Burgers zien dat de koningin offers brengt. Altijd roept de plicht. Soms ziet ze er een beetje gelukkig uit, maar met mate.

Elke royal die probeert om als persoon naar voren te treden, wordt afgestraft. De gekwelde prinses Diana wilde een hartenkoningin zijn. Ze werd populairder naarmate ze ongelukkiger was. Maar ze gaf ook interviews over haar intieme leven, en met haar scheiding verloor ze haar koninklijke titels. Want de monarchie verdraagt weinig individualiteit.

De bevolking wil dus wel respect opbrengen, maar alleen wanneer royals voldoende inspanningen leveren. Begin jaren ‘90 vond prins Charles zijn romantische geluk belangrijker dan zijn functie; zijn perikelen werden breed uitgesmeerd in de tabloids en door miljoenen mensen gelezen. Tabloids gebruiken het excuus dat royals belastinggeld krijgen. Dit is de moderne formulering van de ruilhandel rond privileges. De generositeit van de bevolking is dus voorwaardelijk; haar respect kan snel in minachting omslaan.

Nu verschijnt Meghan Markle. Ze is een moderne, Amerikaanse vrouw. Ze heeft eigen levensstijl, waarover ze vroeger blogde. Ze reflecteert waarschijnlijk niet over de leer van de twee lichamen van de vorst, maar ze wil hoe dan ook niet in zo’n keurslijf. Ze wil samen met haar man zichzelf zijn, vrij. Dat kan niemand haar kwalijk nemen. Welke hedendaagse mens wil volgens eeuwenoude tradities leven? De vraag is of Harry en Meghan hun koninklijke titels mogen behouden. Misschien lijkt het aanvaardbaar dat ze op die manier financieel onafhankelijk kunnen zijn. Maar dit impliceert een uitverkoop van de koninklijke status, die de monarchie aantast en de kritische media-aandacht niet zal wegnemen. Eigenlijk is er maar één uitkomst; gewoon burger worden.”

Deze column verscheen op donderdag 16 januari 2020 in De Standaard.

‘In het spoor van Ivan’, column DS, 5 dec. 2019

“Hebben we nieuwe euthanasiewetten voor dementerenden ­nodig? De vraag ligt op tafel, onder meer door het partijpolitieke getouwtrek rond een nieuwe federale regering.

Maar het probleem rond de omgang met de dood is fundamenteler dan deze ene kwestie. Hoe rond je het leven af, wanneer je steeds meer mogelijkheden hebt om het te verlengen? Hoe verhoud je je tot de dood, in een cultuur die leven gelijkstelt aan het ideaal om zo lang mogelijk door te gaan?

‘Elke mens heeft een onvervreemdbaar recht op leven, vrijheid en het nastreven van geluk.’ Dat schreef Thomas Jefferson in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring in 1776. Een soortgelijke gedachte inspireert de Franse ‘Verklaring voor de rechten van de mens en de burger’ in 1789. Vanaf de verlichting staan de menselijke waardigheid, gelijkheid en vrijheid centraal in het maatschappelijke streven. Het wetenschappelijke onderzoek dient de collectieve wil om het lot van de mens te verbeteren. Die omwenteling heeft tot spectaculaire resultaten geleid: minder kindersterfte, hogere levenskwaliteit, langere levensduur.

Ondertussen hebben technische ontwikkelingen een ander tijdperk ingeluid: Silicon Valley-miljardairs, zoals Bill Maris van Google, dromen van onsterfelijkheid. Vroeger werden wetenschap en technologie ingezet om een menswaardig leven te garanderen en om armoede en onwetendheid te bestrijden. Nu worden ze ingezet om de strijd tegen de dood zelf te winnen. Elk letsel of ziekte wordt een technisch mankement.

Daarmee wordt de dood naar de achtergrond verwezen. Elke ochtend ontwaakt de westerse mens met de onuitgesproken verwachting dat hij de dag ­levend doorkomt. Vorige generaties hadden dit niet, en miljoenen mensen over de hele wereld hebben het evenmin. Voor hen is het leven broos, de dood altijd nabij. De frêle constitutie van een pasgeborene, het risicovolle moment van de bevalling, een infectie die niet gauw wordt verzorgd, conflicten en geweld: voor veel niet-westerse mensen is het leven elke dag een half wonder.

In het Westen is de afwezigheid van de dood niet alleen een realiteit, ze is een wens. In heel wat interviews antwoorden bekende Vlamingen dat ze een ‘snelle’ dood willen, op late leeftijd. Snel, zodat ze niet beseffen stervende te zijn. Maar je kunt niet oud worden zonder de dood te zien naderen. Het overlijden van je naasten herinnert je aan je eigen sterfelijkheid.

Juist daartegen bestaat een handig verweer: je kunt de dood altijd als een probleem van de ander beschouwen. Heel wat mensen lijken zo op Ivan Iljitsj, uit Tolstojs roman De dood van Ivan ­Iljitsj. De stervende Ivan voert een gesprek met zichzelf, over wat hij in ‘de logica van Kiesewetter had geleerd: Caius is een mens, mensen zijn sterfelijk, dus Caius is sterfelijk. Dit had hem zijn hele leven alleen juist geleken met betrekking tot Caius, maar absoluut niet tot hemzelf. Het ging daar om de mens ­Caius, om de mens in het algemeen, en dan was het volstrekt juist; maar hij was Caius niet en hij was niet zomaar een mens, hij was altijd volkomen, maar dan ook volkomen anders geweest dan alle andere schepsels.’ Ivan Iljitsj denkt dus dat ‘men’ wel sterft, maar hij hoeft het niet te doen. Tot hij zelf ziek wordt. Hij leert dat elke mens zijn eigen leven moet leiden en zijn eigen dood moet sterven.

Leven en dood hangen met elkaar samen: het ene kan niet zonder het andere. Want leef je wel met meer liefde voor het leven als je erin slaagt om de dood te verbannen? Of spelen verdoving, medicatie, antidepressiva (zelfs lang voor het ­levenseinde) een steeds grotere rol? Enkele maanden voor zijn dood noteert ­Tolstoj in zijn dagboek hoe gunstig hij het ervaart om te weten dat de dood op elk moment kan toeslaan. Je leeft intenser als je de natuurlijke band tussen ­leven en dood niet verbreekt. In heel wat discussies over gezondheid, levenseinde en zelfbeschikking verdwijnt de meer fundamentele verhouding tot de dood en het leven op de achtergrond. Ten ­onrechte.”

Deze column verscheen in De Standaard op 5 december 2019.

“Wanneer ben ik echt vrij om te denken?”, Knack, 12 nov. 2019

Elke week publiceer ik in Knack een tekst in de rubriek ‘de vraag van Tinneke Beeckman’. Ik beantwoord er een moeilijke kwestie.

Eén vraag was – “Wanneer ben ik echt vrij om te denken?

“Vrij denken is moeilijker dan het lijkt. Natuurlijk hoor je om de haverklap over kritische, rebelse, eigenzinnige burgers. Het klinkt goed. Maar vrijdenkers zijn een zeldzame soort. Als je echt vrij wil denken, moet je onderzoeken wat jouw vrijheid in de weg kan staan. Dan bots je op vragen over je levenshouding, de beperkingen van je geest of je relaties tot anderen.

Volgens Immanuel Kant (1724-1804) staan lafheid en luiheid vrijheid en mondigheid in de weg. Het is zoveel makkelijker om denken aan anderen over te laten en gewoon te gehoorzamen! Maar die tijd is voorbij, meent Kant. Hij leefde nog niet in een verlicht tijdperk, maar wel in een tijdperk van de Verlichting. De ambitie om zelf te denken, behoort juist tot de kern van haar project: ‘Verlichting is het uittreden van de mens uit zijn zelf verschuldigde onmondigheid. Onmondigheid is het onvermogen zich van het eigen verstand te bedienen zonder de leiding van een ander verstand te volgen.’ Elke mens beschikt over de rede. Domheid mag geen excuus zijn voor een gebrek aan moed. Sapere aude!, schrijft Kant, ‘durf te denken of te weten’. Hij ontleent de uitspraak aan de Romeinse dichter Horatius: ‘Dimidium facti, qui coepit, habet; sapere aude, incipe.’; wie begonnen is, heeft de helft gedaan. Durf te weten, begin.’ Daarmee geeft Horatius een belangrijke inzicht: je moet beginnen en durven onderweg te zijn; je mag je niet laten ontmoedigen omdat je niet geheel vrij zou zijn.

Filosofen hebben heel wat hindernissen beschreven die inherent zijn aan de menselijke geest. Elke mens heeft vooroordelen en blinde vlekken. Zo kan je doorgaans beter de motieven van anderen inschatten dan dat je je eigen verlangens kent (Spinoza). Je overschat makkelijk de waarde van je eigen kennis (Montaigne). Of je kan je te sterk met je eigen ideeën identificeren; dan vraagt elke aanpassing een hele inspanning. Daarom zijn gesprekken met andersgezinden nodig; als ze slim zijn, zoals Socrates, sturen je ergste denkfouten bij. Stoïcijnen, cynici en sceptici raden aan om tegen jezelf te denken. Zo vermijd je de neiging om de verschillen met anderen nodeloos uit te vergroten, om het beangstigende van de buitenwereld te overschatten of om de wereld op te delen in goede en kwade mensen (waarbij je jezelf natuurlijk als het referentiepunt voor het goede neemt).

Andere obstakels hebben met externe factoren te maken, zoals financiële afhankelijkheid. Je bent overduidelijk niet vrij als je een broodheer moet dienen – vrijdenkers houden zich best ver van partijpolitiek of bedrijven. De baas hoeft zelfs geen expliciete beperkingen op te leggen. Zodra je weet dat je positie afhangt van zijn goedkeuring, dreig je jezelf bij te sturen. Zelfcensuur is zelfs een belangrijke vorm van vrijheidsbeperking. Ze werkt sluipend: als iemand macht over je uitoefent, beïnvloedt dat je oordeel. Je zal sommige vragen of conclusies liever omzeilen. Maar een vrijdenker moet élke vraag, elke conclusie kunnen overwegen, ook de schijnbaar ondenkbare.

Zelfs zonder financiële afhankelijkheid speelt sociale druk een rol. Vrij denken impliceert bovenal de moed om alleen te staan. Dan pas kan je keuzes maken die commentatoren, collega’s, vrienden of buren zouden mishagen. Eigenlijk kan je niemand verwijten conformistisch te zijn, want eenzaamheid is angstaanjagend. Die eenzaamheid werk je als vrij mens onbedoeld in de hand: je confronteert anderen met de grote of kleine compromissen die ze elke dag sluiten. Verwacht geen dankbaarheid.

Vrij denken lijkt me eerder een moment van genade dan een permanente toestand. Je kan het proberen, af en toe lukt het (even). Buitengewone voorbeelden helpen. Enkele passages uit het werk van Mary Wollstonecraft, George Eliot of George Orwell geven me tonnen energie.”

Uitzonderlijk publiceer ik deze tekst uit de hele Knack-reeks – begin november organiseerde het Geuzenhuis ‘De Nacht van de Vrijdenker‘ in de Vooruit in Gent. Tientallen filosofen, wetenschappers en opiniemakers gaven lezingen, deden mee aan debatten, gesprekken of workshops.

“Toen de conservatieven nog gentlemen waren”, column DS, 26 sept. 2019

“De Britse premier Boris Johnson lijdt een zware nederlaag: het Hooggerechtshof heeft zijn poging om zonder parlement te regeren, onwettig verklaard. Het werd al eerder opgemerkt door Ruud Goossens in ‘Boeiende Tijden’: Johnson is geen conservatief in de traditie van Edmund Burke. Hij heeft eerder revolutionaire trekjes. Het bewijsmateriaal voor die stelling werd met dit vonnis nog aangevuld. Johnson wilde het parlement – de House of Commons – lamleggen. Die daad staat haaks op het respect voor de parlementaire traditie. Dat respect weerklinkt in het werk van de conservatief Edmund Burke (1729-1797).

Burke had een afkeer van revoluties. Meteen na de bestorming van de Bastille in 1789 pende hij een vlammend pamflet tegen de Franse Revolutie. De enige revolutie die Burke volmondig goedkeurde, was de zogenaamde ‘Glorious Revolution’ in 1688. En die bestond er precies in dat het parlement de bevoegdheden van de uitvoerende macht (de Kroon) beperkte. Dit versterkte de ‘Bill of Rights’: een burger kan niet berecht of veroordeeld worden zonder onafhankelijke rechtsgang.

Het was geen revolutie zoals we die vandaag de dag begrijpen: er kwam geen gewelddadige volksopstand aan te pas. Het was eerder een machtsstrijd tussen de elite. Maar wel een strijd waarbij het parlement er in slaagde de ambities van een tirannieke heerser te beteugelen. Precies het omgekeerde dus van wat Johnson vandaag de dag beoogt.

Johnsons niet-conservatieve houding valt eigenlijk al langer detecteren: hij gedraagt zich regelmatig ronduit onbeschoft tegenover anderen. En dat hoort niet bij de conservatieve geest, volgens Burke. Hufterigheid hoort natuurlijk bij geen enkele ideologie. Maar Burke geeft aan goede manieren wel een bijzondere plaats in zijn denken: ze zijn een essentieel teken van beschaving. Burke noemde de samenleving van zijn tijd een hoogtepunt van beschaving, omdat ze berust op twee principes: de geest van de gentleman (de aristocratie) en de geest van de religie (de kerk). Vooral Burkes visie op de gentleman is relevant: die moet zich aan strakke sociale tradities en codes houden. Deze codes zijn niet toevallig tot stand gekomen. Ze zijn het resultaat van eeuwenlange ontwikkelingen; ze zijn de verfijnde sociale uitdrukkingen van aangeboren morele instincten.

‘Manners’ zijn daarbij politieke wapens. In een bekende passage van ‘Reflections on the Revolution in France’ beschrijft Burke hoe de ridderlijke code een esthetische ervaring bevat, die allerlei aangename illusies mogelijk maakt: ze doet macht zacht lijken en gehoorzaamheid vrijwillig. Goede manieren zetten de wrede machtsverhoudingen om in ongelijkheden die aanvaardbaar lijken (volgens Burke). Zonder die sociale codes zouden de maatschappelijke hiërarchieën (die dus ook een natuurlijke fundering hebben) niet standhouden.

Vandaar dat individuen niet zomaar het recht hebben om tradities omver te werpen. Dan vernietigen ze de instrumenten die nodig zijn om de sociale orde te bewaren. Vervolgens dreigt de barbarij. Continue Reading ›

“Weglopen van je verantwoordelijkheid – zo wordt de Engelse elite opgevoed”, column DM 20 aug. 2019

Deze column verscheen in De Morgen op dinsdag 20 augustus 2019.

“Weglopen van je verantwoordelijkheid, niet als eenmalige daad, maar als levensstijl, bijna als missie: zo wordt de Engelse elite op privéscholen opgevoed. Een handjevol rijke jongeren slaagt er dankzij die opleiding, met bijhorende netwerken, om de machtigste posities van het land te bezetten. Dat verklaart deels de uitzichtloze ellende van de Brexit: Boris Johnson zelf bezocht het befaamde ‘Eton’, en heel wat kabinetsleden liepen op gelijkaardige instellingen school. Johnson blijft achter een ‘no deal’-brexit staan. Nochtans voorspelt een recent rapport van de Britse overheid maandenlange chaos, stijgende zorgkosten, een harde grens met Ierland en allerlei tekorten. Daarbij wil de Britse regering het vrij verkeer voor EU-burgers afschaffen vanaf 1 november. Kortom, de regering Johnson handelt volstrekt onverantwoord.

Als je de mateloze, haast zelfdestructieve arrogantie van deze lieden wil begrijpen, dan kan je Elizabeth Day’s recente bestseller ‘The Party’ lezen, vertaald als ‘Het Feest’. Het verhaal leest als een thriller – wat is er gebeurd op het chique, extravagante verjaardagsfeestje van Ben Fitzmaurice, een superrijke aristocraat, die de hoogste politieke kringen ambieert? Naast die plot vertelt het boek een veel complexer verhaal, over de onoverbrugbare kloof tussen sociale klassen, privilege en macht. De levensregel voor die elite is eenvoudig: doe wat je wilt, maar verkoop altijd een charmant verhaal, en zorg er voor dat je nooit wordt betrapt. Gebeurt dat toch, wentel dan de nare gevolgen af op anderen.

In Day’s verhaal is vooral Martin aan het woord. Hij groeit op in armoede, met een alleenstaande, kille moeder. Maar hij is bijzonder intelligent, en krijgt een studiebeurs voor zo’n eliteschool. Daar is hij het buitenbeentje. Maar hij slaagt er bevriend te worden met de charismatische Ben. Langzaamaan leert Martin wat dat betekent: de rotzooi van Bens wangedrag voor de buitenwereld toedekken. Ook vrouwen zijn hierbij instrumenteel. Uiteindelijk blijven ze altijd buitenstaanders. Continue Reading ›

“Het lijkt alsof alles wat slecht en lelijk is in België alleen door Vlamingen werd voortgebracht”, column 19 aug 2019

Van 19 tot 24 augustus ben ik gastcolumniste voor De Morgen.

“In zijn startnota voor de vorming van een Vlaamse regering vermeldt Bart De Wever de idee van een Vlaamse canon. Nederland heeft er al jaren geleden één opgesteld voor het geschiedenisonderwijs. Het regende meteen negatieve reacties. Ironisch genoeg illustreerden die vooral dat zo’n canon best nuttig kan zijn.

Zo noteerde Bernard Dewulf geërgerd dat we geen schoonheid uit het verleden moeten bezingen, maar huilen over de tien procent armoede in Vlaanderen vandaag de dag. Dewulf speelt met de door De Wever geciteerde liedregel “’t Zijn weiden als wiegende zeeën”. De argeloze lezer zou in het zinnetje een argument voor een betonstop kunnen lezen, die helaas niet in de nota staat, maar dat is bijzaak. Zolang de armoede niet helemaal is weggewerkt, wil Dewulf niet meezingen. Hij heeft gelijk dat elke procent armoede er een te veel is. Maar hij vergeet dat de geschiedenis de gestage inkrimping van de armoede vertelt. De Vlaamse ellende in de 19e eeuw is vandaag de dag nauwelijks voorstelbaar. Met armoede werd in grote mate komaf gemaakt door politieke en sociale bewegingen; door priester Daens of door de Vlaamse Socialistische Partij rond de Gentse coöperatieve de Vooruit (ook in samenwerking met de Belgische Werkliedenpartij). Deze verhalen tonen wat mogelijk is wanneer mensen zich verenigen en solidariteit vooropstellen. Geschiedenis gaat ook over de kwetsbaarheid, de inspanning, de moed van vorige generaties. Jonge mensen zouden er de kracht kunnen uitputten om die laatste resten armoede weg te werken.

Een ander voorbeeld: commentator Mohammed Ouaamari vraagt zich terecht af of minder fraaie momenten uit de geschiedenis aan bod mogen komen. Natuurlijk gaat geschiedenis ook over schaduwkanten. Maar Ouaamari wil weten ‘of jongeren en nieuwkomers even goed de naam van Léon Degrelle uit het hoofd moeten leren’. Continue Reading ›